J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 14

Van Doorn gevangen in de kerker van Loevenstein

R.gif (3351 bytes)eeds eenige dagen waren er sedert Van Doorn’s gevangenneming verloopen, in welken tusschetijds zijne wonden, die door den kundigen heelmeester van Gorichem behoorlijk verbonden waren, hem vergund zouden hebben, te gaan waar het hem goed dacht, indien niet de kleine ruimte van het gevangenhol, waain men hem geworpen had, hem had belet zijne krachten te beproeven. Tevergeefs had hij naar een middel tot ontvluchting omgezien; het nauwe venster of luchtgat, dat aan de slotgracht uitkwam, en met zwaar ijzeren traliewerk voorzien was, benam hem aan deze zijde, zoowel alws de dikke eikenhouten deuren, met breedkoppige ijzeren spijkers beslagen, aan de andere zijde, alle hoop op redding. Zijne wachters te vermurwen, of hen door een som gelds te bewegen hem te laten ontsnappen, was hem niet doenlijk, daar D’Avilar, uitvrees dat hem zijne prooi mocht ontgaan, zelf de sleutels van het gevangenhol bewaarde, en altijd tegenwoordig was, als men zijn gevangene eten bracht, of als de wondheeler hem kwam bezoeken.

Van Doorn had echter de gelegenheid aangegrepen, die zich toevallig had opgedaan om dezen laatste in zijn belang over te halen; doch meester Helleborius, door den slotvoogd verwittigd, dat zijn lijder tot de watergeuzen behoorde, had zijn verzoek gladaf geweigerd; ofschoon hij anders zich naar alle gedachten door diens aanbiedingen of uit medelijden voor den jongen man, wel zou hebben laten overhalen om iets tot zijne redding aan te wenden. Een ijverig Katholiek zijnde, keurde hij diens gevangenneming goed; en ofschoon hij alle zorg voor den gekweste nam, was het verre van hem, dat hij zou hebben willen meewerken om iemand, die zich met de ketters ophield, uit de handen van den rechter te verlossen.

Dus van alle middelen tot ontsnapping beroofd, en geene hoop hebbende zijn noodlot te ontgaan, had Van Doorn voorgenomen, zich niet door een wankelmoedig gedrag in het oog zijner vijanden zelven verachtelijk te maken, maar met mannelijke standvastigheid zijn lot te ondergaan. Niets anders voor oogen hebbende dan het schavot, was hij gereed om, bij zijne terechtstelling, den Spanjaarden opnieuw te bewijzen, dat de Nederlander weet te sterven; ja hij zou zich met een denkbeeld van een geweldigen dood, als het ware, verzoend hebben, indien de gedachte aan zijne geliefde en de vrees voor haar toekomstig lot hem niet in diepen rouw gedompeld hadden.

Hoe scherp de Cerebus echter het hol bewaake, waarin zijn gevangene zuchtte, was het Meijer toch in het einde gelukt, door middel van een dubbelen sleutel, tot de gevangenis door te dringen. Juist was Van Doorn bezig om uit verveling en tot tijdverdrijf de muren te bezien, waarop, hetzij met een spijker of eenig ander puntig werktuig en met houtskool onderscheiden namen en dagteekeningen gegriffeld waren door de gevangenen, die vr hen hier hadden gezucht; hij zocht met aandoening naar de namen der zonen van den heer van Heerwynen, naar die van den voorzitter van Holland, die allen dit hol had verlaten om een smadelijken dood te ondergaan, toen een zacht getik aan de deur, dat hoe langer hoe sterker werd, hem uit zijne mijmering tot zich zelven riep. Zich naar de plaats te begeven, vanwaar het geluid kwam, en te vragen wat men van hem verlangde, was het werk van een oogenblik. Zijne hart zeide hem, dat het mogelijk Anna zou wezen, wie het eindelijk gelukt kon zijn bij hem te komen. Doch de stem van Meijer, die onder de deur zacht tot hem sprak, en hem vroeg, of hij ook iets voor hem kon doen, deed zijne hoop in rook vervliegen. De komst van den eenigen vriend, die hem van dienst kon zijn deed hem echter genoegen, en zich rechtuit op den grond uitstrekkende, vroeg hij eerst naar zijn geliefde. Meijer antwoordde, dat zij al dien tijd niet van hare kamer had mogen komen, daar D’Avilar die gesloten hield, en tegenwoordig was, als Brigitta haar het een of ander bracht; en dat de geestelijke, die van Gorkum gekomen was, door den slotvoogd was teruggezonden geworden, zonder bij haar toegelaten te zijn. Hij berichtte hem tevens de afzending van een bode aan Perea, en bezwoer hem een middel tot zijne ontvluchting te bedenken, eer deze op Loevestein kwam, terwijl hij tevergeefs naar een, dat uitvoerbaar was had omgezien.

Van Doorn zeide hem voor zijne getrouwheid dank en bedacht zich eenigen tijd. Eensklaps kwam hem de vriendschap van Van den Bosch in de gedachten; die, dacht hij, moest en kon hem helpen. De sluier, welke over diens gedrag en handelingen lag, maakte, dat hij hem grooter macht toekende dan hij werkelijk bezat. Zijne bekende stoutmoedigheid zijne nauwe verwantschap met alles en ieder, die de Spanjaarden haatte, de vriendschap van Ruykhaver en het vertrouwen van Oranje, waarmede hij vereerd was, maakten, dat Van Doorn het voor Van den Bosch niet onuitvoerbaar hield, hem op zijne overbrengst naar Heusden of elders, hetzij door list of met geweld, te ontzetten, of hem op de eene of andere wijze te redden; indien deze toch wezenlijk de Boodschapper was, voor wien hij hem steeds bleef houden, dan was dit niet boven diens moed of krachten verheven!

„Indien gij mij in staat kunt stellen om te schrijven, en een brief van mij naar Gorkum kunt brengen, dan ben ik gered,” zeide Van Doorn.

Meijer beloofde zijn best te doen, en verwijderde zich, om door zijn lang uitblijven geen argwaan te verwekken.

Dezelfden middag, toen men Van Doorn het eten bracht, vond hij onder op den bodem van de kan met water, die men hem gaf om bij zijn wijn te gebruiken, een toegestopt fleschje met slechte inkt of eene of andere soort mengsel, doch dat zeer bruikbaar was om te schrijven. Een oogenblik daarna stak Meijer een pen en een stuk papier onder de deur door, dat hij in D’Avilar’s kamer vr uit een boek gescheurd had, terwijl hij beloofde, als het donker was, den brief te halen.

Van Doorn haastte zich om van het weinige licht, dat op dit oogenblik nog in zijn verblijf doordrong, gebruik te maken, vooral nu de dagen zoo kort waren, en legde het papier op den muur voor zijn venstertje. Hij schreef aan Van den Bosch, berichtte hem zijne ongelukkige gevangenneming, en bezwoer hem, indien hij het doen kon, zonder zijn eigen welzijn op te offeren, of het vaderland daardoor te benadeelen, hem te redden, waarna hij vervolgde: „Indien echter uwe vriendschap niet vermag mij te verlossen, en het schavot mij wacht, of mijne vijnden in stilte de handen aan mij slaan, vaarwel dan, Herman! wij zien elkander dan niet meer. Haar echter, die na mijn dood verlaten overblijft, beveel ik u aan; indien het u gelukt haar te redden en De Manilla’s schim te bevredigen, dan ben ik voldaan; wan t niet ongewroken zullen zij mij dan het leven ontnomen hebben.”

Meijer hield woord, en kwam, toen het donker was, om het geschrift te halen, dat Van Doorn hem met een stuk of drie goudstukken onder de deur toestak, hem verzoekende om het een en ander den volgenden morgen, als hij naar Gorichem ging, aan den waar in de Paradijsvogel af te geven, met last om het dadelijk aan Herman Hermanszoon te doen toekomen, en hem te zeggen, dat het leven of de dood van een van Herman’s vrienden, van de spoedige bezorging afhing.

Meijer beloofde het en vertrok, terwijl Van Doorn zich aan deze flauwe schemering van hoop vasthield, en, het oogenblik zijner redding met verlangen te gemoet ziende, zich op zijne onzachte legerstede nederwierp. De anderen morgen bezorgde Meijer den brief; en ofschoon hij van de hulp van dien Hermanszoon, dien hij nooit onder de hoofden der bondgenooten had hooren noemen, niet veel goeds verwachtte, troostte hij zich met de hoop op een goeden uitslag en met de zelfvoldoening zijn plicht gedaan te hebben.

908SR15.gif (1832 bytes)

13e hoofdstukInhoudopgave Oltmans15e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)