J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 17

Meijer ontdekt de vier "monniken".

E.gif (3520 bytes)en oogenblik daarna verkondigde het geluid van voetstappen in de gang, dat er iemand naderde. De deur werd geopend, en Meijer trad binnen. Hij was juist bezig om de deur toe te doen, toen hem de lange, zwarte gestalte des monniks in het oog viel.

Hij verschrikte, en D’Avilar niet ziende, wilde hij terugtreden; doch de Snijder drukte hem met al zijn macht tegen de deur, zoodat hem het ontkomen onmogelijk gemaakt werd.

„Hoe is uw naam,, mijn vriend?” vroeg Van den Bosch, terwijl hij hem met de hand wenkte om naderbij te komen.

„Meijer is mijn naam, om u te believen, eerwaarde vader!” antwoordde deze, terwijl hij nogmaals tevergeefs naar zijn meester rondzag, wiens lijk hij niet zien kon, daar het achter de tafel lag.

„Goed!” hernam Van den Bosch, „dan hebt ge van ons niets te vreesen; wij zijn echter geene monniken; wij hebben deze vermomming slechts aangedaan om binnen het slot te geraken. Mijn naam is Hermanszoon; ik kom hier op Van Doorn’s verzoek en om hem te redden. Wat den slotvoogd aangaat…… hij is reeds dood!”

„Dan zij God zijne arme ziel genadig, en vergeve het hun die hem gedood hebben,” ziede Meijer terwijl het zich kruiste.

„Amen!” hernam Van den Bosch. „Maar zeg mij, waar Van Doorn is, en hoe wij  hem helpen kunnen.”

Jonker Van Doorn zit opgesloten in den kerker, die vooraan in het slot is, antwoordde Meijer, „doch den sleutel daarvan heb ik niet; mijnheer D’Avilar droeg dien meest altijd bij zich, of bewaarde hem ten minste zelf.”

„Zie dan of gij den sleutel vinden kunt,” hernam Van den Bosch, terwijl hij, achter de tafel wijzende, voortvoer: „Daar ligt het lijk van den Italiaan.”

„Vergeef een oud man zijne zwakheid,” zeide Meijer, een traan uit zijne oogen vegende, „ik heb nog nooit een doode beroofd, en wensch zulks niet om mijne jaren aan te vangen; en ofschoon hij een hard meester voor mij was, zoo heb ik toch eenige haren zijn brood gegeten.”

„Het is goed,” antwoordde Van den Bosch, terwijl zijn gelaat een strakke en droefgeestige plooi aannam. „De tijd heugt mij ook nog zeer goed, oude! en het is ook nog zoolang niet geleden, dat mijne handen vrij waren van bloedvergieten; doch,” vervolgde hij bitterlijk, „de Spanjaarden hebben het mij geleerd, en uw meester verstond zich zeer goed op het uitplunderen van iemand, dien hij vermoord had. – Uilenburg! zoek gij den sleutel, dien hij nog naa zijn dood bewaakt.”

Deze knielde achter de tafel neder, en wierp weldra een stuk of drie sleutels daarop, waarvan de grootste, volgens het zeggen van Meijer, die der gevangenisdeur was.

„Hoeveel soldaten zijn er op het slot?” vroeg Van den Bosch.

„De bezetting bestaat uit twaalf man en den Anspessado hun bevelhebber,” antwoordde Meijer, n van hen betrekt op dit oogenblik de wacht; „de anderen slapen of zitten in de wachtkamer.”

„Daar wij te zwak zijn om openlijk te handelen, moeten wij list te baat nemen, vervolgde Van den Bosch; gij brengt hun dus, uit D’Avilar’s naam bevel, zich allen herwaarts te begeven; maar zorg, dat zij hunne vuurwapenen niet medenemen; en om alle verdenking te voorkomen, laat gij den schildwacht op zijn post blijven. Deze kamer is echter niet geschikt om hen te ontvangen; een minder groot vertrek met een sterke deur en vensters met ijzeren staven zou ons beter dienen.”

„Aan de rechterhand van de gang, zooals men de poort inkomt,” zeide Meijer, „is de oude wachtkamer, waarvan men alleen gebruik maakt als de bezetting voltallig is; meermalen heeft D’Avilar hun daar het een of ander gelast, als hij ziekelijk was, of des avonds niet verkoos naar buiten over de valbrug te gaan.”

„Dat is juist hetgeen ik verlangde,” hernam Van den Bosch, „ga nu heen: maar wees bedaard en voorzichtig; ons aller leven hangt er van af; wij moeten den vijand in  het huis laten om hem te vangen; indien hij iets van de toeleg merkt, dat zijn wij mogelijk, en gij zeker verloren. Vergeet niet de deur van de wachtkamer, als zij er in zijn, goed te grendelen en het mij dadelijk te berichten.”

Meijer verwijderde zich daarop, ten einde het waagstuk te ondernemen, van welks uitslag het geluk van Anna, zijn eigen en Van Doorn’s leven afhingen.

Van den Bosch bevestigde de deur, terwijl elk zijner makker een paar zinkroeren onder zijne pij vandaan haalde, ze op de tafel legde en zijn monniksgewaad wegwierp. De dolken of jachtmessen, die zij bij zich hadden, waren te kort, en dus alleen voldoende, als het tot een gevecht moest komen; waarom zij ieder een langen stootdegen van den muur namen, dien tegen den grond drukten, en er met welgevallen de kracht van opmerkten. D’Avilar’s wapenen dienden dus om hen te beschermen, daar Van den Bosch en Uilenburg elk een stormhoed van de wapentrophen, die aan den muur hingen, afnamen, en dien op hun hoofd drukten.

Terwijl zij zich dus tot het ergste voorbereidden, dronken zij ieder nog een beker wijn, zonder dat het een hunner in de gedachten kwam om er een te overvloedig gebruik van te maken, ofschoon zij anders geene vijanden van het edele druivennat waren, en zij wachtten toen bedaard, op hun moed steunende, het gevolg van hunne list af. Ondertusschen opende Van den Bosch een der ramen, stak zijn hoofd naar buiten, en, zoo goed hem zulks doenlijk was, nam hij den afstand tusschen de ramen en het water op, en berekende de breedte der slotgracht.

Het geraas, dat de Spaansche krijgsknechten maakten, deed hen aandachtig luisteren; doch de stilte, die daarop volgde, verkondigde hen het geluken van hunne list, terwijl weldra de stem van Meijer, die begeerde binnengelaten te worden, hen de deur deed openen.

„Zij zijn nu allen in de kamer bijeen, en in uwe macht, en zijn niet bedacht op hetgeen hun boven het hoofd hangt,” zeide Meijer, binnentredende; „hun aanvoerder is echter schoorvoetende gekomen; hij vroeg mij, of ik ook wist wat de slotvoogd te zeggen had, en waarom hij niet alleen, maar zij met hun allen moesten komen. Ik gaf hierop ten antwoord, dat de monniken, zoo ik geloofde, de tijding van een overwinning op de muiters behaald, hadden medegebracht, en dat D’Avilar hun dit wilde mededeelen.”

„Volgt mij dan,” zeide Van den Bosch, terwijl hij de sleutels, die op de tafel lagen, bij zich stak en, gevolgd door zijne medehelpers, het vertrek verliet.

Het eerste dat zij nu deden, was de oude Brigitta in de keuken op te zoeken en haar te binden. Het oude wijf wilde zich te weer stellen, en om hulp roepen, maar ook het gezicht van het rapier, dat Uilenburg haar voorhield, werd zij stil  en liet hen gerust begaan. Daarna begaven zij zich in alle stilte naar de binneplaats.

„Ga met den Snijder naar den schildwacht, en maak u van hem meester,” zeide Van den Bosch tot Uilenburg; „wij zullen u hier wachten; doch loopt zachtjes op de brug.”

Zij gingen, ieder een zinkroer in de linkerhand houdende, zonder iets te antwoorden, heen. Van den Bosch riep hen echter terug en zeide hun: „Alleen als het niet anders kan, schiet of steekt gij hem neder, verstaat gij? er is dezen nacht reeds bloed genoeg vergoten. Gaat nu in Gods naam!”

De duisternis belette den schildwacht zijne bespringers te zien; hij verwachtte ook van binnen geen onheil, daar al zijne makkers op de been waren. Peinzende over hetgeen de slotvoogd toch wel mocht te zeggen hebben, beklaagde hij zich, dat hij alleen genoodzaakt was las een betooverde op zijn post te blijven, zonder dat het hem vrijstond, evenals de overige soldaten, zich vrij te bewegen, zonder te vermoeden, dat hij nog de eenige op vrije voeten was, en dat hij zoo spoedig zou afgelost worden. Hij stapte boven op den muur, die bezijden de poort was, heen en weder. Zijne vijanden beklommen zachtjes de muurtrap, en terwijl hij hun hen rug toekeerde, volgde zij hem snel op de hielen, haalden hem in, vatten hem te gelijk bij den schouder aan en riepen: „Geef u overm of wij schieten u onder den voet.”

Zich aangegrepen voelende, schreeuwde hij, zoo hard hij kon: „Verraad, soldaten! in ’t geweer!” en zocht zich los te wringen; doch toen hij zag, dat het tevergeefs was, en hij de trompen der pistolen voelde, welke hem in den nek gezet werden, gaf hij zich gevangen. Zijne bespringers wisten, dat zijne makkers hem niet konden helpen, anders ware de poging die hij gedaan had om hen te waarschuwen zeker dadelijk het sein geweest tot zijn dood. Nadat zij hem ontwapend hadden, verlieten zij met hem den muur en bonden hem aan de houten leuning der brug vast.

Zoodra dit verricht was, gelastte Van den Bosch op het voorplein hard te schreeuwen, en aan den slotbengel te trekken, waarna hij, gevolgd door de zijnen hard stampende over de brug naar het slot terugliep, en de gang ingaande, riep: „Vivent les Gueux! leven de Geuzen! hetgeen door de zijnen herhaald werd, en Anna en Van Doorn eerst deed verschrikken maar daarna herstelde, toen het door de gewelven heenklonk, dewijl het hun de hoop gaf, dat de bespringers van het slot de overwinning zouden behalen.

Vr de deur der kamer, waarin de soldaten waren opgeloten, hield hij stil, en hief toen met de zijnen nog eens dien kreet aan, terwijl sommigen der gevangenen door de geschreeuw bevrees werden, terwijl anderen vloekten over hunne weerloosheid, en den verrader Meijer den dood zwoeren, als zij hem ooit in handen mochten krijgen.

Van den Bosch opende nu een luikje, dat in de deur was, en hield de monden van zijne zinkroeren er door, ten einde zijn vijanden den lust te benemen om de deur te naderen.

Een kreet van woede verhief zich nu in de kamer; maar de stem van Van den Bosch gebood stilte, en vermaande hen de deur niet te naderen. Mogelijk zouden zij zich aan zijn gebod niet gestoord hebben, indien niet hun bevelhebber, die, als hoorde hij het gerucht rondom hem niet, met de armen over elkander geslagen, in somber nadenken verzonken, bij de tafel stond, met een donderende stem geroepen had: „terug, soldaten!” terwijl hij gramstorig in het rond zag, of er ook n onder hen was, die niet aan zijn bevel gehoorzaamde. Toen zij zich allen achter hem schaarden en een diepe stilte in acht namen, werd zijn gelaat meer opgehelderd. Voldaan over hunne gehoorzaamheid, deed het hem genoegen, dat een enkel woord van hem meer invloed had dan de bedreigingen van zijn vijand. Te trotsch echter om dezen zijn verraad te verwijten, keerde hij zich tot hem, en zeide met een waardigheid, welke men alleen van een Spanjaard kon verwachten: „Nu kunt gij spreken; wat hebt gij te zeggen?”

„Spanjaarden!” dus begon Van den Bosch, „het lot des oorlogs maakt u tot mijne gevangenen, en zal u noodzaken de wapenen over te geven. Ik heb, op last van Prins van Oranje, dit slot ingenomen, en D’Avilar is in mijne macht; ik raad u dus stil te gedragen: de eerste poging tot ontvluchting zou het sein tot uw aller dood wezen; het staat in mijne macht, n voor n door deze openig terneder te blazen; ik zal dit echter niet doen, als gij zelven er mij niet toe noodzaakt. Morgen of overmorgen laat ik u vrij, en help u buiten het slot: meer kunt gij niet verlangen. Dappere soldaten vereer ik, al zijn zij mijne vijanden; daarom wil ik u de vrijheid wedergeven; ik beloof dit op mijn krijgsmanswoord. Alleen de achting voor uw moed is oorzaak, dat ik verkozen heb u door list te vermeesteren, liever dan mij pas gelicht volk tegenover u te stellen.”

„Ik treed in geen gesprek, voordat ik weet, wat er van onzen schildwacht geworden is,” zeide de Amspessado met nadruk.

„Hij is mijn gevangene,” antwoordde Van den Bosch. „Indien gij op uw krijgsmanswoord belooft de deur niet te naderen, dan zal ik hem bij u laten.”

„Ik geef dat,” hernam de andere, terwijl hij aan zijn onderhoorigen beval stil te blijven staan, waarna Van den Bosch, nadat hij de gevangene had laten halen, de deur, een eind weegs opende, en den soldaat binnenliet, die verheugd was weder bij zijne wapenbroeders te zijn.

„Ik wil gelooven, dat gij uwe belofte vervullen zult,” zeide de Anspessado; „wij zullen ons dus rustig houden, totdat Signor Van Doorn, die hier gevangen is, ons verzekert, dat wij u kunnen vertrouwen; een paar kannen wijn zouden mijn volk ondertusschen zeer welkom zijn.”

„Zij zullen u geworden,” hernam Van den Bosch, terwijl hij het luikje weder dichtsloot en den Wapensmid gelastte vr de deur post te vatten.

Zoodra Meijer met de twee overigen uit den kelder was teruggekomen, deed hij den wijn en eenige takkebossen naar binnen geven, om de Spanjaarden hun lot zoo draaglijk mogelijk te maken. Terwijl Uilenburg en de Snijder bezig waren een bank bij de kamerdeur te sleepen, om daar op hun gemak te zitten drinken, nam Van den Bosch een der lantarens, die zij uit de keuken hadden medegebracht, en spoedde zich gevolgd door Meijer naar de gevangenis.

Niets stoorde de eenzaamheid van Van Doorn’s kerker; hij had het gerucht gehoord, dat de soldaten gemaakt hadden, toen zij over de brug gingen; en steeds oplettend, als er iets buitengewoons voorviel, had hij aandachtig geluisterd, niettegenstaande hij zich reeds ter rust had gegeven; doch toen hij het veldgeschreeuw hoorde, dat hij reeds zoo dikwerf zelf had aangeheven, herkende hij de stem van Van den Bosch.

„Herman! gij zijt het!” riep hij, opspringende en naar de deur vliegende, als wilde hij zich bij hem voegen. Doch niet eens vermocht hij de deur, die door de vochtigheid gezwollen was, te bewegen, en als een leeuw, die tevergeefs getracht heeft zijne kluisters te verbreken, zich al brullende weder terneerlegt, zoo wierp Van Doorn zich ook weder op zijne legerstede neder, en hij gevoelde dat zijne krachten nog niet geheel waren teruggekeerd.

Daar hij echter niet wist, dat Van den Bosch het slot door list had vermeesterd, kon hij niet begrijpen, waarom alles stil werd, nadat zijne vrienden binnen het slot waren, en hoe het kwam, dat er niet werd gevochten. Hij kon het dus niet anders uitleggen, dan dat Van den Bosch, ten gevolge zijner edelmoedige poging om hem te redden, was gevangen genomen, en Vivent les Gueux! had geroepen om zijne vijanden te tergen, of om Van Doorn van zijne tegenwoordigheid kennis te geven. De gedachte, dat hij, Anna en Herman,  dus allen gevangen waren, zonder hoop op redding, vervulde hem met droefheid.

Naderende voetstappen braken nu zijne gedachten af; mogelijk wilde men Van den Bosch bij hem in de kerker werpen; zijne vrienden of zijne vijanden kwamen; dit was zeker: hij was dus op alles voorbereid.

Hard krasten de zware ijzeren grendels, toen zij van de deur werden weggeschoven. Tweemaal werd de sleutel in het slot omgedraaid, en telkens hoorde men het terugspringen der veer van het slot, waana de deur geopend werd. Eene sterke lichtstraal van de geopende lantaren verlichtte nu het lage vochtige gewelf; doch Van Doorn, niet meer gewoon aan het licht, dat men hem niet gaf, was genoodzaakt de handen vr de oogen te houden, en het was hem onmogelijk zijne bezoekers nauwkeurig op te nemen. Een oogenblik stonden deze stil, waarna Van den Bosch hem vroolijk toeriep: „Gij zijt vrij, Van Doorn! geef mij de hand en volg mij.”

Door deze woorden gerustgesteld, sprong Van Doorn van zijne legerstede op, en zijn bevrijder hartelijk de hand schuddende, riep hij: „Den waren vriend kent men in de nood; ik verwachtte niets minder van uwe vriendschap, die alleen in staat was mij te redden. Heb dank, Van den Bosch! en indien gij ooit mijne hulp noodig hebt, kunt gij daarop rekenen, al zou het mij ook het leven kosten.”

„Genoeg!” antwoordde deze, „ik deed niet meer dan ik verplicht was te doen; doch laten wij dit verblijf verlaten.” Terwijl Meijer aan Van Doorn berichtte, dat Anna op hare kamer was opgesloten, verlieten zij den kerker.

„Hoe sterk is de krijgsmacht, waarmede gij het slot hebt ingenomen, en waar is D‘Avilar?” vroeg Van Doorn onder het voortgaan.

„Mijne macht,” hernam Van den Bosch lachende, „bestond uit drie man; maar de list kwam bij te baat: de Spanjaarden heb ik allen gevangen. Wat D‘Avilar betreft,” vervolgde hij somber, „den dolk, dien gij mij in het Monnikenhof gegeven hebt, heb ik dezen nacht getrokken; gij zult hem niet levend wederzien; in dezen nacht is een der moordenaars van den vader uwer geliefde gestraft; de andere mag zich gereed houden. Ik zal u nu moeten verzoeken met mij mede te gaan; de Spanjaarden wensche u te zien, en daar zij mij niet kennen, verlangen zij, dat gij borg blijft voor de belofte, die ik gedaan heb, om het los te laten.”

Toen zij aan de wachtkamer gekomen waren, zeide Van Doorn: „Ik verzoek u de deur te openen; hun bevelhebber ken ik, ik kan dus gerust naar binnen gaan.” Van den Bosch voldeed nu aan zijn verlangen, schoof de grendels weg, en Van Doorn, het rapier, dat Uilenburg hem wilde geven, van de hand wijzende, trad ongewapend binnen.

De Anspessado, die zich nedergezet had, stond op, toen hij Van Doorn zag, en zij groetten elkander door het afnemen der hoeden.

„Gij hebt uw verlangen te kennen gegeven om mij te zien, Mijnheer!” zeide Van Doorn beleefd.

„Dit is zoo, Signor!” antwoordde de Spanjaard deftig, „het doet ons steeds genoegen iemand te zien, dien men hoogacht, vooral als het geluk ons niet begunstigt.”

Hier hield hij op met spreken, waarom Van Doorn vervolgde:

„De kans des oorlogs is dezen nacht tegen u geweest; doch zij hergeeft hergeeft mij de vrijheid. Den man die het slot heeft bemachtigd, kunt gij volkomen vertrouwen; hij is bij onze opperhoofden zeer gezien, en ik blijf met goed en leven borg voor hem; want hij is mijn vriend en ik verpand mijne eer, dat hij u en uwe soldaten morgen of overmorgen in vrijheid zal stellen, mist zij hunne wapenen afgeven.”

„Uw woorden is mij genoeg, jonkman!” hernam de andere, „ik geef mij gevangen, maar zal de slotvoogd mede uittrekken?”

„Dat geloof ik niet,” antwoordde Van Doorn, na zich een oogenblik bedacht te hebben: „ik denk, dat hij voor alsnog op het slot zal blijven.”

„De Italiaan heeft ook niets gemeens met mij en mijne soldaten,” hernam de Anspessado, waarna hij zich tot zijne soldaten keerde, en met een forsche stem riep:

„Soldaten! richt u!” Zij schaarden, zich dadelijk in orde.

„Soldaten! legt uw zijdgeweer af!” Zij namen hunne stootdegens uit de draagbanden.

„Soldaten! geeft uw wapens over!” Deze, gewoon aan de stem, die tot hen sprak, te gehoorzamen, brachten n voo n hunne wapens naar de deur en gaven ze aan hunne vijanden over, ofschoon men zien kon, dat het hun veel kostte er van te scheiden.

Nadat zij ongewapend weder in het gelid waren teruggetreden, riep hun bevelhebber, ofschoon minder forsch dan te voren: „Soldaten! gij zijt gevangen; ik dank u voor de gehoorzaamheid aan mijne bevelen.”

Terwijl zij zich weder nederzett’en, vervolgde hij: „Nu heb ik slechts mij zelven nog te ontwapenen, en dan zijn wij uwe gevangenen in naam en inderdaad.”

Dit zeggende nam hij den degen van zijne zijde, en gaf hem Van Doorn over; doch deze, beseffende hoe pijlijk zulk een oogenblik voor den krijgsman is, nam hem niet aan, maar zich buigende, zeide hij: „Vergeef mij, Mijnheer! hi is in goede handen; uw woord is ons genoeg, geef mij uwe hand.”

De Spanjaard reikte hem die, en haar hartelijk drukkende, zeide hij: „Vaarwel!” en riep, terwijl Van Doorn hem groette, en het vertrek verliet: „Waar zijn de tijden, toen ik onder Egmond bij St. Quitin de Franschen hielp te verslaan? Helaas! waarom vecht de Hollander met den Kastiliaan niet meer onder n banier?”

Toen Van Doorn bij Van den Bosch kwam, zeide deze: „Maar het wordt tijd, mijn vriend! dat gij uwe schoone jonkvrouw gaat verlossen; ik heb dit met opzet voor u overgelaten, daat gij beter zult weten dan ik, waar gij haar zoeken moet.”

Dit zeggende, gaf hij hem een der sleutels, die hij bij zich had gestoken, stelde hem de lantaren ter hand, en verwijderde zich snel, terwijl hij hem nog lachende nariep: „Maak het niet te lang, ik verwacht u spoedig beneden met de jonkvrouw, die ik nieuwsgierig ben te zien; want de monstering van mijne bezetting zal mij niet lang bezighouden.”

908SR15.gif (1832 bytes)

16e hoofdstukInhoudopgave Oltmans18e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)