J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 18

Anna bidt op haar bidstoel tot de Alllerhoogsten

O.gif (3650 bytes)ok Anna had het gerucht gehoord; ook zij had reeds bijna alle hoop op redding opgegeven; zij wist niet, dat de dankbaarheid en het vertrouwen, dat de Spanjaarden in hem stelden, Van Doorn verhinderden aan de stem der liefde, die hem naar haar toedreef, dadelijk gehoor te geven.

Zoodra zij door het gedruisch gewekt werd, stond zij of, kleedde zich aan, zoo goed zij dit in het donker doen kon, en wachtte met geduld op het openen der deur; doch toen alles weder stil werd, riep zij: „D’Avilar overwint, Van Doorn! wij zijn verloren.” Zich nu op haar bidstoel nederwerpende vr de plaats, waar zij gewoon was de hulp des Allerhoogsten af te smeeken, bleef zij geknield, met het hoofd op hare beide handen rustende, door smart overwonnen, onbeweeglijk liggen, terwijl het verdriet haar ongevoelig maakte voor hetgeen rondom haar voorviel.

Zachtjes naderde Van Doorn het vertrek, en draaide den sleutel in het slot om, opende de deur en trad behoedzaam binnen om Anna niet te verschrikken. Sterk klopte zijn hart; want nog nooit was het hem toegestaan geworden dit heiligdom te betreden. Zijn blik drong zoekend door het vertrek, terwijl hij de lantaren boven zijn hoofd verhief; maar hij zag zijn geliefde niet. Zacht naderde hij dus het rustbed, waarvan de gordijnen dicht toegeslagen waren. Reeds stak hij de hand uit om het hinderlijke behangsel weg te schuiven, dat hem belette Anna te zien; de gedachte echter, dat het onvoegzaam, en zij er mogelijk over verstoord zou zijn, deed hem besluiten haar te roepen; maar het genoegen van het geliefde meisje, dat hi in zoolang niet gezien had, in den slaap te beschouwen, kwam hem voor als het grootste geluk, dat hem te beurt kon vallen. Tevergeefs zocht hij zijn verlangen te bedwingen; de liefde behield de overhand, en het licht op den grond plaatsende, opdat het de slapende niet in de oogen zou schijnen, sloeg hij de gordijnen op, Doch het bed was ledig, het opengeslagen dekkleed verried echter, dat het beslapen was geworden.

Door deze teleurstelling ternedergeslagen, liet de gordijnen nedervallen en riep luid: „Anna! Anna! waar zijt gij?” Maar niemand antwoordde hem. Eensklaps kwam de gedachte in hem op, of misschien Perea zich reeds van haar had meester gemaakt, en hij stampte woedend met den voet; doch Meijer’s verzekering, dat Anna op hare kamer was, stelde hem gerust, en deed hem besluiten alle hoeken nauwkeurig te doorzoeken.

In den hoek vna het vertrek, achter het rustbed, ontdekte hij nu spoedig haar, naar wie hij tot nog toe tevergeefs gezocht had. „Anna! ik ben vrij!, – ik ben hier!” riep hij, naar haar toesnellende; maar zij antwoordde niet; als dood lag zij daar. Naast haar neder te knielen, en haar in zijne armen te nemen, wat het werk van n oogenblik; doch zij kreeg haar bewustzijn nog niet weder. Hij stak dus zijne hand in het wijwatersbakje aan den muur, en besprengde haar bleek gelaat met het koude water; het was datzelfde van gezondheid bloeiende meisje niet meer, dat hij weleer gekend had; maar, ofschoon door de droefheid ternedergedrukt, bleef zij nog aanbiddelijk schoon. De fraaie en dikwijls prachtige kleeding, waarin hij haar meestal gezien had, kon echter hare schoonheid niet opluisteren; neen, het eenvoudige, witte nachtgewaad, dat zij aanhad, maakte haar bevalliger in zijn oog, en liet hem het gezicht vrij van bekoorlijkheden, die hij tot nog toe slechts had kunnen gissen, terwijl hare zachte leden door geen ijzeren keurslijf zijne omarming terugwezen.

Het koude water deed haar bijkomen, en een schier onmerkbare beweging van het schoone gelaat verkondigde hem, dat haar bewustzijn terugkeerde; een zachte gloed kleurde hare wangen; hare oogen openden zich gedeeltelijk, en door hare oogharen heen zag zij vragende in het rond.

„Karel! zijt gij het?” lispelde zij zacht; doch deze, die de verandering met alle opmerkzaamheid en in stille verrukking had aangezien, verhinderde haar om voort te gaan, daar hij haar aan zijn hart klemde en een kus op de lippen drukte. Een hoog rood kleurde hare wangen en haar hals; maar zij wees hem niet terug; ook zij gevoelde in dit oogenblik het geluk haar minnaar weder te zien en in zijnen armen te rusten. Toen Van Doorn echter voortging haar met kussen te bedekken, ontwond zij zich zacht uit zijne armen, terwijl zij met hare kleine zachte hand zijne liefdeblijken afwees. „Laat af, Karel!” zoo sprak zij, het gevaar van hare standplaats door hare maagdelijke beschroomdheid beseffende, terwijl zij, door hem geholpen, opstond, en in een leunigstoel ging zitten; „uwe liefde is mij bekend, waarom de oogenblikken, waarin wij elkander wederzien, niet nuttiger besteed?”

„En hoe had ik dit beter kunnen doen, dan ik gedaan heb, lieve Anna!” antwoordde Van Doorn, terwijl hij zich naast haar nederzette. Hij kreeg hare lange haarlokken, die losgegaan waren, met zijne hand van haar voorhoofd weg, en zag haar met van liefde fonkelende oogen aan, zoodat zij, zijn blik niet kunnende verdragen, de hare blozend nedersloeg.

Doch waarom hier langer vertoefd? waarom langer het minnende paar bespied, dat elkander hun wedervaren, en den angst door hen uitgestaan, mededeelde? Zeker zouden zij Van den Bosch en zijn verzoek vergeten, en tot den morgen,in elkanders bijzijn, hier gelukkig vertoefd hebbe, had niet de stem van Meijer,die, gevolgd door Brigitta, het vertrek binnentrad, Van Doorn aan zijne belofte herinnerd. Van Doorn begaf zich nu met Anna naar beneden, terwijl hij Meijer met het wijf, dat met nijdige oogen de opgeruimdheid der jongelieden aanzag, in het vertrek achterliet.

908SR15.gif (1832 bytes)

„Schoone jonkvrouw!” dus begon Van den Bosch, nadat Van Doorn Anna aan hem had voorgesteld, en zij met opmerkzaamheid haar redder had gadegeslagen, „vergeef mij, dat ik u door Meijer heb laten roepen; ofschoon mijn vriend zeker zijn tijd niet aangenamer zal kunne doorbrengen, zal hij hem echter nuttiger kunnen besteden; wees zoo goed mij aandachtig aan te hooren.”

Zij gingen zitten, terwijl Anna tusschenbeide angstig naar een hoek van het vertrek zag, alwaar een mantel op den grond uitgespreid lag, en waaronder zij vermoedde, dat het lijk haars voogds verborgen was; want, ofschoon Van Doorn diens dood had verborgen gehouden, zoo zeide haar een geheim voogevoel, dat zij voor altijd van zijne voogdij was ontslagen.

„Van Doorn!” zeide Van den Bosch, hem een beker wijn toereikende, „nu ik het meisje gezien heb, dat gij wenscht te trouwen, en hetwelk, ofschoon ik geen fijn kenner der schoonheid ben, toch de bevalligste vrouw is, die ik ooit zag,” – hier sloeg Anna hare oogen neder, terwijl Van Doorn hare hand aan zijne lippen drukte, – „kan ik u niet van dwaasheid beschuldigen dat gij u roekeloos in gevaar hebt gegeven; neen, uwe begeerte om haar te zien komt mij natuurlijk voor. Om u en haar te redden, ben ik hier gekomen; doch dit voornemen is nog slechts half ten uitvoer gebracht; gij moet nog beiden in dezen nacht van hier; wat mij betreft, ik blijf op Loevestein.”

„En waarom gaat gij niet mede?” vroeg Van Doorn verwonderd; „wat kan u bewegen hier te blijven?”

„Hoor,” zeide Van den Bosch, „zoodra ik uw brief ontving, begaf ik mij naar den graaf Van den Berg, die mij reeds lang gelast had, om, indien zich daartoe de gelegenheid aanbood, mij van Loevestein meester te maken; ik bewoog hem nu om dit niet langer uit te stellen, terwijl ik hem zeide, dat er zich nooit weder zulk een schoone gelegenheid  zou opdoen. In het eerst had hij er geene ooren naar; het vergevorderde jaargetijde schrikte hem af; de noodzakelijkheid echter, die ik gevoelde u te redden, voordat Perea terug kwam, maakte mij welsprekend. In n woord, hij besloot aan mijn verzoek gehoor te geven, en heeft beloofd mij spoedig met een genoegzaam aantal krijgsvolk te ondersteunen, terwijl ik aannam een poging te wagen om het slot bij verrassing in te nemen. Ik verwacht nu alle oogenblikken hulp van buiten; dus is het mij niet mogelijk heen te gaan; ik moet het krijgsvolk ontvangen en het slot voor den Prins bewaren. Op die wijs heb ik u gered en een vast punt voor het vaderland gewonnen, waardoor ik meester ben van de rivier, en Gorkum en Woerkum in bedwang kan houden, binnen welke steden ik, door behulp van den gewezen burgemeester Van den Heuvel, een uitgebreide verstandhouding heb.”

„Hadt gij geweten, dat uwe list gelukken zou,” zeide Van Doorn, „dan hadt gij om geen krijgsvolk behoeven te vragen; gij zoudt nu kunnen gaan, waar gij het goed vondt, en waarom zulks nog niet gedaan?”

„Omdat mijn woord mij heilig is,” hernam Van den Bosch; „indien men mij niet had binnengelaten, zou ik getracht hebben het slot met geweld in te nemen, of u op een andere wijze te bevrijden; daarvoor had ik de soldaten noodig. Voor het overige is het mijn vast besluit.”

„Dan blijf ik ook hier;” hernam Van Doorn, „er zal zich wel een gelegenheid opdoen om Anna in veiligheid te brengen; ik laat u met uwe zwakke macht hier niet alleen achter.”

„Is dat dan de dankbaarheid voor hetgeen ik dezen nacht voor u deed,” zeide Van den Bosch op een scherpen toon, „vergeet gij uwe wonden, of hebt gij zooveel verbeelding van uwe krachten, dat gij alleen denkt dit gebouw voor gevaar te kunnen behoeden? indien men het slot met storm vermeestert, eer het krijgsvolk komt, dat sterft gij met mij; en zoodra het eerst hier is, heb ik uw arm niet noodig. Weet, dat ik morgen uit Gorkum en het omliggende land voorloopig eenige hulp kan krijgen, tot het krijgsvolk hier komt. gij offert dan uw meisje, dat zeker zonder u niet zal vertrekken, moedwillig op, en stelt haar bloot aan het gevaar een belegering te moeten verduren. Jonker Van Doorn!” vervolgde hij bitterlijk, „is dit uwe vriendschap, is dit liefde?”

„Ik ga niet alleen,” zeide Anna, door de woorden van Van den Bosch opmerkzaam gemaakt, welke met opzet die snaar had aangeroerd, terwijl zij Van Doorn’s hand nemende, en hem met tranen in de oogen aanziende, vervolgde: „Hoor naar den raad van uw vriend, en stel mij en u zelven aan geen onnoodig gevaar bloot; of wilt gij mij in Perea’s handen overleveren? blijf dan hier.”

Nog was Van Doorn besluiteloos; noch de smeekingen van Anna, noch de verstoordheid van Van den Bosch konden opwegen tegen de stem der vriendschap, die hem tot blijven noopte. Doch de gedachte, dat hij evenals Van den Bosch zou gehandeld hebben, deed hem zijn besluit nemen, en hem de hand toereikende, zeide hij; „Met u te overwinnen of met u te vergaan, zou mijn grootste wensch geweest zijn, mijn vriend! indien gij echter wilt, dat ik gaan zal, welaan, ik zal aan uwe verlangen voldoen.”

„Ik wachtte niets minder van u,” hernam deze, „en het doet mij genoegen, dat gij aan de rede gehoor geeft. Verneem dan nu ook iets, dat weldra geen geheim meer zijn zal,” vervolgde hij, terwijl hij opstond, en den stormhoed, die op tafel lag, op zijn hoofd drukte: „Ik ben de Boodschapper!”

„El Emisario,” herhaalde Anna zacht, en wierp terugtredende, een vreesachtigen blik op den man, van wien zij zooveel gehoord had, terwijl Van Doorn opnieuw zijn hand vatte, en uitriep: „Ik had dit reeds lang vermoed mijn vriend!” en Anna aanziende, vervolgde hij: „Zijt gij bang, Anna?”

Deze, beschaamd over hare vrees, trad naar Van den Bosch toe, en hem blozend hare hand reikende, zeide zij: „O, neen Karel! uw vriend en mijn redder boezemt mij geen vrees in.”

„Het is wel, mijne kinderen! het is te veel,” vervolgde Van den Bosch, zijne beide handen, die zij vasthielden, terugtrekkende, om een traan van aandoening, die zijn mannelijk oog ontrolde, weg te wisschen. „Het kost mij veel van u te scheiden; doch laten wij gaan! Meijer wacht ons reeds buiten aan de rivier; het weder is een weinig bedaard; gij kunt u dus zonder schroom op het water wagen; de vorst zal echter spoedig het bevaren van de rivier onmogelijk maken.”

Van den Bosch ging vooraan, terwijl Anna, die nog eens haar oog op den mantel, die in den hoek lag, vallen liet, op van Doorn’s arm leunende en hem volgde. In de gang gekomen zijnde, gebood Van den Bosch aan Uilenburg hen te vergezellen en hen de poort uit te laten.

Over de brug bleven Anna en Van Doorn onwillekeurig stilstaan, toen zij over den Leeuwensteen traden; het oogenblik zijner gevangenneming kwam hem voor den geest, terwijl hij de lafheid des schippers vervloekte, die oorzaak van hun ongeluk was geweest. Anna zeide, dankend, haar oog ten hemel slaande: „Heilige moeder Gods! gij hebt aan mijne gebeden gehoor gegeven.”

Toen Van den Bosch hunne schreden niet meer hoorde, bleef hij stilstaan, en denkende, dat zij over het weer raadpleegden, zeide hij: „Het is goed, dat de hagel en de sneeuw niet meer vallen: de oostenwind moge u een weinig hinderen, maar des te eerder zult gij de plaats uwer bestemming bereiken.”

Toen zij de poort uittraden, gaf Uilenburg Van Doorn de hand, en zeide: „Goede reis, Mijnheer!”

„Vaarwel vriend!” hernam deze, en zij gingen naar den Waalkant.

Hier lag de boot, die gewoonlijk gebruikt werd om van de stad het benoodigde voor het slot te halen; Meijer hield er de wacht bij. Toen zij deze genaderd waren, zeide Van den Bosch:

„Ik heb door Meijer de noodigste kleederen der jonkvrouw in de boot laten brengen; den lederen zak, dien gij er insgelijks onder zult vinden, zij de papieren, die ik uit D’Avilars schrijflade genomen heb, en onder welke Meijer denkt, dat er vele zijn, die de bezittingen van de jonkvrouw betreffen. terwijl ik haar in de boot help, verzoek ik u de wapenen aan te nemen, die Meijer voor u gereed houdt.”

Hier hielp hij Anna in de schuit, sloeg haar een grooten mantel om, en plaatste haar zoo gemakkerlijk mogelijk, terwijl hij zacht tot haar zeide; „Anna! mijn verblijf op het slot is gevaarlijker dan ik gezegd heb; Van Doorn weet dit zeer goed, en zal mogelijk trachten mij spoedig te hulp te komen. zijne tegenwoordigheid kan echter het onweder dat weldra boven mijn hoofd te zamen zal pakken, niet verdrijven, ik verzoek u dus van uw invloed op hem gebruik te maken, en hem zoo lang mogelijk bij u te houden. Ja, indien ik iets over u te zeggen had, zou ik het u bevelen; ik zie u waarschijnlijk voor het laatst; gij zult mij mijne laatste bede niet weigeren.”

„Gij bedroeft mij,” antwoordde Anna aangedaan, en reikte hem de hand: „ik zal trachten te doen, hetgeen gij van mij verlangt; doch hij zal naar mijne stem, zoo ik vrees, niet lang luisteren.”

„Ik dank u,” hernam Van den Bosch, terwijl hij hare zachte hand aan zijn gebaarden mond drukte; „een paar dagen vertoevens kan hem redden; maak zijn vriend gelukkig!”

Van Doorn trad nu met een degen op zijde mede in de boot, legde zijn zinkroeren voorzichtig op de voorbank neder, en verborg een vuurroer en een zakje met lood en kruit onder de banken.

„Vaarwel vriend!” zeide Van den Bosch, en drukte zijne hand met beide handen: „onze vriendschap heeft slechts kort bestaan, maar was daarom niet minder warm. Wanneer gij Ruykhaver ziet, breng dan de groetenis van den Boodschapper, – het zal zeker de laatste zijn.” vervolgde hij zoo zacht, dat Van Doorn hem niet kon verstaan.

„Vaarwel dan, Herman! vaarwel!” zeide deze, „mijn hart is te vol; ik kan niet spreken; ik bid u, laat mij bij u blijven.”

„Dat kan niet!” antwoordde hij, terwijl hij zich van hem losscheurde en en op den wal sprong. Hierop stiet hij de boot, die Meijer reeds had losgemaakt, met den voet af.

„Waar vind ik u dan weder, vriend?” vroeg Van Doorn.

„Op Loevestein,” antwoordde Van den Bosch, tewijl zij reeds door den stroom werden medegevoerd.

„En waar, als de Spanjaarden trachten het slot te vermeesteren en de hulptroepen niet komen?” vroeg Van Doorn somber.

Toen klonk de stem des Boodschappers, die bijna niet meer zichtbaar was, over het water hun tegen, terwijl hij het woord „Loevestein”, herhaalde.

„Dan zie ik hem niet weder,” riep Van Doorn, zich met de hand voor het hoofd slaande, en wierp zich geheel ontmoedigd naast Anna neder.

908SR15.gif (1832 bytes)

17e hoofdstukInhoudopgave Oltmans19e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)