J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 19

Van Doorn en Anna verlaten Loevestein terwijl Van den Bosch (De Boodschapper) achterblijft.

T.gif (3300 bytes)erwijl zij dus de Boodschapper achterlieten, dreef de stroom hen snel de rivier af. Voorbij het slot gaf de vereeniging de Maas met de Waal er nog meer kracht aan, en deed Loevestein in het duister al spoedig minder zichtbaar worden, tot het zich eindelijk geheel in den nacht verloor, terwijl Meijer met behoedzaamheid de boot achter om den Galgenwaard stuurde. Toen zij den in de rivier vooruitspringenden toren BourgondiŰ van het slot van Gorichem en ook de stad achter den rug hadden, en de schildwachten die op de wallen geplaatst waren, hen gelukkig niet bemerkten, vroeg Van Doorn aan Meijer: „Waar voert gij ons heen?”

„De krijgsman, die u gered en het slot overmeesterd heeft, Mijnheer!” dus antwoordde deze, „heet mij gelast, u naar Papendrecht te brengen; van daar zal het u gemakkelijk zijn, de jonkvrouw in een der groote steden van Zuid-Holland te brengen, en zooals hij mij zeide, waart gij  ook dicht bij de plaats uwer bestemming.”

Hierna verzonk Van Doorn weder in zijn somber stilzwijgen, boog zich voorover en verborg zijn gelaat in zijn mantel. Anna, die zijne droefheid eerbiedigde, rekende zich niet beleedigd, dat hij niet tot haar sprak, en dat hij meer smart scheen te gevoelen door zijne krijgsmakkers te moeten achterlaten dan vreugde door haar bijzijn te genieten.

Eenigen tijd daarna richtte Van Doorn het hoofd op, en zeide: „Anna! ofschoon de tegenwoordigheid eener aangebeden vrouw meest altijd in staat is om den mand zijn leed te doen vergeten, zoo zijn er toch ook oogenblikken waarin de schoonheid en de liefde hare kracht verliezen: dit was met mij het geval; doch daar de man steeds zich zelven moet gelijk blijven, zoo zal ik dit ook doen, en mijne zwakheid is geweken. Hj verlangde, dat ik vertrekken zou; ik heb het gedaan, mij voorbehoudende om terug te keeren; zijn moed en zijne stoutheid geve mij nog hoop. Maar als hij valt, als het noodlot het wilde, en het ook Gods wil was, dat mijn vriend zijne laatste zending volbracht had, wan dan hun die dit zullen veroorzaken! want zegevierend zal de Boodschapper vergaan; het Monnikenhof en de Peel zijn mij daarvoor borg.” Hierop zijn arm om haar heenslaande, vervolgde hij: „Maar nu, Anna! dienen wij om u te denken. Zeg mij , of gij in Dordrecht of in Gouda ook iemand kent, bij wien ik u in veiligheid zou kunne brengen.”

Anna antwoordde; „Helaas, neen! mijne moeder, die, zooals gij weet van Utrecht geboortig was, heb ik reeds jong verloren; maar nooit heb ik gehoord, dat zij hier of daar betrekkingen had. Ik heb dus niemand in de wereld dan u, mijn vriend! bij u bevind ik mij zoo gelukkig, bij u wil ik steed blijven.”

„Dat kan niet Anna!” zeide Van Doorn; „al ware het niet, dat een duur gezworen eed mij verhinderde, zoolang Perea leeft, u mijne hand aan te bieden, zoo zou het werkzame leven, dat ik ben ingetreden, het mij toch onmogelijk maken, hoe gaarne ik het ook wenschte, u bij mij te houden. Indien het u dus welgevallig is, zal ik u naar Leiden brengen; gij kunt daar stil en verborgen leven bij een vriend mijns vaders, bij wien ik mijn vermogen en mijn paard geborgen heb, en die mij zelfs zijn huis aangeboden en verzocht heeft u bij hem te brengen. Door zijne vrouw zult gij met liefde ontvangen worden; gij zijt daar voor Perea’s aanslagen veilig, en niemand dan ik zal in u diegene herkennen, welke zoo lang onder D’Avilar’s voogdij heeft gebukt gegaan.”

Anna antwoordde hem niet, maar drukte zijne hand, toen Meijer zeide: „Wij zullen er spoediger zijn, dan ik gedacht had; de sterke oostenwind komt ons bijzonder te stade, en als ik mij niet bedrieg, gaat er dezen nacht een sterke eb; doch ik zal u nu moeten verzoeken, Mijnheer! om het roer in de hand te nemen, terwijl ik de riemen zal opvatten.”

„Geef mij slechts een paar roeispanen,” antwoordde deze, „en blijf op uwe plaats; gij kunt met het roer beter omgaan dan ik.”

„Noch niet, Mijnheer!” zeide Meijer, terwijl hij ging verzitten, „voor uwe pas genezen wonden zou die inspanning niet goed zijn; wat mij aangaat, ik ben er aan gewoon.” Nadat Van Doorn het roer in handen had genomen, verzocht Meijer hem zoo dicht mogelijk langs den Alblasserwaard te houden, terwijl hij aan den anderen kant uit al zijne macht roeide, en vervolde: „Ofschoon ik met dit vaarwater bijzonder goed bekend ben, zoo is de tocht niet zonder gevaar. Hier, nu wij reeds aan Hardinxveld gekomen zijn, zou de stroom ons licht door de Oude Wiel in den Biesbosch kunnen sleepen, en dan waren wij verloren; onze boot zou daar tegen den golfslag bestand zijn.”

Gelukkig ontweken zij echter dit gevaar; Meijer hernam zijne plaats weder aan het roer, en Van Doorn, Anna’s mantel dicht om haar heenslaande, om haar voor den snijdenden wind, die over het lage land aan de linkerzijde onbelemmerd over de wijde watervlakte heenblies te beschermen, zette zich weder naast haar neder. Zacht en rustig vervolgden zij hun tocht, tot eindelijk de lang gewenschte dag, nad en onrustigen bangen nacht, begon aan te breken. De lichtstralen verlichtten nu spoedig flauw muren en kanteelen van een oud gebouw, dat zich midden in het water verhief, en reeds jaren in puin scheen te liggen; terwijl het licht, evenals in een spiegel door het verglaassel, dat op de steenen zat, werd teruggekaatst, ofschoon het onderste gedeelte en het omliggende land nog in het duister lagen, welke gebouw Van Doorn Anna als het huis te Merwede deed kennen. Terwijl zij dit gebouw voorbijvoeren, ontdekten zij het oude Dordrecht, welks stompe kerktoren mede reeds door den aanbrekende dag verlicht werd, en zij kwamen gelukkig bij Papendrecht aan den wal.

Meijer bezorgde hun spoedig een overdekte Brabantsche kar, waarop de goederen werden geladen, en zij zelven plaats namen, terwijl zij de boot, waarmede zij zich gered hadden, aan den stroom overlieten.

Hun stuurman, than de teugels opnemende, sloeg den weg naar Alblasserdam in, die, ten gevolge der overstrooming, welke in den nacht vˇˇr Allerheiligendag had plaats gehad, bijna geheel, evenals de Alblasserwaard, onder water sotnd, en eerst toen Van Doorn, met Anna aan zijn zijde, zich door de paarden voelde voortgetrokken, rekende bij haar behouden.

908SR15.gif (1832 bytes)

18e hoofdstukInhoudopgave Oltmans20e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)