J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 20

Perea leidt zijn paard de stad 's Hertogenbosch binnen

V.gif (3505 bytes)erscheidene dagen had Perea noodig gehad om zijn last te volvoeren; doch hij hoopte dien nu ook naar het genoegen des Hertogs vervuld te hebben, en door de gedachte aangespoord dat, hoe eerder hij aankwam, hoe eerder hij Anna de zijne zou kunnen noemen, schroomde hij niet zijn paard de sporen te doen gevoelen.

Niet ver van ’s Hertogenbosch stortte het paard, en de ruiter was genoodzaakt; het aan de hand leidende, te voet de stad binnen te komen. Zoodra hij het huis binnentrad, waar hij zijn intrek had genomen, gaf hen zijn knecht twee brieven over, die tijdens zijne reis waren gekomen.

De eene was van den Hertog, de andere van D’Avilar, en dezen opende hij het eerst. „Ha!” riep hij met vreugde uit, nadat hij hem gelezen had, „de geus is dan gevangen; de vogel, door het aas gelokt is vanzelf in de val gekomen, en de trotsche Signorita zal aan mijne voeten kruipen, mij bidden hare hand aan te nemen, en om het leven van haar geliefde smeeken. Maar,” vervolgde hij, woest lachende, „de te lang versmade Lorenzo zal alsdan doof zijn; de beminde Carlos wordt aan De Vargas overgeleverd, en het ad patibulum, door Jacob Hessels slapende uitgesproken, zla mij zeker voor altijd van hem verlossen.”

In den brief van den Hertog, welke eerst dienzelfden dag was geschreven, was het bevel vervat, om de stukken, die hij zou medebrengen, dadelijk bij zijne aankomst door een vertrouwd persoon aan dezen te doen bezorgen, en eerst wat uit te rusten, voordat hij zich naar den Hertog begaf, opdat deze den tijd zou hebben de papieren vooraf in te zien. Hij haaste zich aan dit bevel te voldoen, dat hem opnieuw van de welwillende gezindheid des Hertogs verzekerde, wierp daarna zijn reiskleederen af, en plaatste zich bij het vuur, om over D’Avilar’s brief na te denken.

Spoedig werd hij in zijne rust en in zijne overdenkingen gestoord, daar men hem berichtte, dat een edelknaap des Hertogs hem wenschte te spreken.

„Wat heeft de Hertog te bevelen, Da Silva?” vroeg Perea aan den binnentredende, dien hij de hand toereikte.

„Zijne Excellentie wenscht u dadelijk te spreken over zaken van groot gewicht, Signor! Doch gij zijt te Brussel geweest, indien het niet te veel gevergd was, zou ik u vragen, of gij mijn oom ook gezien hebt.”

Ofschoon Da Silva rank en hoog van gestalte was, verrieden echter zijn jeugdig gelaat en ongebaarde mond, dat hi nog zeer jong was, en toen hij naar zijn oom vroeg, kleurden zich zijne wangen. Perea schudde het hoofd, als wilde hij zeggen; „ik heb hem niet gezien;” doch toen hij de terleurstelling van den jonker zag, die deze tevergeefs zocht te verbergen, zeide hij lachende: „Op mijne eer, Da Silva! ik heb hem niet gezien; maar wel heb ik iemand gesproken, naar wie ik verwacht had, dat gij mij zoudt gevraagd hebben, ik meen zijne dochter; zij heeft mij, van uwe onhoffelijkheid onbewust, een brief voor u medegegeven; nu echter kan ik dien niet overhandigen, dewijl des Hertogs dienst voorgaat.”

„Gij hebt Ines dan gezien!” riep de jonker verheugd uit, „ik dank u, Signor voor uwe goedheid; en ik hoop, dat gij mijne bede niet zult weigeren om den eersten keer, dat gi in het veld trekt, met u mede te mogen gaan.”

„Dat hangt niet van mij af,” antwoordde Perea; „maar ga nu den Hertog berichten, dat ik dadelijk zal komen, en ik beloof u, dat ik er met Zijne Excellentie over spreken zal.”

„Ik dank u, Signor!” zeide Da Silva, die zijn hoed opzette en de kamer verliet, „ik spoed mij naar het stadhuis.”

Perea luisterde eenige oogenblikken naar het geraas, dat de jonker maakte, terwijl hij zingende de gang doorging.

„Gelukkige!” zeide Perea luid, „jong en van goede geboorte, lacht u alles toe; het meisje, dat gij bemint, is u genegen. Gij behoeft haar vader, als hij op reis gaat, niet te gemoet te rijden, om hare hand te verwerven,” vervolgde hij bitter. „Dwaas, wat verlangt gij meer? waarom knaagt de roemzucht ook reeds aan uw hart? wat zoekt gij in den krijg?”

Zijn dienaar, die binnentrad om hem te helpen aankleeden, maakte een einde aan zijne rede, maar niet aan zijne gedachten. Daar hij den jongeling, die nooit zijne plannen had dwarsgeboomd, en dien hij te nietig oordeelde om hem te schaden, niet ongenegen was, en om zijn moed beminde, was hij eerst voornemens den Hertog niets van diens verlangen te zeggen; evenwel inziende, dat Da Silva toch, hetzij vroeg of laat, zijne eerste wapenfeiten zou moeten verrichten, dacht hij: „Eens moet het eerse wezen,” en dewijl hij zelf het gevaar verachtte, besloot hij aan zijne belofte te voldoen.

Nadat hij zich gekleed had, verliet hij zijne woning; zijn linkerhand rustte op de greep van zijn degen, en drukte de punt der scheede, die uit zijn mantel te voorschijn kwam in de hoogte, terwijl zijn hoed, door groote vederen overschaduwd, trotsch op zijn hoofd rustte.

Zoo stapte hij door de Hintemerstraat; ieder, die hem voorbijkwam, groette den gunsteling van den tiran onderdanig, hetgeen deze echter niet scheen te willen opmerken; slechts enkele malen, als iemand van hoogen rang voorbijkwam, sloeg hij zijne hand aan den hoed. De vrouwen daarentegen groette hij vriendelijk, en hij knikte haar lachende toe; maar de meesten van haar, over zijne vrijpostigheid gebelgd, en zijn onbeschaamden blik niet kunnende verdragen, zagen voor zich neder of verwijderden zich van het venster.

Door de Gevangenpoort stapte hij met verhaasten tred naar het stadhuis, waar de Hertog van Alva voor den korten tijd, dien hij in den Bosch doorbracht, zijn verblijf hield. Onder het schavot willende doorgaan, werwaarts hij hoop had Van Doorn spoedig te zien brengen, vielen hem onderscheidene paarden van den Hertog in het oog, die vr het vleeschhuis geschaard stonden. Het eene was al fraaier dan het andere; ook kon hij dit gezicht voor een goed ruiter zoo aangenaam, niet onopgemerkt laten voorbijgaan, en hij bezag ze n voor n, terwijl een bruin paard, dat juist door een geoefend rijmeester teruggebracht werd, vooral zijne aandacht niet ontging. Toen hij vervolgens een blik naar den gevel van het stadhuis sloeg, en zijn oog vestigde op de beeldjes, die door het raderwerk van het klokkenspel, dat begon te spelen, in beweging werden gebracht, kwam het hem voor, alsof Alva voor een der ramen stond. Hij nam zijn hoed af en stapte, terwijl de schildwacht hem de militaire eer bewees, de trappen op, die naar het stadhuis en te gelijk ook naar de strafplaats den toegang verschaften. De vaste galg, waartegen een dubbele ladder stond, en waarvan een strop hing, was gereed om gebruikt te worden, terwijl de scherprechter, met zijne armen op de borstwering leunende, over de markt zag.

Hij verzocht een edelknaap hem aan te dienen, en deze zeide, dat de Hertog order had gegeven hem dadelijk binnen te laten, waarop Perea zich spoedde om aan het verlangen van Alva te voldoen. Een drager der groene roede hield aan de kamerdeur de wacht, en maakte die voor hem open.

908SR15.gif (1832 bytes)

19e hoofdstukInhoudopgave Oltmans21e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)