J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 22

Alva (r.) in gesprek met Perea (l.)

S.gif (3565 bytes)ignor Perea!” dus begon de Hertog, zijn voorhoofd sterk rimpelende: „heb ik u niet meermalen van een zekere Italiaan, Antonio D’Avilar genaamd, hooren spreken?”

„Gij bedoelt zeker den Castellan van Loevestein, Excelentcia!” hernam Perea, over de vraag des Hertogs en diens strakken blik een weinig onthutst.

„Dien bedoel ik juist,” zeide Alva.

Perea, door het vriendelijk onderhoud des Hertogs bemoedigd, en voornemens zich door stoutheid van alle blaam te zuiveren, indien de Hertog door den Emisario van zijne misdaad verwittigd was, zeide daarop met een buiging: „In dat geval heb ik de eer u te berichten., Excelencia! dat ik Loevestein meermalen bezocht heb, en dat ik den slotvoogd zeer goed ken. Hij is voogd over de dochter van een mijner vrienden, die mij hare hand had toegezegd; doch daar deze op een reis omgekomen is, heb ik mij toch verplicht geacht, om mijne gelofte te herinneren en die te vervullen, te meer daar het meisje mij bevalt. Tot nog toe heeft zij echter uit genegenheid voor een slechten knaap, die onder de Watergeuzen te huis gehoort, geweigerd mij hare hand te schenken; maar ik heb hoop, dat zij nu haar belang beter zal inzien, en wild juist uwe Excelencia verzoeken om een keer naar Loevestein te mogen doen en tevens uwe toestemming tot mijn huwelijk te geven.”

„Gij zijt dus met de gelegenheid van het slot en al wat daartoe behoort, goed bekend?”

„Volkomen, Excelencia!” hernam Perea, over deze vraag verwonderd.

„Zoo luister aandachtig naar hetgeen ik u zal verhalen,” voer de Herotg voort, zich in zijn stoel uitstrekkende en zijn eene been over het andere heenslaande, terwijl de beweging daarvan aanduidde, dat hij toch inwendig scheen verstoord te zijn, niettegenstaande zijn gelaat bedaard was. „Dezen middag heb ik bericht uit Gorkum ontvangen,” dus begon hij, „dat het eergisteren nacht aan de muiters gelukt is Loevestein in te nemen.”

Hier had Perea moeite zijne verwondering en woede te bedwingen, en riep: „Is het mogelik, Excelencia!”

Alva scheen echter geen acht te slaan op zijn gezegde, maar vervolgde bedaard: „Op uw verzoek liet ik den Italiaan op het slot als kastelein, ofschoon hij mij voor dien post niet geschikt voorkwam; de Italianen zijn meestal verwijfd en niet geschikt tot getrouwheid en moedige daden; doch in deze zaak is alleen zijne dwaze menschlievendheid strafwaardig: hij heeft zich door de kleeding van zijne vijanden, die, in monnikskappen gedoken zijn binnengeslopen, laten verschalken. Een bevelhebber, die een sterkte voor zijn meester bewaart, is daar niet om herberg te houden en reizigers en landloopers te ontvangen; neen, dit moet hij voor kloosters en kroegen overlaten; hij heeft dus zijn grootsten plicht, de waakzaamheid, verzuimd, en, op mijne eer! voor zijne onvoozichtigheid den dood verdiend.”

Ofschoon Perea, indien het een ander gegolden had, zeker niets gezegd hebben, zoo deden echter de voorzichtigheid, D’Avilar’s hem bekende lafhartigheid en zijne natuurlijke stoutheid hem besluiten den slotvoogd te verdedigen, weinig denkende, dat het vonnis reeds aan dezen voltrokken was, en dat D’Avilar zich in zijne laatste oogenblikken nog bezig had gehouden met plannen tot zijn verderf te ontwerpen. Het woord opvattende, zeide hij: „De slotvoogd is schuldig aan plichtsverzuim, ik ontken het niet Excelencia! maar zijne onvoorzichtigheid is echter te vergeven: de bezetting van het slot was zeer zwak, en het is mijne schuld, Excelencia! dat ik niet gezegd heb haar vˇˇr den winter te versterken, gelijk hij mij verzocht had.”

„Uwe vriendschap doet u aldus spreken, Lorenzo!” zeide de Hertog vriendelijk, waarna hij trotsch vervolgde: „Ik spreek u vrij van alle blaam; alleen omdat ik het zoo goed vond, en nergens anders om, bleef hij op het slot, en kan dus ook na den slotvoogd niemand de schuld dragen wegens dit ongeluk dan ik.”

Perea boogzich, en zeide: „Excelencia! zij u ook eenige nadere bijzonderheden bekend?”

„Neen!” antwoordde Alva. „D’Avilar schijnen zij gevangen te houden, de bezetting hebben zij echter op vrije voeten gesteld, waarschijnlijk om hunne levensmiddelen uit te sparen. Maar wien denkt gij, dat men verdacht houdt de aanvoerder der geuzen te zijn?”

„Wien anders dan onzen aartsvijand, den Emisario, Excelencia!” riep Perea uit.

„Juist!” hernam Alva. „Naar alle gedachten moet het die verwenschte spion zijn, die ons hier weder een vlieg heeft afgevangen, doch het gelukken van zijn plan zal mogelijk zijn val veroorzaken”

„Hoor!” dus vervolgde hij op een vasten toon: „Ik had besloten een ander naar Loevestein te zenden; maar uwe tijdige terugkomst en uwe bekendheid met de gelegenheid van het slot doen mij u daartoe bij voorkeur verkiezen. Alles is reeds tot uw vertrek gereed; nog deze avond verlaat gij de stad, en neemt Velaquez met honderd vijftig vuurroeren mede. Veel paardenvolk hebt gij niet noodig; de ligging van het slot maakt, dat gij er geen dienst van zoudt hebben; eenigen uwer speerruiters zullen genoegzaam zijn om de eene of andere order over te brengen, of zoo het noodig mocht zijn, eene veldontdekking te doen. De grootmeester van het geschut, de Cerbellon, heeft reeds bevel gekregen, u het noodige grof geschut en zooveel werklieden als gij begeeren mocht, van Gorkum te beschikken, en daar het niet mogelijk is een genoegzaam aantal Spaansche busschieters spoedig genoeg op dit punt bijeen te brengen, uit de naburige steden zooveel inlanders, die het geschut kunnen bedienen, als gij noodig zoudt kunnen hebben. Ik vertrouw, dat gij u dus als naar gewoonte van uw last zult kwijten; den grootsten spoed moet ik u echter ten sterksten aanbevelen, daar het bezit van Loevenstein mij van de getrouwheid van Gorkum en Woerkum verzekert, en noodzakelijk voor mij is, indien ik genoodzaakt werd mij krijgsvolk in het hart van Holland te doen binnenrukken. Indien men de muiters den tijd liet het slot te versterken en te bezetten, zouden wij genoodzaakt zijn dit gewichtige punt tot het volgende jaar in hunne handen te laten. Nu is het nog slechts door weinig en bij elkander geraapt volk bezet en gemakkelijk te hernemen; de samenspanningen, die in stilte in Gorkum en Woerkum tegen het gezag van mijn meester worden voortgezet, zij mij bekend en maken mij ongerust.”

Dit zeggende, zweeg hij en stond op, waarna Perea, insgelijks opstaande en zijn stoel tegen den muur gezet hebbende, met vuur uitriep: Excelencia! uw vertrouwen zal u niet bedriegen; de Emisario heeft zijn laatste feit verricht, of ge ziet Perea niet weder;” dat beloof ik op mijne eer; waarna hij vervolgde „De Abanderado uwer Onoverwinnelijken is buiten staat mij te volgen; zou uwe Excelencia mij veroorloven den jongen Da Silva in zijne plaats mede te nemen?”

„HIj is nog zeer jong, Signor!” antwoordde de Hertog, „en, ofschoon dit hier wel niet het geval wezen zal, zou ik toch niet gaarne zien, dat onze banier zich niet onverschrokken in het vuur vertoonde, of dat zij, hetgeen God verhoede, verloren ging.”

„Voor dat laatste blijf ik u borg, Excelencia!” hernam Perea. „Wat zijne jeugd betreft, op zijne jaren gevoelde ik iik een onweerstaanbare drift om mij te onderscheiden; uwe Excelencia zelve snelde, slechts zestien jaren oud zijnde, naar het leger voor Fontarabia, ik bid u, sta mij mijn verzoek goedgunstig toe.”

Toen Perea uitgesproken had, lachte Alva eenige oogenblikken, en streek genoegelijk zijn baard, waarna hij zeide: „Nu dan, Lorenzo! neem hem mede; ik wil den jongeling niet verhinderen mij de blijken te geven van zijn moed; gij ziet, dat ik een gemakkelijker meester ben dan mijn grootvader, die mij noodzaakte in stilte naar het leger te vertrekken. Hetgeen Toledo en u goed gelukte, kan hem echter slecht bekomen; doch, die niets waagt, die niets wint! het vaandel worde door hem gedragen.”

Hierop stak hij aan Perea, als teeken van bijzondere genade, zijne lange dorre hand toe, welk gunstbewijs deze met eerbied ontving. Alva vervolgde: „Ofschoon ik nog geen tijd gehad heb om de stukken, die gij van Brussel medegebracht hebt, geheel door te zien, zoo twijfel ik niet, na hetgeen ik er van nagezien heb, of gij hebt volkomen aan mijn verlangen voldaan. Bij gelegenheid zal ik niet nalaten om Zijne Majesteit van uwe diensten te verwittigen, en zag u in zijn naam dank voor den spoed en het doorzicht, door u in deze zaak aan den dag gelegd. De kwade raadslieden, die het vertrouwen van zijn meester niet verdienen, zijn oorzaak, dat, niettegenstaande de grootste behoefte, die ik aan gereede penningen heb, mij bijna niets uit Spanje wordt overgezonden: men belooft mij veel, maar komt niets na. Daar mijne vijanden niets op mijn gedrag weten te zeggen, zoeken zij mij door gebrek aan onderstand van hier te verdrijven, en mij in het oog des Konings als een onbekwaam landvoogd te doen voorkomen: zij vergeten, dat het niet de eerste maal is, dat ik de zaak mijns meesters met mijne eigen middelen voortzet, en dat ik bereid ben om steeds, al wat ik bezit, voor den dienst des Konings op te offeren; zij zullen dus hun oogmerk niet bereiken. Neen!” vervolgde hij met trotschheid, „zij zullen noch het genoegen hebben mij het vertrouwen des Konings te doen verliezen, noch zoo gelukkig zijn den Hertog van Alva aan hunne voeten om onderstand en hulp te zien smeeken. Indertusschen, Signor Perea! ofschoon Zijne Majesteit mij niet in de gelegenheid stelt uwe verdiensten naar waarde te beloonen, zoo is Alva echter toch in staat om u zijne tevredenheid over uw gedrag te doen kennen. Gij hebt uw paard in mijn dienst bedorven, het is dus mijn plicht u dit verlies te vergoeden; de AndaluziŰr, van welken wij zoo even spraken, verzelle u naar Loevestein; ik schenk hem aan u, en zal mijn stalmeester last geven de Corredor dadelijk aan uw kwartier te laten brengen.”

„Execelencia, gij kent mijn ijver voor uwen dienst,” antwoordde Perea, zich diep buigende, „en dit nieuwe geschenk uit de hand mijns meesters zal dien, zoo het mogelijk is, nog aanwakkeren. De berijder van uw paard zal zich uwe goedheid en uw vertrouwen waardig maken, en steeds bereid zijn, om derwaarts te snellen, waar het u welgevallen zal hem te zenden.”

Terwijl hij den hoed in de linkerhand hield en zich oprichtte, sloeg hij met de rechterhand hand oop zijn rapier, en vroeg: „Excelencia! hebt gij verder nog iets te bevelen?”

„Neen, Lorenzo!” antwoordde Alva, terwijl hij met de hand wenkte om te gaan, „voor het tegenwoordige niet. De bevelen en de opeisching, door mij geteekend, zullen u voor uw vertrek geworden; gij zult daaruit zien, dat ik gelast heb den Italiaan gevangen herwaarts te brengen; ik zie u voor het overige spoedig weder. Vaarwel!”

Perea boog zich nog eens, en verliet toen, het behangsel oplichtende, het vertrek.

Onderscheiden edellieden, die zich in het voorvertrek vermaakten met spelen en drinken, zochten hem over te halen, zich bij hen te voegen; doch voorwendende geen tijd te hebben, verliet hij hen en stond gereed de trap af te snellen, toen hij Jan de Vargas, president van den Raad van Beroerte, beneden gewaar werd, hetgeen hem deed wachten tot deze zou boven gekomen zijn. De Vargas echter, die reeds zijn voet op de onderste trede gezet had, trad terug en scheen te willen wachten, totdat Perea naar beneden zou gekomen zijn; en toen hij bemerkte, dat deze besluiteloos was, wat te doen, zeide hij: „Geef u de moeite af te komen, Signor! gij hebt zeker meer haast dan ik, en ik zal nog tijdig genoeg bij den Hertog komen, ofschoon ik een vriend een kleine beleefdheid bewijs.”

„Vriend?” zeide Perea zacht bij zich zelven, terwijl hij een blik vol minachting op De Vargas wierp, welken deze met een spottend gelach beantwoordde. Om aan dit geschil een einde te maken, snelde Perea de trap af, en wilde De Vargas voorbijgaan; doch deze trad hem in den weg, en zeide: „Zoo ziet men weder, dat vrienden elkander tusschenbeide noodig hebben. Uw vriend D’Avilar zal ook reeds op u zitten wachten; ten minste als gij naar Loevestein gaat om hem te helpen, zooals de spraak gaat!” Toen hij echter zag, dat Perea geen lust scheen te hebben om een gesprek aan te knoopen, zeide hij: „Ik wil u niet ophouden. Veel geluk op uwe ondernemening!” en klom haastig de trap op.

Perea bleef staan en mompelde iets, dat een afscheidsgroet moest beduiden, doch meer had van een verwensching, en herhaalde, toen De Vargas uit zijn oog verdwenen was, het woord „vriend!” terwijl hi bij zich zelven dacht: „Perea! hoe ver is het met u gekomen, dat gij zulk een ellendeling ontzien en ongestraft zijne spottermijen afwachten moet.” Plotseling werd hij in zijne mijmering gestoord door de stem van den Voorzitter, die op het portaal bij de trap dezen uitroep gehoord had, en op een helschen toon vroeg: „Wat is er van uw dienst, Signor Caballero?”

„Niets!” riep Perea woedend, terwijl hij ook de onderste trap afsnelde, om zijn geheimen vijand, die zich, evenals een zwarte geest des ongeluks, boven op het portaal vertoonde, niet meer te zien, en eer hij nog het stadhuis had verlaten, had de wraakzuchtige Spanjaard reeds besloten, na zijne terugkomst zich op een of andere wijze van dezen lastigen breidel te ontslaan.

Aan zijne woning gekomen, kon hij eerst bedaard nadenken over het gebeurde op Loevestein. Op het oogenblik, dat hij waande Van Doorn in zijne macht te hebben, en Anna de wet te kunnen voorschijven, vervloog zijne hoop in rook. Van Doorn en Anna ofschoon niet voor altijd bevrijd van zijne woede, bevoanden zich echer voor het tegenwoordige buiten zijn bereik; alleen de flauwe hoop, hen nog op Loevestein te vinden, en hen met den gehaten Emisario gevangen te nemen, vertroostte hem en deed hem er op bedacht zijn zoo spoedig mogelijk het slot te bereiken.

Nog eer de avond viel, reed Perea, op het geschenk des Hertogs gezeten, de St. Janspoort uit, aan het hoofd van zijn speerruiters, terwijl Pedrillo, de trompet stekende, voor een oogenblik het doffe gerommel der trommen verdoofde, die met de schalmeispelers, de Spaansche vuurroeren en hun hoofdman Velasques, die te paad gezeten was, voorafgingen.

Toen Perea, aan zijne ruiters bevel gaf om voort te rijden, en bij de brug met zijn steigerend ros bleef stilstaan, zwaaide De Silva met het vaandel, dat hij droeg, en riep: „Viva el Rey!” hetgeen door de soldaten met vuur herhaald werd. De burgers echter, die de soldaten zagen uittrekken, herhaalden dien kreet niet; een somber stilzwijgen gaf hunne vrees, zoo niet hun misnoegen, te kennen. De musketiers trokken hen in rotten met hun lange musketten voorbij, op welker blauwe loopen de avondzon een rooden gloed wierp, en Perea, het bruine en krijgshaftige gelaat der Onoverwinnelijken met welgevallen beschouwende, wenschte zich reeds bij voorbaat geluk met de vermeestering van Loevestein.

908SR15.gif (1832 bytes)

21e hoofdstukInhoudopgave Oltmans23e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)