J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 23

De 'boodschapper' stond nog lang in gedachten verzonken aan de rivier, nadat Van Doorn met Anna vertrokken waren.

N.gif (3240 bytes)og lang nadat Van Doorn en Anna was afgevaren, stond de Boodschapper in gedachten verzonken, met de armen over elkander geslagen, aan den oever der rivier, en staarde in de duisternis. Getroffen door de schoonheid van het meisje, aangedaan door het bloedige tooneel, dat zoo even op Loevenstein had plaats gehad, kon hij niet scheiden van de plek, waarop hij zijn vriend voor het laatst (hij kon het zich niet ontveinzen) de hand gedrukt had; want, ofschoon hij Van Doorn weinig gezien had, achtte hij hem hoog om zijne braafheid, en met een vaderlijk hart hing hij aan de moedigen jongeling, die op zijn roepstem zich voor zijn vaderland opofferde: om die reden had hij zich verplicht gevoeld hem te redden, zelfs met gevaar van zijn eigen leven.

Lang stond hij daar, en noch de koude rivierwind, die zijn mantel om hem deed wapperen, en zijne grijze haren en zijn baard door elkander deed waaien, noch het geraas van den stroom, die aan zijne voeten tegen de vorst kampte, kon hem uit zijn diep gepeins doen ontwaken.

Aan de vriendschap had hij voldaan; zijn woord om De Manilla’s dood te wreken had bij gehouden. D’Avilar’s bloed bezwaarde zijn geweten niet; doch hij gevoelde zijne roeping om nu ook zijne plichten jegens het vaderland te vervullen; want daaraan moest Loevestein’s vermeestering nuttig zijn, en deze overdenking alleen was in staat hem tot zich zelven te doen komen.

„Vaarwel, vriend!” riep hij uit. „Vaarwel! Gods almacht brenge u na het doorworstelen van vele gevaren, in een veilige haven; rust dan zacht in de armen van uwe beminde vrouw; maar Herman zal uw geluk niet beleven. Ik heb u voor het laatst gezien,” vervolgde hij weemoedig, en met zijne hand aan zijn gelaat wischte hij misschien een traan uit zijn oog, en stapte met groote schreden naar het slot. – Het vaderland riep hem.

Zich te verzekeren, dat zijne gevangenen geene pogingen deden om te ontsnappen, was zijn eerste werk, waarna hij zich met Uilenburg in een der kamers op een bed nederwierp om wat uit te rusten en in staat te zijn tegen den anderen morgen zijn twee metgezellen in het bewaken der gevangene Spanjaarden af te lossen.

908SR15.gif (1832 bytes)

22e hoofdstukInhoudopgave Oltmans24e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)