J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 24

Meester Helleborus bezoekt LoevesteinD.gif (3307 bytes)en volgende morgen vroetijdig werd Uilenburg naar Gorichem gezonden om levensmiddelen te koopen, en hunne vrienden aldaar de vermeestering des slots kennis te geven.

Hij keerde na een paar uren verwijls met het gekochte terug, vergezeld van twee mannen, die reeds dadelijk zich bereid getoond hadden den Boodschapper te helpen; waarna deze zich spoedde om het geheele gebouw te doorzoeken, de gelegenheid er van in oogenschouw te nemen en te zien, hoe groot de voorraad van wapenen en krijgsbehoeften was, die er zich in bevond.

Reeds hadden zij het geheele voorhof en de benedenkamers van het eigenlijke slot doorzocht, toen een hard gelui aan de poort klok hen verschrikt deed stilstaan en oorzak was, det zij spoedig naar de poort snelden. Door een raampje, dat in den muur der wachtkamer was, zagen zij een oud man van een deftig voorkomen, die in een ouden, afgesleten zwarten mantel gehuld, met een kistje onder den arm, voor de poort driftig heen en weder stapte, en ongeduldig scheen, dat hem niet werd open gedaan. Het was Helleborius, de heelmeester van Gorichem. Een schuit met twee roeiers had hem gebracht, en deze hadden zich, op de terugkomst van hun meester wachtende, op den bodem van het vaartuig nedergezet, ten einde zich zooveel mogelijk voor den kouden wind te beschutten en op hun gemak overhet weder te kunnen spreken.

Uilenburg nam dadelijk een hoed van den muur en wierp een mantel om, waarna hij met een musket in de hand tot den Boodschapper zeidde: „Ik zal eens gaan zien, Herman! wat deze zwarte raaf hier verrichten moet, en hem spoedig terugwijzen; die kerel luidt den bengel, alsof hij zakken met goud onder zijn kalen mantel draagt.”

De heelmeester kwam voor het laatst nog eens naar Van Doorn zien, eer het dichtgaan der rivier hem zulks beletten zou. Terwijl hij nu over de koude morde, zijn zieke, den slotvoogd en al de bewoners van het oude huis verwenschende, en binnensmonds eenige Latijnsche woorden mompelde, opende Uilenburg, die nu volkomen op een Spaanschen krijgsman geleek, de poort, en vroeg op een norschen toon in gebroken Hollandsch: „Signor Abate! wat voert u herwaarts?”

De wondheeler wilde, zoodra de poort geopend werd, binnenijlen en riep: „Houd mij niet op!” Uilenburg wees hem echte met zijne vuist terug, zoodat hij moeite had, om op de been te blijven, en zijn musket forsch voor hem nederzettende, zeide hij: „Deten-tu” en belette hem den verderen doorgang.

Helleborius, over het onbeschofte gedrag van den soldaat verontwaardigd, mompelde binnensmonds: „Lompe hond!” en riep toen: „Medicus sum”, ik ben de wondheeler van Gorkum.

Toen hij echter dezen zijne knevels zag opstrijken, werd hij bevreesd, dat de Spanjaard het eerste verstaan mocht hebben, en zeide:„ Het verwondert mij, krijgsman! dat gij mij niet kent: ik kom om den gevangenen geus te verbinden. Signor D’Avilar is mijn vriend, en heeft mij ontboden; gij moet wel zeer gezond zijn, dat gij de hulp van meester Helleborius nog nooit hebt noodig gehead.” Dit zeggende, zag hij met droefheid den sterken lichaamsbouw des soldaats; hij wanhoopte dus hem ooit onderhanden te krijgen doch dacht bij zichzelven: „Als dit eenmaal gebeurt, zijn de kaarten vergeven, en dan zal het mijne beurt wezen.”

„De geus is gisteren reeds vervoerd,” bromde Uilenburg, „en de Castellan heeft een verre reis ondernomen; Maldito Barberillo! houd mij niet op.”

Ofschoon de toon, waarop dit gezegd werd niet geschikt was om het gerust te stellen, wilde Helleborius evenwel binnendringen om, in spijt van den soldaat, zijn bezoek af te leggen, opdat hem de toegezegde belooning niet zou ontgaan; hij trachtte Meijer of iemand anders gewaar te worden, die hem kende en hem van dezen ongemakkelijken portier ontslaan kon.

Doch Uilenburg, die moeite had zijn lachtlust te bedwingen, en wien deze vertooning reeds begon te vervelen, haalde zijn degen een eind weegs uit, en grauwde hem op een norschen toon toe, terwijl hij hem vreeselijk aanzag: „Terug, kwakzalver! of nombre de Dios! ik zal u met mijne lamina knoopsgaten in den buik maken, die gij niet genezen kunt, Carajo!”

Daar meester Helleborius beducht was, dat de soldaat zijn woord gestand zou doen, nam hij de vlucht en liet zijne kist vallen. Meer dood dan levend in de schuit springende, riep hij door de vrees vermeesterd, uit: „Roeit in Gods naam spoedig voort, mijne vrienden! eer de bezetene ons ontzield,” waarna hij, om zijne vlucht te verontschuldigen, vervolgde: „Quid agis prudenter agas.”

Uilenburg had intusschen het kistje opgenomen en de poort dichtgeworpen, en zeide lachende tot den Boodschapper, terwijl hij zijn mantel afwierp: „Bij mijn ziel! die kerel was lastig; gelukkig, dat ik nog een paar woorden Spaansch onthouden had, van den tijd toen ik onder de haakschutters te paard gediend heb, anders had ik hem niet weggekregen.”

Zoodra dit lastige bezoek afgeloopen was, begaven zij zich weder aan hun onderzoek en bezochten de hoogere verdiepingen. Ammunitie, blanke wapenen en klein geweer waren in genoegzaam aantal voorhanden; doch geschut vonden zij niet, zooals Meijer hun reeds gezegd had, en dit wat juist het moeilijkst te bekomen, vooral in den korten tijd, die hun nog voorhanden was, eer hunne vijanden bericht zouden krijgen van hun bedrijf.

Op een afgeschoten gedeelte van den zolder vonden zij allerhande oud wapentuig; het meerendeel was echter door roest bedorven of door de uitvinding van het buskruit in onbruik geraakt; vele der wapenen schenen zelfs afkomstig te zijn van den tijd, toen het slot door den graaf van Oostervant werd ingenomen, ten minste zij zochten dikwijls tevergeefs te raden, op welke wijze men ze gebruikt had.

„Ziedaar een goeden degen voor u,” zeide de Boodschapper tot Uilenburg, op een zwaard wijzende, dat, ofschoon roestig, nog zeer goed in orde, en gmaakt was om met twee handen gebruikt te worden.

Uilenburg nam het op en bezag het; doch toen hij het eenigen tijd in zijne hand gehouden had, wierp hij het verstoord weg, zeggende: „Verdoemd, Herman! zijt gij dwaas? dat is geen zwaard voor mij; het is te zwaar; die dat gebruikt heeft, is zeker een halve duivel geweest.”

De Boodschapper raapte het zwaard op, en het met beide handen aanvattende, slingerde hij het boven zijn hoofd rond, en verpletterde er een paar oude harnassen   en helmen mede, die op den grond lagen. „Gij ziet, dat dit staal nog goed is,” zeide hij en vervolgde lachende: „het is zoo zwaar niet als gij gelooft; ik zal het medenemen om het in tijd van nood te gebruiken.” Nu krabde hij met een ijzer, dat hij op den grond vond, er den roest bij het gevest wat af om eenige oude letters te lezen, welke er in gegraveerd waren.

„Dat ding zal zeker aan Roland of een ander van die ouden heeren hebben toebehoord,” zeide Uilenburg, „en gij moogt onzen Wapensmid er den roest wel laten afslijpen.”

„Gij vergist u,” hernam de Boodschapper, „volgens deze letter heeft het aan zekeren Oth van Driel toebehoord; maar wie hij geweest is, weet ik niet. Wat de roestigheid betreft, die zal ik er op de koppen der Spanjaarden wel afslijpen; ten minste die sinjeurs hebben den naam zeer hardhoofdig te zijn.”

Met een der sleutels, die bij den kastelein gevonden waren, openden zij nu ook een vertrekje op den zolder, en zij stonden verbaasd over het aantal boeken, beschreven papier, smeltkroezen en uit koper vervaardigde werktuigen, die zij er in aantroffen.

„Voor den duivel!” zeide Uilenburg lachende, terwijl hij een glazen helm aan stuk schopte, „ik begin te merken, dat de Italiaansche hond zich ook bezig hield met sterrenkijkerij; het verwondert mij daarom, dat hij zijn dood niet heeft kunnen vooruitzien.”

„Dwasaheid!” antwoordde de Boodschapper; „uit de sterren valt voor den mensch niets te leeren; alleen de zeeman kan, wanneer hij in de sterrenkunde ervaren is, er zijn weg naar richten, en daardoor dikwijls het gebrek van den zeilsteen vergoeden. Doch naar al wat ik hier zie,” vervolgde hij, een rol perkament in de hand nemende, „geloof ik, dat de slotvoogd zich meer met het goud te zoeken dan met het sterrenkijken heeft beziggehouden.”

Na de rol ingezien te hebben, wierp hij haar achteloos in een hoek op eenige houtkoolen, daar hij tevergeefs getracht had te ontdekken, in welke taal het geschrift was opgesteld, en waartoe de figuren dienden, die er in waren afgeteekend, weinig denkende, dat dit geschrift door D’Avilar te Veneti voor een groote som goouds gekocht was van den vader des beruchten Mamugni van Cyprus, in de hoop van daardoor in staat te zijn, de grootste rijkdommen voort te brengen.

Na het een en ander bezichtigd te hebben, sloot de Boodschapper de deur weder dicht, terwijl hij een ledigen kroes, zooals D’Aviar dien op het fornuis gezet had, onaangeroerd tusschen de houtkolen in den ring liet staan. Dus hun onderzoek verricht hebbende, keerden zij naar de benedengedeelten van het slot terug, terwijl de Boodschapper in het voorbijgaan nog de deur der kapel sloot, ten einde aan zijne onderhoorigen te beletten er iets in te vernielen, en zich daardoor gelijk te stellen met het geboefte, dat door onzinnige verniel- en roofzucht de goede en rechtmatige zaak der Nederlanders bij vele bedaarde lieden had doen verafschuwen.

Den geheelen dag brachten zij door met het slot zooveel mogelijk te versterken; de groote poort van het voorhof werd dichtgemaakt en bevestigd; de kleinste alleen werd, als gemakkelijker te verdedigen, voor den uitgang opengehouden; de vensters werden voor zoover  zij niet met ijzeren tralin bezet waren, met planken dichtgespijkerd, en alleen kleine openingen, om door te schieten, er in bewaard.

Gaarne had de Boodschapper het gebouw in het rond geheel met schietgaten laten doorbreken; doch de muren waren veel te dik, en dr waar dit geen verhindering zou teweeggebracht hebben, weerstonden zij de kracht des beitels; en het cement, waarmede de steenen aan elkander gehecht waren, was, ofschoon er reeds eeuwen sedert de stichting van het gebouw verloopen waren, nog net zoo vast, als of zij nog niet lang geleden waren opgemetseld; op enkele en op de noodigste plaatsen allen werd er dus mede voortgegaan, totdat de nacht zijn sluier over het aardrijk wierp, en dus ook op Loevestein een einde maakte aan het werk.

Toen riep de Boodschapper zijne manschappen bijeen. Nadat zij zich allen van het hoofd tot de voeten gewapend hadden, ging hij naar de deur der wachtkamer, waar de soldaten waren opgesloten. Hij opende het luikje in de deur en zeide: „Soldaten, het uur van uwe bevrijding is dr; gij kunt gaan; drie van u kunnen tegelijk dit vertrek verlaten, de overblijvenden zullen mij telkens voor het gedrag der vrijgelatenen borg blijven.”

De deur werd geopend en de monden der roeren met brandende lonten en ontsloten pan dreigden hem, die het gegeven bevel zou willen overschrijden, met den dood; doch de Spanjaarden bleven op hunne plaats stil staan en zagen hunne vijanden onbevreesd aan.

Op bevel van hun hoofdman traden er drie de deur uit, waarna die weder gesloten werd, en zoo vervolgens. Hij ging het laatst; getrouw aan zijn plicht was hij gewoon het gevaar het eerst te zoeken en het laatst te verlaten.

Terwijl hij de poort uittrad, en de Snjder zich gereed maakte de deur achter hem dicht te werpen, bewees de Wapensmid, die aldaar de wacht hield, hem de militaire eer, waarop de Anspessado zeide: „Dit oogenblik bewijst mij, dat rebellen ook hun woord nakomen; maar waarlijk, Signores! gij bewijst mij en mijn soldaten te veel eer. Spoedig hoop ik een bezoek bij u af te leggen, en ik twijfel niet, of gij zult ons goed ontvangen. Tot weerziens dan!” en zich bij de Spanjaarden voegende, die hem op een afstand wachtten, verloor hij zich in het duistere van den nacht.

Ofschoon van het gevaar bewust, dat hen allen bedreigde, liet de Boodschapper zulks niet bemerken; maar gaf den zijnen goeden moed en beloofde hun, dat de hulp, hem door den graaf Van den Berg toegezegd, spoedig zou komen. Helaas! hij begon er zelf aan te wanhopen; want toen hij, nadat hij alles had nagezien, het slot beklom, om de wind en het weder nauwkeurig waar te nemen, woei de snijdende oostenwind hem scherp in het aangezicht en voorspelde hem een sterke vorst. De slotgracht was reeds met een ijskorst overdekt; het leed geen twijfel of alle binnenwateren zouden spoedig dichtgevroren zijn en de manschappen, die hem beloofd waren, zouden in intijds kunnen komen.

Maar verre was het van hem, die geen gevaar vreesde, zich te laten ontmoedigen; bij het stijgen van den nood rees ook zijn moed, en toen hij zich op zijn rustbed nederwierp,beval hij zich en de zijnen in de handen van Hem, die weer en wind beveelt; de hoop, dat de wind, gedurende den nacht in het westen zou loopen, beurde hem op, en hij troostte zich met de gedachte: dat, ofschoon het niet in zijne macht was te overwinnen, het aan hem lag met roem te vergaan.

908SR15.gif (1832 bytes)

23e hoofdstukInhoudopgave Oltmans25e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)