J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 25

Een jong persoon rijdt te paard door de Bommelerwaard

D.gif (3307 bytes)es anderen daags ontving Van den Bosch, door tusschenkomst van hun vriend, den herbergier in de Paradijsvogel nog eenige levensmiddelen; doch dit was ook voor het laatst, dat hij hun die kon doen toekomen.

Van tijd tot tijd raakten er onderscheidenen hunner geloofs- en partijgenooten, hetzij langs de rivier of ddor den Bommelerwaard, binnen het slot. Deze berichten, dat het niet toelaten van den heelmeester op Loevestein reeds eenige achterdocht verwekt had, die maar al te spoedig door de bevrijde Spanjaarden in zekerheid was veranderd, en dat reeds in den verloopen nacht twee renboden naar ’s Hertogenbosch waren afgezonden, om Alva van de overrompeling kennis te geven. Om deze reden vond de Boodschapper het geradcen om een jongen, maar vertrouwden persoon, met het paard des slotvoogds door den Bommelerwaard af te zenden en ernstig om hulp te verzoeken.

Den geheelen dag heerschte er eene ongewone drukte te Gorichem aan de kaai; op de wallen en langs den dijk naar Dalem wemelde het van nieuwsgierigen, die het slot aangaapten, en tevergeefs iets bijzonders er aan trachten op te merken,. Ook menig rechtgeaard Hollander bevond zich onder hen, en zag weemoedig naar het doodsche gebouw, dat als uitgestorven dr lag. Noch de tonen der trompet of het roeren der trommen, noch het vroolijke gejuich eener talrijke bezetting streelde zijn ooren; geen geluid, neen, zelfs geen enkele klank stelde zijn vaderlandslievend hart gerust, en ofschoon hij voor het tegenwoordige zich nog niet bij zijne broeders bevond, haakte hij naar het oogenblik waarin hij ook eens op zijne beurt voor het land, dat hem had zien geboren worden en gevoed had, de wapens zou kunnen opvatten en het helpen bevrijden van vreemden dwang of zijn leven er voor opofferen.

Des avonds van dezen dag werd de bezetting van Gorichem versterkt door eenige soldaten, die van Utrecht kwamen; doch toen den volgenden dag aanbrak, was de toestand voor die van Loevestein nog dezelfde: het weer had zich nog niet ontladen en de hulp was nog niet gekomen.

Tegen den middag riep de Boodschapper zijne manschappen in de zaal bijeen, waarin de slotvoogd het leven had gelaten; evenals toen brandde er een groot vuur onder den schoorsteen; het geheele vertrek was vol met wapentuig, daar deze kamer zeer geschikt was om al het noodige tot de verdediging bij de hand te hebben. Op de tafel stonden bekers en drinkglazen.

Op zijn bevel schaarden zij zich dadelijk in orde; doch hun aantal was niet groot. Zij waren slechts vier en twintig koppen sterk, en hunne onderscheiden grootte en kleeding gaven hun eerder het aanzien van een hoop straatroovers dan van mannen, die uit liefde voor hun vaderland naar een gevaarlijke plaats gesneld waren.

„Mannen!” dus  sprak de Boodschapper hen aan, terwijl hij voor hen trad, „gij die op mijne stem u herwaarts hebt begeven, hier, waar het vaderland u riep, zijt welkom op Loevestein, en hoort aandachtig naar hetgeen ik u zal voorhouden.”

„Toen ik, mij van een heiligen plicht kwijtende, het slot innam, waren wij stellig de noodige manschappen toegezegd om het slot te verdedigen; doch de vorst belet ze te komen, en mijn voornemen om de beide steden in naam van ’s Konings gouverneur, den Prins van Oranje, te bezetten, zal nu wellicht niet meer mogelijk zijn. In ontveins u dus niet dat onze post gevaarlijk is; ja, ik wanhoop aan ontzet. Gij allen, mannen! ofschoonik weet, dat gij den dood niet vreest, kunt mogelijk niet genegen zijn uw leven voor een bijna hopelooze zaak ten beste te geven; hij, den dus het slot wil verlaten, spreke slechts en het staat hem vrij; nu het nog kan geschieden, wie weet of het morgen mogelijk zal zijn; want dan reeds verwacht ik aangevallen te zullen worden. De lange rust, die zij ons laten, is onheilspellend, en onze vijanden wachten opgetwijfeld slechts naar het oogenblik, waarin zij ons zeker kunnen vernietigen. Spreekt nu vrij; een ieder waagt zijn leven; een ieder heeft dus recht van spreken.”

Niemand echter wilde zijn gevoelen zeggen; slechts de drie mannen, die met hem het slot hadden overrompeld, kenden den Boodschapper, met wien zij sinds lang vertrouwelijk omgingen; de overigen hadden hem te voren nooit gezien. Met ontzag beschouwden zij den man, die hun gelast had op het slot te komen, en in de tegenwoordigheid van den door de Spanjaarden zoo gevreesden Emisario waagden zij het niet het eerst te spreken.

Uilenburg echter brak het stilzwijgen af, en zeide op een vrolijken toon:   „Op mij woord, ik heb er niets tegen om het slot te verlaten, ik bemin het leven, de dood komt altijd tijdig genoeg, en men behoeft hem niet met geweld te zoeken; maar indien wij het oude nest ontruimen, waar gaat gij dan heen, Herman?”

„Ik verlaat het niet, mijn vriend,” antwoordde deze, „ik heb beloofd het te bewaren voor den Prins, en vast besloten mij liever onder de puinhoopen ervan te begraven.”

„Dan spreekt het vanzelf, dat ik blijf,” hernam de andere op een levendige toon: „Zoo waar als er een God leeft, de Uil zal u niet verlaten; slechts wanneer het nacht is, leeft hij, en degene, die hem in zijne sluiphoeken zal durven opzoeken, zal beven; zijn laatste toon zal het hart der braafsten doen sidderen, en midden onder de lijken van onze vijanden zal ik naast u begraven worden. Dat is mijne stem.”

„Blijf liever leven om mij te wreken,” zeide de Boodschapper, door deze woorden aangedaan; „uw leven is nuttiger voor uw vaderland dan uw dood; gij hebt geene gelofte afgelegd.”

„Dat heb ik wel, Herman!” zeide Uilenburg, hem de hand gevende en uitroepende: „Ik heb met u gestaan; samen zullen wij vergaan,” waarna hij zich tot de overigen wendde en vervolgde: „Niet waar, knapen! wij vreezen geen gevaar, en zullen pal staan in den nood, en als wij sterven, zullen de Spanjaarden on nog met vrees aanschouwen. Wij zullen hun leeren, dat de moed en goede wil in staat zijn om het gemis aan kunde in den wapenhandel dapper te vergoeden, en die trotsche snorrebaarden, die oude Spaansche vuurvreters, zullen beven, als zij ons, Hollandsche jongens, zullen zien; nietwaar, de vlucht zult gij niet nemen? En gij, jonge en sterke borsten! zult u niet door ons, de oude lieden , laten beschamen. Zijt niet bevreesd; de duivel is zoo zwart niet, als hij er uit ziet, ik zelfs heb voorheen onder de Spanjaarden gediend, en hunne bruine huid is niet ondoordringbaar voor een goed schot of een forschen stoot. Deze hand,” dit zeggende strekte hij zijne rechterarm rechtuit, „zou u wel wat vertellen kunnen.”

„De dood zal mij welkom zijn,” zeide de Snijder somber; „tevergeefs heb ik hem dikwijls gezocht; zij, die mij van mijne haardstede verdreven en mijn zoon vermoord hebben, mogen ook dit lichaam sloopen. – Ik blijf!”

„Wet met Duc d’Alva! Dood voor de Spaansche beulen!” riepen nu al de overigen als uit eenen mond. „Wij blijven hier!”

De Snijder bracht nu zijne hand aan zijn zwaard en riep uit: „Herman! gij hoort het, wij zijn u allen getrouw tot in den dood!” waarna hij woedend vervolgde: „Vervloekt zij hij, die wankelt in het midden van het gevaar! vervloekt zij hij, die spreekt van overgaaf; want dit staal zal hem ter helle doen varen.”

„Vrienden!” zeide de Boodschapper, „ik ben aangedaan over uw voornemen; maar het verwondert mij niet, en ik dank u voor uw vertrouwen; door uw moed, door uwe hulp ondersteund, wanhoop ik nog niet aan ons behoud; in allen gevalle, broeders! zullen wij samen sterven of overwinnen!”

Daarna schonk hij de kroezen en glazen vol; de bekers stieten tegen elkander, en de kreten van „Vivent les Gueux! weg met de papen! weg met onze beulen!” klonken door het hooge vertrek. Zelfs Brigitta hoorde met angst het geschreeuw der ketters; zij kruiste en zegende zich, en dacht, dat haar laatste uur gekomen was.

Nadat deze geestdrift een weinig bedaard was, zeide de Boodschapper: „De rust, die men ons laat, moet ons echter niet tot zorgeloosheid doen overhellen.” Zich tot Uilenburg keerende, vervolgde hij: „Ik draag u zorg op voor het bewaken van het slot, wij kunnen niet te voorzichtig zijn.”

Uilenburg haastte zich aan het bevel te voldoen, en bracht een man op het voorhof, terwijl hij een ander gebood op de bovenste verdieping van het gebouw te blijven, en van tijd tot tijd naar alle zijden door de vensters uit te zien om nauwkeurig gade te slaan, wat naar den kant van Gorichem of Woudrichem gebeuren mocht.

De overige verdedigers vermaakten zich ondertusschen met praten en drinken; doch de Snijder zonderde zich met den Wapensmid af, en plaatste zich in een hoek van het vertrek; van het gevaar, dat hen bedreigde, ten volle overtuigd, namen zij aan de naar hun oordeel ontijdige vreugde hunner makkers geen deel.

De Boodschapper nam ondertusschen een stuk witte stof, dat in een hoek van het vertrek lag en een beddelaken scheen te zijn; hij sneed er met een mes een stuk af, waarna hij een pot met zwartsel of verf kreeg en met een kwast groote letters op het doek begon te schilderen, zonder dat zijne onderhoorigen, die met nieuwsgierige blikken zijn doen beschouwden, het waagden, hem te vragen, wat hij deed.

Zo verliep ook de derde dag, dien zij op het slot doorbrachten; het avondeten, dat door Brigitta bereid was, wer met graagte verslonden, en menig hartelijk woord werd nog door den boodschapper gebezigd om de zijnen het hart onder den riem te steken. Voor het eerst weegalmde binnen de muren van dit kasteel het lied van Willem van Oranje, van wien het vaderland zijne redding verwachtte, en het Wilhemus gezamenlijk en met luider stemme aanheffende, gaven zij te kennen, dat zij het gevaar, dat hen bedreigde, verachtte ter rust te begeven, goed op het aflossen der schildwachten te passen, en zich tegen den andere morgen gereed te houden om den kamp door te staan.

Aan zijne stem gehoor gevende, verliet het volkje spoedig het vertrek, zoodat hij eindelijk alleen met Uilenburg achterbleef. Terwijl deze het vuur wat bij elkander haalde, er er nog een paar stukken hout op wierp, nam de Boodschapper het stuk linnen, dat hij beschilderd had, en kreeg een dikken langen stok, die in een hoek der kamer stond, waaraan hij het doek zoo goed mogelijk vastbond, en plaatste toen het een en ander weder tegen den wand.

Een oogenblik zaten zij sprakeloos over elkander, en Uilenburg sprak nu en dan de wijnkan wel eens aan: eindelijk verbrak hij het zwijgen en zeide: „De Italiaan hield er, bij mijn ziel! goede wij op na. Komaan, Herman! drink ook eens mede; waarom staart gij zoo somber in het vuur?” Dit zeggende, schonk hij hem een glas in.

„Gij hebt gelijk, vriend!” hernam Herman, zijn glas drinkende; „doch ik geloof, dat gij spoedig geen wijn meer zult drinken; het loopt met ons ten einde. Met vreugde heb ik,” dus ging hij op een droevigen toon voort, „dezen dag een nieuw bewijs ontvangen van uwe gehechtheid aan mijn persoon, en van den goeden geest, die er onder onze mannen heerscht; de dood is nu hunne eigen verkiezing, en,” vervolgde hij somber, „is niet voor mijne rekening, maar voor die mijner vijanden, of van hen die ons niet te hulp komen volgens hunne belofte. Gerust kan ik dus dit leven verlaten, en hun lijden zal mij in het laatste oogenblikken niet bezwaren.” Hier hield hij op.

„Zoo is het,” zeide Uilenburg.

Hierop vervolgde de Boodschapper: „Alles is nu gereed; wij hebben alles gedaan, wat mogelijk was, om ons te versterken; het overige berust in hooger hand. voor ne zaak echter heb ik nog niet gezorgd: dat in namelijk,” zeide hij, zijne hand krampachtig aan zijn zwaard slaande, „om, als het staal onzen verlamden arm ontvalt, toch vrij te blijven, onverwonnen dit leven te verlaten, en juist door onzen val over onze vijanden te zegevieren, en”, vervolgde hij, woedend opspringende, „den Spanjaarden voor het laatste te bewijzen, dat de Boodschapper stervend nog zijne vijanden verplettert.”

Uilenburg, die hem met aandacht had aangehoord, knikte hem beamend met het hoofd toe, en zeide: „Laten wij gaan!”

Dezelfde gedachte bezielde deze twee mannen; de vaderlandsliefde was hun gemeen, evenals de haat tegen de Spanjaarden; geen lange rede behoefden zij te wisselen: n woord, n wenk slechts, en de andere begreep dadelijk hetgeen zijn vriend bedoelde. Uilenburg had nu den Boodschapper volkomen begrepen. Slechts te midden van het gevaar leert men zijne vrienden kennen; helaas! waarom wordt deze band dikwerf zoo spoedig verbroken?

Zwijgend gingen zij het werk verrichten, dat hen redden moest; geen woord werd er bij gewisseld, toen zij naar de benedenkamers van het slot afdaalden, terwijl hunne lotgenooten reeds ter rust waren gegaan. Terwijl Uilenburg met de lantaarn bijlichtte, rolde de Boodschapper, een vaatje, dat in een kleine kamer lag, naar een vertrek, dat boven den wijnkelder was; toen werd het langs de keldertrap afgewenteld, en aan het einde van den kelder geplaatst. Het licht, dat de hoornen lantaarn gaf, verspreidde over het geheele tooneel een twijfelachtig licht, en wierp lange schaduwen tegen den muur en op de wijnvaten. Indien iemand in het holst van den nacht deze twee zwijgende mannen had gadegeslagen, zou hij zeker, door de vrees overmeesterd, de vlucht genomen en hen voor booze geesten gehouden hebben, die te middernacht de schatten in het aardrijk verborgen, waarnaar de slotvoogd geheel zijn leven vergeefs gezocht had.

Meer dan n vaatje werd door hen in den kelder geplaatst; toen werden de kleine tonnen behoedzaam en voorts de grond van den kelder, trap en ook de vloer der kamer boven den kelder met iets bestrooid, dat de Boodschapper in een gebroken wijnkan droeg. Daarna sloot deze de kamerdeur, en gaf den sleutel aan Uilenburg, mogelijk omdat het volk zich aan geene zwelgerij zou schuldig maken zeker om ongelukken te voorkomen.

Toen zij van elkander scheidden, gaven zij elkander de hand. Een zekere opgeruimdheid vertoonde zich op hun gelaat, het „slaap wel, tot morgen!” dat zij elkander toeriepen, en dat door het gewelf en de gangen van het slot klonk, brak alleen de doodelijke stilte af, die hier heerschte, en de gedachte, dat zij hunne bevrijding hadden voorbereid, indien zij moesten zwichtenn in den ongelijken strijd, die hen wachtte, deed hen gedurende den nacht een gerusten slaap genieten.

908SR15.gif (1832 bytes)

24e hoofdstukInhoudopgave Oltmans26e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)