J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 27

De Spanjaarden schaarden zich achter hun stukken...

T.gif (3300 bytes)erwijl dit gebeurde, waren er nog onderscheiden schuiten en zeilvaartuigen met Spanjaarden afgevaren, een weinig tijds nadat Uilenburg was teruggekeerd, traden zij aan land. Hunne aanvoeders waren mede overgekomen en stelden hunne soldaten in orde, terwijl een menigte arbeiders zich onledig hileden met geschut en krijgsbehoeften aan wal te brengen. Schanskorven, om bij de stukken te plaatsen, waren niet vergeten, en men had een menigte teenen horden medegenomen om de soldaten voor het musketvuur te beveiligen, en op het lage dijkje te plaatsen, dat de slotgracht binnen haar oevers hield.

„Weet gij nu wie hun aanvoerder is?” zeide Uilenburg tot den Boodschapper.

Doch deze schudde met het hoofd, en antwoordde: „Neen; ik zie wel, dat het soldaten van het Siciliaansche regiment van Romero en wel van het groene vendel zijn; maar wie de hopman is, weet ik niet.”

„Het is Diego de Velasques,” hernam de andere, „een zoo wakker krijgsman als er n onder de Spanjaarden is; en zoo waar ik Uilenburg heet, wilde ik door geen ander dan dezen den doodsteek ontvangen, indien het zijn moest.”

„Gij schijnt hem dus te kennen,” zeide de Boodschapper.

„Ja,” antwoordde Uilenburg, „dat is zoo; en indien hij niet het hoofd van onze vijanden was, zoo zou hij gerust onder het bereik van mijn roer kunne komen, zonder da ik de hand aan de lont zou brengen; de Uil vergeet een bewezen weldaad niet; doch indien wij elkander in het gevecht tegenkwamen, dan zouden het geluk en de kracht moeten beslissen.”

„Indien dit zoo is vriend!” zeide de Boodschapper bedaard, „dan zal hij door u niet nedergeblazen worden; want hij schijnt het opperbevel niet te hebben. Ziedaar dien Spanjaard met zijn grooten hoed, die belet zijne gelaatstrekken te zien, en daarom in het Spaansch met recht sombrero genoemd wordt. Let eens op, hoe hij alles nagaat en zijne orders geeft, zelfs aan Velasquez; kunt gij raden wie hij is? ik niet.”

„Neen,” zeide Uilenburg nadenkende, „aan zijne gestalte zou ik zeggen, dat het de minnaar van de Jonkvrouw is, die zeker nu reeds op de plaats van hare bestemming zal aangekomen zijn. Zie eens hoe hij de werklieden afgrauwt; zij gaan zeker niet spoedig genoeg te werk naar zijn zin. Verdoemd! Het moet voor een Hollandsche borst wat  te zeggen wezen, om zo naar de pijpen van een vreemden kerel te moeten dansen; indien ik er bij was, zou ik hem gaarne eens een paar handbreedten van mijn degen tusschen de korte ribben jagen.”

„Perea kan het niet zijn,” zeide de Boodschapper, „en indien gij de arbeiders behoordet, zoudt gij het verstandigst doen, met niets te doen.”

Hierna verlieten zij den muur en begaven zich naar hunne manschappen, terwijl Uilenburg, door eenigen geholpen, onderzocht of de valbrug wel kon opgetrokken worden, hetgeen vrij gemakkelijk ging, ofschoon de brug door de vorst gezwollen was.

De arbeiders hadden nu de stukken ontscheept, hetgeen nogal moeilijk was geweest, daar men ze over den dijk had moeten brengen, die de rivier belette het land rondom het slot te overstroomen, en binne welken dijk in later tijd de schans, waarin het slot nu ligt, is opgericht. Toen de stukken eenmaal zoo ver ware, kon men ze gemakkelijk vooruitbrengen, ofschoon de ongelijkheid van den grond dat nu en dan nog bezwaarlijk genoeg maakte.

Op een musketschot van het voorhof liet men de stukken staan, waarna de arbeiders zich op gegeven bevel verwijderden. Nu gaf de aanvoerder een teeken, waarop de trommen begonnen te roffelen en de schalmeispelers zich gereedmaakten, tot groote ergernis van hen, die op het slot waren, en die niets hadden om daarop te antwoordden dan een paar trommen van de verjaagde bezetting. Onder het spelen van de Spaansche krijgsmarsch trokken de Spanjaarden, met het vaandel aan het hoofd, in rotten voorwaarts, totdat zij aan de stukken kwamen. Achter deze schaarden zij zich, op bevel van hun aanvoerder in orde, met hunne muziek op den hoek en de banier in het midden; de soldaten, die op het slot gevangen geweest waren, en de weinige ruiters die achter het voetvolk waren opgetrokken, plaatsten zich er mede op ne lijn. Toen zagen zij, die op het voorhof waren, hoe de bevelhebber een papier te voorschijn haalde, en het aan Velasquez overgaf, die vergezeld van den trompetter, dien hij scheen gelast te hebben hem te volgen, naar de hoofdpoort van het voorhof stapte en op tien schreden afstand van dr staan bleef.

Op een teeken van Velasquez blies de trompetter op zijne trompet, waarop de Boodschapper tot Uileburg zeide: „Volg mij, en laat ons hooren, wat zij te zeggen hebben.”

Nu beklom hij den muur, en vertoonde zich boven de poort. Den Spanjaard met de hand groetende, zeide hij: „Ik ben bevelhebber van het slot, mijnheer! waarom wappert ’s Konings vlag bij de serpentijnen, die vijandig tegen deze muren geplant zijn? wat begeert gij van mij?”

Waarop Velasquez, die zeker niet wilde achterblijven in beleefdheid, de hand aan den rand van zijn hoed bracht, en het volgende met forsche stem begon te lezen:

„In naam des Konings!” Dit zeggende, nam hij zijn hoed af, waarna hij vervolgde: „Op last van den Alvarez de Toledo, Hertog van Alba, Markgraaf van Dorin, Graaf van Salvaterra, Ridder der orde van het Gulden Vlies, Stadhouder, Gouverneur en Kapitein-generaal vanwege den Koning, onzen genadigen lijfsheer in de lande van herwaarts over, enz. enz. verklaar ik, Lorenzo Perea de Henares, ridder van de orde van Calatrava, bevelhebber der Italiaansche speerruiters, u schuldig aan rebellie en schennis van gekwetste Majesteit tegen den Koning, uw natuurlijken Prins en Souverein; daat gij niet achtende den plicht van gehoorzaamheid, dien gij als vazal verschuldigd waart, u onderstaan hebt in naam van den prins van Oranje, rebel zijner Koninklijke Majesteit, door schandelijke praktijk u meester te maken van een sterkte van uw natuurlijken Heer en Koning, u niet ontzien hebt zijn krijgsvolk door list gevangen te nemen, gelijk gij nog op dit oogenblik den eenigen wettigen bevelhebber van dit slot wederrechtelijk gevangen houdt; waarom hij, Perea de Henares, in naam van Alvarez De Toledo, Hertog van Alba vernoemd, u gelast, een einde makende aan uwe rebellie, het slot met al zijne wapenen en krijgsbehoeften, dadelijk aan hem in te ruimen, den standaard des oproers neder te halen, den slotvoogd over te leveren, en u zelven zonder voorwaarden in zijne handen te stellen, zijnde dit het eenige middel tot verkrijging van lijfsgenade. Edoch, indien het onverhoopt indien het onverhoopt mocht gebeuren, dat gij uwe rebellie en boosheid volhardende, het wagen durfdet, de poort van het huis van Loevestein, behoorende aan zijne Majesteit, uw eenigen wettigen Heer en Meester, voor zijn krijgsvolk gesloten te houden, zoo is hij, Perea de Henares, voorzien van een genoegzaam aantal soldaten en geschut, om u met Gods hulp te dwingen, en het slot te bezetten, en zult gij, overgelaten aan de gestrengheid der wetten, gestraft worden met de dood, zonder aanspraak op genade.”

Hier hield de Spanjaard op. De Boodschapper, die deze reeks van beschuldigingen en bedreigingen, ofschoon zij van Perea kwamen, vrij bedaard had aangehoord, antwoordde met een forsche stem, zoodat hij door de Spaansche soldaten verstaan kon worden:

„In naam van Willem van Nassau, prins van Oranje, Stadhouder over Holland, Zeeland, Utrecht, West-Friesland, Voorne en den Briel, Ridder van het Gulden Vlies, enz, enz. In naam des Konings, den eenigen wettigen gezagvoerder in deze landen, en in den naam van ’s Lands Staten, – zeggende, bracht hij de hand aan den rand van zijn stormhoed – ben ik bevelhebber van dit slot, en heb ik mij door krijgslist meester gemaakt en het gezuiverd van vreemde huurlingen. Uit dien hoofde ben ik verwonderd dat Lorenzo Perea, dien ik hier openlijk en voor de geheel wereld beschuldig van beganen moord aan den persoon van zijn vriend, en dus onwaardig om de wapenen te dragen, de stoutheid heeft, om met verkrachting der privilegin des Lands, zich met vreemd krijgsvolk en geschut te vertoonen voor de muren van dit slot, behoorende onder den lande van Holland. En verklaar ik Loevestein met Gods hulp te willen verdedigen tegen ieder en een iegelijk, die het zou durven aanvallen, sommeerende hem Perea de Henares, of zoo als hij heeten moge, nog dadelijk en op staanden voet van hier te verwijderen, zullende ik mij anders genoodzaakt zien, hem met kracht van wapenen te verdrijven.”

Nadat de Boodschapper geindigd had, zeide Velasquez, die hem met Spaansche deftigheid had aangehoord: „Krijgsman! of wie gij ook zijt, ik laak en beklaag uwe ongehoorzaamheid, terwijl uwe stoutheid mij verwondert; doch geef aan de rede gehoor, uwe zwakke macht zal u beletten met vrucht weerstand te bieden; wanneer er een schot gevallen is, is het te laat; bedenk dit wel! nu nog hebt gij en uwe makkers hoop op de genade des Hertogs.”

„Het is mogelijk Velasquez!” antwoordde de Boodschapper bitter, „dat gij gelooft, wat gij zegt, ik echter,, ik ken den Hertog; alleen op het rad leert men zijne genade kennen. Voor het overige,” vervolgde hij schamper lachende, „het is mogelijk, dat een Spanjaard gewoon is vergiffenis af te bedelen, een Hollander doet dit niet. Ga nu aan hem, die u zendt, zeggen, dat hij zijn geschut laat aanrukken; want wij zullen ons tot het uiterste verdedigen, en mijn volk is ongeduldig te beginnen.”

„Een Spanjaard, rebel!” hernam Velasquez trotsch, „doet nimmer iets, dat niet met den plicht eens edelmans overeenstemt, en dat een Hollander niet gaarne zou wenschen gedaan te hebben; voor het overige hebt gij nog tijd van beraad; eerst na de derde opeisching begint den aanval.” Dit zeggende, gaf hij een wenk met de hadn aan Pedrillo om te blazen.

„Vertrek Spanjaard!” riep de Boodschapper driftig, met zijn ijzeren handschoen op den muur slaande, „pak u van hier, ik wil geen woord meer hooren, of bij god! ik zal u een kogel in het lijf zenden, die u in Holland het spreken verleeren zal.” Dit zeggende, grepen hij en Uilenburg ieder een musket, en legden beiden op de Spanjaarden aan. Zonderling genoeg zou het toeval Uilenburg hebben kunnen noodzaken, den trompetter, dien hij te voren gespaard had, neder te blazen, indien Velasquez niet aan des Boodschappers bevel gehoorzaamde, en den eenigen Spanjaard, dien hij niet haatte, door de hand zijns vriends te zien sneuvelen.

Hunne vijanden bleven echter onverschrokken staan, terwijl Velasquez bedaard zeide: „Doe, wat ge verkiest, ik volvoer mijn plicht,” waarna hij, zich tot Pedrillo keerende, vervolgde: „Steek de trompet, trompetter!”

Deze zette hierp onverschrokken de trompet aan zijn mond, en zou gaan blazen, docht terwijl de geuzen hunne oogen langs de loopen hunner musketten lieten gaa om de plaats te zoeken, waar hunne vijanden het zekerst te treffen waren, merkte Perea wat er gaande was. Met woede had hij de beschuldiging van den Boodschapper gehoord, en gelukkig, vrdat nog een toon van het metalen speeltuig het teeken had gegeven tot de losbranding der musketten, riep hij met forsche stem: „Kom terug, Signor Velasquez! het is genoeg; het geschut zal deze verstokte rebellen wel tot rede brengen,” terwijl hij tot dezen, nadat hij terug was gekomen, zeide: „Waarom, Signor! zoudt gij u blootstellen door deze oproerlingen, die zich niet ontzien mij en mijne eer aan te randen, en die, evenals ongeloovige honden, de heiligheid van een onderhandelaar niet eerbiedigen, zonder roem doodgeschoten te worden?”

Uilenburg en de Boodschapper verwijderden zich nu van den muur, terwijl de plaats, verheugd dat Perea Velasquez had teruggeroepen, en als wil hij zijne oploopendheid verontschuldigen, zeide: „Is het wel te verwonderen, dat men zijne bedaardheid verliest, als men zich in zijn eigen land door zulk vreemd gespuis hoort bedreigen? en waarom gebruikte hij ook het woord vazal? de beteekenis daarvan is den Hollander onbekend, en de tijden zijn nog ver, dat hij het geduldig zal leeren dragen.”

„Gij hebt gelijk,”antwoordde Uilenburg, „en vooral als de boodschap komt van een snaak als Perea; ik geloof, dat hij het voornamelijk op u gemunt heeft; laat hem maar toezien, dat de belegering van Loevestein zijn laatste veldtocht niet worde; want tusschen ons en de Spanjaarden valt veel af te doen. Ik geloof ook, dat velen, die hier thans de wapenen dragen, het nieuwe jaar niet beleven zullen; maar toen ik zoo even op den muur was, scheen het mij toe, alsof de wind een weinig gedraaid was; de lucht wordt zoo grauw, dat ik geloof, dat wij sneeuw zullen krijgen.”

Zij bevonden zich nu bij hunne strijdmakkers, terwijl de Boodschapper op Uilenburg’s gezegde naar de lucht zag en op het drijven der wolken en de windwijzers van het slot acht gaf, waarna hij zeide: „Ik geloof, dat gij gelijk hebt: indien er sneeuw valt, zullen wij groot voordeel hebben op den Spanjaard, die in het open veld staat. Komaan mannen!” vervolgde hij vroolijk, „een ieder zoeke de plaats uit, vanwaar hij denkt het meeste kwaad te kunnen doen, en als gij het sein om te beginnen gehoord hebt, blaast gij er in Gods naam naar onder, dat de lappen er afvliegen; de Koning betaalt toch alles.”

Vroolijk begaven zich zijne onderhoorigen op hunne posten. Deze plaatste zich voor een venster, en zocht er reeds een onder zijne vijanden uit om hem neder te schieten; een ander zag door een schietgat, dat in een muur gebroken was, en bracht bedaard zijn musket in orde, deed nieuw kruit op de pan, en gin al fluitende op een steen zitten, terwijl hij nu en dan zijne lont aanblies en aan zijne vriende of ouders dacht, die hij had achtergelaten; doch allen hielden steeds hunne ooren gespitst naar het schot, dat ten teeken van den aanval moest verstrekken.

De Boodschapper stond naast de groote poort, en zag door een schietgat, toen Uilenburg aankwam, en hem toeriep: „Ik geloof, dat zij hun geschut verplaatsen; het zal mij benieuwen, waar zij daarmede post zullen vatten.”

Deze antwoordde hem niet, maar vroeg schielijk: „Hebt gij uw musket bij u, Uilenburg?”

„Ja,” antwoordde deze, „wat wilt gij daarmede zeggen?”

„Plaats u dan hier,” hernam de andere, en nadat Uilenburg zich naast hem vr een schietgat geplaatst had, vervolgde hij: „Is die kerel dan zijn leven moede, of denkt hij, dat er geen mensch in het slot is? Zie eens, hoe hij daar met eene knie op den kant van de slotgracht ligt, en de diepte der gracht, de brug en het voorhof van achteren bespiedt; het is een van die Italiaansche ruiters. Mij dunkt, ik zie den Snijder reeds met geopende pan en de hand aan de lont, op hem loeren; hoe komt hij dezen dag zoo gehoorzaam? hij stoort zich anders aan mijne orders niet, en wacht zoolang niet, als er Spaansch bloed te drinken valt.”

„Zie, daar richt de vervloekte vent zich geheel en al op,” riep Uilenburg, „ik geloof dat hij gek is, of denkt hij, dat wij geen vuurwapenen hebben?”

„Dat zal hij anders ondervinden,” riep de Boodschapper: „Blaas hem neer, Uilenburg!”

Deze liet zich geen tweemaal zeggen en legde aan; doch toen hij de hand aan de lont bracht, liet hij het musket weder zakken, en zeide mistroostig: „De leepe vogel heeft de tromp van mijn musket gezien, ofschoon het geen handbreed buiten den muur uitstak; hij ligt achter de hoogte verborgen; ik zie niets dan een gedeelte van zijn hoofd.”

„Schiet toch maar toe!” riep de Boodschapper driftig, „er moet toch een begin aan de zaak gemaakt worden, schiet; al ware het in de lucht.”

Uilenburg gaf hier op ten antwoord: „Dan zal ik naar die zijde schieten; ofschoon ze veraf staan, het ik toch kans wat te treffen; het eerste schot moet raken, anders is de geheele dag ongelukkig.” Dit zeggende, liep hij snel naar de andere zijde van de poort, en door een schietgat op de Spaansche soldaten aanleggende, die nog geschaard stonden, gaf hij vuur.

De Boodschapper echter bleef waar hij was, en hield den ruiter in het oog. Pas wat het schot ven Uilenburg gevallen, of een kleine rookwolk vertoonde zich aan een der benedenvensters van het slot; een vuurstraal volgde, en daarna het geluid van een schot. De ruiter richtte zich nu snel in de hoogte, bewoog zich eenige oogenblikken nu eens vr-, dan weder achterwaarts, evenals iemand, die door wijn bevangen is; doch eindelijk verloor hij zijn evenwicht, viel voorover in de slotgracht en, uit hoofde zijner zwaarte, door de dunne ijskorst heen, die over het water lag.

„Goed getroffen, Snijder!” riep de Boodschapper, terwijl Uilenburg, die tot hem terugkeerde en door een schietgat zag, zeide: „Wi hebben nu weder het bewijs gezien, dat de Spanjaarden gek geweest zijn, toen zijn onzen meester Snijder van de tafel hebben afgejaagd, ook mijn schot is niet voor niets geweest; er heeft eenige beweging in de gelederen plaats gehad, en een hunner is denkelijk gekwetst achterwaarts gedragen.”

Hierop begon het vuur van het voorhof, en van tijd tot tijd deed zich uit het slot een schot hooren.

908SR15.gif (1832 bytes)

26e hoofdstukInhoudopgave Oltmans28e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)