J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 29

De Wapensmid geeft eenige lessen in het behandelen van een schietgeweer.

I.gif (3249 bytes)n het slot werd het vuur met bedaardheid onderhouden en de Snijder en de Wapensmid, die het vuur hunner metgezellen bestuurden, gaven hun het voorbeeld in het juiste treffen. Zoodra de stukken, die tegen het slot geplant waren, waren afgeschoten, namen zij het oogenblik te baat, dat de kruitdamp opgetrokken was, om, hetzij de kanonniers of de musketiers, die hier en daar verspreid waren, te bestoken. De Snijder deed dikwijls een verkenning in het slot, en zich aan elk venster of schietgat een weinig ophoudende, sloeg hij de handelingen zijner vijanden gade, en hield hen met zijn musket op behoorlijken afstand. Het wel gerichte voor der  soldaten verdreef hem echter dikwerf van de eene of andere opening en had zelfs reeds eenigen der verdedigers door het afspringen der steenschilfers gekwetst.

Terwijl de Wapensmid zich onledig hield met een musket, dat door een zijner makkers in de haast en de verwarring dubbel geladen was, weder af te trekken, en dezen eenige lessen gaf in het behandelen van een schietgeweer, riep de Snijder eensklaps uit: „Zie mij daar nu dien jongen, trotschen Pauw eens aan! gelooft gij dan, dat hij onkwetsbaar is, of dat een Hollander hem niet kan treffen?” Dit zeggende, laadde hij zijn musket, en de Wapensmid, die het weder in orde gebrachte roer aan dengene ter hand stelde, die het hem gegeven had, keek nieuwsgierig door een der schietgaten, ten  einde de oorzaak van des Snijders uitroep gewaar te worden.

Hij zag nu een jongen Spanjaard, met de eene hand op den knop van zijn degen, op het dijkje, dat langs de gracht liep, heen en weder stappen, terwijl hij met de andere een Spaansche vlag vasthield, die met den stok in zijne zijde rustte. Hij droeg een zwarten hoed met witter vederen, was in geel laken gekleed en met een fraai gerwerkt borstharnas, bedekt, waarover een sluier hing. Daar hij zich een eind weegs bezijden de batterij bevond, had hij van het kanon niet maar van het slot alles te vreezen, en de Wapensmid kon niet begrijpen, waarom de vaandeldrger zoo roekeloos zijn leven waagde.

„Geef acht!” riep de Snijder, zijn musket aanleggende, „zoodra hij weder dezen weg opkomt, zult gij hem zien vallen.”

Op dit oogenblik, dat hij met zijn oog over den loop zag, en zijne hand aan den trekker bracht om vuur te geven, hield de Wapensmid zijne hand vast, en zeide schielijk: „Ik verzoek genade voor hem,; wat kan zijn dood ons helpen?”

„Neem uwe hand weg,” riep de Snijder barsch, terwijl de genoegelijke trek, die een oogenblik te voren zijn voorhoofd ontrimpeld had,, snel verdween; „met uwe malle grillen houdt gij maar op; indien gij niet gestoord hadt, ware hij er nu reeds geweest; mijn kogel zou hem juist in het hoofd getroffen hebben.”

„Hebt gij vergeten, Snijder?” zeide  de Wapensmid koel, „dat ik uw zoon en uwe vrouw met levensgevaar bij mij aan huis verborgen heb gehouden, toen de Spanjaarden hen zochten? waren dat ook grillen? Of denkt gij, dat hun leven dat van een kind niet  waardig is?”

„Neen, ik heb dat niet vergeten,” antwoordde de Snijder, zijn musket terughalende. „Mijn zoon! reeds lang geleden heeft het Spaansche lood u getroffen, en uw vader leeft nog,” vervolgde hij droevig. „Maar zeg mij, waarom stelt gij belang in de vaandrig? Want indien gij denkt, dat zijn dood ons geen voordeel kan aanbrengen, zoo zal zijn leven ons zulks nog veel minder doen.”

„Omdat hij,” hernam de Wapensmid, „mij nu omtrent drie weken geleden, door zijne voorspraak, in den Bosch de poort heeft doen openen, ofschoon eenige soldaten mij wilden aanhouden; de eene dienst is den anderen waard.”

„Het zij zoo,” zeide de Snijder: „ofschoon ik niet weet, of gij hem een grooten dienst gedaan hebt; hij had anders zijne laatste reis reeds ondernomen zonder tijd van beraad gehad te hebben: doch nu moet gij u niet meet met mijn doen bemoeien, en deze zal voor uw bescherming betalen.” Dit zeggende, legde hij op een Spaansche hoofdman aan, die met den vaandrig sprak, en kwetste hem aan den arm, waarop hij gemelijk uitriep: „Dat verdoemde volk staat nooit stil, zijn hart had ik willen treffen; nu zal hij nog een schot kruit noodig hebben.”

Terwijl men dus in het slot al het mogelijke deed om den Spanjaard afbreuk te doen, zat men of het voorhof ook niet stil; en daar het gevaar aan die zijde het nijpenst was, was de wederstand er ook het hevigst.

„De muur is in een slechten staat, Herman!” berichtte Uilenburg aan dezen, die bezig was zijn musket te laden, „de bres zal juist in het open vak komen, dat tusschen de wachtkamer en den stal is, ofschoon het poortdeurtje zich houdt, alsof het van steen was. Het dakwerk boven die twee gebouwen is ook reeds weggeschoten, en de zijmuren, die niet dik zijn, zijn sterk gescheurd; doch dat is niets; maar de buitenmuur wordt wrak, en dat is erger. Zoo even viel een geheel brok er van met een harden slag naar binnen; hij zal evenwel nog wel wat uithouden.”

„Hun geschut schiet veeltijds te hoog,” antwoordde de Boodschapper, „veel kogels gaan over het voorhof heen, en vliegen tegen den slotmuur aan; het schijnt mij toe, dat de kanonniers hun werk met geen goed hart verrichten; dit is trouwens ook onmogelijk. Het is gelukkig, dat de deur van het poortje zoo dik en met ijzer beslagen is, anders zou zij reeds lang onder den voet liggen, en de balken waarmede wij haar gestut hebben, zetten haar ook nog wat sterkte bij. Maar hoe gaat het met het weer?” vroeg hij, nadat hij zijn musket had afgeschoten.

„Dat kan niet beter; de wind is west,” hernam Uilenburg, „de sneeuw begint te vallen en zal het musketvuur daar buiten spoedig doen ophouden.”

Daarna zette hij een kan met wijn aan den mond, plaatste zich, nadat hij gedronken had, naast den Boodschapper en begon te schieten.

Het geschiedde zooals Uilenburg gezegd had; de fijne, natte sneeuw, die weldra dicht begon te vallen, deed het vuur van de Spaansche musketiers hoe langer hoe minder worden, totdat het eindelijk geheel en al ophield. Hun kanon deed zich steeds hooren, en door de verdedigers van het slot, die voor de sneeuw beschut waren, en bedaard hun gan gingen, levendig beantwoord.

908SR15.gif (1832 bytes)

28e hoofdstukInhoudopgave Oltmans30e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)