J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 30

"Hoe gaat het hier Signor Velasquez? " vroeg Perea (r.) (Velasquez (l.))

H.gif (3137 bytes)oe gaat het hier, Signor Velasquez?” vroeg Perea dezen, hem op zijde tredende. „Maar ik zie, gij zijt gekwetst,” vervolgde hij, op diens linkerarm wijzende, om welken een doek gebonden was.

„Zeer goed Signor!” antwoordde Velasquez. „De wond aan mijn arm heeft niet veel te beduiden; mijn rechterarm is nog zeer goed in staat om den degen te voeren, als de nood het vereischt.”

„En heeft het geschut reeds goed gewerkt?” vroeg Perea, „gij ziet, ik ben gelukkiger geweest dan gij; men heeft mij niet getroffen.”

„Dat gaat wel,” hernam Velasquez; „maar de muren van dit gebouw zijn bijzonder dik en sterk; zij herinneren mij de overblijfselen der oude Moorsche sterkten, die men bij ons dikwijls in het gebergte aantreft, en nu op deze plaats schijnen juist een paar knapenin het slot te zijn, die oogen als valken hebben.”

„Zoo gaat het bij mij ook,” antwoordde Perea; „ofschoon ik hen niet gezien heb, zoo word ik toch steeds gewaar, als zij vuur geven; want hunne schoten zijn goed gericht; de aanvoerder der rebellen houdt zich zeker dr op, en ik heb gezien, dat gij ook al reeds menig man verloren hebt.”

„Ja, Signor!” zeide Velasquez, nadat Perea geindigd had, „en het verwondert mij, dat hun getal niet sinds lang met n vermeerderd is; ik verzoek u onzen Abanderado toch terug te roepen; de jongeling blijft halsstarig en voor niets zich aan het vuur van het slot blootstellen. god weet hoe het komt, dat hij nog leeft; hij zegt daar te staan op uw bevel. Zie, daar wandelt hij weer heen en weder langs de slotgracht.”

Perea zag nu den vaandrig met het ontrolde vaandel heen en weder gaan; hij begreep al dadelijk, dat dit het gevolg was van zijne bestraffing en aar hem toetredende, riep hij: „Da Silva! kom hier, wat doet gij daan aan de gracht?”

De vaandrig kwam dadelijk naar hem toe, terwijl een blos zijn gelaat bedekte, en vroeg: „Wat hebt gij te bevelen Signor Capitan?”

„Waarom staat gij daar aan het water, onder het vuur van het slot, Abanderado!” vroeg Perea vriendelijk, terwijl hij hem, als teeken van goedkeuring, met de hand op den schouder klopte.

„Ik dacht, Signor! dat het vaandel op de plaats van eer staan moest,” antwoordde Da Silva.

„Dat is zoo, jonkman!” hernam Perea; „maar hoe kwam het u in de gedachten, om die juist dr te zoeken.”

„Omdat gij mij gezegd hebt, Signor!” antwoordde de vaandrig, „dt die steeds was op het punt, waar het meeste gevaar is.”

„Gij hebt gelijk, Da Silva!” zeide Perea vriendelijk, waarna het echter trotsch vervolgde; „er is evenwel een groote afstand tusschen roekeloosheid en lafheid; gij schijnt dit vergeten te hebben, Signor! ik heb gaarne, dat men mijne bevelen nakomt zonder ze echter te overdrijven. Ga nu naar de batterij; doch plaats u daarachter en niet daarvoor; verstaat gij mij Abanderado? ik beveel u dit.”

Da Silva boog zich en vertrok, nu echter zijn weg niet langs de gracht nemende.

„Hoeveel kerels denkt gij wel, dat er in het slot zijn,” vroeg Perea aan Velasquez, die den vaandrig naoogde.

„Ik denk een twintigtal, Signor!” antwoordde deze.

„Op het voorhof kunnen er ook zooveel zijn,” zeide Perea; „zij zullen dus met hun veertigen niet bestand zijn, als wij stormloopen; want zoodra de bres bruikbaar is, wil ik trachten het voorhof te bezetten. Ik wenschtte echter, dat die verwenschte sneeuw maar ophield; onze soldaten zijn niet gehard tegen de koude, en de werkeloosheid deugt niet voor hen.”

908SR15.gif (1832 bytes)

29e hoofdstukInhoudopgave Oltmans31e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)