J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 35

De verloren trompet van Pedrillo.

G.gif (3512 bytes)een vroolijk gejuich of geroep van „Victorie”, verkondigde de overwinning der Spanjaarden. Door den dood des ruiters getroffen, stonden zij in somber stilzwijgen op het voorhof, en noch het geluid der trom of schalmei, noch dat der krijgsklaroen, boodschapte aan Gorichem’s ingezetenen, de overwinning, der vreemdelingen on Neerland’s zonen.

Perea merkte dit het eerste op, en zich tot de musketiers keerende zeide hij: „Soldaten! gij ziet, dat niets onmogelijk is; vruchteloos zochten de rebellen ons den toegang tot deze plaats te verhinderen, en wij zijn er thans meester van. Indien gij, gehoorzaam aan mijne stem, uw hopman hadt bijgestaan, zou de Abanderado niet gevallen of uwe banier bemachtigd geworden zijn. In plaats dat thans ’s Konings wapen in uw midden wappert, of zegevierend op den muur geplant wordt, is het in handen van een lagen muiter, die het bezoedeld en zich er mede gedost heeft; de standaard des opstands waait nog op ’s Konings slot. Denkt niet aan den dood uwe spitsbroeders dan om dien te wreken, en geeft den moed niet op. Soldaten! als de dag van morgen aanbreekt, zal mijne stem u weder ten storm roepen, en eer de avond daalt zal Romero zijn veldteeken weder hernomen hebben; de overwinning van dien dag is aan ons. Leve de Koning! dood aan de rebellen!”

„Leve de Koning! leve Perea! weg met de muiters!” riepen de soldaten, met de kolven hunner musketten op de steenen stampende. Perea, zich nu naar Pedrillo keerende, die achter de ruiters stond, en die, onthutst door den val, welken hij gedaan had, aan het gevecht op de brug geen deel had genomen, vervolgde: „Het is voor het eerst van mijn leven, Pedrillo! dat ik u gelasten moet de trompet te steken: of zijt gij dezelfde niet meer, die voor Tongeren de trompetten van Oranje tot zwijgen bracht?”

„Ik ben nog dezelfde, Seor!” antwoordde deze droevig, „en toch kan ik aan uw bevel niet gehoorzamen, helaas! de geus zal dezen avond de overwinning blazen.”

„En waarom?” vroeg Perea schielijk. „Gij zult de trompet steken, als ik het wil; wie heeft u gelast te onderzoeken, of wij of de muiters den roem van dezen dag hebben weggedragen?”

„Helaas! Seor Capitan!” hernam Pedrillo, aangedaan, „in het oogenblik, toen ik u uit de bres sleepte, miskende ik voor het eerst uwe stem en uw gezag; vr den storm heb ik voor het laatst de trompet geblazen; een ander zet thans zijne lippen aan het speeltuig, dat ik van u ontving, en dat jarenlang aan mijne zijde hing: ik heb het verloren.”

Perea gevoelde de droefheid des krijgsmans en antwoordde nietl daarna reikte de trotsche Spanjaard hem voor het eerst zijn leven de hand, en zeide: „Houd moed, Pedrillo, morgen haalt gij uwe trompet terug; morgen zal uw triomfgeschal zich weder doen hooren.”

Vervolgens gaf hij bevel om te zorgen, dat de brand van den stal geene verdere verwoesting aanrichtte. Daar de zoldering ingevallen was, zoo was het vuur, tusschen dikke muren besloten, niet gevaarlijk, en de wachtkamer, reeds van haar dak beroofd, en met sneeuw bedekt, had van de daarvoor heen waaiende vlam geen schade geleden. Op de brug werden op zijn last brandend hout en stroo geworpen, en dit, door den fellen oostenwind aangeblazen, zette de brug weldra geheel in vlam. Nu liet zich het geschut weder hooren, en op het vuur gericht, schoten de kogels de palen, waarop de brug rustte aan stukken. Spoedig werd zij geheel vernield; enkele brandende stukken hout, tusschen het gespleten paalwerk gevallen, verlichtten de rookende overblijfselen, die in het water of op het ijs lagen. Alle gemeenschap was dus afgesloten, alle hoop op ontvluchting den belegerden benomen, en, van alle kanten door het water omringd, bleef hun niets meer dan de dood, indien zij niet ontzet werden.

De twee stukken, die de bres in het voorhof geschoten hadden, werden voortgesleept en bij de andere geplaatst; ja zelfs werden de arbeiders, ondanks de koude en de duisternis, genoodzaakt de stukken aan de Waal in batterij te plaatsen, en evenals te voren, naast de schanskorven de horden met aarde te bedekken. Hetzij bij toeval, of door het bestuur der busschieters, werden de slangstukken, die de vier letters van den naam des Hertogs van Alba droegen, zoodanig geschikt, dat zij juist het woor Bal uitmaakten, tot smaad van den hatelijke afgod dien zij dienen moesten.

Bij de stukken werd een wacht geplaatst, en rondom het slot, langs de rivier en naar de zijde van het monnikenland werden schildwachten uitgezet; ja, uit vrees van onraad, stond de uiterste post een eind weegs er op. Spaansche musketiers, die bij de schuiten en vaartuigen de wacht hielden, verhinderden de arbeiders zich gedurende den nacht te verwijderen. Een enkel vaartuig nam echter in de duisternis den tocht naar Gorichem aan, geladen met de overblijfsels der dappere verdedigers van het voorhof; en toen des anderen morgens de dag aanbrak, zag de stille burger, die zich bij toeval of uit nieuwsgierigheid aan den rivierkant vertoonde, aan de galg op het eiland de lijken der geuzen, die in de bres gesneuveld waren, een ieder ten voorbeeld, bij de beenen opgehangen, en, terwijl hij een traan uit zijn oog wischte, dacht hij met droefheid aan het lot, hetwelk hem en zijn vaderland boven het hoofd hing.

De Spanjaarden legerden zich zoo goed mogelijk in de gebouwen van het voorhof of in het tuinderschuurtje, dat aan de Maas bij den kleinen hof stond. De ongelukkige arbeiders en kanonniers waren echter gedoemd om in de open lucht den nacht door te brengen, en achter het voorhof voor de verdedigers van het slot verborgen, plaatsten zij zich om de wachtvuren, en zochten zich, door eenig rijs beschut, te verwarmen.. Daar zij bier en brood in overvloed hadden, zou het op andere tijden niet ontbroken hebben aan een vroolijk onderhoud, of aan een verteller van het een of ander avontuur; doch zij zaten allen stil en zwijgend om de vuren. Op hetgeen door hen gedurende den dag verricht was, konden zij geen roem dragen; hunn krachten waren nog aan hunne meesters onderworpen; doch hun geest was reeds vrij, en toen de dag aanbrak, dat zij hun geschut tegen den Spanjaard richtten, kon men hen van geene vadsigheid of luiheid beschuldigen.

Het gewoel en gedruisch, dat van te voren  had geheerscht, maakte weldra plaats voor eene diepe stilte. De soldaten vermoeid, en blijde aan het gevaar ontsnapt te zijn, maakten zich echter gereed om het den anderen dag met moed en stoutheid onder de oogen te zien; anderen lieten hunne wonden verbinden, en, aan het soldatenleven gewoon, vergaten zij den beker niet.

In het slot heerschte een akelige stilte; geen licht deed zich aan de vensters zien, en indien men niet geweten had, dat de geuzen er in huisvestten, zou men het voor onbewoond gehouden hebben.

De twee bevelhebbers der Spanjaarden zaten in een kamertje bij de groote poort; het heldere vuur, dat in de kleine haardstede brandde, verspreidde een weldadige warmte in het vertrek, en kwam de kaars te gemoet, die, in een stuk hout gestoken, op de tafel stond, en anders moeite zou gehad hebben om het te verlichten. Aan het einde der kamer stond een lange tafel, een mantel bedekte iets, dat er op lag, doch niet genoegzaam om twee glimmende zwarte laarzen te verbergen, die aan de zijde van de tafel afhingen; een degen zonder scheede, met een rozenroode zijden strik aan het gevest, lag op den mantel.

Perea zat aan een tafeltje bij het vuur; een kan wijn en twee volgeschonken glazen waren daarop geplaatst; een wittebrood en een hoek kaas lagen in een mand. Velasquez zat tegenover hem, en beiden waren zij te zeer in hun gedachten verdiept om aan het ledigen hunner bekers te denken. Met droefheid dacht de laatste aan zijn gevallen soldaten. „Helaas!” zeide hij bij zich zelven, „waarom moet ik u hier verliezen? Indien gij in Frankrijks’s velden, o in de verdediging van uw geboorteland gevallen waart, zou ik uw dood niet beklagen. Neen! voor zijn land en zijn vorst te sterven, is het schoonste lot eens krijgsmans; ik zelf kan niets meer verlangen; maar gij, wapenbroeders! gij zijt in een ongelijken strijd gevallen tegen de eigen onderdanen van uw Koning; tegen hen, die nog kort geleden u den palm der overwinning aan den Franschman hielpen ontwringen, en indien in zulk een kamp al geen schande behaald wordt, helaas; zoo wordt er ook geen eer in verworven.”

Droevig streek hij zijne hand over zijn gelaat, als zijn oog op de speer viel, die, van hare banier beroofd, in een hoek van de kamer stond. Helaas! hij stelde zich het oogenblik voor den geest, waarin hij, die voorheen altijd zegevierend terugkeerde, zich voor Romero zonder veldteeken zou moeten vertoonen; en ofschoon hem de smaad diep griefde, die op hem en zijn vaandel rustte, zoo kon hij hen, die er de oorzaak van waren, niet haten. Neen! zijn hart sprak hen vrij van alle schuld: hoe gaarne zou hij hen onder zijne soldaten geteld hebben! hoe gaarne zou hij hen op het veld van eer zijn voorgegaan! Ofschoon een Spanjaard zijnde, riep hij bij zich zelven uit: „Neen! het land, dat zulke helden teelt, kan niet overwonnen worden; de zaak, waarover zij strijden, kan niet onrechtvaardig zijn.” Had de Koning gedacht, gelijk gij, Velasquez! als Mondragon en andere brave Spanjaarden, en had hij nooit Alva en zijn beulenrot naar deze landen gezonden, dan had de Kastiliaan steeds op zijne broeders in Nederland kunnen rekenen; vereend hadden zij steeds den Gallir binnen zijne oude grenzen teruggesmeten; het trotsche Albion zou nooit gewaagd hebben hunne vloten op zee te braveeren, en Spanje zou niet zoo laag gezonken zijn.

Perea daarentegen was bezig aan Alva te schrijven, en hem verslag te doen van hetgeen gedurende den eersten dag gebeurd was. Hij verzweeg echter den dood van den Abandorado, en denkende de vlag den anderen dag te hernemen, had hij besloten den Hertog van deze ramp niets te melden, voordat zij hersteld was; want ofschoon dit buiten zijne schuld geschied was, vreesde hij echter voor het oploopend gemoed des Hertogs. Nadat hij door een trommelslager den brief naar Woudrichem had laten brengen, met bijgaanden last om hem nog dadelijk door een man te paard naar ’s Hertogenbosch te laten bezorgen verzonk ook hij in zijne gedachten.

Van Doorn was niet op het slot, dit wist hij nu stellig; anders had hij hem in de bres aangetroffen. Indien hij er geweest was, dan had hij zich zeker nu reeds van hem ontslagen en zich gewroken. Maar waarom was de watergeus er niet? had hij zich met Anna verwijderd? Was hij uitgezonden om hulptroepen te halen, of had hij zich lafhartig aan het gevaar onttrokken? Doch neen! dit laatste kon niet waar zijn! hij gevoelde dit zeer goed. Was Anna nog in zijn macht? Dit hoopte hij morgen te ontdekken; hij verheugd zich reeds met het denkbeeld haar alsdan in zijne armen te sluiten. En wat ging hem het lot van den geus aan, indien hij haar, die hij beminde, slechts de zijne kon noemen! Met schrik, dacht hij, dat zij elk kanonschot gehoord hebben, dat den muur verbrijzelde, en mij haar naderbij bracht, en D’Avilar zal wel gewaar geworden zijn, dat zijne kluisters spoedig verbroken zullen worden; hij weet echter niet, dat Alva’s toorn hem met den dood bedreigd heeft.

Toen viel zijn oog op het rapier, dat op den mantel lag, en zijne hand trok zich krampachtig te zamen. „Ha! morgen zult gij mij niet ontgaan, gij Emisario!” zeide hij bij zich zelven „dan zal geene brug u aan mijne handen onttrekken; uw bloed zal mij dat van Da Silva betalen, en reeds voel ik mijn dolk in uw gehaat lichaam dringen. U alleen ook haat ik genoeg om u de eer aan te doen door mijn staal te vallen. Ja, Perea zal zich beroemen over uwe kracht en stoutheid te hebben zegevierd; want wat de lage ketters aangaat, die u bijstaan, ik veracht hen en de beul alleen zal hen voor hunne muitzucht straffen.”

Zoo zaten deze twee Spanjaarden dan dr, in hunne mantels gehuld, nu en dan slechts een woord wisselende; evenwel was hunne wijze van zien geheel verschillend, ofschoon zij denzelfden vijande bestreden. De leeuw treedt terug, wanneer de moedige hond hem nadert; maar wanneer deze hem onvoorzichtig aanvalt, doodt hij hem, ofschoon ongaarne, met n slag. De tijger daarentegen veslindt met genoegen het zieltogende lam, dat, de moeder zoekende, toevallig zijn sluiphoek genaderd is; evenwel vreest hij niet te voorschijn te treden wanneer de koning der dieren hem in het woud ten strijde roepet en hij veracht de vlucht, als de olifant hem in de vlakte met zijn tromp bedreigt.

908SR15.gif (1832 bytes)

34e hoofdstukInhoudopgave Oltmans36e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)