J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 37

De geuzen blazen op de op Pedrillo veroverde trompet

V.gif (3505 bytes)an tijd tot tijd liet zich de stem der schildwachten hooren, die elkander toeriepen, en, in hunne mantels gewikkeld, driftig heen en weder stapten om zich te verwarmen; de koude was ondraaglijk, en met ongeduld haakten zij naar het oogenblik, dat zij afgelost zouden worden. Ofschoon men oppervlakkig niet zien kon, dat de geuzen nog op de been waren, zoo werden de Spanjaarden het toch gewaar; want gestadig werd het geluid van bijl- en hamerslagen gehoord. Elke slag dreunde door de gangen van het oude gebouw, en verkondigde den musketiers, dat hunne vijanden ijverig bezig waren om alles tot verdediging gereed te maken. Het vuur en de vallende muur van den afgeloopen dag kwamen hun weder in de gedachten, en zij zagen met verlangen en schrik het oogenblik tegemoet waarop zij den voet in het slot zouden zetten.

Er was omstreeks een uur verloopen, nadat Pedrillo zijn verhaal gendigd had; eenige ruiters hadden zich bij het wachtvuur nedergelegd, terwijl de overige nog zaten te praten, en de wijnkan niet lieten rusten, toen het gerucht in het slot ophield.

„Die satanskinderen schijnen hun werk verricht te hebben,” zeide Hernandez, het vuur met de ijzeren scheede van zijn zwaard wat oprakelende, en er een stuk hout op werpende, „en hij, die morgen het eerst het oude slot binnendringt, mag wel voorzichtig zijn; wat mij betreft, ik hoop dit voor een ander over te laten.”

„Dat had ik van u niet verwacht,” zeide een der ruiters; „een braaf krijgsman moet niet vreezen; ook zou het voor het eerst zijn, dat gij achteraf bleeft.”

„En met reden,” hernam Hernandez. „Indien wij met goede katholieken te doen hadden, zoudt gij mij niet zien aarzelen, om een ander vr te gaan; maar met die verdoemde ketters is het heel wat anders; en zoo vast als ik geloof, dat de heiligen ons bijstaan, even zoo zeker ben ik ook, dat de booze geest hun zijne hulp verleend. Hoor maar eens, daar beginnen zij hun helsch gezang!”

Op dit oogenblik hoorde men ook een dof gezang in het slot; het waren manhafte, doch ruwe klanken, en door de dikte der muren was het, alsof de booze geesten, na hun werk in het duister verricht te hebben, in de onderaardsch gewelven van het kasteel den lofzang van hun meester aanhieven. het gezang was langzaam en statig, evenals een lijkzang, maar ging spoedig in een krachtigen triomfzang over toen het, door het geluid eener trompet ondersteund, en onder het gekletter van tegen elkander aan geslagen degens en zwaarden, een einde aan.

Ook de ruiters, die geslapen hadden, richten zich op, door het gezang of door hunne makkers gewekt. zonder een woord te spreken, zagen zij met verbaasde blikken naar de muren op het slot op, en luisterden aandachtig, zelfs nadat het had opgehouden. Hun bruin gelaat was bleek; was het van koude, woede of schrik? Wij gelooven het eerste daar het onrechtvaardig zou zijn hen van vreesachtigheid verdacht te houden.

„Zij hebben zeker hun zwanenzang gehouden, indien God het wil,” zeide Hernandez eindelijk tegen Pedrillo. „Evenwel had ik nooit gedacht, dat uwe trompet nog eens door de geuzen gebruikt worden.”

„En ik nog minder,” hernam deze droevig; „en ofschoon dit hun laatste gezang wezen kan, zoo is het niet gezegd, dat wij ons over hun val zullen kunnen verheugen. Helaas! met mijne trompet hebben zij mij het leven ontnomen; dit is zeker. Mijn speeltuig zal niet meer, gelijk weleer, de meisjes en vrouwen buiten de deuren lokken, als wij door de steden en dorpen trekken; geen toon laat zich meer hooren; alles is om mij zoo stom als het graf; waarom zou ik dus nog aarzelen om ook daarin neder te dalen?”

„En waarom dat?” zeide de jongste der ruiters. „Een krijgsman behoeft nooit naar den dood verlangen, die hem elken dag omringt; wanneer ik een paard of een spee verloor, zou ik dadelijk een ander nemen; ik weet niet, wat u zou verhinderen een andere trompet te nemen.”

„Neen! dat kanik niet,” hernam Pedrillo. „Toen mijn arm paard op den dijk onder mij bezweek,m heb ik een ander genomen; maar niets kan mij mijne trompet vergoeden: gij zult er de reden van vernemen. Toen ik voor de eerste maal met mijne trompet, mij door Don Perea geschonken, in Spanje bij de ruiters verscheen, zetten wij ons na de monstering onder het geboomte neder om te drinken, terwijl een oude heidin ons voor eenig klein geld de toekomst voorspelde. „Zorg steeds, mijn zoon!” zeide zij, „dat het blinkend speeltuig, hetwelk aan uwe zijde hangt, u nooit verlate; hij, die het bespelen zal, zal uw ergste vijand zijn; als hij het verliest, zijt gij verloren, en in het oogenblik, dat gij het terugvindt, vindt gij ook den dood.” Gij zult zeggen, dat een goed Christen geen geloof moet slaan aan de gezegden van zulke ongeloovigen; maar helaas! hoe is dit mogelijk, als ik u zeg, dat zij Diego voorzegd heeft, dat hij in het water zijn leven zou verliezen.”

„Dat is vreemd,” zeide een der ruiters; „maar het is niet gezegd, dat al hare voorspellingen even goed zullen uitkomen.”

„Gij hebt geliijk,” hernam Hernandez, „ofschoon het oude wijf zeer dikwerf de waarheid heeft geraden, sla ik ook niet veel geloof aan hare gezegden; ten minste tot nog toe is hare voorzegging aan mij niet bewaarheid; maar ik zie de reden niet in, waarom Pedrillo zijne trompet juist zou noodig hebben. Laat hij, evenals wij, de speer in de hand nemen; Perea zal daar niets tegen hebben; en zoo waar als ik leef! zijne vijanden zullen zich niet over deze verwisseling verheugen.”

„Neen,” zeide Pedrillo op een vasten toon, „ik heb gezworen mijne trompet te herwinnen; het denkbeeld, dat een ander haar bezit en er op blaast, is mij onverdragelijk; en al moest de oude heks gelijk hebben, ik wil haar terughalen, en hij, die mij geen ongenoegen wil aandoen, spreke over dit geval niet meer.”

Hernandez verwijderde zich, en kwam weldra terug met de oude trompet, die Uilenburg des morgens gebruikt had, „Hier heb ik iets voor u,” zeide hij tot Pedrillo, „beproef eens of zij nog bruikbaar is.”

„Neen, Hernandez!” zeide Pedrillo, „neen; laat mij met rust; het is de trompet van den geus; wat moet ik toch met dit gebrekkig speeltuig doen?” Dit zeggende, wees hij het met zijne hand terug.

Doch Hernandez gaf geen kamp; door den wijn verhit, liet hij zich niet terugwijzen en Pedrillo, eindelijk aan het verzoek van zijn vriend toegevende, nam het speeltuig, en zeid: „Nu komaan, gij verlangt het, en ofschoon ik ongaarne mijne lippen aan het speeltuig van den ketter zet, zoo zal men niet zeggen, dat ik u dit verzoek geweigerd heb.”

Een oogenblik draaide hij het instrument heen en weder, waarna hij het aan zijn mond zette en er op blies; maar het gaf niet dan eenige wanluidende tonen van zich; de ruiters herkende bijna den fraaien ruitermarsch niet, dien Pedrillo hun zoo dikwijls had voorgeblazen; mismoedig wierp hij het speeltuig in het vuur. Evenwel zagen de ruiters verwonderd rond, toen zij toch den Spaanschen marsch hoorden doorblazenl de tonen waren even valsch, even gebrekkig, en indien zij niet voor hunne oogen gezien hadden, dat Pedrillo de trompet had weggeworpen, zouden zij gedacht hebben, dat het geluid van zijne zijde kwam. Scherp toeluisterende, bemerkten zij eindelijk, dat het boven uit een der vensters van het slot kwam; een helder licht vertoonde zich van binnen, waartegen de gestalte van den tot nog toe onzichtbaren trompetter donker afstak.

„De geus kan niet blazen,” riep Hernandez; „hoor Pedrillo! hoor eens welke valsche tonen!” Doch deze schudde het hoofd, en zeide: „Helaas! hij kan het wel; niemand keur ik waardiger dan hem om mijn speeltuig te bezitten, nu het toch zoo wezen moet; hij blaast onzen marsch en mijn toon slechts na, om mij te bespotten.”

Pedrillo had gelijk; want toen hij zijn hoofd neerslachtig in zijne handen verborg, begon zijn vijand met kracht den geuzenmarsch te blazen, waardoor het geroep der schildwachten verdoofd werd. Scherp klonk de tonen van het metaal, en door den oostenwind over de rivier naar Gorichem voortgedragen, verontrustte het Wilhelmus van Nassauwen de Spanjaarden, die op de torens van het kasteel de wacht hielden. Alles geraakte daar in beweging; de trom werd geroerd, om op de markt de burgers in het geweer te roepen; een stuk kanon werd afgevuurd, om de geuzen, welk men dacht, dat in den nacht de stad berenden, te verwittigen, dat men gereed was hen te ontvangen, en groote vuren werden op de wallen ontstoken, om de vijanden, die niet bestonden, onder aan den muur te ontdekken.

Woedend stoof Hernandez op, en riep zoo hard hij maar kon: „Kettersche muiter! zwijg en geef de trompet terug.”

„Blijf hier, Hernandez!” zeide Pedrillo, zijn vriend, die door den wijn verhit was, bij den arm vasthoudende, „laaat hem begaan; morgen zullen wij zien, wie het laatst blazen zal.” Toen echter de geus, na het eindigen van zijn marsch, een triomfgeschal aanhief, rukte de ruiter zich los en liep naar de plaats, waar de brug te voren geweest was.

„Zwijg, verdoemde geus!” riep hij van woede buiten zich zelven; „zwijg, lafhartige dief! geef hier de trompet van Pedrillo!”

„Wie spreekt daar?” riep de geus, zijn geblaas stakende, met een barsche stem, terwijl zijne laatste tonen zich al verder en verder over het water verloren.

„Wie ik ben, ketter!” schreeuwde de ruiter driftig met den voet stampende, „ik ben Hernandez Sardasca van Seville; Pedrillo is mij vriendl geef de trompet terug, of vrees voor mijn zwaard.”

„Ik ken wel een zekern Don Hernandez Sardesco van Sevillie,” riep de geus schamper lachende; „hij is de grootste lafaard, die ooit uit het Spaansche nest is gekropen; hij heeft mij niet op de brug durven volgen. Maar laat uw gelaat eens zien, Seor Caballero opdat ik u morgen zal kunnen herkennen en de ooge afhouwen.”

Dit zeggende, trad hij een weinig terug, en de toorts, die den zolder verlichtte, in de hand nemende, wierp hij die met kracht naar buiten en over de gracht, zoodat zij naast den ruiter nederviel.

„Voor den duivel en bij alle heiligen! gij hebt gelogen, geus!” riep deze woedend, de fakkel opnemende; „bij nacht en bij dag te paard en te voet durf ik mij vertoonen, – zie toe!”

Nu slingerde hij de fakkel, die door deze beweging fel begon te branden, boven zijn hoofd rond, zoodat hij geheel zichtbaar werd; in zijne rechterhand hield hij zijn ontbloot zwaard, in de linker de toorts. Voor het overige droeg hij geene wapenen, en had slechts een lederen kolder aan, die hier en daar door de drukking van zijn harnas afgesleten was. Zijn gelaat was vuurrood door de woede en de dronkenschap; zijne vlammenschietende oogen dreigden uit hunne holten te vallen en zijne vastgeklemde tanden weigerden zijn woorden door te laten: in n woord hij geleek veel op een dier zinnebeelden des oorlogs en der verwoesting welke de schilders en teekenaars ons dikwerf in hunne allegorische voorstellingen afmalen.

Het overige gebruik van het druivenat, en de vriendschap, die hij voor Pedrillo gevoelde, veroorzaakten zijne dwaze roekeloosheid; want voordat zijne makkers het gevaar beseften, waaraan hij zich blootstelde en juist toen het riep: „Hernandez Sardasca daagt u morgen uit,” kwam er een vuurstraal uit een der schietgaten naast de slotpoort. Terwijl de ruiters het geluid van een schot hoorden, zagen zij hem nederstorten onder den uitroep: „Moordenaar! ik vrees u niet, – staat bij, ruiters!”

De toorts ging uit; zijne makkers sprongen dadelijk op, en droegen hem bij het vuur, terwijl de geus geen vreugdekreet of trompetgeschal liet hooren en het venster achter zich dicht sloeg, dat de glazen aan stukken sprongen. Hij zelf had niet geweten, toen hij de toorts naar benenden wierp, dat er nog een zijner makkers tegenover het voorhof op de loer lag, in de hoop van nog een zijner vijanden aan de schim van zijn zoon ten offer te brengen.

Er ontstond een groote beweging door het schot, en Perea zelf vertoonde zich op het voorhof. Tevergeefs trachtte men naar de wonde van Hernandez te zien; hij wees met een zwakke stem de hulp zijner makkers terug. De roes was nu, helaas! te laat van hem geweken, en na zijn gebed gedaan te hebben, zeide hij zacht: „Ik gevoel het lood, dat mijne ingewanden heeft verscheurd; spoedig zal ik Diego, Tovilla en zijne makkers zien. Wat ik u bidden mag, Pedrillo! laat uw trompet in de handen des moordenaars; geloof mij, de oude heidin verdient meer geloof dan gij denkt; volgens het wijf zou ik door een musketschot sneven; helaas! het geschiedt nu reeds, ik vervloek den geus en den kogel dien mij gekapt heeft.”

Hier zweeg hij eenige oogenblikken hij scheen zijne krachten te verzamelen, om nog meer te zeggen; doch Pedrillo de hand drukkende, in wiens armen hij rustte, zeide hi bijna onverstaanbaar:

„Pedrillo! neem mijn zwaard, en wreek morgen mijn dood; doch laat de ongelukstrompet rusten. Vaarwel! mijn vriend! ik sterf!”

Zich nu uitstrekkende, en bijna onverstaanbaar het woord Sardesco herhalende gaf hij den geest, terwijl hij zijne rechterhand door de gewoonte of bij toeval naar zijne linkerzijde bracht als wilde hij de hand aan het zwaard slaan, dat hem reeds te voren ontvallen was. Hij werd door de ruiters acheteruitgedragen en met een mantel bedekt. Nu vlijde zich de een vr de andere na, in hunne mantels gewikkeld, om het vuur neder; de dood van hun makker had hun den lust benomen om een gesprek aan te knoopen of bij de wijnkan hun troost te zoeken; alleen Pedrillo zat nog op een stuk hout bij het vuur waarop hij zijn oog stijf gericht had. Zag hij naar den voortgang, dien de vlam maakte? zag hij naar de gloeiende trompet, die midden in het vuur lag, of dacht hij aan iets anders? Wij gelooven het; want zijn lippen bewogen zich, en zijne rechterhand hield hij op een zwaard, dat ontbloot op zijne knie lag. Een oogenblik scheen zijn gelaat te zullen veranderen, teon hij met zijne linkerhand met scherpe en de punt van het staal onderzocht; doch spoedig werd zijn blik weder even strak, en indien men hem, aldus bij een vuur zittende, des nachts in de wouden van Canada had aangetroffen, zou men hem zeker naar zijne onbeweeglijkheid te oordeelen, voor een hoofd der wilden gehouden hebben, dat van een of ander plan van wraakzucht zwanger, alleen nog bij het raadsvuur vertoefde.

Alles geraakte weldra in rust: de soldaten kropen weder onderdak; te Gorichem wachtte men tevergeefs den vijand, en de schildwachten, tegen de koude in dit waterachtige land morrende, wenschten zich weder onder de zachte luchtstreek van Spanje of Itali terug. Het slot was uitgestorven; echter verhaalden de schildwachten den anderen morgen, dat zich nu en dan, gedurende den nacht van boven de poort en aan de bovenramen van het slot een zwarte gedaante vertoond had, die de Spanjaarden in het oog scheen te houden.

EINDE VAN HET EERST DEEL.

908SR15.gif (1832 bytes)

36e hoofdstukInhoudopgave Oltmans –  IIe deel – 1e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)