J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL II – HOOFDSTUK 1

De Snijder blaast op de lont van zijn musket.

D.gif (3307 bytes)en volgenden dag, vrdat de morgen van den 12den December des jaars 1570 aan brak, en eer nog Perea de Spanjaarden door de trom liet wekken, sloop eer reeds iemand door de benedenkamers en kelders van het slot, en dewijl zijne oogen hem niet konden dienen in het bespieden zijner vijanden, bracht hij zijne oor aan de schietgaten en getraliede vensters, om te ontdekken, waar de schildwachten stonden.

Was het de Boodschapper, die als een kundig bevelhebber der verrichtingen en de ligging zijner vijanden in oogenschouw nam of onderzocht of zijn volk reeds wakker en slagvaardig was? Doch neen, deze was het niet: de duisternis zou hem in het eerste verhinderd hebben, en zijne onderhoorigen zou hij veeleer bij een vrolijk en verwarmend vuur dan in de vochtige kelders hebben gezocht. Was het Uilenburg, die dppr den langen nacht den smaak van den wijn bijna vergeten hebbende, vr dag en dauw een morgenteug trachtte op te loopen? Doch neen! deze had, zooals wij weten, den keldersleutel in bewaring; hij wist dus zeer goed, waar de wijnkan te vullen was. Was het misschien de Wapensmid, die, de wapenden willende nazien, vrdat het gevecht begon, zoo vroeg zijn legerstede verlaten had? Doch, neen! hij had dit reeds den vorigen avond verricht; het kon dus niemand zijn dan de Snijder, die des nachts het laatste schot gedaan had, en nu ook des morgens het eerst wilde losbranden.

Vr de breuk gekomen, die het kanonvuur den vorigen dag reeds in den muur gemaakt had, luisterde hij aandachtig naar de laatste woorden eener Spaansche romance niettegenstaande de koude muziek waren, ofschoon hij anders van de Spaansche taal en den zang niet hield; en toen hij ook het geluid van een musket had gehoord, dat men nederzette, hield hij stand achter de bres, en blies op zijne lont. Lang stond hij op deze plaats met het vaste voornemen die niet te verlaten, en dikwijls zou men gezegd hebben, dat hij zich gereed maakte om op het gehoor af naar buiten te schieten; maar hij was de man niet, om dit op losse voet te doen: een oud jager schiet nooit, voordat het wild onder zijn bereik is, en evenals een kat, die uren lang achtereen geduldig voor een rattengat zit te wachten, zonder door een ijdel gerucht hare tegenwoordigheid te verraden, zoo wachtte hij bedaard het oogenblik af, waarin hij met gewisheid het doodelijk loof nnar buiten zou kunnen zenden.

Eindelijk begon het te dagen; nog vrdat de zon aan den horizon zichtbaar werd, verspreidde zich reeds een zwakke schemering over het land en de rivier. De schildwacht, die bij de stukken de wacht hield, merkte dit niet eens op; anders had hij zich mogelijk wel achter de schanskorven verborgen. De Snijder zag nu duidelijk een donkere gestalte die tegen de sneeuw en de lucht zichtbaar werd; zijn vinger greep dadelijk den trekker; de lont, waarop geblazen werd, verlichtte zijn gerimpeld voorhoofd en zijne glinsterende oogen, en hij had werk om een uitroep van genoegen, die hem bijna ontsnapte, te onderdrukken. Terwijl eenige Spanjaarden reeds uit de woningen op het voorhof slopen, en de arbeiders en busschieters hunne half bevroren leden bij de overblijfselen der vuren trachtten te verwarmen, viel er een schot, dat weldra door een tweede gevolgd werd: de Snijder had een Spanjaard getroffen, die juist zijn musket aftrok, waarvan hij de lont vernieuwd had; doch hij rolde op den grond heen en weder, en het werd voor hem nacht, toen voor anderen de dag aanbrak.

„Wie daar?” zeide de Boodschapper, toen hij uit het vertrek trad, waarin het den nacht had doorgebracht en iemand hoorde aankomen.

„Ik ben het,” antwoordde Uilenburg, in den donker naar hem toekomende, en zijn musket nederzettende, „hoe gaat het? heeft de koude u dezen nacht niet gehinderd? gij ziet, ik ben reeds in ’t geweer.”

„Zijt gij het, die geschoten heeft?” vroeg de andere gemelijk, zonder hem te antwoorden.

„Wel neen!” hernam Uilenburg, „het is de Snijder geweest: voor een schot kruit, dat hij gebruikt heeft, hebben we ook een vijand minder te bevechten, en zoo waar ik leef, een Spanjaard is het wel waard.”

„Dat stem ik u gaarne toe, vriend!” antwoordde de Boodschapper, die weder in zijne kamer trad; „doch ik weet niet, met welk recht hij zonder mijn bevel zijne wapenen gebruikt; en ofschoon mogelijk dezen dag mijn bevelhebberschap ten einde loopt, zoo wil ik toch gehoorzaamd worden. Waarom maakt hij slapende honden wakker? het gevecht zal voor ons, helaas! altijd tijdig genoeg beginnen zonder dat hij het door zijne bloeddorstigheid vervroegt.”

„Dat is zoo,” hernam Uilenburg, die zich op een stoel naast den Boodschapper nedervlijde; „toen gij hem voorsteldet om insgelijks hierheen te gaan, onderwierp hij zich vrijwillig aan uw gezag; maar bedenk, Herman, dat hij een zoon verloren heeft; een vader is altijd geneigd den dood van zijn kind te wreken, daarom……”

„En vergeet gij dan,” viel de Boodschapper hem schielijk in de rede, „dat ook ik vader geweest ben, dat de beulen mij, even als hem, mijn kind ontnomen hebben? God is getuige dat ik steeds mijne wraak aan het algemeen welzijn heb ofgeofferd; en toch heeft mijn zoon menig vijand kunnen tellen, die de hand zijns vaders heeft geveld, terwijl deze aan hem dacht.” Hier zweeg hij; maar zijne rechterhand een wijl voor zijne oogen gehouden hebbende, vervolgde hij: „En evenwel zijn deze daden niet betamelijk voor een waar Christen. – Is ons volk reeds op de been, Uilenburg?”

„Zij zijn allen gereed,” antwoordde deze, „zij zullen nu bezig zijn met wat te eten en zich bij het vuur te warmen; ik wenschte maar, dat het wat lichter ware, om eens te zien of onze vrienden ook in aantocht zijn.”

„Ik geloof niet, dat wij hen reeds kunnen zien,” antwoordde de Boodschapper; „de rivier zal moeilijk te bevaren zijn; de binnenwateren zijn zeker allen dicht, indien hunne komst niet reeds aan de grenzen verhinderd wordt; de vorst kon nooit op een ongunstiger tijdstip begonnen zijn; het heeft gevroren dat het kraakt, en ik zou niet verwonderd zijn als men zonder gevaar reeds op het ijs in de slotgracht staan kon.”

„Het is om duivels te worden,” zeide Uilenburg, driftig op zijne dijstukken slaande. „Indien het weer zoo als gisteren gebleven was, dan wilde ik den Spanjaarden wel eens zien, die de wijde gracht zou kunnen overkomen; en het vullen zou zoo gemakkelijk niet gaan als met de greppel rondom het voorhof; maar indien het ijs zoo sterk is als gij zegt, zou het ons kunnen dienen om te ontsnappen, dewijl de brug toch gebroken is; ik zelf wil me het eerst op het ijs wagen. Op dit oogenblijk zijn de Spanjaarden allen bij het voorhof, en de schildwachten zijn ingetrokken; ofschoon voor weinigen, zou er dan ten minste voor eenigen van ons hoop zijn op behoud; want in het slot is niets dan de dood ten beste. Nu, ik ben bereid om, terwijl het volk over het Monnikenland ontvlucht, de brug, die den toegang daarheen verschaft, tot het uiterste te verdedigen.”

„Dat is waar, en ik geloof u,” zeide de Boodschapper; „maar hebt gij vergeten wat ik beloofd heb?”

„Neen, waarachtig niet!” hernam Uilenburg: „maar wie zegt u, dat de graaf Van den Berg, die ik niet vertrouw, aan zijne belofte denkt?”

„Niemand,” antwoordde de Boodschapper schielijk; „maar ik weet wat ik beloofd heb, en wat ik doen moet; een ieder kan gaan of blijven, naardat hij goedvindt.”

„Dat is de reden, waarom ik blijf, Herman!” zeide Uilenburg met meer deftigheid dna hij gewoonlijk sprak. „De luiheid en onverschilligheid van die ellendige moffen zullen ons ongeluk veroorzaken; en daar zij niet komen ons te helpen, wensche ik, dat zij bij de Spanjaarden stonden, alleen om het genoegen te hebben hen met de punt van mijn zwaard een weinig aan te sporen.”

„Mogelijk zullen er aan hunne soldij eenige Thaler of Pfennige ontbroken hebben,” zeide de Boodschapper lachende; „die lage kerels doen alles voor geld en niets voor niets; wij moeten ons dus alleen op ons zelven en op God verlaten.”

„Dat is recht,” heranm Uilenburg; „maar ik geloof, dat wij niet kwaad zouden doen eens naar beneden te gaan; anders mocht het beste gedeelte van den voorraad eens verdwijnen, en ik heb nog slechts n beker wijn gedronken; doch als gij mijn raad volgt, zegt gij tegen den Snijder niets; want hij is een knorrige hond, als hij denkt dat hij gelijk heeft, en indien hij eens weigerde te vechten, zouden wij een goed schutter verliezen.”

Zonder te antwoorden hing de Boodschapper de Spaansche vlag, die op zijne legerstede lag, over zijne schouders, waarna beiden hunne msuketten opnamen en de kamer verlieten.

908SR15.gif (1832 bytes)

Ie deel – 37e hoofdstukInhoudopgave Oltmans2e hoofdstuk

908SR15.gif (1832 bytes)