J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL II – HOOFDSTUK 2

De tafel was overvloedig voorzien van gerookt vleesch, brood bier, wijn en meer andere levensmiddelen; een tweetal stormhoeden, eenige handschoenen en zwaarden, zelfs zonder scheeden, lagen er insgelijk op.

B.gif (3488 bytes)eneden gekomen, vonden zij het, zooals Uilenburg gezegd had. De lamp aan den zolder was aangestoken, en een groot vuur brandde onder den schoorsteenmantel; doch het een en ander verlichtte het vertrek sclechts ten deele, De flauwe gloed van den dageraad, welke door het bovenste gedeelte van een der groote glasramen kwam, waarvan de gordijn was weggeschoven, kondigde echter aan, dat de slecht gevulde lamp spoedig zou kunnen ontbeerd worden. Eenigen der geuzen stonden, anderen zaten plat op den grond om het vuur; hunne musketten stonden tegen den muur, gereed om gebruikt te worden; de tafel was overvloedig voorzien van gerookt vleesch, brood bier, wijn en meer andere levensmiddelen; een tweetal stormhoeden, eenige handschoenen en zwaarden, zelfs zonder scheeden, lagen er insgelijk op. Zij lieten zich den voorraad goed smaken, evenals lieden die de toekomst onverschillig te gemoet zien en versmaadden zelfs het stuk kaas niet, het welk bij toeval naast een wapen gelegen had, en dat nog bevlekt was met het bloed hunner vijanden.

„Het heeft dan dezen nacht vervloekt gevroren. Of het komt, dat de kamers hier in het slot zoo groot en tochtig zijn, weet ik niet; maar ik heb nooit zooveel koude uitgestaan,” zeide de Wapensmid, een stuk brood met vleesch etende, terwijl hij zij blik toevallig op den grond richtte en een roode vlak in het oog kreeg, die nu en dan zichtbaar werd, als de vlam zich verhief en, tusschen zijne makkers door, den grond verlichtte.

„Ik ook niet,” hernam er een die bij het vuur zat, terwijl hij zijne hand aan zijn baard bracht; „ten minste wat hier aan land betreft; maar indien gij, die altijd gewoon geweest zijt om bij het vuur te werken, eens even als ik een tocht naar Groenland gedaan heeft, dan zoudt gij over een weinig koude niet verwonderd wezen.”

„Komaan, oude harpoenier! gij vertelt maar wat,” zeide een ander. „Hij wil zich houden, alsof hij de oude niet gewaar wordtl; wat doet hij dan bij het vuur, en maakt dat een ander zich niet warmen kan?”

„Hij voelt of zijn baard al ontdooit is,” zeide degene, die naast hem zat, lachende, „ten minste toen hij wakker werd, geleken zijn mond en knevel wel een ijsberg.”

Hierop begonne de meesten te lachen, terwijl twee van hen onder den uitroep: „Komaan, ijsbeer! ga naar je land, – komaan, in de koude!” hem achteruit van het vuur wegsleepten om zelven van deze gelegnheid gebruik te maken zich te verwarmen  en zijne plaats in te nemen.

„Als ik een ijsbeer was, zoudt gij mij wel laten zitten,” hernam hij lachende, terwijl hij opstond. Hierop bracht hij een beker met wijn, dien een ander voor zichzelven had ingeschonken, aan zijn mond, dronk dien uit, en zeide: „Op de gezondheid van de berenjagers!”

De Boodschapper, die in dit oogenblik binnetrad, werd met gejuich ontvangen; allen riepen hem vroolijk hun „goeden morgen” toe, en wilden hem bij het vuur een plaats inruimen; doch hij zeide, met de hand wenkende: „Bijft zitten, mannen! ik ben niet koud; het doet mij genoegen u zoo vroolijk te zien; eet en drinkt, nu wij den tijd nog hebben; want spoedig zal de jacht op de Spanhaarden weder beginnen.”

„Jacht?” zeide de Wapensmid lachende, „het is vreemd te hooren, dat opgesloten menschen op de jacht gaan, en toch heeft een onzer een heerlijk stuk wild geschoten zonder de de jagermeester het zelf wist.”

„Hij, die zonder toestemming jaagt, is een strooper,” hernam de Booschapper, „en ik wenschte wel, dat mijne ooren het schot niet gehoord hadden; wan het was het tweede, dat, sedert mijn verbod om te vuren, gevallen is.”

„Indien gij van den hond spreekt, dien ik zooeven heb neergeschoten,” zeide de Snijder koel die tot nog toe stil aan de tafel gezeten had, terwijl hij met een breeden dolk, die aan zijn rechterzijde hing, een stuk brood doorsneed, „dan zal ik u zeggen, dat ik schiet als ik wil, en ik weet niet, wie mij zulks zou kunnen beletten.”

„Dat zal ik doen,” zeide de Boodschapper, driftig met de hand op de tafel slaande, „en dat ik zeg, zal geschieden.”

Eer de Snijder het woord kon opvatten, zeide Uilenburg, die bevreesd was, dat hun twist ernstige gevolgen zou hebben, lachtende: „Ik weet bij mijne ziel niet, Herman! waarom gij het onzen Snijder zoo kwalijk neemt, dat hij een gat in een wambuis gemaakt heeft; dat er een Spanjool in zat, kon hij niet helpen, en daar hij zeker als een kundig kleermaker naald en garen bij zich draagt, kan hij het gat wel weer dichtnaaien.”

„Ik verklaar……” riep de Snijder; doch Uilenburg viel hem in de rede en schreeuwde: „En ik zeg, dat als gij nooit meer de eer en het voordeel zult hebben om mijne broek te lappen.”

De overigen begonne luid te lachen; maar de Wapensmid riep: „De Snijder is dezen morgen met het verkeerde been van de tafel gestapt; hij heeft niet goed uitgeslapen.” Uilenburg begon hierop aan des Snijders oor het begin van den een of anderen marsch te blazen en bracht te weeg, dat deze zich knorrig verwijderde, en zich in een hoek van het vertrek op een stoel nederzette.

Eerst wist de Boodschapper niet, of hij Uilenburg’s gedrag zou goedkeuren, en of hij niet aan de vroolijkheid der overigen een einde zou maken; doch daarna begreep hij, dat zijn vriend gelijk had, om met zijne kortswijl alle verdere woordenwisseling te voorkomen, die slechts de zoo noodige eensgezindheid storen kon. Hij wendde zich dus na gegeten en gedronken te hebben, tot Uilenburg en vroeg: „Hebt gij dezen morgen den gekwetste reeds bezocht! Ik wilde wel eens naar hem gaan zien.”

„Ja,” hernam deze; „maar hij is zeer slechts: den geheelen nacht heeft hij geen woord gesproken, en het is alsof de ziel het lichaam reeds verlaten heeft, dat gisteren nog zulke blijken van mannelijke kracht gaf. Maar laten wij gaan; mogelijk dat wij het een en ander voor hem doen kunnen.”

Beiden verlieten zij het vertrek, en toen zij de deur achter zich dichtgedaan hadden, zeide Uilenburg, die een lantaren in de hand hield: „Heb ik u niet gezegd, Herman! dat men met den Snijder niet veel kan aanvangen? wat duivel gaat het u ook aan? als de lappendief gevangen wordt, zal Perea wel met hem afrekenen.”

„Het is zoo,” antwoordde de Boodschapper, „ik zou beter gedaan hebben te zwijgen.” Dit zeggende, opende hij de deur der kamer, waarin de gewonde lag, dien hij den vorigen dag uit de bres had gered.

De ongelukkige lag in een hoek der kamer op een matras, en niet ver van den vuurhaard, waarop eenige turven brandden. Zijn gelaat was doodsbleek; zijn hemd was met bloed bevlekt, en men kon de windsels zien, die een breede wonde boven aan de borst bedekten. Zijne rechterhand lag boven op de deken, die over hem heen was geworpen, en men zou hem voor dood gehouden hebben, indien niet een zachte beweging van de deken en een bijna niet hoorbaar gesteun nu en dan verraden hadden, dat hij nog leefde en groote smarten leed. Zijne wapenen en opperkleederen lagen achteloos en door elkander op den grond nedergeworpen; helaas! hij zou die niet meer dragen.

„Denkt gij, dat hij er van opkomen zal?” vroeg de Boodschapper aan Uilenburg, nadat zij eenige oogenblikken bedaard bij de legerstede hadden gestaan.

„Neen, Herman!” antwoordde deze somber, terwijl het lichtst der lanteren op het gelaat van zijn gekwetsten makker viel; „neen, de wonde is te diep, en onze kunde is te gering om hem de noodige hulp te verleenen.” Hierop, met de hand van de gekwetste in de zijne, hield hij zijn voorsten vinger aan de slagader, en toen met zijn hoofd schuddende, vervolgde hij: „Gelooft gij, dat de Spanjaarden hem zullen verschoonen, als zij het slot innemen?”

„Neen,” antwoordde de Boodschapper bitter; „wanneer heeft de zegevierende Spanjaard een overwonnen geus gespaard?”

„Het is waar,” hernam de andere; „maar ik geloof stellig, dat, als wij hem onder de bescherming van Velasquez konden stellen, deze voor zijne genezing zorg zou dragen.”

„Dwaasheid!” zeide de Booschapper schamper lachende. „Gesteld, dat het mogelijk ware, en de de edele Spanjaard zulks deed, gelooft gij dan, dat hij de macht zou hebben om hem aan het schavot en De Vargas te onttrekken? Neen,” vervolgde hij met vuur, „wij, wij moeten hem redden.”

„Gij heeft gelijk, Herman!” hernam Uilenburg; „gisteren, toen wij het verband legden, en toen hij voor het laatst heeft gesproken, heeft hij ons gebeden hem het leven te benemen en hem niet aan de Spanjaarden over te laten. Indien hij behouden was, als ik hier aan zijne voeten twee koppen van onze beulen nederwierp, zoo zou ik den wil hebben om ze over de gracht te gaan halen, en God is mijn getuige, dat ik dan nog niet aan zijne redding zou wanhopen; maar wat hem aangaat, ik verklaar u ronduit, dat ik den moed niet heb om aan zijn verlangen te voldoen.”

„Noch ik, vriend!” zeide de Boodschapper. „Mijn hand heeft kracht genoeg, om een vijand, maar niet om een vriend te dooden; er is echter een middel om aan zijn verlangen te voldoen, zonder dat wij zijn bloed behoeven te doen vloeien. Laten wij hem in de kamer brengen, die boven den wijnkelder is, en waarvan gij den sleutel hebt; want zelfs al wilde men de handen aan hem slaan, dan zou het nu te vroeg zijn; zoo lang wij niet overwonnen zijn, is er nog hoop; en als de Spanjaarden de baas worden, zal men er den tijd niet toe hebben.”

„Dat is goed,” zeide Uilenburg, „hij zal dan niet vr het laatste oogenblik en, zoo ik hoop, in groot gezelschap de groote reis aannemen; maar mij dunkt, dat ik wel zou doen dezen handschoen tot een gedachtenis mede te nemen; want die vervloekte ruiter heeft gisteren den mijnen naar de visschen medegenomen.”

Dit zeggende, nam hij een ijzeren handschoen op, die op den grond lag, en stak dien onder zijn harnas. Vervolgens hing hij de lantaren waaraan van boven een ring was, aan de koord der trompet, die zijne zijde nog niet had verlaten, sedert hij haar veroverd had. Beide mannen namen toen den gewonde met matras en al op, en droegen hem voorzichtig de kamer uit en de gang door. Toen gingen zij, een trap af, weder door een gang, en hielden aan het einde stil; een oogenblik legden zij de matras neder, terwijl Uilenburg een sleutel te voorschijn haalde en de deur opende, waarna zij den gekwetste verder tot achter in de kamer voortdroegen.

„Het is hier vervloekt koud,” zeide Uilenburg. „Zie, ik ben, God dank, gezond; maar ik zou hier toch niet gaarne eenige uren doorbrengen.”

„Vuur aan te maken zou de grootste onvoorzichtigheid zijn,” zeide de Boodschapper; „maar laten wij dit boven op hem leggen.” Dit zeggende, nam hij een stuk van een oud tapijt, dat op den grond lag, spreidde het over het deken, nadat hij te voren den arm van den gewonde onder het dek gelegd had, en vervolgde: „Ik geloof, dat wij niet kwaad zouden doen hem een weinig wijn te geven; de beweging heeft hem geen goed gedaan.”

„Welnu,” antwoordde Uilenburg, „niets is gemakkelijker dan dit,” terwijl hij van een tinnen flesch, die aan zijn zijde hing, den stop aftrok, en haar aan de lippen van den gewonde bracht.

De wijn scheen den ongelukkige, die reeds de klauwen des doods omvat was, goed te doen; althans hij bewoog zijn hoofd, en stamelde eenige onverstaanbare woorden.

„Hij wil ons zijn dank betuigen,” zeide de Boodschapper; „de kracht van den wijn heeft zijne geestvermogens weder opgewekt.”

„Ik geloof het wel,” hernam Uilenburg, „het is oude Hochheimer, en ik ben een kenner; een kruik van zulken wijn is in staat om een doode op te wekken.”

„Zullen wij meteen, nu wij toch hier zijn, niet wat voorraad uit den kelder krijgen?” vroeg de Boodschapper.

„Neen Herman! dat is niet noodig,” hernam de andere, „er is boven genoeg voorhanden; hetgeen wij zelven niet gebruikten, zoude de Spanjaarden als zij bovendrijven, toch maar uitzuipen. Ofschoon ik erkennen moet, dat het verduiveld jammer is van het lekkere druivennat, dat hier zoo gevaarlijk ligt, zoo doet het mij genoegen, dat ten minste een ander er zich niet mede zal vroolijk maken als wij het niet gebruiken kunnen.”

De deur uitgaande, wierpen zij nog een blik op hun makker, waarna Uilenburg haar sloot en den sleutel aan den Boodschapper wilde geven; doch deze nam hem niet aan, maar zeide:

„Waarom dat? behoud gij hem; gij hebt hem immers vroeger ook bewaard.”

„Het is juist daarom, dat ik hem u geven wil,” hernam Uilenburg; „het bewaren van dien vervloekten sleutel maakte mij gisteren bevreesd gedurende het gevecht, en indien ik gevallen was, hadt gij er naar kunnen fluiten.”

„Indien dit gebeurd was,” antwoordde de Boodschapper, „zou ik hem zeker ook niet noodig gehad hebben; waar gij verslagen wordt, zal men ook mijn lijk vinden; doch leg hem, om alle gevaren te voorkomen, daarboven op den rand van de post der deur; wie hem noodig heeft, kan hem daar dan krijgen, en wie het niet weet, zal hem dr niet zoeken.”

Teon zij de deur der kamer genaderd haddenm waarin hunne makkers zich bevonden, zeide de Boodschapper, terwijl hij de lantaren uitblies, die hij in de hand had: „Het is nu licht genoeg om, indien gij er lust toe gevoelt, boven eens te gaan zien, wat er al zoo rondom het slot gebeurt; wat mij betreft, ik ben er niet nieuwsgierig naar.”

Dit zeggende, trad hij in de kamer terwijl Uilenburg, zonder iets te antwoorden, zich verwijderde.

908SR15.gif (1832 bytes)

1e hoofdstukInhoudopgave Oltmans3e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)