J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL II – HOOFDSTUK 3

Schenkt de bekers vol, en laten wij te zamen drinken

O.gif (3650 bytes)p mannen!” riep de Boodschapper, „en grijpt uwe wapenen; het zou niet goed zijn dat de Spanjaarden ons niet in het geweer en gereed vonden hen te ontvangen; schenkt de bekers vol, en laten wij te zamen drinken.”

Een ieder sprong op, zette zijn helm of stormhoed op en greep zijn musket. men plaatste zich bij den tafel en nam, toen de bekers gevuld waren, er een in de hand; alleen de Snijder leunde achteloos op zijn lang musket en hield zich achteraf.

„Drinkt de Snijder geen wijn meer!” vroeg de Boodschapper, „of zou misschien het leven of de dood van een Spanjaard onze vriendschap verbroken hebben?”

„Het schijnt zoo,” hernam de Snijder droogjes, onverschillig in het rond ziende, terwijl hij zijne rechterhand in een lederen zak stak, die aan zijne zijde hing, en de kogels scheen te tellen, die er zich in bevonden.

„En zou hij dan weigeren om met zijne makkers te klinken en op den ondergang van alle Spanjaarden te drinken?” vroeg de Boodschapper, „of heeft hij mogelijk besloten om het musket en het zwaard voor de schaar en de naald te verwisselen?”

„Neen, voor den duivel!” schreeuwde de Snijder, die zich dit genoegen niet weigeren kon, zoo overluid, dat zij, die zich dicht bij hem bevonden, er over versteld stonden, terwijl hij een tinnen beker greep.

„Welnu,” hernam de Boodschapper met waardigheid, „laten wij den gezamenlijk drinken op het welzijn van ons vaderland, den voorspoed van onze wapenen, en op den ondergan van het Spaansch gebroed. Leven de Geuzen!”

Vivent le Gueux! vloek over de Spanjaarden!” riepen zij allen met vuur. „Den Koning niet uitgezonderd,” schreeuwde de Snijder.

De Boodschapper schen echter in dien laatsten kreet geen genoegen te nemen; dan zonder daar iet van te zeggen, ging hij voort:

„Komaan, vrienden, laten wij gaan; indien gij u allen als gisteren gedraagt, zal ik tevreden zijn; zijt steeds bedaard; mikt goed met uwe musketten, an als de vijand weder mocht stormen, spaart den uwe slagen niet; want ik ontveins niet, dat onze toestand gevaarlijk is. Ja,” vervolgde hij met levendigheid, „vrienden! gij, die allen te veel gedaan hebt, dan dat ik u niet mijn volkomen vertrouwen zou schenken; ik zeg u ronduit, dat ik geloof, dat deze dag de laatste mijns levens zijn zal; maar daarom zal hij ook voor mij de schoonste en voor mijne vijanden de verschrikkelijkste wezen. Wanneer de Spaansche legerdrommen door den muur naar binnen stormen, verlaat dan uw hoofdman niet, ten minste zoo gij den dood verkiest boven de schande van gevangengenomen en naar de galg gesleept te worden. Ja! ik zeg u, dat ons bloe zal vloeien; maar het zal verdwijnen in de stroomen bloeds der Spanjaarden, en als mijn mond voor het laatst onzen wapenkreet laat hooren, zal onze vijanden te midden zijner overwinning door deze muren verpletterd worden! – Het wer, dat ik gedurende den nacht heb laten verrichten, zal u zeker moeilijk gevallen zijn; doch gij zult er het voordeel van ondervinden, als het oogenblik dr is, dat de Spanjaarden meester zullen zijn van de kamer, waarin de bres zal vallen; indien gij met mij medegaat, zal het u gemakkelijk vallen mijn plan te begrijpen.”

Dit zeggende, nam hij zijn musket, en verliet, gevolgd door zijn volk, het vertrek, dat nu reeds geheel door het daglicht verlicht werd, terwijl de lamp, die aan de zoldering hing, zich haastte aan de twijfelachtige schemering, die zij verspreid had, een einde te maken, zoodra geen menschelijk oog hare nederlaag meer kon bespieden; alsof zij, beschaamd over den luister harer mededingster, de vruchteloosheid harer poging had ingezien om dit te doen.

In de kamer gekomen, waarin de Snijder zich in den vroegen morgen had opgehouden, zag de Boodschapper door het gat, dat het kanonvuur reeds in den muur had gemaakt, terwijl de Prinsenmarsch met krachtige en volle toonen boven uit het slot geblazen werd; waarna hij zeide: „Onze vijand is nog niet gereed; ik zal dus den tijd hebben om umijn voornemen mede te deelen. Zoodra wij zien, dat wij den storm niet kunnen afslaan, begeven wij ons buiten dit vertrek, en sluiten de deur, welke wij dan met de balken versperren, die gij op de maat gezaagd hebt. De Spanjaarden zullen zich onledig houden  met haar open te breken, doch dan begroeten wij hen met een hevig vuur uit de gaten, die wij rondom in den kamermuur gebroken hebben, en indien dit hen nog niet verdrijft, werpen wij door de openingen, die wij in de zoldering gehakt hebben, eenig brandend stroo en dunne spaanders hout, die ik met voordacht op den grond heb geworpen, gaan dan aan, en dit zal hen noodzaken de vlucht te nemen, en ofschoon zij in het slot zijn, zullen zij er toch geen meester van worden. De muren, waarvan wij het behangsel been afgescheurd, en de steenen vloer, maken dat dit alles zonder gevaar geschieden kan; de zoldering is zoo hoog, dat het vuur daaraan geen hinder zal kunnen doen, evenmin als aan de deur, die wij met oude ijzeren platen bespijkerd hebben.”

„En waarvoor dienen die matrassen en dekens, die wij op Uilenburg’s bevel hier tegen den muur hebben opgestapeld?” vroeg een der geuzen, die met aandacht geluisterd had,.

„Om de kanonskogels te smoren, die door de bres mochten vliegen,” antwoordde de Boodschapper; „want het is noodzakelijk, dat de binnemuur, die niet dik is, niet beschadgt worde.”

„De Wapensmid,” zeide Uilenburg, die juist van boven kwam, en dit laatste gehoord had, „lachte mij dezen nacht uit, dat mijne deken zoo vol gaten was; maar ik geloof, dat de zijne dezen avond niet veel beter zal wezen; althans ik heb zorg gedragen om haar vooraan te leggen.”

„Dat hadt gij waarachtig wel mogen nalaten,” zeide deze lachende; „want in de uwe kwam het toch op een gat  of wat niet aan, zoo het al mogelijk is, dat de kogels er niet door kunnen zonder haar te raken.”

„Ha! ha! Uil!” riepen eenigen lachende, „dat kunt gij in uw zak steken.”

Uilenburg zou zeker wel iets geantwoord hebben, maar de Boodschapper nam het woord op en zeide: „Hij, die dezen avond nog een deken noodig heeft, zal er wel eene zoeken; doch het wordt tijd om te beginnen: de vijand is buiten weder zichtbaar. Komaan, mannen! aan het werk, en spaart het kruit niet, als gij het met winst kunt gebruiken.”

Hij behoefde hun dit geen tweemaal te zeggen; brandende van ongeduld,verdeelden zij zich door het slot, en lustig blies Uilenburg op de trompet des Spaanschen speerruiters den geuzenmarsch. Spoedig liet zich nu en dan het musketvuur hooren, en geen Spanjaard kon zich meer ongestraft onder het bereik der vuurwapenen in het open veld vertoonen.

„Welnu, vriend! wat hebt gij boven op het slot gezien?” vroeg de Boodschapper, nadat zij alleen in de kamer waren achtergebleven.

„Niet veel goeds,” hernam Uilenburg mistroostig, „de slooten en vaarten liggen, zoo ver ik zien kan, allen dichtgevroren; aan de andere zijde van Gorkum, opDe geuzenvlag op het dak van het slot Loevestein het verdronken land, zie men niets dan een grauw, glad ijsveld, waaruit hier en daar een dorre boom of boerenwoning steekt. Aan deze zijde van Dalem en op de Kraaiweg is in velden of wegen geen krijgsvolk te zien; de rivieren alleen zijn nog open, maar wel spoedig zullen ook die dicht gaan; er komt veel drijfijs naar boven; geen volk of vaartuig is in aantocht, en, zoo waar als God leeft! geloof ik, dat de heer Von Bergh of Dahlhausen met zijne groene moffen bevroren is, zoo hem het hart niet in de schoenen is gezakt.”

„Dat antwoord verwachtte ik,” zeide de Boodschapper. „Gelukkig, dat deze muren in het eerste uur niet vallen zullen; maar daar het ons niet voegn zou ledig te blijven, terwijl de Spanjaarden reeds bezig zijn, ten minste wat de musketiers betreft, zoo zullen wij een naar buiten zien.”

„Het is ook niet goed, dat een lading te lang in de loop blijft zitten,” zeide Uilenburg, die door een schietgat aanlegde, „komaan, Signor Perea, de vuurvreter! laat ons eens zien, of gij dezen morgen gemakkelijker zult te raken zijn dan gisteren,” waarna hij aan den trekker trok.

„Ik heb niets gehoord; is hij gevallen?” vroeg de Boodschapper, die zijne lont in den sleutel vastzette.

„Neen, voor den duivel!” zeide Uilenburg, zijn musket hard bij den voet nederzettende, „dat verdoemde kruit is nat geworden, anders ware hij er nu reeds geweest. Deze dag zal ongelukkig voor mij zijn; ik gevoel het; nooit heeft mijn eerste schot of stoot gemist, of ik heb dit, helaas! ondervonden.”

„Dwaasheid!” hernam de Boodschapper, „gij zijt te wild, en het is goed, dat de Wapensmid hier niet bij ons is, ander zoudt gij een sermoen over de behandeling van het geweer niet kunnen ontgaan.” Dit zeggende, schoot hij af. Uilenburg laadde spoedig de pan met fijn kruit, dat hij in een bijzondere hoorn bij zich had, en volgde zijn voorbeeld.

Eenige oogenblikken daarna zeide de Boodschapper: „Het zal nu tijd worden om deze plaats te verlaten; het kanon zal dadelijk beginnen te spelen, en dan zal het hier niet meer veilig zijn.”

Zonder een woord te antwoorden, wierp Uilenburg het musket op den linkerschouder, en een kruik, die bij hem stond, opnemende, volgde hij zijn vriend naar eene hoogere verdieping.

„Hier zullen we goed staan,” riep Uilenburg vroolijk, „wij zien hier over die vervloekte schanskorven heen, en dezen keer ten minste zal ik niet misschieten.” Doch toen hij daarop zijn musket tusschen de ijzeren tralin van een venster heenleide en vuur wilde geven, zeide de Boodschapper: „wacht nog een oogenblik! indien zij ons hier gewaar worden, zullen zij trachten zich voor ons te beschutten; heb slechts geduld, tot zij hun kanon hebben afgevuurd, dan schieten wij tegelijk, en door de rook zullen zij ons niet ontdekken.”

„Vuur!” hoorde men nu buiten roepen tegen de busschieters, die bij de stukken stonden, en dadelijk werden de serpentijnen losgebrand.

„Nu is het onze beurt,” zeide de Boodschapper, en gezamenlijk schoten zij naar buiten, op de hoogte, waar de stukken stonden, terwijl zij daarna hunnen musketten terughaalden en weder laadden.

Het was alsof het kanonvuur de musketiers aanmoedigde om zich gedurig te doen hooren; althans hunne trom werd achter de batterij geroerd, en hevig bestooken zij de vensters. De stukken gaven niet tegelijk vuur; maar zoodra er een geladen was, werd het afgestoken, hetgeen den damp gestadig tusschen de batterij en het slot onderhiel, en den Boodschapper in staat stelde om te laden en te lossen.

„Nu, ik dacht dat ik ook wat laden kon,” zeide Uilenburg eindelijk, nadat zijn vriend weder eens geschoten had, „maar zie, gij kunt het veel spoediger dan ik; en toch ben ik een oud soldaat, en gij hebt in uwe jeugd misschien nooit een musket in de hand gehad.”

„Gij vergist u, Uilenburg! reeds jong behandelde ik het geweer,” antwoordde deze. „Van ouds is immers elke burger in ons land dienstplichtig; de poorters in elke stad moeten zich in den wapenhandel oefenen, en men heeft mij verhaald, dat er voorheen meestentijds geen anderen oorlog werd gevoerd dan met burgers: elk leenheer leverde een vast getal zijner leenplichtigen, en elke stad een gedeelte zijner gewapende burgers.”

„De muur onder ons zal wel gewaar worden, dat de Spanjaarden geen gebrek hebben aan kruit en ijzer,” zeide Uilenburg, terwijl hij aanlegde en schoot, waarna hij vervolgde: „Het is toch wonderlijk, dat zij met zooveel woede iets vernielen, dat de Koning toch weder moet laten maken; maar ik geloof, dat men u verkeerd onderricht heeft; ik weet zeer goed, dat Karel de Stoute, die hier ver vandaan, zoo ik geloof tegen de Zwitsers, gesneuveld is, meestal bezoldigd krijgsvolk in dienst had.”

„Gij hebt gelijk,” hernam de Boodschapper; „maar juist sinds onze heeren de gewoonte hebben aangenomen om lage huurlingen in den oorlog te gebruiken, is de Nederlander verwijfd geworden, en met het goed en bloed, dat men hem uitzuigt, worden de soldijtrekkers betaald, die hem onder het juk houden. Of denkt gij, dat zij Perea zouden gehoorzamen en ons aanvallen, indien hij burgers onder zijn bevelen had? Neen, zij zouden dit niet doen; en ik geloof, dat als de werklieden gewapend waren, en ik de gelegenheid had met hen te spreken, het niet lang zou duren, of zij zouden de stukken omkeeren, en ons helpen om de Spanjaarden te verdrijven. Maar, komaan, Uilenburg! laad uw musket; onze bezetting is klein, daarom moeten wij dit door handigheid zoeken te vergoeden.”

„Ik ben reeds bezig,” antwoordde deze, die eenige oogenblikken stond na te denken over het gezegd van zijn vriend: „ons getal is waarlijk ook gering genoeg; maar weet ge wel, Herman! dat gij verduveld dom gehandeld hebt?”

„Hoe dat zoo?” vroeg de Boodschapper verwonderd, zonder dat zij een van beiden zich door het spreken van hunne bezigheid lieten afleiden.

„Vraagt ge dat nog?” zeide Uilenburg. „Ik meen, dat gij Van Doorn niet van hier hadt moeten laten gaan; hij wilde immers gaarne blijven; een man minder of meer scheelt veel.”

„En wie zou dan de jonkvrouw in veiligheid gebracht hebben?” vroeg de andere.

„Welnu,” antwoordde Uilenburg, „dat had de oude knecht alleen wel kunnen doen; zij zouden met hun beiden in geen zeven slooten tegelijk loopen; want spoedig zullen deze tot den grond toe bevroren zijn,” eindigde hij lachende.

„Indien we hem hier gehouden hadden om in de verdediging den dood te vinden, of, als hij weder werd gevangengenomen, op het schavot te sterven,” zeide de Boodschapper, „zouden wij hem geen dienst met zijne bevrijding gedaan hebben; en op mijn woord, wij hadden dan deze geheele onderneming wel kunnen achterwege laten; hij is vol moed, dat weet ik; maar hij is gekwetst geweest, en had toch alleen de Spanjaarden niet kunnen tegenhouden.”

„Maar hij had ons ten minste van Perea kunnen ontslaan,” viel Uilenburg hem in de rede, „ik geloof stellig, dat die Spanjaard zich dezen dag niet meer zou verroeren, als onze jonkman gisteren in de bres geweest was.”

„Gij vergist u, vriend!” zeide de Boodschapper. „Ik heb gisteren zelf ondervonden, dat het geene kat is, om zonder handschoenen aan te vatten. Mijne wapenrusting heeft mij gered; maar gij weet dat jongelieden tegenwoordig er eer in stellen om zoo licht mogelijk gewapend te wezen.”

„Toegestemd, Herman!” hernam Uilenburg. „onze moed en krachten deden niets af tegen zijne behendigheid; maar Van Doorn heeft ook het staal naar de regels leeren voeren, en dat is iets, dat u geheel, en mij bijna insgelijks geheel en al verbreekt. Voor den duivel! gij moest eens van een mijner vrienden, die onder de watergeuzen als bootsgezel gediend heeft, gehoord hebben, hoe de jonker zich op zee geweerd; ja, aan den wal in Engeland hebben verscheiden Engelsche en Nederlandsche edelen tevergeefs getracht hem te ontwapenen,”

„Dat verwondert mij niet,” antwoordde de Boodschapper, terwijl hij de zijden vlag, die over zijne schouders hing, een weinig verschoof; „en ik vrees nog altijd, dat hij alleen aan zijne stoutheid gehoor zal geven en ons nog zal trachten te hulp te komen.”

„Ik hoop dat gij zoo verstandig zult zijn om dat zegeteeken te verbergen, wanneer de storm begint,” zeide Uilenburg; „gisteren was het iets anders; maar het dezen dag te dragen, is verkeerd, en het is juist geschikt om u al de Spanjaarden op den hals te halen.”

„Ik weet het wel,” hernam zijn vriend; „maar ik gevoel mij sterk genoeg om hen te weerstaan; de slagen, die op mij vallen, zullen dan ten minste u en de overigen niet treffen, en dat is juist de reden, waarom ik de vlag niet van mij heb afgeworpen.”

Zoo zetten zij hun gesprek verder voort. – Doch het wordt tijd, dat wij ons eens naar buiten begeven om te zien, wat daar voorviel.

908SR15.gif (1832 bytes)

2e hoofdstukInhoudopgave Oltmans4e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)