J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL II – HOOFDSTUK 4

De trom werd geroerd; het volk verzamelde zich,...

Z.gif (3467 bytes)oodra het schot van den Snijder, als het ware, het teeken tot het begin der vijandelijkheiden gegeven had, riep Pedrillo zijne makkers op, die in een diepen slaap gedompeld waren. Wat hem betrof, hij had geen oog geloken; ernstige gedachten haden hem den geheelen nacht beziggehouden, en toen de soldaten de gloeiende asch van het wachtvuur verlieten, wierp hij nog een blik op de zwart gebrande trompet, welke zijn vriend Hernandez hem had overgegeven. Zijne hand bracht hij krampachtig aan zijn hoofd, als wilde hij de droevige herinneringen verdrijven, die hem kwelden. Toen hij haar liet zakken, hield hij zijn borstharns vast, om zijn kloppend hart tot stilstand te brengen; maar het gelukte hem niet, en somber liet hij zijne hand langs zijne wapenrusting nederglijden; zij viel op het gevest van zijn zwaard, dat aan zijne zijde hing. Een glans van vergenoegen verdreef nu de donkere wolken van zijn voorhoofd; hij had zijne bedaardheid teruggekregen; Pedrillo was weder de oude, en toen hij zich tot zijne makkers wendde, zeide hij: „Komaan vrienden! volgt mij,” en deze zagen in zijne houding en zijn gelaat niets ongewoons meer.

Lorenzo Perea en Diego Velasquez traden nu ook te voorschijn: de trom werd geroerd; het volk verzamelde zich, en de levensmiddelen werden onder hen uitgedeeld.

Ofschoon de Spaansche soldaten gebukt gingen onder een strenge krijgstucht, die keizer Karel onder hen had ingevoerd, zouden zij echter zeker geweigerd hebben het gevecht te beginnen, voordat het goed licht geworden was, en zij hun honger en dorst gestild hadden. Perea wist dit wel, en ongaarne zag hij zich gedragen de geuzen nog eenigen tijd met rust te laten. Tegenwoordig is dit alles veel veranderd: in onze dagen heeft men dikwerf den soldaat zonder voedsel of rust van de eene overwinning naar de andere zien snellen; meer vrijheid genietende, heeft hij meer gevoel van eigenwaarde, en zijn moed en zijne volharding zijn dezelfde gebleven, zoowel onder het brandend luchtgestel van Spanje, als in de barre koude, te midden van sneeuw en ijs, aan de boorden van de Berezina. De krijgsbewegingen hebben thans een snelheid, waarvan men in oude tijden geen denkbeeld had, en dikwijls te laat beklaagt men naderhand een oogenblik rust, dat men onvoorzichtig genoten heeft; want indien de Hollanders met nadeel bij Warwick vochten, omdat een keizerlijk generaal weigerde, zijne soldaten te laten oprukken, vrdat zij hun middagmaal genoten hadden, evenzoo verloren de Franschen mogelijk den veldslag, die over het lot van geheel Europa beslist heeft, omdat n hunner generaals zijne soldaten toestond te rusten en hunne soep te koken.

Eindelijk traden de soldaten van Romero in het gelid, en onder het geluid der krijgsmuziek rukten zij van achter en uit het voorhof in het veld. Perea’s gebiedende stem bracht de busschieters en kanonniers spoedig aan de batterij bijeen, en niet lang nadat de musketiers begonnen waren, openden ook de serpentijnen haar vuur.

Niet al het werkvolk was bij de batterij noodig; daarom gelastte men eenigen hunner, den Spanjaarden, die om het slot verspreid waren, de horden na te dragen, welke hen beschermen moesten, en hier en daar eenige vergravingen of opwerpingen van aarde te maken. Helaas! wanneer zij het leven hunner dwingelanden hadden verzekerd, konden zij zich weder terugbegeven om misschien onderweg gekwetst of gedood te worden; want zij hadden geenerlei middel om zich te beschutten, zelfs geen wapenen om zich te verdedigen; hunne meesters gebruikten hun arm zonder dien te wapenen. Maar zijt voorzichtig, Spanjaarden! de dag zal aanbreken, op welken de slaaf zijne kluisters eindelijk verbreken zal; dan zullen de op u buit gemaakte wapenen hem op u doen zegevieren, en in het oogenblik, dat zijne haat en zijne wraak in uw bloed uitgebluscht worden, zal de Nederlander virj zijn, en onder de volken van Europa de plaats hernemen, welke een ongelukkige samenloop van omstandigheden hem gedwongen had te verlaten.

Zoo stil als alles gedurende den nacht geweest was, zoo levendig was het nu; de koude was zeer nijpend, niet tegenstaande de zon, die het ijs in de gracht gelijk een geslepen steen deed glinsteren, nu en dan op de belegeraars een weldadigen straal liet vallen. De geuzen waren hiervan verstoken, en, ofschoon zij niet in het veld stonden, noodzaakte hen echter dikwerf de tocht, die door de schietgaten kwam, om het vuur, dat van alle kanten uit het slot kwam, voor een oogenblik te staken. Meermalen, als de eene of andere musketier het waagde zich boven de verschansing, waarachter hij verborgen lag, te verheffen, vertoonde zich een vlam vr een kleine opening hier of daar in den muur. Van buiten kon met die vlam niet eesn zien, en dit leerde de overigen voortaan voorzichtiger te zijn.

„Denkt gij, Signor Velasquez! dat de muur het lang zal uithouden?” vroeg Perea aan dezen, terwijl zij een eind weegs achter de stukken en vr het voetvolk stonden, dat met den rug naar de Waal geplaatst was.

„Ik weet het niet,” antwoordde deze, den doek een weinig verschuivende, die om zijn linkerarm gebonden was; „gisteravond was er reeds, zoo ik het wel heb, een klein gat in den muur; en daar ik heb opgemerkt, dat dikwerf het stooten van het ijzer tegen den muur niet hoort, als het buitenste stuk aan de rechterzijde vuur geeft, zoo zal ik de richting daarvan een weinig doen veranderen, indien gij het goedvindt.”

„Zeker!” hernam Perea, „wees zoo goed, Signor! zulks dadelijk te laten doen; den muur moeten de kanonnen nederschieten; want al de kogels, die naar binnen gaan zonder hen te raken, acht ik voor verloren.”

Velasquez gaf nu bevel het vuur te staken. Toen de rook opgetrokken was, werden de stukken opnieuw gericht; het gat in den muur was veel vergroot, en rondom was de buitenste bekleeding der zware moppen reeds stuk geschoten.

„Wij zullen den omtrek der bres maar niet grooter nemen,” zeide Perea, „twee mannen kunnen met gemak er in gaan! ik wil den storm niet weder zoo laat beginnen als gisteren, en het schijnt alsof elke steen van dat verdoemde slot een kogel noodig heeft om verbrijzeld te worden.”

„Vuur, mannen!” riep Velasquez nu. Het kanon liet zich weder hooren, en dezen keer schenen de kogels beter getroffen te hebben.

Nadat er nog een paar maal geschoten was, viel n der arbeiders getroffen neder, en toen hij bebloed werd weggedragen, zeide Velasquez: „Daar gaat er weder een heen; het is mij onbegrijpelijk! het is alsof onze vijanden de kunst uitgevonden hebben, om, ondanks den verren afstand, door de schanskorven heen te schieten.”

Juist wilde Perea antwoorden, toen de kanonniers van een der middelste stukken het verlieten en achteruit traden.

„Wat is dat kerels?” schreeuwde Perea luid: „Voorwaarts, de handen aan het werk, of zal ik u leeren, op welke wijze men een stuk bedienen moet.”

„Vergeef ons, Mijnheer!” zeide een der busschieters, zijne muts eerbiedig van het hoofd nemende; „maar aan ons stuk kan de duivel zelf het niet uithouden; de zesde man wordt daar reeds voor dood weggedragen, en wie zal het wagen in zijne plaats te treden.”

„Een Spanjaard, lafaard!” riep Perea, waarna hij vervolgde, terwijl hij een musketier, die achter hem stond, op den schouder kopte: „Leg uw musket en uw vork neder, soldaat en geef het voorbeeld aan die bloode kerels”

Zonder een woord te antwoorden, bracht deze zijne hand aan den hoed, en zijn musket overgevende aan dengene, die naast hem in het gelid stond, trad hij op de batterij, greep den wisscher en plaatste zich aan den mond van het stuk, op de plaats waar de anderen waten. Met kracht zette hij de lading aan; de kanonniers, beschaamd en bevreesd voor Perea, hielpen den Spanjaard, en het stuk begon weder te werken.

„Deze zal zich niet licht laten afschrikken,” zeide Perea tegen Velasquez; „hij gevoelt zich vereerd, dat ik hem heb uitgekozen om het voorbeeld te geven; het Spaansche volk is over het algemeen veel moediger dan de Hollanders.”

„Ja,” hernam deze; „maar gij zult mij moeten toestemmen, dat het denkbeeld om tegen zijne eigen landslieden te dienen niet aanmoedigend is; en ik geloof dat iedere geus, die in het slot is, wel tegen een Spanjaard kan opwegen.”

„Gij hebt gelijk,” antwoordde Perea. „Ik zelf zou mij liever laten neersabelen dan een schot te doen tegen mijne landslieden, tenzij zij tegen den Koning waren opgestaan; en het meerendeel der Hollanders denkt gelukkig evenzoo; en zoo zij zich al voor een oogenblik verzetten tegen ons bevel, zoo zal ik hen toch wel tot gehoorzaamheid weten te dwingen.”

Nadat hij dit gezegd had, gaf het stuk weder tweemaal vuur; maar de ongelukkige Spanjaard, die vooraan stond, viel, waarop het weder door de overigen verlaten werd.

Nombre de Dios!” riep Perea, „dat mag een ongelukkige plaats genoemd worden; maar liever wil ik zelf het kanon bedienen, dan het tot zwijgen gebracht te zien. Soldaten! neemt den gevallene weg, en dat n van u hem vervange.”

Dadelijk traden eenige musketiers uit het gelid, en namen hun makker weg; een kogel had zijne hersenpan verbrijzeld. Toen zij hem wegdroegen, kwamen groote golven bloed uit de verschrikkeliijke wonden, en niemand scheen gezind om zich bij de stukken te plaatsen.

„Komaan,” riep Perea, „wie zal de dappere wezen, die zijne plaats zal innemen?”

Niemand scheen hiertoe genegen. Stilzwijgen stonden de soldaten daar, en zij, die in een storm met moed den dood tegemoet getreden zijn, vreesden het gevaar dat hen, zonder middel van verdediging bij het stuk wachtte.

Perea’s gelaat werd doodsbleek, toen hij hunne ongehoorzaamheid gewaar werd; zijne rechterhand zocht onwillekeurig naar de greep van zijn rapier, toen hij vr zijne soldaten trad en hen met dreigende oogen aanzag.

„Ellendige kerels!” schreeuwde hij woest, „is er dan bij San Jago! niemand onder u, die hart genoeg heeft, om aan mijn bevel te gehoorzamen?” Doch zij bleven doof voor zijne rede; ofschoon met neergeslagen blikken, zagen zij somber vr zich. Perea begreep zeer goed, dat hij de zwakste zou zijn, indien hij tot dadelijkheden overging, waarom hij, schamper lachtende, vervolgde: „Maar het is ook waar, de Signors zouden liever verkiezen om de een of andere stad te plunderen, of tegen eenige vrouwen te schermutselen; het is goed, dat Perea u niet noodig heeft om de rebellen te vermeesteren; ik zal zelf het stuk bedienen en de eer van Spanje ophouden, terwijl ’s Konings soldaten, die zijne livrei dragen, haar bezoedelen.”

„En vergeet gij dan uwe ruiters?” zeide Pedrillo, schielijk met zijn makkers hem in den weg en naar het stuk tredende. „Wij vreezen niets, door ons bediend, zal het geschut spoedig den muur vernielen, waarachter de muiters zich verbergen, terwijl n hunner, die mijn trompet ontheiligt, gestadig den krijgsmarsch der oproerlingen blaast.”

„Ik weet het, Pedrillo!” antwoordde Perea, „maar houd mij niet op; de ruiters hebben gisteren reeds genoeg gedaan; ik ben nieuwsgierig te zien, of de vijand Perea even gemakkelijk zal verdrijven, als mijne voorgangers gedaan heeft.”

„Laat mij uwe plaats innemen, Signor!” zeide Velasquez; „waarom zoudt gij u opofferen; en wie zal na uw dood, dien God verhoede, het slot bemachtigen?”

„Dat zult gij zijn, Signor,” riep deze, naar het stuk loopende; „maar ik verbied u mijne plaats in te nemen, als ik val. Komaan, kanonniers! komaan, bij het stuk: vreest niets, Perea is bij u.”

Een moedig voorbeeld vindt altijd navolging. Daar de Hollanders meer uit onwil dan uit gebrek aan moed waren achteruitgetreden, deed hen het denkbeeld dat zij de Spaansche soldaten zouden beschamen, de handen aan het werk te slaan, en met meer ijver dan te voren hielpen zij nu Perea in het laden en afvuren van het stuk.

Niemand zal die vreemd voorkomen, als hij bedenkt, dat in later tijd velen, wanneer zij eens bij het leger waren, in den dood gesneld zijn op de stem van een vreemden meester, dien zij vertrouwden en om zijne kundigheden hoogachtten; ja, dat zij zelfs zich beijverden zijne goedkeuring te verwerven, en dit was hier het geval.

„Waar zijn de kogels?” riep Perea gedurig, „brengt het stuk meer vooruit. – Goed zoo, mannen! het is geladen,” riep hij van voor het slangstuk wegspringende: „Vuur!”

Nauwelijks was het schot gevallen, of men hoorde hem opnieuw bevel geven om de kruitzakken aan te brengen.

Langen tijd stond hij aan het stuk, zonder dat het den verdedigers van het slot gelukken mocht hem te treffen, ofschoon zij toch gedurig naar die zijde vuurden; het scheen alsof Perea werkelijk onkwetsbaar was, en het gevaar keerde; sedert hij zich op de batterij vertoond had, was er niemand bij hem; maar bij de andere stukken waren nog een tweetal busschieters gewond.

Velasquez had zich van zijne soldaten verwijderd, terwijl dit voorviel, en zich naar die zijde van de gracht begeven, vanwaar hij langs den muur kon zien, die beschoten werd, en hij ontdekte nu spoedig het vuur, dat van tijd tot tijd uit de bovenste verdieping gemaakt werd. Zijn eerste werk was naar de batterij terug te snellen, en zijn ontdekking aan Perea mede te deelen, die, zonder zijne plaats te verlaten, dadelijk bevel gaf, om boven op de schanskorven eenige teenen horden dubbel tegen elkander te plaatsen, zoodat de kogels der musketten, door den verren afstand reeds verzwakt, geene schade meer konden doen, al waren zij door deze borstwering heen gedrongen. Nadat dit verricht was, bracht Perea zijne kleeding, die door zijne medewerking zeer in wanorde geraakt was, weder in orde, waarna hij tot de kanonniers zeide: „Gij ziet, kerels! dat zij mij niet hebben kunnen wegblazen; zij hebben, toen zij mij herkenden, dadelijk aan hun vuur een andere richting gegeven, en nu zij de nutteloosheid van hunne schoten ingezien hebbe, zullen zij spoedig ophouden hun kruit te verspillen. Komaan, nu weder lustig aan den gang; laat de muiters niet gewaar worden, dat Perea niet meer bij u is, en ik zal steeds gereed zijn om u als gehoorzame onderdanen van Zijn Majesteit te erkennen; daarop kunt gij rekenen.”

„Ik heb gemerk, Signor!” zeide Perea toe Velasquez, nadat de kanonniers weder aan de stukken bezig waren, terwijl hij met een doek een licht schampschot afveegde, dat een vijandelijke kogel hem aan de wang had toegebracht, „dat de Nederlanders even moedig zijn als de Spanjaarden als zij goed aangevoerd worden en bij San Jago! ik verwonder mij nu niet meer, dat de rebel Egmond bij St. Quitin met zijn paardenvolk zooveel heeft uitgericht, en dat de Zwijger, met zijn vertrouwen op de Hollanders, zijn meester durft braveeren.”

„Daaraan heb ik nooit getwijfeld, Signor!” antwoordde Velasquez; „ik heb wel eens gelezen dat zij reeds ten tijde der Romeinen een strijdbaar volk waren; aan de zijde van Roland hebben zij bij Roncevaux gevochten, en bij de kruisvaarten tegen de ongeloovigen zich zeer goed gekweten.”

Dewijl gij daarvan spreekt,” zeide Perea, „zoo zal ik u, als wij meester van Loevestein zijn, eenige fraaie tapijtkleederen laten zien, die in een der kamers zijn en onderscheidenen gevallen uit de kruisttochten voorstellen. D’Avilar heeft daarmede veel op, en is altijd bereid, om elken vreemdeling op het slot er den uitleg van te doen; ja het paardendek van een der heeren, ik geloof, zoo ik het wel heb, van den hertog van Normandi, is hem zoo bevallen, dat hij daarnaar er een voor hem in dienzelfden smaak heeft laten vervaardigen.”

„Zijn gevangenis zal hem wel lang vallen,” zeide Velasquez. „Het is te hopen dat wij spoedig zijne kluisters kunnen verbreken; en ofschoon ik geloof, dat hj van den Boodschapper niets te vreezen heeft, zoo is het toch altijd beter, als men weder bij zijne landgenooten is.”

„Men weet nooit, hoever de geuzen hunne wraak gedreven hebben, en niet altijd is men bij zijne landgenooten in veiligheid,” hernam Perea somber, terwijl hij met zijne hand zijn knevel opstreek: „ik geloof at wij hem gene vriendschap zullen doen met hem te bevrijden.”

„Hoe dan zoo, Signor?” vroeg Velasquez verwonderde, „zou hij iets misdreven hebben?”

„Wel mogelijk,” zeide Perea werktuigelijk, waarna hij schielijk vervolgde: „Hoor, Signor! de Hertog is op hem verstoord, omdat hij het slot heeft laten overrompelen; maar hoe kon hij ook op zulk een verradelijk plan bedacht wezen? Het is voor het eerst, dat de Emisario zoodanig iets ondernomen heeft; en daar ik steeds door hem als vriend op Loevestein ontvangen ben, en ik het meisje denk te huwen, over hetwelk hij voogd is, zoo verklaar ik u, dat de last om hem gevangen te nemen, die mij gegeven is, mij niet bevalt. Ja, Signor! daar uwe edele wijze van denken mij bekend is, durf ik u zeggen, dat ik besloten heb hem van den dood te bevrijden, die hem wacht. Ik heb mij van goud en een geleibrief voorzien; zoodra ik hem zie, overhandig ik hem het een en ander, en bericht hem van het gevaar dat hem boven het hoofd hangt, Indien gij hem dus mocht ontmoeten, als hij zich verwijdert, zoo verzoek ik u hem niet op te houden, maar hem te laten gaan.”

„Gij kunt daarvan verzekerd zijn, Signor!” antwoordde Velasquez, „het is edel van u, uw vriend niet te verlaten, nu hij u noodig heeft; de dood zou voor hem ook een veel te zware straf wezen; bovendien heb ik ook geen bevel om hem aan te houde, en bij de inneming van het slot zal niemand op zijne verdwijning acht geven; gij kunt op mijne geheimhouding rekenen”

„Ik verwachtte niets minder van u, Signor!” zeide Perea, hem de hand drukkende: „en indien gij ooit mijne hulp noodig ocht hebben, kunt gij op mijn arm rekenen.”

„Ik dank u,” hernam de andere, „En indien de jonkvrouw, aan wie bij verloofd zijt, op het slot is, zoo zal zij wel blijde zijn, dat gij haar spoedig uit hare gevangenschap zult verlossen.”

„Dat geloof ik niet,” zeide Perea; „dat is te zeggen – ik weet niet of zij er is of niet.”

„Dit verwondert mij, maar ik denk het wel; want gisteren hebben eenigen mijner musketiers een vrouw voor een der vensters gezien,” hernam Velasquez.

„Een vrouw?” riep Perea schielijk, „ik bid u, Signor! zeg mij aan welk raam?”

„Dat weet ik niet,” hernam Velasquez, „maar ik meen, dat het aan de andere zijde van het slot is geweest.”

„Dat is hare kamer,” riep Perea. „Ik dank u voor uwe onderrichting, Signor! ik zal mij derwaarts begeven, of ik ook zoo gelukkig kan zijn haar te ontdekken.” Dit zeggende, verwijderde hij zich snel, en riep nog onder het heengaan: „Gij zult wel zorg dragen, Signor! dat het kanonvuur goed onderhouden worde.”

Velasquez zag hem na, en zeide bij zich zelven: „Hij is waarlijk verliefd; ik had dit van Lorenzo Perea nooit verwacht en, ofschoon ik hem om zijn moed en bekwaamheden hoogacht, beklaag ik de ongelukkige, die zijne vrouw zal worden.” De bezorgdheid, die Perea voor het welzijn van D’Avilar had, maakte dat Velasquez zich zelven beschuldigde van hem tot nu toe niet genoeg op prijs gesteld te hebben, en over dit een en ander nadenkende, stapte hij achter de stukken heen en weder, die gestadig voortgingen het gat in den muur te verwijden. Nu en dan stond hij stil om, ondanks zich zelven te luisteren naar de welluidende tonen der trompet, of om het gelaat te beschouwen van Pedrillo, die met Spaansche deftigheid oogenschijnlijk onverschillig scheen om het bespelen van het muziekinstrument, dat hem toebehoord had, en waarvan elke klank voor hem een dolksteek was.

908SR15.gif (1832 bytes)

3e hoofdstukInhoudopgave Oltmans5e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)