J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL II – HOOFDSTUK 5

Een señorita kijkt uit het raam van het slot Loevestein.

H.gif (3137 bytes)eeft iemand van u ook eene Señorita aan een der vensters van het slot gezien?” vroeg Perea aan de musketiers, die achter de opgeworpen hoogten verborgen lagen en met de belegerden nu en dan musketschoten wisselden.

„Neen, Signor!” antwoordde een der musketiers, „wij zijn niet zoo gelukkig niet geweest. Indien wij al iemand gezien hebben, is het aan een van die knapen geweest, die ons geen oogenblik met rust laten.”

„Gisteren heeft men toch een vrouw in het slot gezien,” zeide Perea nadenkende,

„Dat kan wel zijn, Signor!” hernam de soldaat, „maar toen zijn wij hier niet geweest; ook zijn wij hier om acht te geven op de geuzen en niet om naar de meisjes te zien, ten minste zoo luidt de order.”

„Zwijg, kerel!” riep Perea barsch. „Wie heeft u last gegeven om te redeneeren? Het staat aan mij om te weten, waarom gij u hier bevindt; schiet, dan doet gij beter.”

Zonder te antwoorden, schoot de Spanjaar zijn musket af tegen de vensterluiken op de tweede verdieping van het slot, en daar Perea juist zijn oog strak daarop gericht had, hoorde en zag hij het ijzer de houten luiken doorboren.

„Wie heeft u gelast om op die ramen te schieten?” vroeg Perea.

„Niemand Capitan!” antwoordde de soldaat kortaf, terwijl hij zijn musket weder laadde.

„En waarom doet gij het dan?” zeide Perea driftig; „in die kamer is iemand gehuisvest, die niet tot de geuzen behoort, en die gij zoudt kunnen kwetsen; schiet daar beneden op die openingen in den muur: dáár zijn onze vijanden.”

„Dat weet ik wel,” hernam de soldaat; „maar indien ik op de bovenste vensters schiet, kan ik ten minste zien, dat ik wat geraakt heb, maar in die verdoemde gaten te schieten is onmogelijk.”

Perea antwoordde niet, maar rukte hem het musket uit de hand. Juist op dat oogenblik werd de tromp van een roer door een der schietgaten gestoken. Perea legde dadelijk daarop aan, zond met een vaste hand een kogel in het slot, en scheen getroffen te hebben; want de loopt van het musket zijns vijands verhief zich snel, alsof hij, die het had vastgehouden, het losliet; het ging los en schoot in de lucht af.

„Zóó moet gij schieten,” zeide Pera, terwijl hij het musket den soldaat voor de voeten wierp; „voor hem, die goeden wil heeft, is niets onmogelijk; maar ik raad u, kerel! die hier niet zijt om naar de vrouwen te zien, om beter op uw vuren te letten, of bij San Jago! gij loopt gevaar in een tuchthuis aan het spinrokken bij de oude wijven geplaatst te worden.”

Dit zeggende, verwijderde hij zich. – „Hij maakt een geweld, alsof hij de Hertog zelf was,” zeide de soldaat, zijn musket opnemende: „het moest nu ook juist treffen, dat hij geraakt heeft; ik wil een dubloen tegen een schot kruit verwedden,dat hij het niet voor de tweede maal kan doen.”

„Laat hem praten,” zei de andere soldaat, „en laten wij eens drinken; want het is vervloekt koud. Maar hoe waart gij ook zoo dom om dáár boven te schieten; ik had al dadelijk gezien, dat hij tot over de ooren verliefd is, en dat zeker de een of andere schoone dáár hare legerplaats houdt.”

„Het is daarom,” hernam de eerste soldaat, nadat hij gedronken had, „dat hij dus het opperbevel heeft. Het zou voor het eerst niet zijn, dat het leven van eenige edellieden werd opgeofferd, om eene of andere gevangen prinses te verlossen; maar indien hij het op den duur zoo hoog opneemt, zal de een of andere hem vroeg of laat nog eens bij ongeluk een kogel in het hoofd zenden, en ik zu haast belust zijn om hem mijn dolk eens onder de ribben te steken, zoo ik hem de eer niet aandeed met hem te trekken.”

Terwijl de Spanjaarden, over zijne strengheid verstoord, aldus voortgingen te morren, en het geschut ophield zich te laaten hooren, was Perea op het voorhof aangekomen, en zag dáár naar hetgeen de musketiers uitrichten, nadat hij onderweg meermalen in gevaar geweest was van gekwetst te worden.

„Ik wilde juist naar de batterij gaan om u op te zoeken, Signor Capitan! toen ik vernam, dat gij u hier bevondt,” zeide een Anspessado, die vóór hem trad, met zijn hoed in de linkerhand, en zijn bardezaan in zijn arm.

„Hoezoo dat, wat hebt gij te zeggen?” vroeg Perea, hem met de hand beduidende zich te dekken.

„Hier is een brief voor u van den Hertog,” hernam de andere, „hij is zoo even van Woerkum gekomen, alwaar hi door een ruiter gebracht is.”

Perea brak het zegel los, en las met aandacht wat de Hertog hem schreef, waarna hij den brief dichtvouwde, hem bij zich sta, en zich wilde verwijderen, onder het zeggen van: „Het is goed, dat ik het weet en bij San Jago! zij zullen te laat komen.”

„Ik lig hier met mijne soldaten Signor!” zeide de Anspessado, „maar zoudt gij mij niet willen toestaan bij den storm tegenwoordig te zijn?”

„Dat kan niet, Anspessado!” hernam Perea; „overal moet eenig volk blijven, en ik heb bovendien bij de bres manschappen genoeg.”

„Ik ben het, dien de geuzen op het slot gevangen hebben gehouden,” zeide de andere mistroostig; „gisteren heb ik oo bij Diego de Velasquez moeten blijven! gij zoudt mij een groote gunst bewijzen, Signor!”

„Welnu, wij zullen zien,” hernam Perea, terwijl hij met verwondering opmerkte, dat het kanonvuur nog steeds bleef zwijgen, en hij snelde naar de batterij.

908SR15.gif (1832 bytes)

4e hoofdstukInhoudopgave Oltmans6e  hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)