J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL II – HOOFDSTUK 6

De Emisario vertoont zich in de bres van het slot Loevestein

T.gif (3300 bytes)erwijl Perea dus de handelingen der soldaten naging, en natuurlijk vruchteloos trachtte haar, die aan zijne macht ontsnapt was, hier of daar te ontdekken, wandelde Velasquez vr zijne soldaten heen en weder. Hij dacht bij zich zelven na, hoeveeel moeite het nog zou kosten over de wijde gracht het slot te bemachtigen, hoe velen zijner soldaten den nacht niet zouden beleven; hij dacht zelfs aan het lot der ongelukkigen geuzen, wanneer zij met het zwaard in de hand werden gevangengenomen. Het eenige middel om dit alles te voorkomen, was, te beproeven, of zijne vijanden nu ook soms meer genegen zouden zijn dan den vorigen dag om zich te onderwerpen. Ofschoon hij vreesde, dat zijne pogingen daartoe vergeefsch zouden zijn, liet hij zich echter niet afschrikken; maar alleen aande ingeving van zijn edel hart gehoor gevende, vergat hij dat hij onder Perea stond, en gebood den kanonniers hun vuur te staken. Niet kwam meer welkom dan dit bevel, en nadat zij hunne armen eenigen tijd over elkander hadden geslagen, om eenige warmte in hunne half bevroren handen te doen terugkeeren, haalden zij een stuk brood te voorschijn, dat zij des morgens bespaard hadden, en vergaten de bierkan niet, terwijl eenigen hunner de stukken met water begoten. Ook musketiers, die langs de gracht verspreid lagen, kregen bevel met schieten op te houden, en als ware men dit van te voren overeengekomen hield ook het musketvuur uit het slot, zoodat aan de geheel zijde van het gebouw voor een oogenblik de vijandelijkheden gestaakt werden, die aan de drie andere zijden nog steeds voortduurden.

Velasquez ging nu langs de zijde van de batterij, en trad naar de slotgracht, uit voorzichtigheid met zijn hoed wuivende, om zijn vijanden te beduiden, dat het zijn voornemen niet was de bres te verkennen, maar dat hij een mondgesprek verlangde. Toen hij aan hij dijkje gekomen was, dat op de gracht liep, sprong hij daar bovenop, om des te beter te kunnen zien en riep: „Emisario! Emisario!  waar zijt gij?”

Deze plaatverandering was gelukkig voor hem, want een schot dat uit het slot op hem gedaan werd, doorboorde zijn mantel, die achterwaarts hangende, door den sprong van zijn lijf verwijderd was.

Ofschoon er geen stilstand van wapenen gevraagd was, verwonderde Velasquez zich over dit tegen de goede trouw strijdende bedrijf, en denkende, dat men misschien toch vermoedde, dat hij kwam om de bres in oogenschouw te nemen, riep  hij opnieuw: „Ik wenschte den Emisario te spreken.” Doch nog kraag hij geen antwoord; wel scheen het hem toe, als of er zich iemand vr de opening binnen in het slot bewoog; hij meende zelfs hem, dien hij geroepen had met een ander in een hevigen woordenstrijd te hooren, en riep daarom nog eens: „Emisario! waar zijt gij?”

„Hier ben ik, wie roept mij?” riep deze nu, zich voor de bres vertoonende, en met zijne hand den Spanjaard groetende.

„Ik ben het, krijgsman!” antwoordde Velasquez, „en wenschte u te spreken; vertoon u vrij van de bres, mijn volk zal zonder mijn bevel niet vuren.” Dit zeggende gaf hij aan eenige musketiers en ruiters, die bij het hooren van het schot genaderd waren, met de hand een wenk om zich te verwijderen.

„De Boodschapper, mijnheer! heeft nooit geaarzeld zich te vertoonen als hij door een man van eer geroepen werd,” hernam deze, in den muur springende, en zich zooveel mogelijk buitenwaarts plaatsende. „Ik verzoek u verschooning voor het schot, dat buiten mijne toestemming, gij kunt daarvan verzekerd zijn, op u gedaan is. Spreekt Velasquez! wat hebt gij mij te zeggen, nadat ik u gisteren met mijn musket gedreigd heb?”

„Krijgsman, of Emisario! want ik weet uw naam niet, ofschoon uwe dapperheid mij schijnt te verraden, dat gij een edelman zijt, hoor mij,” zeide Velasquez, zijn hoed opzettende; „het is op dit oogenblik niet de Spaansche bevelhebber van een vendel van Romero, die tot u spreekt, maar uw vriend, die uwe daden en die van uw volk waardeert, zonder die echter   goed te keuren. Na een hevigen tegenstand hebben wij gistereen het voorhof vermeesterd; gij zijt nu in uwe uiterste verschansing teruggedreven; deze muren zulle ons weldra den ingang niet meer beletten, en het zal niet voor het eerst zijn, dat het ijs den van van een sterkte zal veroorzaken. Ik zeg u ronduit, dat ik op mijne eer uwe plaats onhoudbaar oordeel.”

„Gij gelooft dit, mijnheer!” antwoordde de Boodschapper, ge groene zijden vlag zooveel mogelijks achterwaarts schuivende, terwijl het hem nu speet, dat hij haar niet afgelegd had, omdat hij zag, dat de Spanjaard er zijn oog op vestigde; „maar de eerst,dioe het waagt over het ijs te naderen, zal zich zijne roekeloosheid beklagen.”

„Ik weet het,” hernam Velasquez; „maar voor n man van u hebben wij tien andere, en uwe krachten zullen u op het laatst weigeren u in de verdediging behulpzaam te zijn. Krijgsman! het is niet alleen voor u, maar ik zeg het u zonder omwegen, het is ook voor mijne eigen soldaten dat ik wenschte, dat gij u overgaaft; er zijn er gisteren reeds te veel gevallen, en……”

„Hij, die een vijand, welke buiten zijn bereikt is, wil overmeesteren, Velasquez!” viel de Boodschapper hem in de rede, „zoekt dikwerf hem door vleierij in slaap te wiegen; maar ik geloof, dat gij dit middel evenzeer veracht als ik; ik geloof u dus, uwe achting is mij veel waard. Denk evenwel niet, dat ons behoud in het bezit van de bres gelegen is; neen, mijnheer! wij hebben buiten dat nog hoop op behoud.”

„Gij wilt zeggen, dat gij op ontzet rekent,” hernam Velasquez; „maar hoe kunt gij daaraan denken? Wie zal u in den winter te hulp komen? Ik weet wel, dat in Duitschland eenig volk geworven wordt; maar dat is hier ver vandaan. Geef dus de verdediging op; neem zelf de vlag van het dak, die gij er nooit op had moeten plaatsen, en onderwero u als een getrouw onderdaan des Konings aan zijne bevelen.”

„Gij zoudt ons dus toestaan om met krijgsmanseer het slot te verlaten?” vroeg de Boodschapper verwonderd.

„Helaas, neen,” hernam Velasquez. „Als ik de hertog was, zou ik u gaarne den vrijen aftocht toestaan; maar ik heb die macht niet. Zelfs Signor Perea zoud het niet durven doen; maar indien gij u gevangen geeft, zal ik zelf uwe zaak bij den Hertog verdedigen. Hij wordt door u van wreedheid beschuldigd, en dikwerf, ik moet het zeggen, niet zonder reden; maar hij zal niet doof zijn voor mijn verzoek; ook hij weet den moed naar waarde te schatten; de haat en bloeddorst van De Vargas zal voor het verzoek van Velasques moeten zwichten, en indien gij belooft voortaan den rechten weg te volgen, maak ik mij sterk om niet alleen uw leven, maar zelfs uwe vrijheid te verwerven.”

„En is het Velasquez, het is een edelman,” hernam de Boodschapper op een verwijtenden toon, „die mij aanraadt, mijne vrienden en medeburgers te verlaten, wien ik mijne hulp toegezegd heb? Hij moet den den Nederlander wel verdacht houden van licht zijn woord te breken, dat hij mij zoo iets durft voorslaan. Maar gij dwaalt, mijnheer! ik ken uw meester beter dan gij; ik ken De Vargas en Perea; uw edelmoedigheid zou u het hoofd van den romp doen slaan zonder ons te redden.”

„Ik weet dat de Hollander de goede trouw hooger acht dan eenig ander volk,” antwoordde Velasquez; „ik zou u ook niets willen voorslaan, dat ik zelf niet zou willen aannemen, en indien mijne voorspraak u niet kon redden, zou ik zonder smart het hoofd zien vallen, dat zich niet meer zou durven verheffen, als men de eer van Spanje aanrandde; maar waarom zoudt gij uwe vrienden niet verlaten? hen, die allen niet geaarzeld hebben hun Koning ontrouw te zijn? Het hoofd der oproerlingen heeft u verlaten; in plaats van in uw midden ’s Konings ongenade te helpen afwenden, die hij het volk heeft op den hals gehaald, houdt hij zich in Duitschland bezig met allerhande kuiperijen, nadat zijne aanslagen zijn te niet geloopen, en heeft markbrieven uitgegeven, die den koophandel van uw landgenooten ten gronde richten. Zijn zwager, die aan de grenzen het krijgsvolk verzamelt, van hetwelk gij uw redding verwacht, ik schroom niet het te zeggen, is een verrader, die geen vertrouwen verdient. Heeft hij niet toch, nadat hij zijn Koning verlaten had, zich van zijn bloedverwant verwijderd, met wien hij gemeene zaak gemaakt had, toen het onweder boven het hoofd der rebellen losbarst? Heeft hij niet gezocht den tiran, zooals gij den Hertog noemt, door laagheden voor zich te winnen? en daar deze, die hem veracht, hem verstooten heeft, plaatst hij zich weder onder uwe banier. Wat hoopt gij van hem? wat verwacht gij van uw opperhoofd, dat u op een afstand aanhitst tegen de macht des Konings, die hij zelf ontweken is?”

„Er zou veel aan te merken vallen op uwe redeneering,” hernam de Boodschapper met waardigheid. „De Vorst, van wien gij spreekt, heeft liever verkozen de zaak van het ongelukkige volk te verdedigen, dan zijn naam en zijne hand te leenen om het uit te plunderen en van zijne vrijheid te berooven; en ik geloof, dat een man van eer zich niet behoeft te schamen, zijn livrei te dragen; maar zelfs als alle grooten ons verlieten, ja al gingen zij allen tot uwe zijde over, zoo zou ik hier blijven.”

„En waarom zoudt gij dat doen?” vroeg Velasquez schielijk „waarvoor zoudt gij uw leven opofferen?”

„Voor mijn vaderland en voor de vrijheid,” riep de Boodschapper met vuur, „die daarvoor sterft valt met eer.”

„Het vaderland, – de vrijheid?” zeide Velasquez het hoofd schuddende. „Niet altijd is de laatste nuttig, niet altijd is het vaderland dankbaar voor bewezen diensten, krijgsman!”

„Ik weet het, Mijnheer!” hernam de Boodschapper; „maar in het einde laat het aan zijne verdedigers toch recht wederwaren. Ik heb gezworen hier te blijven, en ik zal het nakomen.”

„Er is dus geen middel om u van gedachten te doen veranderen?” vroeg Velasquez langzaam.

„Hebt gij ooit aan den linkeroever der Gette de puinhoopen van een ouden toren gezien, Mijnheer?” vroeg de Boodschapper.

„Ja maar al te wel,” hernam Velasquez verwonderd, de bedoeling dezer vraag te vergeefs trachtende te raden: „ik zelf heb, op bevel vna Vitelli, dien vruchteloos met mijn vendel bestormd.”

„En gaven  de Nederlanders zich over, nadat gij hen hadt opgeischt?” vroeg de Boodschapper.

„Helaas! neen, krijgsman!” hernam de Spanjaard somber, „het vuur en de vlam konden hen zelfs niet bewegen hun verblijf te verlaten; zij verbrandden tot den laatste toe, en nog hoor ik de vloeken en verwenschingen der ongelukkigen, Maar waarom vraagt gij naar iets, wat gij zelf zeker weet?”

„Omdat ik besloten heb, Mijnheer! hun voorbeeld te volgen, en liever in het vuur te sterven dan mij gevangen te geven,” hernam de Boodschapper, met vuur zijne krachtige stem verheffende, en met zijn handschoenen op zijn borstharnas kloppende.

„Ik begrijp u, krijgsman!” hernam Velasquez langzaam, „en ik laak uw voornemen niet; God zal over u en mij beschikken, en ons oordeelen.” Met een ontroerde stem vervolgde hij: „Uw vriend Velasquez verlaat u, om als Spaansche hoofdman weder onder uwe vijanden te treden, vaarwel!”

Dit zeggende, sprong hij van de hoogte, waarop hij gestaan had, en trad, met zijne hand groetende, achterwaarts.

„Zijt gegroet, Mijnheer!” riep de Boodschapper hem na, „gij zult het zijn, die het teeken tot het weder aanvangen van het vuren geven zult.” Onder het uitspreken van deze laatste woorden trad hij haastig in het slot terug, waarschijnlijk om voor den veiligen aftocht des Spanjaards zorg te dragen.

„Waarom is het vuur gestaakt, Signor?” vroeg Perea driftig, die in dit oogenblik, uit het voorhof gekomen zijnde, haastig naar Velasquez toetrad.

„Omdat de slangstukken zoo heet geworden waren, dat het vuren gevaarlijk was, en omdat ik nog een poging gedaan heb om de geuzen tot overgaaf te bewegen.” antwoordde Velasquez bedaard.

„En wie heeft u daartoe last gegeven? Wie heeft u gemachtigd om de vuurmonden te doen zwijgen?” vroeg Perea met den voet stampende: „of vergeet gij, Velasquez! dat ik het bevel hier voer?”

„Neen,” hernam de andere trotsch, „ik weet dit: maar indien ik denk iets te moeten doen voor ’s Konings en zijner onderdanen welzijn, zal ik het niet nalaten, al had de Hertog zelf hier het opperbevel.”

„Het is de Hertog zelf, die mij gelast, het slot hoe eerde hoe beter in te nemen; zie hier zijn schrijven.” Dit zeggende, haalde Perea een brief uit zijn wambuis. „Hij bericht mij, dat eenige Duitsche benden in vaartuigen de rivier van boven afkomen om de muiters te ontzetten; dat Oranje naar alle zijden order heeft afgezonden om den Emisario te ondersteunen, en het is op het oogenblik, dat ik dezen last ontving, dat gij, door dwaze menschenliefde gedreven, het vuur doet ophouden!” vervolgde hij driftig.

„Welnu! laat het vuur weder openen!” antwoordde Velasquez koel; „niemand belet het u; en wat de dwaasheid aangaat, waarvan gij mij beschuldigt, zoo geloof ik niet, dat iemand u er ooit van verdacht heeft gehouden.” Dit zeggende keerde hij zich om, en stapte trotsch naar zijne soldaten.

„Hij had beter gedaan de zedeperker,” zeide Perea meesmuilende, „zich in de monnikskap te steken; het verwondert mij niet, dat de Hertog mij het opperbevel gegeven heeft.”

„Komaan soldaten!” vervolgde hij met luider stem, „vuurt met uwe musketten, die reeds geladen moesten zijn,” Hierop naar de batterij stappende, riep hij: „Op, kanonniers! op aan de stukken, gij moet den verbeuzelde tijd weder inhalen.”

Op zijne stem, die geene aarzeling gedoogde, sloegen zij dadelijk de handen aan het werk. En hunner, die bezijden de batterij op den grond zat, scheen echter niet genegen om nog zoo dadelijk te gehoorzamen, waarom Perea hem met den voet in de zijde schopte en riep: „Komaan, luiaard! sta op, of ik zal u leeren op een anderen tijd wat vlugger te zijn.

„Gij!……” riep de busschieter, verwoed ove deze woorden, de hand naar de plaats brendende, waar de laars hem getroffen had, en zich oprichtende: „Ellendige Spanjaard! zijt gij uit uw land gekomen om een Hollander te schoppen? een Hollander! en dat op het oogenblik, als hij bij de stukken rust, die hem tegen elk geweld beschermen moeten?”

„Zwijg kerel!” grauwde Perea hem driftig toe, „zwijg, en sla de hand aan het werk, of bij San Jago! ik zal u als een lagen rebel laten behandelen.”

„Rebel!” riep de anderen buit zich zelven van kwaadheid, „lag rebel! welnu, ik, weiger om een serpentijd te laden: laat anderen ht stuk van Bal dienen, ik doe het niet; vervloekt zij deze hand, indien zij ooit weer een schot op mijne landgenooten helpt doen!” Nu sloeg hij zijne armen over elkander en zag onversaagd naar zijn vijand.

„En toch zult gij het doen,” riep Perea met een donderende stem, „of ik zal u, Nombre de Dios! op een rad de beenen laten stuk slaan.”

„Slaan?” schreeuwde de kanonnier, „slaan? Ja ik! ik zal u den hals breken, vreemde hond!” Dit zeggende, greep hij een handspaak, die op den grond lag, en  die in zijne gespierde vuisten opnemende, stond hij gereed, om zijne bedriging ten uitvoer te brengen.

Nog zijne makkers, noch de musketiers schenen genegen te zijn om hem te grijpen, hetzij ze bevreesd waren voor den breedgeschouderden Hollander, of dat zij inwendig Perea haatten. De ruiters waren te ver af om hun aanvoerder te redden, die, niet willende achteruittreden, of den degen trekken tegen iemand uit de laagste volksklasse, glimlachende staan bleef, en ondanks zijne bedaarde houding van gramschap beefde.

Doch op het oogenblik, dat de Hollander de handspaak rondzwaaide, om haar met kracht op Perea’s hoofd te doen nederdalen, werd hij door een kogel uit het slot getroffen en viel.

Tevergeefs trachtte hij met zijne handen, die het hout hadden laten glippen, zich aan het slangstuk, waarbij hij stond, vast te klemmen; vruchteloos poogde hij zijne nagels in de schubben van het metalen monster te zetten en zich op de been te houden om zich nog op zijn vijand te werpen; zijne vingers gleden krassend langs het gladde metaal af, en onder het roepen van: „Verdoemenis! wraak! mijn broeder! Leven de geuzen! wraak!” vie hij en gaf den geest.

Zoolang de ongelukkige tegen zijne landgenooten gediend had, was hij bewaard gebleven; doch hat noodlot wilde, dat juist op het oogenblik, waarin hij weigerde zijn dienst tot het verderf te leenen, zij zelven, bij toeval, een einde maakten aan zijn leven, en daardoor den wreedheid redden, die reeds zoovele euveldaden bedreven had. Maar lateen wij hopen, dat de wraak, welke de Hollander zijn broeder heeft aanbevolen, door dezen genomen worden, als hij het lijk van den ongelukkige zal gezien hebben.

„Sleept het aas van den muiter weg, en dat het nog terstond bij de beenen aan de galg vr Gorcum worde opgehangen!” riep Perea tot de arbeiders, die als versteend dit schouwspel hadden aangezien, en leert uit dit voorbeeld, dat de wraak van God en zijne heiligen nederdaalt op hem, die ’s Konings zijde verlaat, het gezag zijner Capitanes miskent, en hun naam durft lasteren.

In stilte werd hij gehoorzaamd; de vrees voor een dergelijk lot voorkwam alle gemor, en de slangstukken, waarop menige traan van medelijden en onderdrukte woede nederviel, gingen voort met de bres te verwijden.

908SR15.gif (1832 bytes)

5e hoofdstukInhoudopgave Oltmans7e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)