J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL II – HOOFDSTUK 7

"Zijt gij geladen?" vroeg Uilenburg aan den Boodschapper.

Z.gif (3467 bytes)ijt gij geladen?” vroeg Uilenburg aan den Boodschapper,, die zijn musket nederzette en de hand aan de kruittasch bracht.

„Ja!” hernam deze, op zijn lont blazende, „wat wilt gij?”

„Welnu,” vervolgde Uilenburg schielijk, „schiet dan onder die roode vederen, welke daar achter de batterij zichtbaar zijn.”

Zonder een woord te antwoorden legde de Boodschapper aan, en schoot zijn musket af, waarna Uilenburg, die over zijn schouder door het schietgat gezien had verheugd uitriep: „Voor den duivel, Herman! ik geloof, dat gij geraakt hebt.”

Doch toen de rook een weinig door de wind verdund werd, zag hij den vederbosch nog steeds in den kruitdamp bewegen, en met den voet stampende, vervolgde hij: „Neen, de verdoemde Perea staat nog overeind. Is hij dan werkelijk onkwetsbaar, of zou de een of andere schutsheilige, met wien wij den gek steken, hem waarlijk, beschermen?”

„Neen, geloof dat niet, vriend!” hernam de Boodschapper bedaard; „maar de maat zijner euveldaden is zeker nog niet vol. God alleen weet wanneer dat wezen zal, en door wiens hand hij zal omkomen.”

„De Snijder had daareven bijna weder een slecht stuk begaan. Gelukkig dat zijn bloeddorst hem verhinderde te wachten tot zijn vijand stilstond,” zeide Uilenburg. „Welk een onderscheid tusschen Perea en Velasquez! heb ik u niet gezegd, dat de laatste eerlijk denkt? en toch is hij een Spanjaard met lijf en ziel.”

„En heb ik dan ooit gezegd, dat er geen deugdzame Spanjaarden zijn?” vroeg de Boodschapper. „Neen, Uilenburg! dat hebt gij van mij nooit gehoord. Ach! waarom heeft Alva niet een hart als dat van Diego Velasquez! ons arm vaderland, voor hetwelk wij ons hier bevinden, zou dan iet door den burgeroorlog verscheurd worden.”

„Gij gelooft dus, Herman, dat wij hier alleen zijn uit ware vaderlandsliefde, gelijk gij aan den Spanjaard gezegd hebt?” vroeg Uilenburg.

„Wel zeker!” hernam de Boodschapper, „hij, die anders denkt, zou mij onrecht doen.”

„Wat u aangaat, van u geloof ik dit gaarne,” antwoordde de andere; „maar van de overigen niet. Wat mij betreft, ik ben hier, omdat gij hier zijt; de Snijder is hier om zijn zoon te wreken; de Wapensmid, omdat hij toch nergens anders veilig is, en ik zou u zoo van elk onzer een bijzondere reden kunnen opnoemen.”

„Gij kunt gelijk hebben,” zeide de Boodschapper; „maar gij zult mij toestemmen, dat al deze redenen toch samenloopen in één punt, dat is te zeggen, tot verderf onzer vijanden en de bevrijding van onzen geboortegrond.”

Een poos tijds hadden zij zoo het gesprek voortgezet, toen zij de trom bij de Spanjaarden hoorden roeren. „De Spanjaard roept zijn volk bij elkander,” zeide de Boodschapper; „het gevecht zal spoedig weder beginnen.” ook trokken de musketiers, die om het slot verspreid hadden gelegen, werkelijk er om heen naar de batterij; en ofschoon zij hun weg zoo ver mogelijk van de gracht namen, lieten de geuzen niet na met hen eenige schoten te wisselen.

„Roept ons volk bijeen, Uilenborg!” zeide de Boodschapper. Deze begon met zijne trompet het teeken tot vereeninging te gevenm en spoedig hadden zij zich allen om hun aanvoerder verzameld.

„Gij hebt een goeden raad gegeven, vriend!” zeide de Wapensmid tot Uilenburg, toen deze de trompet liet zakken; „want toen ik mij, eenigen tijd geleden, gereedmaakte om op den Spaanschen hoofdman te vuren, greep deze juist een musket, schoot door het schietgat, waarvoor ik stond, en nam mij een stukje van mij rechteroor weg. Verdoemd! indien ik mijn helm op mijn hoofd had gehouden, gelijk voornemens, zou het lood, door den ijzeren pot heen en weder rollende, mij de hersens verbrijzeld hebben.”

„Gij zijt er goed afgekomen,” hernam Uilenburg. „Ik zelf heb menigeen door zulk een toeval zien sneuvelen, en gij kunt u niet verbeelden welk een helsche muziek het is, als de kogel, langs het ijzer malende, zich vereenigt met het gehuil ven den stervende. Doch zeg eens, hebt gij er reeds van de zalf opgedaan, die ik u gisteren heb aangewezen?”

„Ja,” hernam de andere, „en ik ben van voornemen, om, als wij den dans ontspringen, en ik een in Gorcum kom, aan meester Ezelorius het geheim er van af te koopen.” Hierop nam hij een kan met wijn op en zeide: „Komaan, de kelder moet toch leeg; wie drinkt er eens met mij?”

„Die te veel drinkt, verliest zijn verstand!” zeide de Snijder koel, en weed de kan terug, die de ander hem wilde overgeven, „en indien dit de vijanden dit niet vergeten hadden, zouden zij nu niet verzuimd hebben de kogels in hunne stukken te doen.”

Dadelijk zette Uilenburg, de kan neder, die hij aan zijn mond had willen brengen, en zijne ooren opensperrende, scheen hij geheel gehoor.

„Voor den duivel, Herman!” riep hij, „de Snijder heeft gelijk; zijn de Spanjaarden gek, dat zij hun kruit nutteloos verspillen, of zouden zij ook daardoor hunne verrichtingen trachten te verbergen?”

„Het laatste is waar,” zeide de Boodschapper. „Komaan, mannen! eerst zullen we nog wat met vuren blijven aanhouden, den dan het musket tegen het zwaard verwisselen.”

Hierop zich tot den Wapensmid keerende, vervolgde hij: „Zijn de haakbussen geladen?”

Eer deze hem antwoordde, riep Uilenburg, die met de arendsoogen voor een schietgat stond te kijken: „Het is nog zoo ver niet: ik zie de soldaten, die om de batterij heentrekken, gevolgd door de arbeiders; geloof mij, zij zullen den storm nog niet beginnen, maar onder begunstiging van den rook het ijs met rijs bedekken.”

„Volg mij dan!” riep de Booschapper, „de kanonkogels zullen ons nu niet meer verhinderen om in de kamer post te vatten waar de bres is.”

Toen zij daar aankwamen, vonden zij de kamer met den kruitdamp opgevuld, dien de wind daarin gejaagd had; de binnenmuur was merkelijk beschadigd, niettegenstaande hetgeen zij er tegenaan gelegd hadden. De Wapensmid zag lachende naar de plaats, waar zijne deken gelegen had, en aan hare bewaring wanhopende, haalde hij zijne schouders op; waarom Uilenburg een der kogels opnam, die op den grond lagen, en ze door de bres in de hoogte wierp, zeggende: „Ga heen van waar gij komt.”

Doch zonder een gat in het ijs te maken, rolde het ijzer tot aan de overzijde der gracht voort, en bleef tegen den aarden wal liggen.

De steenen, die van den muur waren afgevallen, en de kogels, die te laag waren geschoten, hadden echter het ijs vlak aan het slot gebroken, en Uilenburg, die het gat zocht te verwijden, haalde met behulp van twee zijner makkers een langen dunnen balk uit de gang, en stiet er het ijs in de rondte mede stuk. Doch de musketiers plaatsten zich nu in groot aantal langs de gracht, nadat zij de ladingen vernieuwd hadden, welke zij bandeliersgewijze over hunne schouders droegen, en hun vuren noodzaakte den ouden haakschutter zich te verwijderen.

De arbeiders, aan de gracht gekomen, legden nu de rijsbossen neer, die zij gedragen hadden, daar zij niet geneigd schenen den voet op het ijs te zetten, denkende dat de soldaten zulks verrichten zouden, ofschoon zij beschut werden door den rook en het hevig vuur der soldaten. Perea gebood hun dit echter weldra, en zij sloegen met weerzin de handen aan het werk.

Al verder en verder verdwenen de lange rijsbossen, van welke Perea nog dienzelfden morgen een menigt van de naburige steden had laten aanvoeren, op het ijs gelegd en voorts met planken bedekt. Hoe meer echter de arbeiders het slot naderde, hoe gevaarlijker het voor hen werd, en reeds waren er eenigen gevallen; doch in weerwil dat zij het meeste kwaad verrichtten, bleef het vuur het sterkst op de Spanjaarden gericht. De Boodschapper merkte dit wel op; maar hij eerbiedigde den edelen weerzin zijner onderhoorigen om hunne landgenooten te dooden, en hij liet hun lek zijn gang gaan. Het beleggen der gracht te verhinderen, was buiten zijne macht; en de tijd, dien hij had kunne winnen, door de arbeiders terug te drijven, zou met het bloed der Nederlanders te duur gekocht zijn geworden.

908SR15.gif (1832 bytes)

6e hoofdstukInhoudopgave Oltmans8e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)