J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL II – HOOFDSTUK 9

209.gif (5945 bytes)

T.gif (3300 bytes)erug, soldaten!” riep Perea, toen hij hen de vlucht zag nemen; „voorwaarts, bij San Jago! in het slot alleen kunt gij uwe vlag terugbekomen.” Doch vruchteloos waren zijne woorden, zoowel als zijne pogingen om hen tegen te houden. Hunne vijanden en het ijs vervloekende, liepen zij naar de batterij, en namen hunne musketten weder op; want aan de gracht waren zij te dicht onder het vuur van het slot.

„Geeft vuur, kanonniers! en verwijdt de bres,” schreeuwde Perea nu, waarna hij zich tot de musketiers wendde en vervolgde: „Herneemt uwe gelederen, soldaten! en maakt u gereed om in een tweeden storm beter uw plicht te betrachten; want de Hertog heeft mij gelast om het slot hoe eer hoe beter te bemachtigen.”

De soldaten hadden zich in orde gesteld; of zij evenwel gezind waren om weder zoo spoedig den storm te hervatten, was nog niet zeker; en ofschoon zich niemand luid tegen het gegeven bevel verzette, zoo heerschte er toch een onvergenoegd gemompel onder hen.

„De Hertog heeft gemakkelijk praten,” zeide een der musketiers zacht; „maar heeft hij ooit het verdoemde fort gezien, dat hij ons wil laten innemen?”

„Ik geloof het niet,” hernam een ander; „en onze aanvoerder schijnt niet genegen te zijn met ons in dat muurgat te dringen.”

„Waarom niet?” zeide er een lachende, „de lijken der soldaten zijn goed om het water te dempen, ten einde hem den intocht gemakkelijk te maken.”

„Men had Velasquez het opperbevel niet moeten ontnemen,” zeide een oud soldaat; „hij weet wat een krijgsman toekomt; wt hebben wij met een aanvoerder der ruiters te maken, die ons behandelt als een zijner paarden! Wat mij betreft, ik vrees het vuur niet, maar wel het water,; wat helpt daarentegen of men een harnas of een degen draagt? ik ben niet genegen om de visschen tot aas te verstrekken.”

„Dat u toch wel zal overkomen, als de Capitan weder storm laat loopen,” antwoordde zijn buurman.

„Ja, indien wij allen zoo laf waren als gij,” zeide een ander; „maar bij God! ik zie hier menigeen, die niet voor Perea wijkt in moed, en die zoo goed edelman is als hij. Ik heb de steenklompen gezien, welker naam hij draagt, en mijn bloedverwant in den tienden graad, die aan het hof is, zou zich schamen om er zijn stal van te maken.”

Op dit oogenblik keerde Perea terug, nadat hij met de kanonniers eenige woorden gesproken had, en langs de gelederen ziende, zeide hij: „Geeft acht, soldaten! stilte onder de wapenen! ik beveel het u.”

Op het gezich en de stem van hun bevelhebber bewaarden zij het stilzwijgen. Het eerste gelid zag somber voor zich heen, terwijl zij, die in het tweede en derde stonden, nu en dan een blik op Perea wierpen, maar hunne oogen nedersloegen, als zij de zijn ontmoeten.

„Soldaten!” dus sprak hij hen aan, „het vuur der slangstukken heeft tot nog toe uwe vreesachtigheid voor onze vijanden verborgen, doch niet voor uw bevelhebber. Met diep leedwezen heb ik haar bemerkt; maar ik weet, dat de vrees u niet eigen is; ik weet dat gij zelf verlangt uwe vijanden weder onder uwe oogen te zien. Werpt dus uwe musketten en vorken weg, neemt uwe zwaarden in de hand, en houdt u gereed om weder ten storm te snellen; want ik ga bevel geven, om het kanonvuur te staken.”

Toen hij echter zag, dat zij stil bleven staan, in plaats van zijn last te volgen, en dat zich weder een zacht gemompel in de achterste gelederen liet hooren, riep hij, met woede op den grond stampende, en de hand op het gevest van zijn degen leggende: „Zwijgt, soldaten! zwijgt! want ik zweer, bij San Jago en alle heiligen, dat dit geschieden zal zooals ik gelast heb!” waarna hij vr hen heen en weder stappende, schamper vervolgende: „Zijt gij wel dezelfde soldaten, die tot dusver voor onoverwinnelijk doorgingen; zijt gij het, die in den Bosch zwoert, geen gevaar te zullen ontzien? Dr waart gij helden, en hier…… moet ik het zeggen? moet ik het zeggen dat woord, hetwelk geen krijgsman kan verdragen? Ja, gij hebt het verdient, en hij, die de vlucht verkiest boven de eer, zal het mogelijk hooren zonder blozen – gij zijt bloodaards!”

Een oogenblik was het, alsof de geheel slagorde der Spanjaarden vooruit wilde treden: de bruine aangezichten, die zich ot nog toe onder de breede randen der hoeden hadden verborgen, richten zich op; hun mond bewoog zich om het woord: „Gij hebt gelogen!” uit te spreken, en, met de rechterhand aan het musket of het zwaard, schenen zij gereed hem, die hen beleedigde, aan hunne woede op te offeren.

De geruste houding van Perea, zijne bliksemschietende oogen, de dreigende trek, di om zijn mond zweefde, deden hen echter aarzelen, en toen hij, zijn degen trekkende, naar hen toetrad en met forsche stem uitriep: „Soldaten! presenteert het geweer!” traden zij terug, en aan gehoorzaamheid gewoon, voldeden zij aan zijn bevel. „Zet af het geweer!” riep hij toen, en nadat zij dit gedaan hadden, vervolgde hij: „Ja, ik zeg het nog eens, kerels! die den naam Spanjaarden onwaardig zijt, gij zijt bloodaards. Wat heeft u dan toch de Hollanders doen ontwijken? Is het de dood uwer makkers, die met roem gevallen zijn? Weet gij dan niet, dat een lafaard ook eens sterven moet! En voor wie zijt gij gevloden? Voor een handvol ellendige muiters, die, indien zij niet meer moeds bezaten dan gij, door eenige roededragers konden gevangen genomen worden. Of vergeet gij, dat zij uw vaandel bemachtigd hebben? zal de Hertog, wanneer hij voor u treedt, het niet van u terugvorderen, van u, die tot het vendel van Velasquez behoort, dat zich voorheen steeds het dapperst gedroeg? Hij zal u vragen, waarom gij het den eenen dag hebt verloren; hij zal u vragen waarom gij het den anderen dag niet hebt herwonnen, Wat zult gij dan antwoorden?”

Hier hield hij een oogenbik op, hopende, dat de soldaten, door zijne taal aangevuurd, niet meer zouden weigeren den storm te beproeven. Maar hier en daar werd weder eenig gemor gehoord, en n hunner, die op de ondersteuning zijner makkers rekende, zeide overluid: „Wat gij van ons denkt, is onverschillig; gij zijt onze aanvoerder niet; uwe beslissing maakt een man niet tot eene vrouw, en zal ons den roem, op zoovele slagvelden gewonnen, niet ontrooven. Als wij zonder vaandel terugkeeren, zullen wij zeggen, dat het aan een kind is gegeven geworden, dat beter bij vrouwen dan bij mannen paste; dat het de schuld is van hem, die het aan zijne zwakke hanen toevertrouwde, en dat wij, soldaten, niet verantwoordelijk zijn voor het gedrag van een baardelooze knaap.”

„Het is de Hertog zelf, die het hem toevertrouwde,” riep Perea driftig, waarna hij woest vervolgde: „Maar ik zie het, gij zoek u achter Da Silva te verschuilen, gij, die zijn moed niet hebt; bij San Jago! ik verklaar hem hier voor een dapper jongeling; die anders zegt, heeft gelogen. Kom te voorschijn, gij dappere! die daar gesproken hebt, of die maar lust gevoelt; ik Lorenzo, zal u leeren voortaan beter te oordeelen. Treedt uit het gelid, aanklagers van hem, die voor uwe banier gevallen is!”

De zwaarte van zijn lichaam rustte op zijne linkerzijde; de koude wind, die den kruitdamp om hem heen deed vliegen, bewoog den bloedrooden vederbos op zijn hoed; zijne linkerhand hield hij aan zijn gordel, en in de rechter hield hij den gevreesden degen. Niemand bewoog zich. Noch vertoonde zich wel een zekere sombere onvergenoegdheid op het gelaat der soldaten, maar niemand sprak een woord; en hij, die Perea had aangesproken, trad zoo ver mogelijk achteruit om buiten het bereik van den degen te blijven.

„Waar blijft gij nu?” vervolgde Perea in het rond ziende, „gij beschuldigt den Abanderado, nu hij een verdediger gevonden heeft? Mij gij dote wel, bij San Jago! gij kent Perea; het zou u berouwd hebben uw staal met hem gekruist te hebben. Wat u aangaat, oproermaker!” vervolgde hij tot den soldaat, die gesproken had, „ik ken u, gij zijt het, die aan de andere zijde van het slot uwe muiterij reeds begonnen hebt; om u te tuchtigen, zou ik mijn degen zin willen gebruiken; een stok zou daarvoor genoegzaam zijn. Anspessado! treed uit het gelid, en neem hem gevangen, in naam des Konings en des Hertogs, ik beveel het u!”

De oude krijgsman, wien hij dien last gaf, en die aan het misnoegen zijner makkers geen deel had genomen, trad vr den soldaat, en hem het musket en den degen ontnomen hebbende, bracht hij hem naar het voorhof. Zijne makkers kwam hem niet te hulp; geen hunner waagde het, na deze daad van gezag, te spreken, en zij zagen naar Velasquez om, die in dit oogenblik naar Perea trad.

„Hebt gij hem opgesloten?” vroeg Perea aan den Anspessado, nadat deze was teruggekeerd.

„Neen, Signor!” antwoordde deze, „ik geloof niet dat het noodig zal zijn; juist toen ik met hem de poort van het voorhof wilde binnentreden, trof hem een vijandelijke kogel, en ik denk, dat hij den nacht niet zal halen.”

„Het is goed,” hernam Perea, „de geuzen hebben dus de beul de moeite bespaard hem op te knoopen.” Zich nu vr de musketiers plaatsende, zeide hij: „Soldaten! ik gevoel het, gij zijt tot uw plicht teruggekeerd. Zoo even heeft de twaalfde slag van den toren te Woerkum geklonken; gij zult niet langer aanzelen aan het verlangen te voldoen, of wachten, totdat de avond een einde maakt aan onze pogingen. De vaan des oproers zal nog vr dien tijd afgerukt worden; vr den nacht zal uwe banier weder in het midden wapperen, en als het vreemde gespuis, dat met rassche schreden nadert om de rebellen te helpen, vr deze muren aankomt, zal het met schande de wijk nemen, als het Loevestein in onze macht vindt en ’s Konings zegevierende vlag op den toren ontwaart. Grijpt dus de ladders aan; want weldra zal de stormmarsch geslagen worden.”

Nog scheen de soldaten niet genegen om te gehoorzamen, hetgeen Perea zijne bedaardheid geheel deed verliezen, toen de Anspessado, die uit het gelid trad, de hand aan den helm bracht en zeide: „Is het mij geoorloofd te spreken, Signor?”

„Ja!” hernam Perea, „spreekt vrij op; ik heb uw bedaard gedrag gezien; ik weet dat gij denkt zooals het een krijgsman betaamt.”

„Ik dank u Capitan!” zeide de andere; „maar indien ik het zeggen mag, zoo geloof ik, dat de soldaten van Romero, allen dezelfde gedachten hebben, en ik denk, dat gij u niet over ons zoudt behoeven te schamen, indien gij onze aanvoerder waart; daar, waar geen hoofd is, is geen orde, en zij beschouwen den storm als zeer gevaarlijk, omdat niemand hen is voorgegaan.”

„Zij gelooven dus dat hunne aanvoerders even laf zijn als zij,,” zeide Perea hoonend; „maar hebben zij mij gevolgd, toen ik gisteren in de bres trad? Neen, het waren mijne ruiters; en bij San Jago! het is voor het eerst, dat ik hoor, dat gemeene soldaten hun aanvoerder willen dwingen om vr het uit te gaan. Ik doe het niet.”

„Sta ons toe om te gaan,” riepen Pedrillo en de overige ruiters, die zich achter Perea geschaard hadden, als uit nen mond; „zonder u of met u zullen wij in de bres trachten te dringen; nooit hebben uwe ruiters het gevaar ontweken.”

„Laat mij voorgaan, Signor!” zeide de Anspessado, die op het slot gevangen geweest was,  en bij de ruiteers stond. „Mijne soldaten branden van verlangen om den hoon te wreken, die hun is aangedaan.”

„Neen, vrienden! neen,” riep Perea, „dat kan niet. Ruiters! gij zijt te zwaar gewapend, gij hebt gisteren reeds genoeg gedaan. En gij, brave krijgsman!  het oogenblijk is nog niet dr, dat ik uw arm gebruiken wil; ik heb gezworen, dat deze soldaten zullen stormen; ik wil het; en bij San Jago! indien zij hun vaandel niet willen terughalen, zoo zal geen ander het doen. Voor het laatst zal ik hun gelasten te gehoorzamen, en indien zij dan weigeren, verklaar ik hen in staat van rebellie tegen den Koning, en sommeer elken braven soldaat om hunne gelederen te verlaten.”

Reeds vatte Perea den degen, welken hij onder zijn linkerarm had gehouden, en wilde aan de trommen bevel geven den stormmarsch te slaan, toen Velasquez naar de musketiers trad, en met ontroerde stem zeide: „Soldaten! mijne vrienden! wat doet gij? Moest ik gisteren mijne banier, en moet ik heden mijne krijgslieden verliezen; denkt aan het lot, dat het regiment van Bracamonte en dat van Lodron getroffen heeft. Is het daarom, dat ik voor u steeds als mijne kinderen gezorgd heb? – Maar men zal niet zeggen, dat Velasquez de schande heeft willen overleven, toen zijn vendel zich met schande overlaadde. Ik ga! alln zal zal ik het vaandel zoeken te hernemen en met eer sneuvelen; – als de geuzen Velasquez onvergezeld zien komen, zullen zij tevergeefs zijn vendel achter hem zoeken, en zal ik hun toeroepen: „Ik ben alleen gekomen, geheel alleen; want de Onoverwinnelijken zijn lafaards geworden!” ”

Dit zeggende trok hij zijn rapier, en liep langs de batterij naar de gracht, niettegenstaande Perea hem poogde vast te houden en hem toeriep: „Blijf Signor! blijf gij zijt gewond, indien iemand van ons gaan moet, zal ik het zijn.” Toen hij hem echter in den rook zag verdwijnen, schreeuwde hij luid: „Voor den duivel, kanonniers! staakt het vuur!” waarna hij bij zich zelven vervolgde: „Hij zal zich doen vermoorden; maar al veroorzaakte hij ook mijn dood, en al liep de aanslag daardoor te niet, zoo wil ik niet dat men zeggen zal, dat hij alleen gevallen is.”

Eer hij echter zijn voornemen om hem te volgen ten uitvoer kon brengen, liepen de soldaten, die tot nog toe hardnekkig geweigerd hadden te gehoorzamen, uit eigen beweging Velasquez na. Hunne musketten wegwerpende, zwaaiden zij woest met hunne degens, ne riepen: „Al asalto por Romero u la bandera! La bandera la muerte!

908SR15.gif (1832 bytes)

8e hoofdstukInhoudopgave Oltmans10e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)