J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL II – HOOFDSTUK 10

Een lepel van een blijde (l.), een strijdkolf of goededag (m), en een hellebaard (r.)

H.gif (3137 bytes)et verwonderde de verdedigers van het slot, dat de Spanjaarden zoolang wachtten met den tweeden storm te beginnen; want het gedonder der slangstukken verhinderde hen om Perea’s stem op zulk een afstand te onderscheiden, al had ook het musketvuur hun dit toegelaten. Evenwel, toen de rook een weinig verminderde, zagen zij de soldaten nog altijd in gelederen geschaard staan, en alleen de gerustheid onder de musketiers, die met hen schutgevaarte hielden, verried hun, dat er iets ongewoons plaats had; waarom de Boodschapper, meenemende, dat Perea den storm vroeger had doen beginnen, dan de voorzichtigheid zulks wel had toegelaten, giste, dat er bij de Spanjaarden het een of ander bericht was ingekomen nopens het krijgsvolk, dat verwacht werd. Hij gelastte dus den Wapensmid naar de zolders te gaan, en te zien of hij door de kijkgaten, op de rivieren of in het veld, de zoozeer verlangde hulp ook kon ontdekken.

Plotseling zag de Boodschapper iemand naderen, dien hij door den rook niet herkennen kon, en die zijn degen boven het hoofd rondzwaaide. Aan de gracht gekomen, viel deze echter, hetzij door een musketkogel uit het slot of van de musketiers, of wel door een voorbijsnellenden kanonkogel getroffen; doch het scheen veeleer door de ongelijkheid van den grond veroorzaakt te zijn; want zich snel oprichtende, sprong hij op den rijsdam, die op het ijs lag. Een oogenblik dacth de Boodschapper dat het Van Doorn was, wien het geluikt was om zich door zijne vijanden heen te slaan, en zijne geliefde in veiligheid gebracht hebbende, vrijwillig den dood kwam zoeken; doch toen het kanon zweeg, en zich meer Spanjaarden in aantocht vertoonden, zal hij zijne dwaling in en hij herkende Velasquez.

Dus snel zijne plaats verlatende, liep hij, gevolgd door Uilenburg, die de trompet stak, naar de kamer, waar het vorig gevecht had plaats gehad, en die nu weder zonder gevaar kon betreden worden. Doch in hetzelfde oogenblik, dat hij bij de bres aankwam, die veel wijder geworden was,   gevolgd door zijne onderhoorigen, die naar de bedreigde plaats gesneld waren, sprong Velasquez met een bewonderingswaardige vlugheid over het gat, dat vr den muur in het ijs was, in de bres, en viel den Boodschapper aan. Een dunne ijskorst lag reeds hier en daar op de oppervlakte van het water, dat nog kort te voren door  het verdrinken der Spanjaarden was beroerd geworden. Indien van de eene zijde de geus zwaarder gewapend was, zoo had zijn vijand toch weder iets vr, doordien hij hooger stond, en van terzijde door den muur gedekt was.

„Terug, terug!” schreeuwde de Boodschapper, „of wilt gij alln het slot bemachtigen?” Terwijl hij dit zeide, keerde hij een stoot af, dien Velasquez hem toebracht, waarop deze binnen trachtte te dringen en somber antwoordde: „Ik zoek den dood; het is dus voor niets, dat gij alln slechts uwe slagen tegen mij richt.” Noch Uilenburg, nog een der anderen had namelijk aan het gevecht deelgenomen; maar zij hielden zich onledig om de lonten hunner zinkroeren aan te steken, voorzover zij daarvan voorzien waren.

Toen evenwel de Spanjaarden op de gracht traden riep Uilenburg: „Vuur! vuur op de soldaten, voor den duivel! zij komen laat genoeg om hun aanvoerder te helpen.” Gelijktijdig werden de musketiers door een moorddadig vuur uit de haakbussen begroet, en de door de Spanjaarden zoozeer te onrecht van wreedheid en slechtheid beschuldigde geuzen waren echter edelmoedig genoeg om terzijde van Velasquez aan te leggen, en hem te sparen, die aan een schot met gekapt lood op zulk een korten afstand, geen weerstand had kunnen bieden.

Zonder op hunne vallende makkers acht te slaan, vlogen de musketiers vooruit, verschrikkelijk vloekende en elkander aanmoedigde. De stem van Perea, die aan de gracht stond, liet zich boven alles uit hooren: „Velasquez! daar komt uw vendel, het komt u te hulp!”

Snel wierpen de voorste Spanjaarden lange planken, die zij medegenomen hadden, dwars over het gat in het ijs, en stortten zich in de bres, wel wetende, dat deze brug niet zoo gemakkelijk zou kunnen weggeschoven worden als de eerste.

Animo, soldados! Romero por su bandera! Viva de Velasquez!” riepen de soldaten. Hun hoofdman, zich ondersteund ziende, sprong in de kamer, terwijl de Spanjaarden, die dicht ineengedrongen in den muur stonden, zijn voorbeeld trachtten te volgen. Nu mengden zich Uilenburg en de Snijder mede in het gevecht, onder het geschreeuw van: „Leven de geuzen! Holland en de Boodschapper!” terwijl de overigen, den hellebaard op de knie met de linkerhand vasthoudende, en tegen den rechtervoet steunende, met hunne zwaarden op hun vijanden inhieuwen, alsdus een halfrond om de bres vormden, en de Spanjaarden verhinderden voorwaarts te dringen.

Had de Boodschapper tot nog toe al zijne krachten niet ingespannen, om zich van zijn aanvaller te ontdoen, uit hoofde dat hij zulks niet noodzakelijk achtte, nu echter begon hij aanvallenderwijze te handelen. Ofschoon hij voornamelijk met Velasquez te doen had, lette hij op alles; want toen een musketier zich naast zijn hoofdman wilde dringen, daalde het  breede zwaard als de bliksem op zijn hoofd neder, den hoogen hoed tot aan den rand splijtende en hij wierp den Spanjaard levenloos voor zijne voeten neder.

Venganza! venganza!” riepen zijne makkers, terwijl de voorsten door de achtersten gedrongen, zelfs tegen hun zin in de kamer traden. Met moed verdedigde zich Velasquez, door de wonde aan zijn linkerarm en door zijn val zeer vermoeid, tegen zijne tegenpartij, die, indien hij niemand anders te bevechten gehad had, zeker spoedig een einde aan den strijd zou gemaakt hebben.

Verwoed klonken de afzonderlijke krijgskreten te midden van het gevecht; elke landaard gaf, ondanks zijne inspanningen met den arm, nog door het roepen van de eene of andere leus of vervloeking zijne woede te kennen, zoodat men bijna niets van het geluid der trommen en schalmeien hooren kon. Nu liet zich buiten weder het donderend geroep van: „Al asalto, soldados! al asalto! Adelante, Romero!” hooren. Reeds meer dan tien Spanjaarden hadden zich om hun aanvoerder geplaatstm en even als een waterstroom dreigt den sterksten dij door te breken, waartegen hij door een orkaan wordt aangestuwd, evenzoo zag de Boodschapper het oogenblik naderen, dat de slagorde verbroken zou worden en Loevestein verloren zou gaan. Ofschoon nog geen zijner makkers gevallen was, werd hun wederstand hoe langer hoe flauwer, en hij verwenschte nu het oogenblik, dat hij den storm afgewacht en den Wapensmid weggezonden had.

Uilenburg had reeds vruchteloos naar zijn bijzonderen vijand, Pedrillo, omgezien; hij wist niet, dat deze door Perea was verhinderd geworden mede ten storm te snellen. Daar hij zag, dat zijn vriend dikwijls omkeek, evenals verwachtte hij iemand, zoo riep hij met donderende stem: „Wapensmid! sta bij!” en met de linkerhand de trompet grijpende, blies hij er met kracht in; doch hij, die verwacht werd, daagde niet op.

„Voorwaarts!” riep nu Velasquez, „voorwaarts, soldaten! voor den Koning en de banier!” en weder drongen deze voorut. Toen lieten de geuzen de hellebaarden vallen, hunne krachten waren uitgeput; alleen de drie mannen, die in het midden stonden, weerden zich nog evengoed als te voren. Daar liet zich onder de voorste Spanjaarden een kreet van: La bandera la muerte! hooren, en op den Boodschapper toespringende, trachtten zij de vlag te grijpen, met welke hun vijand zich had gedost. Hun staal gleed langs zijn harnas af, en zijne nevenlieden vingen die slagen op de punten hunner zwaarden op. En echter gelukte het de hand aan het doek te brengen; doch de kreet van Victoria! bestierf op zijne lippen, toen de ijzeren vuist des Boodschappers hem een slag in het aangezicht gaf, en hij bewusteloos nederviel.

Nu drongen de Spanjaarden weder vooruit, en de geuzen schenen naar een goed heenkomen om te zien, daar twee van hen gevallen waren. De standvastigheid van den Boodschapper en zijn donderend geroep van:  „Staat, mannen! de overwinning of de dood!” deden hen echter stand houden, en met hunne zwaarden onderhielden zij het gevecht, terwijl hij zelf, zich bedenkende hoe hij zich het best den aftocht zou kunnen verzekeren, met zulk een geweld in het rond hieuw, dat vriend en vijand over zijne reuzenkracht verbaasd stonden.

Toen riep Uilenburg nog eens: „Wapensmid! Wapensmid!” met zulk een luide stem, dat het, in weerwil van het krijgsrumoer en het geroep der Spanjaarden, duidelijk aan de batterij kon gehoord worden. Helaas! het waren de laatste pogingen van wederstand der geuzen; nog n oogenblik, en alles was gedaan; want de Wapensmid kwam niet, en de Snijder, zijn naam herhalende, bromde binnensmonds: „Verrader! lafaard!” en schoot een zinkroer, welks lading hij tot nog toe bespaard had, op Velasquez af. Het goed gesmede harnas liet echter de kogel niet door, maar ontving slechts een deuk en kaatste den kogel terug.

Doch eensklaps riep een luide stem buiten het slot, alsof die uit de lucht kwam: „Hier ben ik, Vivent les Gueux!” en vr nog iemand wist, van wien of van waar deze stem kwam, viel er een ijzerenspil van eene kleine blijde (een werptuig, dat vr de uitvinding van het buskruit gebruikt werd) naar beneden en vermorzelde de Spanjaarden, die onder aan den muur stonden. „Voorwaarts! voorwaarts, soldaten! houdt moed!” riep Perea. Maar vr deze de vrees konden overwinnen, die hen overviel, viel er een tweede stuk ijzer al draaiende naar beneden en verpletterde en verbrak de planken. Vroolijk juichte de Wapensmid, terwijl hij, boven voor een der vensters staande, het welkgelukken van zijn bedrijf bemerkte, en voortging met alles, wat hij maar onder de hand kon vinden, op de Spanjaarden te werpen. Boven zijnde, had hij het begin van den storm gezien; doch begrijpende dr nuttiger te kunnen zijn dan beneden, was hij gebleven, en had, met inspanning van alle krachten, de ijzeren spillen der oude werptuigen, die op den zolder lagen, naar het venster gesleept.

Vivent le Gueux!” riep de Boodschapper. „Dood aan de Spanjaarden!” riep de Snijder; terwijl Uilenburg zijn trompet aan den mond zette en begon te blazen. De verdedigers schenen door dit geval nieuwe krachten gekregen te hebben. Hoop doet leven, en het geroep van: „Werpt de Spanjolen naar buiten!” ondersteunden zij met een hevigen aanval.

Toen de soldaten, die reeds in het slot waren, zich van hunne vluchtende makkers verlaten, en geen middel zagen om te ontkomen, schoot er voor hen, die nu weder in de bres werden teruggedrongen, niet anders over dan de dood. Zij trachtten echter over het gat te springen, hetgeen slechts weinigen gelukte; de overigen sprongen niet ver genoeg en schoten onder het ijs. Twee hunner, te water geraakt zijnde, hielden zich aan het ijs vast. De eerste greep een plank en poogde op het ijs te klimmen; doch eer hem dit gelukte, viel hem een ijzeren knods, die van boven werd geworpen, op het hoofd, en hij zonk met een gil in de diepte. De andere Spanjaard had zijn dolk, dien hij waarschijnlijk in de hand had gehad, toen hij den sprong deed, tot aan het gevest in het ijs gestoken; en zich er aan vasthoudende, werkelijk reeds eene knie op het ijs gebracht, toen hij evenals werd werd hij door een onzichtbare hand bij het andere been, dat nog in het water hing, in den afgrond getrokken, achterover viel, en met den dolk, die hem bijna gered had, in het water verdween. Eenige oogenblikken heerschte er in het gat of in de bijt een sterke beweging in het water; doch eindelijk werd de oppervlakte weder effen, en alleen het bloedig rood, dat het water kleurde, verried, dat er iets vreeselijks onder het ijs was voorgevallen.

Vier soldaten stonden nog bij Velasquez; maar nadat de Boodschapper nog eens: „Valt aan!” had geroepen, vielen ook deze; de hoofdman stond dus weder alleen, en, evenals te voren, in den muur.

„Verlaat de bres!” riep Perea, die aan de gracht stond, terwijl hij een ladder greep en zich gereedmaakte, om zijn landgenoot te redden, daar eer geen hulp te wachten was van de soldaten, die zich verwijderd hadden. Velasquez echter, die aan geen terugtocht wilde denken, bleef zich nog steeds, hoewel hoe langer hoe zwakker, verweren; maar toen hij een stap achterwaarts wilde doen, struikelde hij over een zijner gevallen soldaten. Zijn linkerhand, waarmede hij zich aan den muur wilde vasthouden, was te zwak; hij viel, en daar zijn staal aan zijne hand ontglipte, was hij aan het zwaard zijner vijanden overgelaten.

De Boodschapper, denkende dat hij weder zou opstaan, liet zijn zwaard zakken, en rustte daarmede op den grond; doch Velasquez richtte zich niet op, en zeide: „Stoot toe, krijgsman! ik wil niet meer leven; of neem mij gevangen.”

„Sta op, Signor!” zeide Uilenburg, hem de hand reikende, „sta op, die plaats is uwer niet waardig.” Met moeite stond Velasquez op, terwijl hij den ouden ruiter aanzag, en het rapier aannemende, dat deze voor hem had opgeraapt, wilde hij het den Boodschapper overgeven.

De Snijder hem op de been ziende, en denkende, dat hij het gevecht weder wilde beginnen, besloot dit door een forschen stoot te voorkomen, en zich schadeloos te stellen voor het schot kruit, dat hij zoo op Velasquez verspild had; maar de Boodschapper wierp hem met een krachtige hand achteruit en zeide: „Terug, kerel! zijn bloed zult gij niet drinken, zoolang mijn hand nog niet verlamd is; wat heeft deze man met u gedaan?”

„Gedaan? gedaan?” bromde de Snijder binnensmonds, „wat had hij mijn zoon gedaan? hij, die om het zingen van een enkel liedje is ter dood gebracht?”

„Mijnheer!” zeide de Boodschapper, terwijl hij het staal terugwees, dat de Spanjaard hem aanbood, „uwe gevangenschap kan ons niet baten, en, ofschoon gij als tegenpartij zeer gevaarlik zijt, zoo is het toch goed een man van eer onder zijne vijanden te tellen; daar gij de eenige zijt, die zich vr dit slot bevindt, zoo keer terug; gij kunt ons daar buiten meer van nut zijn dan hier; indien ik kom te vallen, zorg dan voor mijne manschappen; – gij zijt vrij!”

„Mijn voornemen was te sterven,” hernam Velasquez, „Uwe edelmoedigheid doet mij van gedachte veranderen, en ofschoon gij mijne vlag draagt, zoo geef mij echter de hand gij zijt Diego de Velasquez waardig; laat ons vrienden zijn.” En deze twee mannen, die een oogenblik te voren elkander bedreigt hadden, gaven elkander nu de hand, waarna Velasquez zich tot Uilenburg wendde, en vervolgde: „Ik meen u te kennen, ik zie aan uwe houding, dat gij gediend habt, en uwe beenen verraden, dat menig paard u in het oorlogsveld gedragen heeft.”

„Te Antwerpen reddet gij mij het leven, Signor!” antwoordde deze, de hand aan den stormhoed brengende; „want het was dr, dat Uilenburg een Spaansche edelman had nedergestooten.”

„Dan zijt gij de Uil, wien ik toen aanried, om de wijnkan in het vervolg niet meer zoo dikwijls aan te spreken; maar ik geloof, dat gij mijn raad in den wind hebt geslagen.” Dit zeggende, groette de Spanjaard den Boodschapper en de overigen, die, op hunne wapens leunende, hem hadden aangehoord, sprong, ondanks de wijdte van de opening in het ijs, over het water op den rijsdam, en trad over dezen naar den wal.

Zoodra Perea Velasquez had zien vallen, had hij, bevreesd dat hij toch te laat zou komen, de ladder laten vallen en aan de musketiers langs de gracht bevolen hun vuur te staken, dat uit het slot niet beantwoord werd, ten einde geene oorzaak te geven tot Velasquez’ dood.

Met luid gejuich werd deze door de soldaten begroet, die hem als verloren hadden beschouwd, terwijl Perea hem de hand gaf en zeide: „Ik wensch den Koning en het leger geluk met uwe redding, Signor! maar ik verzoek u om in den volgden storm niet meer mede te gaan, maar uwe wonden te laten verbinden; want uwe kleederen zijn op vele plaatsen met bloed doortrokken.”

„Neen, Signor! neen!” hernam Velasquez. „Men zal het slot niet innemen, zonderdat ik er bij tegenwoordig ben.”

„Dan zullen wij te zamen gaan,” antwoordde Perea; „want alleen laat ik u niet gaan, en als de soldaten ons verlaten, zullen wij ten minste met ons beiden blijven.”

„Aan de stukken, kanonniers! vuur – musketiers! doet uw plicht!” riep hij, en het geschut liet zich weder hooren, terwijl Uilenburg den triomf der geuzen door een luid trompetgeschal verkondigde.

908SR15.gif (1832 bytes)

9e hoofdstukInhoudopgave Oltmans11e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)