J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL II – HOOFDSTUK 11

Uilenburg maakt de touwen van de Brigitta,de dienstmaagd van Anna, los.

G.gif (3512 bytes)oddank, het is gedaan!” zei de Boodschapper, zijne hand onder zijn harnas stekende, en haar bebloed terughalende.

„Gij zijt gekwetst? laat mij naar uwe wonde zien; ik zak uw harnas losgespen,” zeide Uilenburg; doch de andere wees zijn hulp terug en zeide: „Neen, vriend! dat is niet noodig; de wonde is licht; het staal van een dappere kwetst, maar veroozaakt geen smart.” Zich hierop tot den Wapensmid keerende, die nu het vertrek kwam binnenloopen, vervolgde hij: „Zijt gij daar? ik dank u voor de hulp, die gij ons verleend hebt; het was, zoo waar als God leeft! noodzakelijk; want het stond hier schrap.”

„Dat zie ik,” antwoordde de Wapensmid, die op de gevallen Spanjaarden wees, en hij vervolgde, terwijl zij allen het vertrek verlieten, dat nu door het kanonvuur weder onveilig werd: „maar ik wist, dat hunne harnassen en wapenen niet bestand waren tegen het ijzer, dat ik op hen wierp. Hebt gij gezien, hoe zij liepen, toen ik hen met al dat oude krijgstuig begroette, zonder mij te storen aan het vuur der musketiers, dat op mij gericht werd? Zoo waar ik leef, het heeft geen twee voet gescheeld, of ik had aan de gracht met een morgenster, die al fluitende en draaiende door de lucht snorde, Signor Perea het hoofd vermorzeld.” Dit zeggende, zwaaide hij boven zijn helm, die hij weder scheen opgezet te hebben, een oude bijl rond, en vervolgde: „Dit wapen heb ik medegenomen; let straks eens op, als het scherp, door een Deensche wapensmid gesmeed, op hunne hoofden nederdaalt.”

Terwijl hij alsdus sprak, hadden de overigen hunne gesneuvelde makkers uit de kamer weggedragen, de gewonden zoo goed mogelijk verbonden, en de wapens weder in orde gebracht.

De Snijder deed nu weder het eerste schot op de musketiers, die op dit oogenblik door hen, welke storm geloopen hadden, vervangen werden.

Een oogenblik daarna sprak de Boodschapper zacht met Uilenburg, waarna deze zijn musket tegen den muur zette en zich verwijderde. „Zwijg hond!” hoorde men hem schreeuwen; „een braaf krijgsman kermt nooit, als hij een vijand ziet.” Waarschijnlijk zeide hij dit, toen hij een deur van het vertrek, waar het gevecht had plaats gehad, met een harden slag dicht wierp, tegen een der Spanjaarden, die gekwetst vr de bres op den grond lag, en de kanonskogels over zijn hoofd vliegen.

Weinig tijds nadat men op de binnenplaats den ruitermarsch had hooren blazen, kwm Uilenburg terug, en zich naast den Boodschapper plaatsende, begon hij mede te vuren, terwijl hij zeide: „Ik heb gedaan, zooals gij mij belast hebt: de oude heks heb ik ontbonden; maar terwijl zij zich kruiste en zegende, heb ik haar met den dood gedreigd, indien zij zich aan het een of ander venster vertoonde. Wat duivel! wat laat gij u toch aan haar gelegen zijn? zij is zoo leelijk, dat de gemeeste ruiter, als ware hij ook nog zoo dronken, zich schamen zou om met haar een voet op straat te zetten.”

„Het is geen tijd meer om te schertsen, vriend!” zeide de Boodschapper met waardigheid: „het is een vrouw, en dat is genoeg; maar hebt gij het overige in orde gebracht, zooals ik u verzocht heb?”

„Ja, Herman!” hernam Uilenburg, „maar,. omdat ik toch onzen makker niet vergeten; want de Uil kent zijn plicht; ofschoon  hij nog leeft, zoo ligt hij nog even stil als dezen morgen; zelfs de wijn schijnt hem zoo goed niet meer te smaken. Voor alle gevaar heb ik de deur opengelaten.”

„Daaraan hebt gij wel gedaan,” zeide de Boodschapper, zijn musket naar binnen halende. „De Smid heeft mij gezegd, dat hij niets bijzonders ontdekt heeft, en dat zich noch op de rivier, noch in de vlakte eenig volk vertoonde; ofschoon de heldere lucht maakte, dat hij zeer ver kon zien. Zij zullen dus dezen dag niet komen, mogelijk nooit; en de ons toegenegen burgers in de beide steden zullen zich niet durven bewegen en ons niet toevallen. Wat over ons beschoren is, weet ik niet; doch het is God bekend; in allen gevalle, als wij den avond kunnen halen, is het veel gewonnen; want in de duisternis zullen zij den storm niet wagen, en zal dan mogelijk niet moeilijk zijn den rijsdam in brand te steken. Maar hebt gij ook rondgezien, zooals ik u gezegd had, of er aan de andere zijde van het slot ook Spanjaarden zijn.”

„Ja,” antwoordde Uilenburg; „doch er is geen menschelijke ziel te bekennen; alles is naar deze zijde heengetrokken; alleen op het voorhof heb ik een ruiter zien heen en weder slenteren; indien ik mijn musket gehad had, zou ik hem mogelijk hebben kunnen raken;en ik heb den Snijder, die toch den kelder niet bevlammen zal, gelast om op die knapen een wakend oog te houden.” Dit zeggende, nam hij een groote teug wijns uit een kan, die naast hem stond, en na eenige tonen van den Geuzenmarsch geblazen te hebben om de Spanjaarden te plagen, veegde hij zijne gebaarde lippen met zijne hand af, en hield zich nu alleen met zijn musket bezig.

De Boodschapper gevoelde ook niet veel lust om het gesprek voort te zetten; maar al te goed besefte hij het gevaar, waarin zij verkeerden:niemand toch, als hij die van zulk een stellig voornemen om zich niet over te geven zwanger gaat, kan nalaten, in zijne laatste oogenblikken eens op zijn vorig leven terug te zien. Helaas! het lot van zijne vrouw en zijn zoon perste hem een stillen traan af, die op de geopende pan van zijn musket viel en het kruit bevochtigde, zoodat het schot niet afging, en daardoor mogelijk het leven van een dergenen gered werd, wier meester hem zijn kind ontnomen had. Wat zijne vijanden aanging, die hij tot einige verdediging had doen omkomen, hieraan dacht hij niet, en zoo als eens het stervende gelaat van den slotvoogd zich voor hem vertoonde, zoo zeide hij zacht: „Als God, die de rechtvaardigheid bemint, goedkeurt, dat een vorst of rechter een misdadiger straft, zoo zal Hij mij Zijne genade niet ontrekken, omdat ik, zonder vorst of rechter te zijn, een rechtvaardig vonnis heb geslagen en uitgevoerd.”

Het herdenken aan de weinige oogenblikken van vriendschap, die hij met Van doorn had doorgebracht, deed hem het leven van een vroolijker zijde beschouwen. Hoeveel genoegen deed het hem nu, aan Anna belast te hebben hem bij zich te houden, en hij beschuldigde zich zelven van eigenbelang, omdat hij een onaangename terleurstelling had gevoeld, toen hij Velasquez in plaats van den jonker in de bres had zien springen. Maar was het niet te vergeven, dat hij, die niets anders dan den dood voor oogen zag, wenschte voor een oogenblik den jongeling nog eens te zien, voor wien hij een vaderlijke genegenheid had opgevat? Ja, steeds bleef hij de komst van zijn jongen vriend verwachten, en als er eens een buitengewone beweging bij de Spanjaarden ontstond, of als hij Perea’s stem hoorde, meende hij, dat het Van Doorn was, die, aan land getreden, dezen ten strijd daagde.

Helaas, Van Doorn! indien gij uw vriend zien wilt, die zoozeer naar u verlangt, zoo  ruk u uit de armen van haar, die u zoo teeder bemint; geef geen gehoor aan haar smeeken en hare tranen; vliegt, haast u, spaar paard noch spoor; want weldra zal Perea zijne bloedgierige benden weder slotwaarts zenden, en, ofschoon nog de vaan der vrijheid op het dak wappert, wie zegt u, dat zij nog niet vr den nacht door de hand van den Kastiliaan zal worden nedergerukt?

„Uilenburg! roep ons volk bijeen,” zeide de Boodschapper na verloop van een geruimen tijd, en na zich een oogenblik bedacht te hebben.

„Hoe dat?” vroeg deze, verwonderd naar buiten ziende. „Geen mensch is nog buiten gereed en de soldaten, achter de batrerij verscholen, zulle nog zoo spoedig den storm niet hervatten.”

„Ik weet het, vriend!” hernam de andere, „doe zooals ik u zeg; ik wil me hen beraadslagen.” Hierop zette Uilenburg, zonder verder iets te zeggen, de trompet aan zijn mond en gaf aan zijne makkers het teeken om zich rond hun hoofdman te verzamelen.

„Wat is er?” vroegen eenigen verbaasd, terwijl zij haastig in het vertrek drongen.

„Niet bijzonders,” antwoordde de Booschapper; „laat eerst deze kan onder ons rondgaan, en daarna zal ik u iets voorstellen.” Dit zeggende, nam hij een kruik met wijn, en gedronken hebbende, gaf hij haar over: de kruik gin van hand tot hand, totdat de laatste haar weer nederzette. Terwijl nu het vuur der kanonnen van buiten een vreeselijk geraas maakte, sloten de geuzen een halven kring om de Boodschapper, en luisterden aandachtig toe naar hetgeen hij hun zou voorhouden. Allen, zelf de jongste, stonden bedaard: een manhaftige en ernstige trek, die zich op hun bleek gelaat vertoonde, gaf te kennen, dat zij het gewicht van dit oogenblik gevoelden; ook het bloed waarmede velen bedekt waren, en de linnen banden, die sommigen om hunne armen of lendenen droegen, en die insgelijks met bloed doortrokken waren verrieden dat zij als dapperen in de bres gestaan hadden.

„Vrienden!” dus begon de Boodschapper met een sterke stem, om zich in weerwil van het gedonder der serpentijnen te doen verstaan: „het oogenblik is nu daar, dat ons aller leven van den uitslag eens enkelen storms afhangt; de avond zal weldra beginnen te vallen; spoedig zullen de soldaten den storm weder beproeven. en zoo de vorige wonderbaarlijk en door de hulp van den Wapensmid is afgeslagen, ben ik echter van gevoelen den derden storm niet af te wachten.”

„Ik heb gezworen den eersten te zullen nederleggen, die van overgaaf zal spreken,” zeide de Snijder, die somber, onder den vooruitstekenden radn zijns stormhoeds uit, welke door een ontvangen houw naar beneden, naar den Boodschapper zag.

„Ook was het dit niet, dat ik in omvraag wilde brengen,” antwoordde deze bedaard. „En ofschoon ik mij voor het overige aan het gezegde of de bedreigingen van een enkel man niet zou storen, zoo zeg ik, dat ik de laatste zou zijn om aan deze dapperen zulk een vernederend voorstel te doen; het zou een slechte belooning voor hunne dapperheid zijn. Ik vraag: of wij den storm zullen afwachten in de bres, of dat wij de kamer aan hen zullen overlaten en ons bij de verdediging van deze zullen bepalen?”

„De bres aan hen over te laten, zou dwaasheid zijn,” riep de Snijder. „Wanneer zij nmaal voet in het slot gezet hebben, zijn wij verloren.”

„Gelooft dat niet, mannen!” antwoordde de Boodschapper; „reeds zijn wij op het punt geweest om uiteengejaagd te worden, en wanneer de Spanjaarden ons met het zwaard in den rug vervolgen, zal het ons niet mogelijk zijn de deur zoo spoedig mogelijk te bevestigen; bedenk dit wel! en als ieder naar een goed heenkomen  zoekt, zullen wij van elkander verwijderd, de een hier, de ander daar vermoord worden.”

„Met de Spanjaarden lijf aan lijf te vechten, is mijn leven,” zeide de Snijder somber, „Ik ken geen grooter genoegen, dan dat ik mijn degen in hunne lichamen voel dringen; ik wil aan de bres vechten.” Dit zeggende, keek hij met ongeduld naar een der schietgaten, en verlangde, dat de schermutseling weder mocht beginnen.

„Wij storen ons aan uw verlangen niet,” riep Uilenburg. „Indien gij zoo heet op Spaansch bloed zijt, blijf dan aan de bres; wij zullen de deur achter u versperren; elk heeft zijne vrije stem; – ik houd het voor raadzaam den storm niet af te wachten.”

„Uilenburg heeft gelijk,” riep de Wapensmid. – „Maakt de deur dicht; den storm niet afwachten!” riepen de overigen als uit n mond, met de kolven hunner musketten op den grond stampende.

„Zoo zal het geschieden,” zeide de Boodschapper; „en terwijl de Wapensmid de rondte door het slot zal doen, om te zien of alles in orde is, zullen eenigen van u de deur bevestigen, en als ik mij niet bedrieg, geloof ik te kunnen verzekeren, dat de Spanjaarden nog dezen dag niet op Neerlandsch volk zullen zegevieren. Ja, mannen!……”

Toen hij echter wilde vervolgen riep een forsche stem: „Animo! Animo!”

Dadelijk hield de Boodschapper op met spreken; op elks gelaat was verwondering te lezen, en allen sperden hunne ooren open om de laatste tonen op te vangen, die door de gangen van het slot heenklonken, ten einde daaruit op te maken, of de stem van buiten of van binnen uit het gebouw kwam. Met nedergebogen hoofdden luisterden zij aandachtig, tot alles weder stil werd, en toen zeide de Wapensmid zacht: „Het is niets, het is daar buiten geweest.”

„Zwijg!” antwoordde de Boodschapper, zijn vinger aan den mond en daarna aan zijn oor brengende; want het kanon en de musketten maakten buiten een vreeselijk geweld.

„Animo! Lanceros!” riep nu dezelfde stem, die allen twijfel wegnam, en aller hoop in rook deed vergaan.

„Voor den duivel!” riep Uilenburg, „zij zijn het; het is van binnen. – Speerruiters! ik kom.” Hierop ontstak hij de lonten zijner zinkroeren aan zijn musket, waarna hij het wegwierp.

„Leven de geuzen! valt aan!” riepen de anderen, die op het punt waren om de kamer uit te snellen, toen de Boodschapper, die zijne tegenwoordigheid van geest niet verloren had, met een donderende stem riep: „Staat!” waarna hij vervolgde: „Gij blijft allen hier; ik ga met Uilenburg zien, wat er gaande is; indien wij uwe hulp behoeven, zal de trompet u het teeken geven. Gaat haastig de deur versperren, en zoo de Spanjaard opnieuw stormt, zoo ontvangt hem in de kamer met een goed onderhouden kruisvuur.” Dit zeggende, volgde hij Uilenburg, die in de gang op hem wachtte.

In de deur gekomen zijnde, keerde hij zich nog eens om; het kostte hem moeite van hen te scheiden, die gedurende twee dagen aan zijne zijde gestreden hadden; doch weder klonk het „Animo! Lanceros!” door de gewelfde gang, en zijne vrienden met de hand groetende, riep hij: „Vaarwel mannen! tot wederziens.” Hierop snelde hij, gevolgd door Uilenburg, naar het achterste gedeelte van het slot.

„Leve de Boodschapper! goed geluk!” riep zijn volk hem na, en maakte zich gereed zijn bevel na te komen en de deur te versperren.

„Wat gaat gij doen, jongens?” zeide de Snijder, die hen tegenhield. „Waarom zijt gij zoo haastig? of vreest gij, omdat uw aanvoerder niet bij ons is, zooveel zwakker te zijn dan te voren, want voor zijn handlanger is de Wapensmid in de plaats gekomen. Wat mij betreft, ik wil aan de bres vechten; doet wat gij verkiest; verschuilt u achter de muren, en als de Spanjaarden u niet vinden, zullen zij u voor lafaards uitmaken.”

Zoo maakte deze man, die door zijn verlangen, om nog eens met zijne vijanden handgemeen te worden, welsprekend en spraakzaam geworden was, van de afwezigheid des Boodschappers gebruik, om zijne makkers tot ongehoorzaamheid over te halen.

Wel zocht de Wapensmid hun het ontvangen bevel te herinneren; wel dachten nog eenigen, aan de stem der voorzichtigheid gehoor gevende, aan des Boodschappers woorden, doch daar zij op hun moed steunden, leenden zij aan de inblazing des Snijders het oor, en toen Perea het kanon deed zwijgen en de stormmarsch geblazen werd, vlogen zij naar de bres, alles wagende om de eer te hebben zonder hun aanvoerder te zegevieren.

„Dwazen! wat gaat gij beginnen? Waarom volgt gij den Snijder, die den dood reeds lang tevergeefs gezocht heeft en minder ziet naar de overwinning dan wel naar het getal der vijanden, die hij verslagen heeft? Vergeet gij, dat de Boodschapper zich niet meer in uw midden bevindt? Vergeet gij, dat de trompetter van Bredero’s ruiters uw moed niet meer door een vroolijk gezegde of door de fraaie tonen van zijn trompet ondersteunt, en met den geuzenmarsch reeds als vooruit de nederlaag der Spanjaarden verkondigt? Helaas! te laat zult gij gewaar worden, de het breede zwaard en de reusachtige kracht van den Emisario alleen de zege aan de geuzen verzekeren kunnen.”

908SR15.gif (1832 bytes)

10e hoofdstukInhoudopgave Oltmans12e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)