J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL II – HOOFDSTUK 13

Perea op zoek naar de Boodschapper.

T.gif (3300 bytes)oen Perea uit de kamer trad, was hij nog onzeker werwaarts hij zijne schreden richten zou; de trompet verried hem, waar de Boodschapper zich nog verweerde, en hij stond gereed derwaarts te snellen, toen een gevoel, dat nog sterker bij hem was dan de haat en de bloeddorst, de overhand op hem behield: het was de liefde, en links omgaande verwijderde hij zich van het gevecht, en beklom de trap, die naar boven leidde.

Toen riep een krachtige stem, die door het gebouw heenklonk, en waarin hij die van den Emisario meende te herkennen: „Perea, Perea!”

„Ik kom, muiter!” riep hij toornig, „ik kom om uw lijk te vertrappen.” Dit zeggende, keerde hij terug en schraapte met de punt van zijn rapier over de steenen trap, zoodat het vuur er uitsprong. Maar aan de laatste trede gekomen, bleef hij staan, zijne linkerhand verliet de ijzeren leuning niet. Voor het eerst van zijn leven riep men hem tevergeefs ten strijd, den Emisario, de vlag, de wraak alles vergat hij, en snelde weder naar boven.

De hoop om haar te zien, die hem zoo dierbaar was, deed hem alles vergeten; zijne levendige verbeelding stelde hem haar voor, door vrees overwonnen, tegen de toomeloosheid der soldaten bij hem een toevlucht zoekende, of wel, hoe hij haar, door schrik in flauwte gevallen zijnde, in zijne armen zou klemmen. Daar zijne trotscheid en liefde hem beguichelden, hoopte hij nog altijd, dat zij, soms tot zachter gevoel gestemd, hem niet meer van zich zou stooten; ja het „Lorenzo!” te hooren, dat hij zoo gaarne van hare schoone lippen vernomen zou hebben, kwam hem als het grootste geluk voor, dat hem te beurt zou kunnen vallen.

Terwijl dus de een gedachte de andere in zijn hoofd verdrong, kwam hij aan hare kamerdeur; doch vruchteloos trachtte hij die te openen; zij was gesloten. Wel bekroop hem nu de vrees, dat zij niet op Loevestein was; maar waarom zou in dit geval de deur gesloten geweest zijn? Ook was het niet onwaarschijnlijk, dat zij de deur gegrendeld had, toen zij het gevecht hoorde.

Zacht klopte hij met den knop van zijn degen aan de deur en luisterde opmerkzaam; maar niets bewoog zich van binnen. Toen herhaalde hij zijn geklop, en riep: „Doe open, Anna! geliefde Anna! het is Lorenzo.” Doch nog vernam hij niets. „Open de deur, Anna!” riep hij andermaal; „van de soldaten is alles te vreezen; ik kom u redden.” Toen echter alles stil bleef, riep hij zeer luid: „Doe open Señorita! Perea gelast het u.” Zijne wenkbrauwen trokken zich dreigend samen en weinige oogblikken daarna sprong de deur, door twee hevige trappen van zijne laars, uit het slot. Hij trad het vertrek binnen, maar waar hij zijn oog richtte, hij zag haar niet. „Anna! Anna!” riep hij luid, haar in alle hoeken zoekende; maar niemand antwoordde hem; en ofschoon het licht alleen door het bovenste gedeelte der kruisramen in het vertrek kon komen, en de avond reeds begon te vallen, overtuigde hij zich weldra, dat zij er zich niet bevond.

„Vrouw!” schreeuwde hij wild, „vrouw! die mij verachtelijk gemaakt hebt voor mij zelven, vrouw! waar zijt gij? Da slechts een enkele kus van uwe lippen, ja slechts een enkele glimlach mij dit onherstelbaar verlies vergoede, en ik zal tevreden zijn. Ja!” vervolgde hij op het rustbed starende, „dáár hebt gij gerust; het hoofdkussen duidt nog de plaats aan, waar uw schoon hoofd, door uwe blanke armen ondersteund, gelegen heeft. Verdoemd! mogelijk heeft de knaap hier, van liefde dronken, in uwe armen gesluimerd, en ik!…… wat blijft mij over? Niets dan schande en wroeging, anders niets!” zeide hij somber waarna hij op eens met vuur dreigde: „Ja, Perea! nog blijft u iets over, nog blijft u de wraak! en als dit staal Van Doorn’s hart doorboord heeft, als ik met zijn bloed bevlekt vóór haat treed, zal het haar, die mijne hand niet meer waardig is, mogelijk nog meer grieven om de mijne te worden, nadat zij in des geuzen armen gerust heeft.”

Toen viel zijn oog op een handschoen, die met meer andere kleedingstukken op den grond verspreid lag. Dien op te nemen, en het welriekend met goud en zijde doorstikte, fijne leder, dat haar molligen arm bedekt had, aan zijne lippen te drukken en aan zijne borst te verbergen, was het werk van een oogenblik. Nog kon hij niet van de plaats scheiden, waar Anna haar verblijf gehad had, en ofschoon het geroep der soldaten en de geuzenmarsch hem ten strijde riepen, stond hij als betooverd bij de tafel. Een triomfgeschal, dat op de trompet werd geblazen, deed hem weder tot zich zelven komen en onder den uitroep van: „Bij San Jago! wat willen die kerels dan?” stond hij gereed om te gaan, toen zich het gekrijsch van een uil deed hooren, dat hem onwillekeurig deed stilstaan en zijne haren deed te berge rijschen.

„Vervloekt gekrijsch! ik heb u meer gehoord,” riep hij driftig. „Reeds eenmaal hebt gij de lage muiters in het gebouw gered, waar mijne brave ruiters rusten,” voegde hij er somber bij, terwijl hij luisterde of het geschreeuw zich nog eens zou doen hooren. Wie beschrijft echter zijne ontsteltenis, toen een uitbarschting, even als die van een mijn, het oude gebouw deed waggelen. De zolderingen kraakten, de muren scheurden, de deur werd door en onzichtbare hand dicht- en weder opengeworpen, en een geheel glasraam naar binnen geslagen.

Voor het eerst van zijn leven ontviel de degen aan zijne hand, en zich met beide handen aan de zware tafel klemmende, hield hij zich met moeite staande tegen den luchtstroom, die hem dreigde omver te werpen.

„O God, sta mij bij,” riep hij buiten adem, woest in het rond ziende, „wat zal er gebeuren?”

Toen er echter niets volgde dan een verward geschreeuw, raapte hij zijn staal weder op; met de vrees was ook zijn godsdienstig gevoel geweken, en vloekend vloog hij de trap af naar beneden.

908SR15.gif (1832 bytes)

12e hoofdstukInhoudopgave Oltmans14e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)