J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL II – HOOFDSTUK 15

Een grote explosie teistert Loevestein

H.gif (3137 bytes)et geluid van de uitbarsting, de kruitdamp, die het vertrek vervulde, de verplaatsing van lucht, welke eenige musketiers, die bij de deur stonden, ter aarde wierp, deed Velasquez, die zich uit vermoeidheid op den grond had nedergezet, van schrik opspringen, en de Spanjaarden, elkander met verbaasde blikken aanziende, gaven hunne afgrijselijke woede en schrik door een geweldig geschreeuw te kennen. Een honend gelach en de kreet van: „Leve de Boodschapper! leven de geuzen!” beantwoordde hen.

„Waar is Perea?” vroeg Velasquez schielijk.

„Dood! Dood!” schreeuwden de soldaten, die op de weerlooze gevangenen wilden aanvallen. Velasquez, die zijn degen trok, riep: „Terug, ik beveel het u!” doch hij had hen misschien niet kunnen verhinderen om hunne woede te koelen, indien niet Perea, blootshoofds komende aangeloopen, met kracht had uitgeroepen: „Gehoorzaamt! soldaten! en volgt mij, of bij San Jago en den duivel! het zal u berouwen.”

Zijn dreigend, bleek gelaat, zijne fonkelende oogen, en het rapier, dat hij in de vuist hield, gedoogden geen aarzeling; zij volgden hem. Velasquez maakte van deze gelegenheid gebruik, en liet de gevangenen door de arbeiders en busschieters over de gracht naar het voorhof brengen; alleen aan hen kon hij het leven der ongelukkige geuzen toevertrouwen.

Woest stormde Perea naar de plaats, waar voorheen het achtergebouw gestaan had; doch het had veel van zijn luister verloren; een geheel zijmuur was naar buiten in de gracht omgevallen; de balken, nog hier en daar in den binnenmuur vast gebleven, dreigden elk oogenblik neder te storten en hem te verpletteren, die het wagen durfde, om de plaats te betreden, waar de Boodschapper gevallen was. Een geweldige kruitlucht en damp stegen uit uit het puin op, gevallen balken en planken, alles lag ondereen; hier lagen stukken van huisraad of vaatwerk, dr lagen nog warme lichamen van soldaten en ruiters verschroeid; de steenen waren met bloed bevlekt, en de wapenen lagen met geknotte ledematen door elkander verspreid.

Perea alleen waagde het dezen vreeselijken grond te betreden, en huiverend en bevreesd namen de soldaten de wijk. Als half zinneloos zich hij den Boodschapper te ontdekken; geen gevaar of moeite schrikte hem af; met bloed en roet bemorst, doorzocht hij alle plaatsen van den grond. Evenals een roofvogel des nachts over een slagveld, met dooden bezaaid, heenzweeft en eindelijk op zijne prooi nederschiet, evenzoo stond hij stil, als hij een verbrijzeld lichaam vond, en beschouwde het in weerwil van de duisternis met de grootste oplettendheid; doch nergens vond hij den Boodschapper, maar wel; de droevige overblijfsels zijner ruiters of soldaten. Hij spoedde zich dus aan de gracht voort, die gedeeltelijk met steenen gevuld was, en hij zag rond of het ook den Boodschapper kon gelukt zijn te ontsnappen; toen hij echter aan eenige werklieden en een paar soldaten, die aan de overzijde vreesachtig op een afstand stonden, met een donderende stem vroeg: „Hebt gij ook iemand zien ontsnappen? is er ook iemand over het ijs gegaan?” werd hij weder gerust gesteld door het antwoord: „Niemand heeft aan deze zijde het slot verlaten.” Hij wist, dat er aan het gebouwe geene onderaardsche of geheime uitgangen waren; de weekheid van den bodem, waarop het stond, maakte dit onmogelijk, en zijn degen opstekende, riep hij met vreugde uit: „Dan zijt gij gevallen, Emisario! – gevallen! en Perea overleeft uw dood.”

Teon zag hij naar boven; op ne plaats was de zoldering ingestort, zoodat men de wolken zien kon; de geuzenvlag woei nog steeds tusschen twee steenen vastgeklemd, boven zijn hoofd. Hij wilde beproeven of last geven haar neder te halen; maar zijne soldaten, die uit angst voor het buskruit het slot verlaten hadden, zag hij niet. Zij geloofden nog niet, dat de Boodschapper werkelijk dood was, en het gerucht had zich onder hen verspreid, dat hij, in de gewelven van het slot verborgen, in den nacht zijn overblijvende vijanden zou vernielen. Daar Perea zag, dat de vlag boven op een rechtopstaand stuk muur stond, dat, van de andere afgescheiden, bij toeval was blijven staan, begreep hij, dat het ondoenlijk zou zijn haar te bereiken, vooral daar de avond reeds begon te vallen.

Zoo werd dan Loevestein door de Spanjaarden bemachtigd; zoo was dan de hoop der belegerden op ontzet niet vervuld, en, niettegenstaande dat alles, wapperde de geuzenvlag nog van het slot, waarin een klein getal Spanjaarden zonder hunne banier zouden vernachten.

Op alles bedacht, en zich alleen ziende, daalde Perea weldra, nadat hij een lantaren in de keuken ontstoken had, langs een enge trap af, om D’Avilar te gaan verlossen, aan wiens bevrijding en verdwijning hem veel gelegen was. Aan de kerkerdeur gekomen, schoof hij de zware ijzeren grendels weg, die haar bevestigden; de sleutel stak in het slot, waarschijlijk omdat de geuzen niet bevreesd geweest waren, dat hij ontsnappen of een hunner hem verlossen zou.

„Sta op, Antonio! gij zijt vrij,” riep Perea, terwijl hij het licht van de lantaren in den kerker liet vallen. Doch alleen het geluid van den wind, die door het luchtgat kwam, en hem een onaangenamen reuk in het aangezicht joeg, antwoordde hem. Hij trad evenwel binne, en ging naar den slotvoogd toe, dien hij meende in een mantel gewikkeld slapende te vinden op het stroo, dat in een hoek van het vertrek geworpen was; hj stiet hem met den voet aan, en riep: „Sta op, D’Avilar! ik ben Perea; het slot is mij. Vlucht! de Hertog eischt uw hoofd.”

Een doodsche stilte volgde, en het lichaam, dat hij met den voet had aangeraakt, rolde om en kwam uit den mantel te voorschijn. Akelig staarde de slotvoogd hem met strakke oogen aan: zijn wambuis en zijne overige kleederen waren geheel met gestold bloed overdekt.

„Dus dood!” zeide Perea somber, terwijl hij de lantaren nederzette, en met opmerkzaamheid het lijkkleurig gelaat de vermoorden en diens rechterhand bezag. „Dus zonder wederstand gevallen, gelijk een laffe Italiaan; geen dolk of rapier zit in uwe verstijfde vuist geklemd. Toen gij het misdadige plan beraamd hadt, ontbrak u eerst den moed om het uit te voeren, en nu om uw leven te verdedigen.” Hierna vervolgde hij met vuur: „Neen, Antonio! wanneer de tijd dr zal zijn, dat men Lorenzo Perea verslagen vindt, zal ten minste zijn gewapende arm zijn wederstand verraden.”

„Dus heeft de Emisario reeds aan n van ons zijn vonnis ten uitvoer gebracht, en nu zou het mijne beurt zijn, indien hij niet gevallen was,” zeide hij zacht, zich nederzettende op een steen, die tot zitplaats diende. Eenige oogenblikken zat hij stil, en rustte met zijn hoofd op zijne beide handen; het bebloede lijk van zijn medeplichtige bracht hem tot nadenken over hetgeen hij gedaan had; voor het eerst knaagde hem zijn geweten.

„Verloekt zij het oogenblik,” zeide hij somber, „waarin ik haar zag, die mij tot schelm gemaakt heeft; door haar ben ik den naam van edelman onwaardig geworden; een lage De Vargas, die ik voorheen met mijne voeten zou vertreden hebben, zoekt mij onder zijn wil tr krommen. Maar,” vervolgde hij met vuur „nog ben ik Perea! dat hij beve! Indien deze hand de kracht gehad heeft om de braven De Manilla te vellen, zoo zal zij den dolk boven hem durven zwaaien, die nimmer een degen gevoerd heeft en Perea beheerschen wil; het zal een tweede moord zijn, maar aan wien? Neen! het zal een weldaad zijn; want door het monster te vellen, red ik duizenden het leven en hunne bezittingen.”

„Anna! Anna!” riep hij hevig, „waarom ziet gij mij niet hier in dit oogenblik? Anna! waarom kunt gij in dit hart niet lezen, dat alleen u voor u slaat, alleen voor u zonder vrucht misdadig werd? Ja!” vervolgde hij bijna zinneloos, „indien gij mij dan niet bemindet of beklaagdet, zoudt gij geen vrouw, neen!” riep hij opstaande, „gij zoudt eene duivelin zijn……” Dit zeggende, rukte hij den handschoen te voorschijn, die onder zijn wambuis verborgen was, bezag hem met glinsterende oogen, en zeide zacht: „Gij hebt dit hart in eene hel herschapen Anna! en toch kan ik u niet haten; nog hoop ik van u mij geluk. Waarom mij tergende, een knaap voorgetrokken? Waarom niet dit hart aangenomen, dat gij voor de deugd had kunnen vormen? maar gij kendet de hevigheid van mijne driften niet; ja……”

Toen riep een sterke stem in de verte: „Perea, Signor Perea! waar zijt gij?”

„Hier,” antwoordde deze, zijne overdenkingen stakende, en den handschoen verbergende, „hier ben ik.” Hij nam nu de lanteren op, verliet snel het hol, waar de verachtelijke D’Avilar was nedergeworpen, en smeet de deur achter zich dicht.

„Ik was over uw lang vertoeven ongerust, Signor!” zeide Velasquez naar hem toetredende. „God dank! dat gij leeft; maar hebt gij reeds een middel gevonden om den slotvoogd te redden?”

„Dat is niet meer noodig, Signor!” hernam Perea somber, en zette de lantaren in de gang neder. „De geuzen hebben hem vermoord.”

„Vermoord!” riep Velasquez verwonderd. „Waartoe deze noodelooze wreedheid? ik had dat van den Emisario niet verwacht.”

„En wie zegt u, dat hij het niet verdiend had, Signor?” hernam Perea zacht, waarna hij zich bezon en snel vervolgde: „Men heeft hem de schande van een vonnis bespaard; hij, die zijn plicht verzuimt, verdient des Konings ongenade.”

„Het verwondert mij u dus te hooren spreken, Signor!” zeide Velasquez; „eenige uren geleden kwam u zijn gedrag zeer vergeeflijk voor.”

„Ook weet ik niet meer, wat ik zeg,” zeide Perea haastig. „De dood van den slotvoogd heeft mij zeer getroffen; juist toen ik kwam om hem te redden, vond ik hem niet meer in leven. Maar waar zijn de soldaten? waar zijn de gevangenen?”

„Zij zijn allen bij het voorhof verzameld, Signor!” – antwoordde de andere. „Ja, ik kan mij uwe ontsteltenis zeer goed begrijpen; maar God zal hem genadig zijn.”

„Laten wij gaan!” zeide Perea, en hun weg door de bres nemende, verlieten zij het slot.

908SR15.gif (1832 bytes)

14e hoofdstukInhoudopgave Oltmans16e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)