J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL II – HOOFDSTUK 16

Perea en Velasquez samen met de gevangen geuzen.

O.gif (3650 bytes)p het voorhof gekomen, waarbinnen een groot jachtvuur brandde, trad Perea naar de soldaten, en zag in het rond, als scheen hij  iemand te zoeken.

„Waar is Pedrillo? waar zijn de overgebleven ruiters?” vroeg hij; en toen de soldaten het stilzwijgen bewaarden, vatte Velasquez het woord op en antwoordde: „Helaas, Signor den getrouwe trompetter noch uwe ruiters zult gij meer zien – zij zijn allen gebleven.”

„Allen gebleven – allen?” zeide Perea somber, Velasquez’ woorden herhalende. „Zij, die allen nog van mijn standaard overig waren, zijn nu vereenigd met hunne makkers van het klooster en het moeras. Verdoemd! moest die Emisario dan al mijne makkers vernielen? bij San Jago! dat is te veel.” Waarna hij driftig vervolgde, nadat hij eenigen tijd, in gedachten verzonken, heen en weder had gestapt: „Roer de trom, opdat de soldaten zich hier verzamelen.”

„Dat is onnoodig, Signor!” zeide Velasquez aangedaan: „gij ziet hier mijn geheel vendel bijeen. De Emisario heeft mij ten minste nog eenige manschappen laten behouden, nadat hij mijne vlag en mijne musketiers in zijn val medegesleept heeft. Helaas! waarom moest ik gedoemd zijn te blijven staan, en het verlies van zooveel brave krijgslieden en van mijne banier te overleven!”

„Het is geen tijd om te zuchten, Signor!” hernam Perea kortaf; „en wie zou niet zeggen, dat wij overwonnen waren, bij het zien der lange bleeke gezichten van die soldaten?” Hierop trad hij vr deze en vervolgde: „Musketiers! het slot is ons; ’s Konings krijgsvolk heeft dezen dag op de halsstarrige verstoktheid der rebellen gezegevierd; daarom verwondert het mij, Spanjaarden! zoo weinig belang toont te stellen in het gelukken van deze onderneming en den dood van den beruchten Emisario en zijne aanhangers; dat gij uw aanvoerder niet vr uwe gelederen met een vroolijken zegekreet ontvangen hebt; bij San Jago de Hollanders, die u zien, moeten wel denken, dat gij voor het eerst van uw leven een gevecht hebt bijgewoond, en uw moed en uwe krachten in den strijd verspild hebt, alsof gij uw mond door vrees en uitputting gesnoerd voelt.”

„De vroolijkheid zou ons niet passen, Signor!” antwoordde de Anspessado, die uit het gelid trad. „De overwinning doet ons genoegen;maar ons hart denkt met smart aan onze gevallen kameraden. Gij zelf, Signor! kunt uwe ruiters niet vergeten hebben.”

„Gij oordeelt allen verkeerd,” viel Perea hem in de rede, „op mijn eer! ik ben gewoon na een gevecht de overgeblevenen, maar niet de gesneuvelden te tellen, en dit valt hier niet moeilijk; een soldaat moet vroeg of laat dat lot ondergaan; ik zie dus geen reden om daarover verwonderd te zijn.”

De Anspessado trad in het gelid terug, evenals had hij daar meer hart op te spreken, en gaf, over Perea’s gezegde vertoornd, koel ten antwoord: „Gij moogt zoo oordeelen, Signor! Het verwondert mij echter niet, iemand aldus te hooren spreken, die het leven van een soldaat niet meer telt dan van een hond; en zoo de Hertog u het gezag gegeven heeft om ons in het vuur te brengen, zoo weet ik niet, dat hij ons gelast heeft om op uw bevel te juichen; het zou ook beneden de waardigheid eens krijgsmans zijn.”

„Gij redekavelt van dingen, oude kerel! die gij niet begrijpt,” riep Perea; „en op mijne eer! gij zoudt beter doen te zwijgen dr, waar uw ouderdom u vrijwaart voor bestraffing; maar zoo het waar is, dat ik het leven van een gemeen soldaat niet waardeer, zoo ben ik gewoon mijn eigen leven op geen grooter prijs te stellen, en weet, soldaat! dat, al ware Perea met den Emisario gevallen, de Koning nog reden zou hebben om zich over de overwinning te verheugen.” Dit zeggende, keerde hij hem den rug toe, en stapte naar de gevangenen, die in een hoek van het voorhof, onder een afdak, gebonden op stroo lagen; de koude, hunne wonden en de vermoeidheid deden het er doodsbleek uitzien; echter gaf hun blik te kennen, dat de moed, die hen zoo lang bezield had, nog niet geheel geweken was.

„Er zijn er dus niet meer dan zes overgebleven?” zeide Perea tot Velasquez; „ maar ik geloof, dat men bang geweest is, dat zij op de steenen zouden liggen. Wie heeft hen op dat stroo gelegd?”

„De arbeiders en kanonniers,” antwoordde deze koel; „ ik heb niet noodig geoordeeld hun het genoegen te benemen om aan hunne landslieden eenigen troost te verschaffen; wij zouden het ons tot eene eer rekenen ook zoo te handelen.”

„Zeer zeker!” hernam Perea kortaf; waarna hij zich tot de gevangenen keerde en zeide: „Gij hebt gezien, knapen! dat de Koning en de Hertog niet goedvinden, dat men zonder hunne toestemming in zijne gebouwen huisvest: gij zijt gevangen; de rechter zal weten, wat hij met u te doen heeft; en ofschoon gij van geluk moogt spreken aan den storm ontsnapt te zijn, zoo geloof ik niet, dat gij aan de handen van De Vargas ontkomen zult; doch dit is uwe en zijne zaak; ik wil alleen maar weten, wie de Emisario of Boodschapper was; daarna zal ik naar uwe wonden laten zien. Spreekt! hoe was zijn ware naam? was hij van adel, of behoorde hij tot het gemeen?”

Doch niemand sprak, hetzij zij het niet wisten, of dat zij weigerden te gehoorzamen. „Spreekt rebellen!” riep Perea nu, „of bij San Jago! ik zal u leeren. Hoe was zijn naam? waar was hij vandaan? de Hertog wil het weten.”

De mensch, wanneer hij gekwetst en gewond aan de voeten zijns overwinnaars ligt, heeft zelden die sterkte van geest, die hij zou hebben, indien hij ongbonden en gezond van lijf en leden vr hem verscheen; waarom eenigen, geen reden ziende om iets te verbergen van hetgeen hun bekend was, en hopende uit de koude weggenomen te zullen worden en hunne wonde verbonden te zien, besloten te spreken. zoo is de mensch geneigd om tot het laatste oogenblik toe alles aan te wenden, wat tot het behoud van zijn leven en lichaam noodig is.

„Wij hebben hem dikwerf Herman hooren noemen; meer weet ik niet,” zeide er een. „Hij kwam van den Bosch; daar woonde hij; dit is alles wat ons bekend is,” riepen anderen.

„Uwe stijfhoofdigheid is vergeefsch,” zeide Perea driftig: „ik weet stellig, dat er onder u eenige knapen zijn, die met hem het eerst op het slot gekomen zijn; ik wil hen kennen, wijst hen mij, of vreest voor mijne woede.”

Doch niemand sprak, en Perea maakte zich gereed om een middel uit te denken om hen te doen bekennen, toen de Snijder het hoofd oplichtte en zeide: „Vermoei u niet, bloedhond! ik weet het; ik ben met hem gekomen, en indien n, die hier onder ons is, het durfde doen, zoo zou hij u hetzelfde zeggen.”

„De Snijder heeft gelijk,” riep de Wapensmid; „maar waarom zou ik, die mij nog verdedigde, toen hij reeds gevangen was genomen, vreezen voor de waarheid uit te komen; indien hij al eens voor den Boodschapper een mantel of een kap gemaakt heeft, ik ben het, die zijne wapenen vervaardigde; de Spanjaarden zouden kunnen zeggen of zij deugdzaam waren, en het komt……”

„Wie was hij dan?” vroeg Perea, hem schielijk in de rede vallende, terwijl hij eindelijk het raadselachtige, dat den Emisario omgaf, hoopte opgelost te zien, en den naam van den een of anderen voornamen Nederlander dacht te hooren.

Maar noch de Snijder, noch de Wapensmid, wilden een woord spreken, en, welke beloften en bedreigingen Perea ook aanwendde om hen tot bekentenis over te halen, zij bleven stom als het graf, en een honend gelach, dat de Snijder hooren liet, bevestigde, dat alle verdere pogingen om het geheim te ontdekken, vruchteloos zouden zijn.

„Pakt dezen kerel aan, soldaten!” riep Perea, op den Snijder wijzende, driftig: „Bindt hem op dien steen vast; ik wil den naam van den Emisario weten.”

Vijf musketiers traden vooruit. toen de Snijder hen zag, deed hij een poging om zijne banden te verbreken; maar de inspanning zijner krachten vermocht alleen de riemen te doen rekken, waarmede hij gebonden was. De soldaten grepen hem bij de beenen en sleepten hem, die zich niet te weer kon stellen of eenige beweging maken, van het stroo af en over den grond. zijn hoofd, dat ongedekt was, bekwam menige wonde op de ongelijk liggende steenen, die slechts hier en daar met sneeuw bedekt waren, en toen men hem op den Leeuwensteen met de armen aan den ijzeren ring bond met de koorden, waarmede zijne voeten aaneengebonden waren geweest, zag men het bloed zijne haren bevochtigen, welke reeds eenigzins grijs begonnen te worden. Geen klacht verried zijne smart; hij haalde bedaard zijne voeten onder zijn lijf terug, en zat op den steen, aan de woede zijner vijanden overgelaten, even kalm als hij voorheen in zijn winkerl op de tafel gezeten had.

Velasquez bracht de hand voor zijn gelaat en liet zijn medelijden blijken, hij zeide evenwel niets, maar stapte steeds heen en weder.

„Laadt uwe musketten, soldaten!” gebood Perea aan de soldaten, toen zij den geus gebonden hadden. „Doet twee kogels op den loop; want gisteren en dezen dag ben ik gewaar geworden, dat de hond een dikke huid heeft.”

De musketiers gehoorzaamden zwijgend, en plaatsten zich vlak tegenover den gevangene.

„Gij ziet, kerel! dat ik de middelen heb en durf aanwenden om u de tong los te maken,” zeide Perea. „Spreek en voldoe aan mijn verlangen, of bij San Jago! het zal u berouwen.”

De Snijder antwoordde evenwel niets; hij zag onverschillig vr zich heen, alsof hij de letters trachtte te lezen, die op den steen waren ingehouwen; ja zelfs scheen hij niet eens naar de woorden van zijn vijand te luisteren.

„Spreek hond!” schreeuwde Perea, „spreek, of ik laat u neerschieten.”

Noch vervoerde de Snijder zich niet; noch gaf hij een teeken, dat hij wilde gehoorzamen.

„Legt aan, soldaten!” riep Perea met een donderende stem. „Voor de laatste maal, wie was de Emisario, verstokte geus?”

„Geus? – geus!” zeide de Snijder zacht, terwijl hij zijn hoofd ophief, en het spraakvermogen scheen terug bekomen te hebben; door dit woord getroffen, herinnerde hij zich het liedje, waarom men zijn zoon had ter dood gebracht. Evenals een Amerikaansche wilde, die door een vijandige stam gevangen genomen, aan den strafpaal gebonden, door een standvastige bedaardheid, als het doodsuur nadert, de eer van zijn stam zoekt op te houden, en den doodenzang aanheft; evenzoo zat hij op den Leeuwesteen, en begon met een sombere en eentoonige stem te zingen:

„Geus! geus! ja, zoo wil ik heeten.
Geus! op Duc d’Alf fel gebeten.
Een geus! ja, ben ik steeds geweest,
Geus! geus! die den dood niet vreest.”

In woede ontstoken, schreeuwde Perea juist op het oogenblik, dat de Snijder het tweede vers van het geuzenliedje wilde beginnen, met een forschen stem: „Vuur, soldaten! geeft vuur!”

Het woord geus bestierf op de lippen des ongelukkigen vaders, watn de vijf musketten gingen tegelijk af, en hij werd door en door geschoten. Een groote plas bloed bedekte den steen, en vermengde zich met de sneeuw; het verscheurde lichaam zonk ineen: de Snijder was niet meer; de Spanjaarden, op wier bloed hij zoo belust was, dronken in het einde het zijne; hij had den dood gevonden.

Velasquez had op het „vuur!” dat Perea geroepen had, en op de daarop volgende losbarsting de hand van zijne oogen  weggetrokken; in stilte beschouwde hij het onkenbare lijk, en sloeg zwijgend de armen over elkander.

„Neem des muiters rif weg,” gebood Perea, „zijne overblijfsels zullen aan de galg den vogelen des hemels tot spijs verstrekken;” waarna hij voor den Wapensmid trad, die met zijne lotgenooten dit bloedbad met afgrijzen had aangezien. De soldaten sleepten het bebloede lichaam weg, nadat zij het touw behoedzaam losgemaakt hadden.

„Gij ziet, kerel, dat ik  er den gek niet mee steek, ”zeide hij. „De beletseelen verhinderen Perea niet zijn voornemen ten uitvoer te brengen: hetzelfde lot wacht u; spreek! wie was de Emisario?”

„Uw aanhouden is vergeefsch,” zeide de Wapensmid, door den dood van den Snijder eer aangemoedigd dan ternedergeslagen; „ik iwl niets bekennen.”

„Gij zult bij St. Jago! of gij zult sterven,” riep Perea,   waarna hij zich ot de soldaten keerde en zeide: „Sleept hem voort, musketiers! wij zullen zien, of hij even verstokt is als de andere.”

Dezelfde soldaten, die ongehoorzaam geweest waren, toen hij hun beval ten storm te snellen, voldeden nu dadelijk aan zijn bevel; het is ook gemakkelijker een gebonden vijand naar de strafplaats te sleepen, dan hem te gemoet te treden, als hij nog gewapend is.

Daar de Wapensmid bij zijne gevangenneming geen tegenstand had geboden, had men zijne voeten niet gebonden; hij stond dus op, toen de soldaten hen aangrepen. Hunne handen en schoenen werden met bloed bevlekt, toen zij hem aan den ring vastmaakten, hetgeen echter een overtollige moeite was; want daar hij de onmogelijkheid er van bevatte, was hij niet voornemens om te ontsnappen, en bleef stil, me de handen aan het lijf vastgebonden, op den Leeuwensteen staan.

„Neemt uwe musketten op en laadt!” gebood Perea, waarna hij zich tot den Wapensmid wendde en zeide: „Uw laatste uur is daar, rebel! indien gij mij niet gehoorzaamt; een oogenblik nog, en door het ijzer mijner soldaten getroffen, stort gij in het bloed van uw makker ter neder.”

„Het is tevergeefs., Perea!” antwoordde de Wapensmid bedaard, „dat gij mij zoekt te verschrikken; ik, die geheel mijn leven wapenen hebt gemaakt of hersteld, ben er niet bevreesd voor.”

„Legt aan, soldaten!” riep Perea, hem in de rede vallende.

Doch deze, ofschoon geladen hebbende, waren nog niet allen gereed; daar zij hunne musketten den geheelen dag gebruikt hadden, waren de trekkers eenigzins verlamd, hetgeen zij vruchteloos trachtten te herstellen. „Haast u, kerels! de geus heeft reeds te lang geleefd,” grauwde hen Perea toe, met den voet stampende.

„Hoe meer haast, hoe minder spoed,” zeide de Wapensmid bedaard, terwijl hij deze gelegenheid niet kon laten voorbijgaan, om zijne kunde in al wat het werktuigelijke der vuurwapenen aanging, uit te kramen: „Gelooft mij, soldaten! gij trekt te hard aan de trekkers, als gij vuur geeft; dat is verkeerd: en indien mijne handen vrij waren, zou ik u spoedig wijzen, ho gij uwe musketten weder in orde kunt brengen; doet eerst den sleutel vr- en dan achteruit. Zoo is het goped; indien ik slechts een half uur den tijd had, zou ik het u eens voor altijd kunnen……”

„Geen minuut! zwijg kerel!” riep Perea „Legt aan, soldaten!” en daar deze nu gereed waren mikte zij op de borst van den Wapensmid, die hun den laatsten raad gegeven had; de brandende lonten waren gereed om op de geopende pan neder te dalen.

De geus stond bedaard en blikte zijn vijand onversaagd aan; maar toen hij dacht, dat Perea na het roepen van: „Geeft acht, soldaten!” bevel zou geven om te vuren, zeide deze: „Zet af het musket, soldaten! die kerels vreezen den dood niet; wij zullen andere middelene moeten gebruiken. Neemt takkenbossen en rijs, soldaten!” schreeuwde hij, „werpt ze om den muiter heen, en wij zullen zien of hij ook geleerd heeft de vlam te bestrijden.”

De haat, dien de Spanjaarden den geuzen toedroegen, en de dood hunner makkers, waarover zij verwoed waren, deden hen ook spoedig aan dit bevel gehoorzamen; zij waren hun aanvoerder waardig, ofschoon zij mogelijk  op een ander oogenblik en tegen andere vijanden niet zouden gehoorzaamd hebben.

Laat af, soldaten!” riep Velasquez, die zijn stilzwijgen afbrak, en uit de diepe gedachten terugkeerde, waarin hij verzonken was: „Laat af! een braaf krijgsman verricht nooit het werk van den beul en zijn rakkers.”

„Met welk een recht weerspreekt gij deze dag voor de tweede maal mijne bevelen, Capitan?” vroeg Perea, driftig naar hem toetredende.

„Door het recht van eer, Signor!” hernam Vealsquez. „Het zijn mijne soldaten, en zoolang ik hier ben, zullen de Onoverwinnelijken zich niet tot zulk een daad vernederen en ik verbied het hun.”

„Ellendige dwaas!” riep Perea schamper, „gij vergeet tot wien gij spreekt, en dat ik hier bevel voer.”

„Neem dat woord terug!” zeide Velasquez met schijnbare bedaardheid, terwijl hij de hand op het gevest van zijn degen legde, „neem dat woord terug, of bij God! gij zult mij voldoening geven.”

„Het eerste nimmer,” antwoordde Perea driftig; „het laatste hier en overal!” en hij sloeg de hand aan zijn rapier.

Reeds had Velasquez het zwaard getrokken, reeds had Perea het een eindweegs uit de scheede gehaald, en de soldaten, busschieters en gevangenen zagen, zoowel als de Wapensmid, met opmerkzaamheid naar hetgeen er voorviel. Elk hunner stelde een bijzonder belang in den uitslag van het gevecht; en zij wachttten met gespannen verwachting naar het oogenblik, dat de beide Spanjaarden elkander zouden aanvallen, en wellicht door het onzekere licht, dat het wachtvuur verspreidde, in het donker elkander zouden vermoorden.

„Maar ik vergeet,” zeide Perea, terwijl hij plotseling stilstond, en zijn rapier in de scheede liet terugglijden, „dat de strijd niet gelijk zou zijn; gij zijt gekwetst, Signor! en het is op de doodstraf verboden, om tegen zijn bevelhebber het zwaard te trekken. gij hebt gelijk; de soldaten zijn de uwen; maar de Hertog heeft u onder mijn gezag geplaatst. Ik gelast u dus, in naam de Konings, onzen meester, nog dadelijk naar Gorcum te vertrekken, en aan de regeering onze overwinning te boodschappen; en ik beveel u, niet voor morgen, na zonsopgang, het land van Loevestein weder te betreden. Vertrek, Signor! ga, die den plicht van een soldaat kent, zult gehoorzamen; het is mij bekend.” Hierop naderde hij hem en vervolgde: „Zoodra mijn last is afgeloopen, ben ik tot uwen dienst; de eer om met Diego de Velasquez te trekken zou mij zelfs dit oogenblik doen herinneren, indien gij het vergeten  mocht;” waarna hij luid en met waardigheid eindigde, terwijl hij Velasquez met de hand groette: „Tot morgen dan, Signor!”

Een oogenblik stond deze nog in beraad, wat hij doen zou. Ook hij was een Spanjaard, zoodat de wraakzucht aan zijn gemoed niet geheel vreemd kon zijn; maar geheel zijn leven aan de gehoorzaamheid gewoon, stak hij ook nu zijn degen op. Hij gehoorzaamde aan zijn opperhoofd, dat voor ’s Konings landvoogd boven hem gesteld was, maar niet aan Lorenzo Perea, dien hij verachtte, en verliet het voorhof, terwijl hij nog in het heengaan tegen zijne soldaten riep: „Musketiers! mijne kinderen! ik hoop, dat Velasquez zich morgen niet over u zal behoeven te schamen, vaart wel!”

Nadat Velasquez zich verwijderd had, stond Perea in beraad, of hij   niet aan de arbeiders zou gelasten den brandstapel te bouwen; doch daar hij uit hun somber stilzwijgen afleidde, dat zij niet gemakkelijk daartoe zouden te bewegen zijn, riep hij tot de soldaten: „Musketiers! de geuzen hebben geen genade verdiend, en een ketter is den hardsten dood waardig; brengt hier het hout! weldra zullen wij weten, wie de Emisario geweest is.”

Velasquez was niet meer dr om hen tegen te houden; de meesten echter, zijner woorden indachtig, en vol afschuw voor het beulenwerk, bleven staan; doch er waren er, helaas! genoeg, die aan het bevel van den wreedaard gehoorzaamden.

Spoedig werden het hout en de takkenbossen om den Wapensmid heengeworpen; een groote brandstapel bedekte en verborg den Leeuwensteen. Eindelijk stak alleen het hoofd van den ongelukkige er uit; zijn lichaam werd door het hout vastgeklemd, dat hem elke beweging belette; weder bedreigde hem de dood, maar nog vreeselijker dan te voren.

„Waar is het vuur!” rie[ Perea; maar geen der soldaten maakte zich gereed, om de houtmijt aan te steken. „Brengt het vuur, musketiers!” vervolgde hij met een donderende stem, en vier hunner, die hun tegenzin overwonnen, traden naar het wachtvuur, ontstaken de toortsen, en plaatsten zich om den houtstapel.

De duisternis had reeds gedurende eenigen tijd verhinderd het voorhof in zijn geheel te overzien; doch de toortsen verlichtten het nu bijna geheel; met medelijden zagen de gevangenen den Wapensmid aan, en vergaten hun eigen leed en hunne wonden; de busschieters en arbeiders toonden zich onvergenoegd; helaas! waarom waren zij niet gewapend? De musketiers waren beschaamd over hun gedrag en dat hunner makkers; de soldaat is dikwijls wreed; maar altijd houdt hij nog een soort van eergevoel.

„Zult gij nu bekennen?” zeide Perea somber tot den Wapensmid, die, ofschoon bleek van gelaat, echter het stilzwijgen bewaarde.

„Gij wilt dus niet, verdoemde geus! welnu, gij zult de eer genieten het geheim, dat toch wel ontdekt zal worden, in het graf mede te nemen,” schreeuwde Perea. „Soldaten! steekt de houtmijt aan!”

Drie hunner stonden nog onzeker wat te doen; een hunner wierp met afgewend gelaat de toorts op het hout; de wind deed de vla door en over het hout heen spelen; een verstikkend heete damp woei den Wapensmid in het aangezicht.

„Houd op,” riep deze, bijna niet kunnende spreken en schier van den rook verstikt, terwijl hij tevergeefs het hout van zich zocht af te dringen.

„Spreek dan, wie was de Emisario?” zeid Perea, de toorts snel opnemende, en wierp met zijne rechterhand het rijs, dat reeds vuur gevat had, terwijl zijn handschoen en de mouw van zijn wambuis door het vuur verzengd werden.

„Indien ik aan uw verlangen voldoe, belooft gij mij dan op uw woord lijfsgenade voor mij en mijne krijgsmakkers?” vroeg de Wapensmid.

Neen!” grauwde hem Perea toe.

„Dan zeg ik het niet, en de Boodschapper moge zelf uit zijn graf komen om het u te zeggen,” hernam de andere.

Zonder een woord te uiten, zwaaide de Spanjaard de brandende toorts. Zich door zijne woede latende vervoeren, was hij op het punt om het beulshandwerk zelf uit te oefenen; doch eer hij haar op de brandstapel kon werpen, schreeuwde de Wapensmid nog eens met een wanhopige stem: „Houd op.”

„Wat nu, kerel!” zeide Perea driftig, „het is voor het laatst, dat ik mij door u laat ophouden; wat wilt gij?”

„Indien ik opgeknoopt word, als ik beken,” zeide de Wapensmid schielijk, „wat helpt het mij dan, of ik den dood hier afkoop? geef mij uw woord van eer, dat gij mij redden zult, dan zal ik gehoorzamen; zoo niet,” vervolgde hij met een forsche stem, „zoo moogt gij vrij de fakkel op mij werpen; wan ik zal niet meer spreken.”

Een oogenblik stond Perea na te denken wat hij doen zou; nieuwsgierig om het geheim opgelost te zien, ten einde den Hertog, bij zijn bericht van de inneming van het slot, tevens te doen weten, wie de Emisario geweest was, en wetende, dat hij de macht had om den geus lijfsgenade te verleenen, zeide hij: „Ik beloof u op mijn woord van eer en bij mijn degen, dat gij niet opgeknoopt zult worden met uwe makkers.”

„Vergun mij, Signor!” hernam de Wapensmid, „dat ik……”

„Ik vergun niets,” schreeuwde Perea; „mijn woord moet u genoeg zijn; wilt gij bekennen?”

„Ja,” riep de Wapensmid, „ik vertrouw op uw woord; neem dit hout weg, ik zal bekennen.”

908SR15.gif (1832 bytes)

15e hoofdstukInhoudopgave Oltmans17e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)