J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL II – HOOFDSTUK 17

Eenige gewapende burgers zitten in de wachtkamer van de Arkelsche poort  te Gorichem.

I.gif (3249 bytes)n den laten avond van den dag, op welken Loevestein was vermeesterd, zaten eenige gewapende burgers in een vertrek van de Arkelsche poort te Gorichem; de wachtkamer, welke muren, door den rook waren zwart geworden, zelfs zoodanig, dat het moeilijk te bepalen was, of er wel ooit kalk toe gebruikt was om ze te witten, boden niets bijzonders aan dan een houten rek, waarin eenige ouderwetsche musketten stonden. Onder een lompe schoorsteen brandde een groot turfvuur, dat het geheel vertrek matig verwarmde; vr den haard stn een ruw bewerkte tafel, aan wederzijde daarvan een houten bank en de mannen, die men aan hunne bijzondere kleeding voor geen soldaten houden kon, zaten ter wederzijde daarvan, nu en dan een woord wisselende en een glas bier drinkende, dat bij het vuur was warm gemaakt. Zij droegen echter mutsen van n fatsoen, en hunne lange stootdegens hingen aan rood en wit gestreepte bandelieren over hunne schouders.

Het oude recht der steden om door hare eigen poorters de muren, poorten en het stadhuis te doen bewaken, was in die dagen nog niet door de vorsten aan zich getrokken; vooral als de bezetting der sterkten, die bij de steden lagen, niet toereikend was om dit te doen, of dat de een of andere reden de getrouwheid der burgers niet deed verdenken, liet men hun deze lastpost gewillig over, welke alleen in eenige groote steden van Vlaanderen gevaarlijk was geworden. Men had hem, toen men hun hunne vrijheid ontnam, er nog de glimp van gelaten, en wilde geen inbreuk maken op de voorrechten, waarop de Hollander zoo ijverzuchtig is.

„De nacht begint te vallen,” zeide een der burgers; „het is koud; gelukkig dat wij tegenwoordig, als wij de wacht hebben, beter van turf voorzien zijn dan in het jaar zes en vijftig”

„Indien gij van turf praat,” antwoordde een ander, dien men aan zijne met meel bestoven kleederen al dadelijk herkennen kon, „ik geloof, dat ik daarover kan spreken; in dat verdoemde jaar was de turf wel eens zoo duur als anders, en toch mocht ons geld den prijs van het brood niet verhoogen.”

„En toch heeft men geene bakkers gezien, die hunne ovens gesloten hebben,” zeide een ander, die een kaal zwart kleed droeg, lachende: „en zoo gij toen niet verloren hebt, dan moet gij nu wel geld als water verdienen.”

„Als ijs wilt gij zeggen,” antwoordde de bakker verstoord; „maar het zou tijd zijn, dat de boeren, die ons een boete opleggen, als het brood te licht is, ook eens bedacht waren om toe te zien, dat der goede burgerij geen vergift in plaats van geneesmiddelen verkocht werd.”

„Gij hebt daarover toch neit geklaagd,” hernam de andere bits, terwijl de overigen hem lachende aanzagen, „toen ik u en uwe vrouw in den verleden winter de beste geneesmiddelen gegeven heb, die ik in mijn winkel had.”

„Dat is, Goddank, waar,” zeide de bakker weder: „maar waarom zou ik u dank weten, dat gij mij niet vergeven hebt? want mijne fraaie Andries guldens, die ik bespaard had, zijn langzamerhand in uw beurs gegleden.”

Daarop volgde een langdurig stilzwijgen, doordien de apotheker het benenden zich achtte te antwoorden. Gedurig zagen zij naar n hunner, die, voorover gebogen aan het einde der tafel bij het vuur zat in met het hoofd op zijne handen rustende, er op lag. Sedert zij de wacht betrokken hadden, had hij geen deel genomen aan het gesprek, dat zij gehouden hadden; een beker stond ingeschonken vr hem, en uit de eereplaats, waarop hij gezeten was, en uit een lange veer, die op zijne muts stak, kon men afleiden, dat hij de burgers aanvoerde.

Eindelijk vatter er een het woord op en zeide: „Zult gij ons geen order geven om de hamei te sluiten? het heeft zoo even op den grooten kerktoren negen uren geslagen; het uur dat er toe staat, is dus reeds lang voorbij, en de waakzaamheid is in de tegenwoordige tijden niet te verachten.”

„Zwijg!” antwoordde de andere driftig met een barsche stem, zijn hoofd oplichtende en zijne bijzondere lange armen en groote handen bij zich latende nederhangen. „Wat gaat het mij aan? laat de hamei open of sluit haar, het is mij om het even; laat geus of Spanjaard de poort binnendringen, het raakt mij niet; en de ongeloovigen konden voor de poort zijn, zonder dat ik er een voet om zou verzetten. Zoo waar als God leeft! hij, die zijn broeder onschuldig aan het galgenhout heeft zien hangen, bemoeit zich met niets dan de wraak,” eindigde hij, onstuimig met zijne vuist op de tafel slaande, alsof hij haar wilde vernielen.

„Indien gij er niet tegen hebt, zullen wij de hamei gaan dichtwerpen,” hernam degene die hem aangesproken had. „Heidaar! wiel zal mij helpen?”

Zonder een woord te antwoorden, hernam de aanvoerde zijn vorige houding, en de overigen verlieten allen het vertrek. Nadat zij de hamei met de ijzeren ketenen bevestigd hadden, traden zij over de houten brug terug, zich haastende aan den guren wind te ontsnappen, terwijl zij in het voorbijgaan naar het ijs in de gracht zagen, dat opengehakt was geworden, De zware poortdeuren maakten een knarsend geluid, toen zij, op hare verroeste scharnieren draaiende, werden dichtgeworpen, en de burgers trokken hierna met al hunne macht aan de kettingen, waaraan zware, gegoten ijzeren blokken hingen, en deden de valbrug langzamerhand omhoog gaan.

„Laten wij dezen nacht zoo voorzichtig zijn, om hem niets in den weg te leggen, mijne meesters!” zeide de apotheker zacht.

„Jan Langarm is niet gemakkelijk als hij begint, en een slager is altijd gevaarlijk,; hij is aan het bloedvergieten gewoon, en bij St. Maarten! ik geloof dat hij met ketterijen besmet is.”

„Geloof dat niet; hij is de beste kerel, die er bestaat,” antwoordde een ander; „maar wie zou niet woedend zijn, als men zijn broeder zoo mishandeld had? En niemand heeft nog ooit kunnen zeggen, dat hij misbrukik gemaakt heeft van zijne kracht.”

„Hetgeen niet gebeurd is, kan nog gebeuren, en ik wil een ezel zijn, zoo zijne woorden niet naar het schavot of den mutsaard rieken,” hernam de andere, evenals twijfelde hij aan de woorden van zijn makker.

Hierna traden zij de kamer weder binnen, en hernamen hunne plaatsen, zonder dat hun aanvoerder zich verzette of te kennen gaf, dat hij hunne terugkomst gewaar werd.

„Het zal mij benieuwen,” begon de bakker, „wat men met den Boodschapper doen zal; dat……” Doch hier gaven zijne makkers hem met de hand of met het hoofd een wenk, om over die zaak niet te spreken, hetgeen hij echter niet begreep, maar voortvoer, „dat is te zeggen, als men zijn lijk opgegraven heeft.”

„Wat men doen zal?” riep de hoofdman, zich oprichtende, driftig: „wat men doen zal, mijne meester! men zal hem naar de galg sleepen, evenals men mijn broeder gedaan heeft; en toch heeft dezen den Koning trouw gediend! Ja men heeft hem getrapt, getrapt met den voet, alsof het een ongeloovige hond op de galeien geweest ware. Is het daarom, dat wij onzen Graaf dienen? Is het daarvoor, dat wij op alle levensmiddelen een zware verhooging betalen, door drukkende beden bezwaard worden? Maar,” vervolgde hij nog heviger dan te voren: „mijn broeder zal niet tevergeefs mij zijne wraak hebben overgelaten; morgen zult gij vernemen, dat de overwinnaar van Loevestein is gevallen, of gij zult mij naast mijn broeder zien hangen; ik zweer het bij al wat heilig is, en ik mag verdoemd zijn in alle eeuwigheid, als ik mijn eed niet houd!”

Met verbazing hoorden zijne medeburgers hem aan, en de vrees kenteekende zich op hun gelaat; met angst zagen zij naar de deur, ofschoon zij wisten, dat niemand vreemds hen onverhoeds naderen kon; maar het was hun bekend, dat een enkel woord van hetgeen hij gezegd had, genoeg was om hem te doen veroordeelen, en om hen, die het aangehoord hadden te doen gevangen zetten.

„Wees in Gods naam bedaard, meester!” zeide de apotheker, en hij gaf hem een wenk om te zwijgen; „het is tegenwoordig niet goed te zeggen wat men denkt, en meinigeen heeft des avonds aan het hout gewaaid, of is zonder hoofd te huis gebracht, omdat hj des morgens zijn tong te veel geroerd had.”

„En wie zou durven aanbrengen, wat ik gezegd heb?” riep de andere, die schielijk opsprong en zijn breed geschouderd lichaam vertoonde, evenals wilde hij meer klem aan zijne woorden geven. „Neen, neen, burgers! gij kent Jan Langarm al te goed,” vervolgde hij, en liet zijn vurig oog over hen gaan; „gij kent hem: wee dengene, die hem zou beschuldigen.”

„Niemand onzer denkt daaraan, vriend!” antwoordde de bakker; „maar de Hertog heeft ook lange armen, en hij heeft zelfs grooter heeren, dan gij zijt, naar de gerechtsplaats doen sleepen.”

„Ik ben geen heer,” riep de andere driftig, „maar een stil burger; doch Alva zou mij niet verhinderen u allen den hals om te draaien vr mijn dood. Ik bemoei mij niet met uwe denkwijze; maar God behoede u er voor, dat gij ooit met mijne zaken zoudt bemoeien: uw oven zou zou klein niet kunnen zijn, of ik zou middel vinden om er u in te wringen.”

„Drink eens met ons,” zeide een ander, die hem een glas toereikte; „wij zijn hier allen burgers met elkander, en er is onder ons geen Spanjaard, voor zoover ik weet.”

„Ik drink nooit, als ik iets verrichten moet,” antwoordde de slager en wees het glas terug. „Gelukkig is er onder u geen; want ik zweer, dat de eerste Spanjaard, die mij iets zoekt in den weg te leggen, een kwaad uur zal hebben, of ik zal geen Jan Langarm meer heeten.”

Een oogenblik heerschte er een diepe stilte, doch op eens sprongen zij allen op, en schenen te luisteren.

„Ik hoor iets,” zeide de bakker, „ik geloof waarachtig, dat er buiten een ruiter aankomt ik hoor de hoeven van het paard op den puinweg.”

„Zwijg,” zeide Jan Langarm, „waartoe dient dat gesnap?” Men hoorde nu duidelijk aan de hamei kloppen, en iemand riep met een luide stem: „Abra la puerta!”

„Een Spanjaard,” riep de slager schielijk, terwijl hij met zijne rechterhand het hecht van een groot mes streelde, dat in een zwarte scheede aan zijn rechterzijde hing.

„Als men van den duivel spreekt, ziet men zijn staart; ik bid u, wees voorzichtig.” zei de apotheker, zich kruisende.

Zonder een woord te antwoorden, wierp de andere een venster open, dat op de gracht uitzag, en vroeg met een barsche stem: „Wie daar?” Hij kreeg geen antwoord; maar men riep nogmaals:

Abra la puerta!

„Wat ziet gij?” vroeg de bakker, die tevergeefs trachtte over zijne schouders heen te zien, doordien de slager met zijn breed lichaam het kleine raam geheel bedekte.

„Ik zie, als ik wel heb, een kerel te paard buiten de hamei,” antwoordde deze. „Hij kent geen Hollandsch; ik zal dus genoodzaakt zijn den verdoemden hond in zijnen taal aan te spreken.”

„Men maakt de poort zoo laat niet open, Signor!” riep hij in gebrekkig Spaansch; „gij zult genoodzaakt zijn naar de voorstad terug te keeren, of onder den blooten hemel te slapen.”

„Ik moet noodzakelijk in de stad zijn,” antwoordde de andere van buiten. „Ik kom van Utrecht, van den slotvoogd, en ben met brieven voor den Hertog belast: open zonder verzuim, of gij zult verantwoordelijk zijn voor het tijdverlies.”

„Al waart gij de Hertog zelf, zoo zou ik u de poort niet durven inlaten zonder toestemming van de overheid,” hernam de slager.

„Een Spanjaard heeft met uwe overheid niets te maken; soldaat of burger, wat gij ook zijn moogt! laat die heeren maar rusten, en laat mij terstond naar binnen, of Nombre de Dios! ik zal de hamei ternederwerpen,” schreeuwd de ruiter.

„Dat staat u vrij, Signor Caballero!” hernam de slager spotachtig lachend: „zoo gij sinjeur de duivel zelf niet zijt, zoo zullen uwe popgingen vergeefsch zijn, Goedennacht!” Dit zeggende wierp hij het vensterraam weder dicht.

„Gij doet wel van niet meer met hem te spreken,” zeide er een lachende, „laat hem met vrede, hij zal van zelf wel weder heengaan.”

„Wat heeft hij gezegd?” vroeg de bakker.

„Dat gaat u niet aan!” antwoordde de slager schielijk.

„Gij hebt gelijk, meester!” hernam de andere; „maar zeggen en doen zijn twee; want naar hetgeen gij zoo even gezegd hebt, had ik gedacht, dat gij hem geheel anders te woordt zoudt gestaan hebben.”

Juist wilde de slager, die zijn voorhoofd rimpelde, antwoorden; doch een hevig geraas aan de hamei deed hen allen luisteren. Vreeslijk rammelden de ketenen, waarmede deze bevestigd was.

„Die knaap heeft handen als ijzer,” zeide de apotheker zacht. „Indien wij dat geweten hadden, hadden wij den dwarschbalk wel voor den dag mogen halen; ik geloof, dat het de duivel zelf is.”

„Of een Spanjaard, en dat is hetzelfde,” riep hun aanvoerder. „Maar het zou ons niet betamen een vreemdeling toe te staan, des nachts aan onze stadspoorten zulk een satansch geweld te maken. Neemt de sleutels en uwe musketten mede: wij zullen eens zien, of hij niet tot bedaren zal te brengen zijn.” Dit zeggende, nam hij zijn musket, deed versch buskruit op de pan, sloot die weder, en ontstak de lont aan beide zijden, en nadat zijne onderhoorigen dit, ofschoon schoorvoetende, insgelijks gedaan hadden, verlieten zij de kamer.

Nadat de poort geopend was, en de zware valbrug al rammelende was nedergelaten, gelastte hij aan vier hunner, aldaar te blijven, en trad, gevolgd door de overigen, over de brug naar de hamei. Zoodra de Spanjaard hen hoorde aankomen, staakte hij zijne ijdele pogingen, en leunde, misschien door de geweldige inspanning zijner krachten uitgeput, tegen zijn paard.

„Zijt gij razend of dol, Signor!” zeide de slager barsch, „dat gij zulk een schandaal hier in den laten avond aanricht? ik gelast u te vertrekken, of ik zal het u leeren.”

„Gij weet niet wat gij zegt, vriend!” hernam de andere bedaard. „Laat mij binnen! of het zal u berouwen den landgenoot van uw Koning te hebben doen wachten; en daar ik geen lust heb hier dezen nacht te blijven, zoo zal ik mij aan een stuk of drie dubloenen als drinkpenning niet laten kennen.”

„En gij weet niet, tot wien gij spreekt, Spanjaard!” hernam de andere driftig, met zijn musket op de brug stampende; „zijt gij dronken? een Hollander laat zich niet omkoopen.”

„Maak open!” riep de Spanjaard, en schudde met geweld den ketting der hamei heen en weder; „maak open!” waarna hij woedend vervolgde: „Ik wil en ik zal in de stad komen, en morgen zal ik u een dracht slagen laten geven, gemeene hond! om u op een anderen tijd te leeren een Spaansch edelman terstond te gehoorzamen.”

„Dracht slagen?” zeide de Hollander driftig, doch zacht in zijne eigen taal, terwijl hij de pan van zijn musket opende, en op den Spanjaard mikte: „Een dracht slagen? neen, snaak! gij zult den dag van morgen niet zien.”

„Voorzichtig, maak geen geraas, Jan!” zeide de bakker, „in Gods naam, wees toch voorzichtig!”

„Voor de laatste maal, – wilt gij gehoorzamen?” vroeg de Spanjaard bijna onverstaanbaar van woede of ongeduld, terwijl hij zich scheen gereed te maken, de hamei te beklimmen.

„Ja!!” hernam de slager, het musket zacht weder nederzettende. „Maar zie, Signor! het is mij onmogelijk u hier door te laten; want het is verboden; maar indien gij er zoo op gesteld zijt om in de stad te wezen, zoo ga naar de Burgpoort; voor weinig geld kunt gij dr binnenkomen.”

„Ik ken den weg niet,” antwoordde de Spanjaard wantrouwig. „Indien de eene poort gesloten is, zal de andere wel niet open zijn, en zoover ik weet is er geene brug over de rivier.”

„Zeer zeker, Signor!” zeide de slager, „zeer zeker! de Burgpoort blijft steeds twee uren langer open dan de andere, tot gerief van de voermanswagens, die langs de Waal komen, en een matig poortgeld betalen; ik zelf bied mij aan om u den weg te wijzen, en u over de Linge te helpen.”

„Zoo spoed u dan,” hernam de Spanjaard, op zijn paard stijgende: „want ik heb haast!”

„Open de hamei!” beval de aanvoerder aan den bakker, waarna hij zijn musket overgaf en zeide: „Ik kom spoedig terug, als ik hem ter behoorlijke plaats bezorgd heb; en zoo er iemand geslagen wordt, zal het niet op zijn bevel zijn; daarvoor ben ik u borg.”

„Wat wilt gij zeggen?” vroeg de apotheker, het musket aannemende. „Ik hoop niet, dat gij hem vermoorden zult.”

„Wie weet het?” hernam de andere koel; „maar ik ben voornemens om hem met paard en al in de gracht te werpen; men zal, als men hem vindt, op niemand verdenking hebben. Wat u aangaat, ik weet gij zult zwijgen, gij kent Jan Langarm; het water is koud en diep, verstaat gij mij, sinjeur?”

Toen de hamei nu geopend was, trad de slager, met zijne muts op het hoofd gedrukt, naar buiten; hij gelastte die weder te sluiten, en zeide tot den ruiter, terwijl hij zijn rapier uit den draagband nam en aan den bakker gaf: „Wij burgers, zijn niet gewoon om met die bloedvergieters en ander wapentuig te loopen; ik heb niets te vreezen, en gij zijt gewapend; wees dus zoo goed mij te volgen, Signor! ik zal u den weg wijzen.”

„Gij zijt een hupsche vent,,” zeide de Spanjaard, nadat zij een eind weegs waren voortgegaan, „en ik zie wel, dat gij geen soldaat zijt, omdat gij uwe wapenen hebt achtergelaten.”

„Gij wilt zeggen, dat iemand zelden gewoon is om het werktuig waarmede hij den kost ophaalt, achter te laten, Signor!” antwoordde de slager, zijne rechterhand langs het lijf houdende: „en naar de lange ijzeren pijpen te oordeelen, die aan uw zadel hangen, schijnt gij een krijgsman te zijn.”

„Gij hebt gelijk,” antwoordde de andere, die spraakzamer scheen te zijn dan anders zijne landgenooten waren, „en ik hoop mijn kruit en mijn goeden degen niet te sparen, als ik weder een mijner vijanden onder de oogen treed: maar gij hebt mij nog niet gezegd, tot welk gild gij behoort.”

Zijn geleider, die in dit oogenblik een deuntje was begonnen te fluiten, antwoordde hem echter niet, of scheen hem niet verstaan te hebben; hij stapte, als iemand, die zijn weg goed kent, met spoed voorwaarts, waarom de Spanjaar nu zweeg, en recht oom zich heen zag, voor zoover de duisternis hem dit toeliet.

De weg, dien zij volgden, was vrij breed, maar zeer ongelijk; hier en daar stond een geknotte wilg aan den kant van de gracht, die er langs liep, en ofschoon het niet bijzonder donker, en de weg door de vorst hard was, had de ruiter dikwerf moeite om zijn paard, dat bijzonder hard scheen gereden te hebben, op de been te houden. Het paard was zwart, groot en sterk, doch zeer bezweet; des ruiters gelaat was onder een grooten hoed, die met een zwarte veer pronkte, verborgen; een groote mantel, die tot op zijne laarzen hing, bedekte zijne overige kleeding. zoo reed hij een eind voort, terwijl hij steeds zijn geleider langs den stadsmuur volgde, die hier en daar met torens versterkt was.

Ofschoon de Spanjaarden hatende, zou de Hollander gaarne gezien hebben, dat de ruiter op zijne vermaning zich verwijderd had; doch toen deze begon te dreigen, was zijn bloed aan het koken geraakt; en ofschoon anders niet wreedaardig van inborst, had hij besloten zich van den ruiter te ontdoen, en  daardoor de belangrijke tiding aan den Hertog te onthouden. Toen de Spanjaard zich echter aan hem vertrouwde en hem volgde, begon hij weder anders te denken; ja hij had reeds besloten hem aan zijn lot over te laten, en een middel te zoeken om over het ijs te ontsnappen; maar toen deze zijn verlangen had te kennen te gegeven om zijne vijanden te ontmoeten, deed dit hem weder van gevoelen veranderen, en de dood van den Spanjaard werd vast besloten.

„Waarom volgt gij dien weg niet, burger?” zeide de Spanjaard, die bleef stilstaan, toen de slager een weg insloeg, welke, links af, langs een breed water in het veld liep, en hem wenkte om te volgen.

„Omdat de steiger dr zeer oud is en gemaakt moet worden, hetgeen uit hoofde van de vorst niet geschieden kan; daarom liggen de schuiten hooger op,” antwoordde de andere kortaf.

„De naaste weg is mij het liefst,” zeide de ruiter: „wij verwijderen ons nu van de stad.”

„Gelooft gij dan, Signor, dat ik dezen weg zou inslaan, indien ik er geen gegronde reden voor had? Volg mij; het is hier koud, en mijn volk wacht mij.”

Zonder verder tegen te praten, rende de ruiter zijn geleider na, die reeds een eind weegs vooruit was. Hoe verder zij echter kwamen, hoe slechter en nauwer de weg werd; aan de eene zijde was een breede sloot, die geheel dichtgevroren lag, aan de andere zijde was de vaart, die insgelijks bevroren was; doch men zag duidelijk, dat denzelfden middag het een of ander groot vaartuig door het ijs was heengedrongen.

„Ik geloof dat gij verdwaald zijt, burger!” zeide de ruiter eindelijk, die zijn paard deed stilstaan; „de weg is nauwelijks breed genoeg voor een mensch, laat staan voor een paard.”

„Ook zal ik u verzoeken af te stijgen, Signor,” antwoordde de slager barsch, en wierp een somberen blik op het ijs en de doorvaart, die met een dunne ijskorst bedekt was. „Indien gij den weg neemt, dien ik u wijzen zal, zult gij spoedig genoeg ruimte hebben, als gij maar verlangen kunt; want een geheele standaard ruiters zou er gemakkelijk kunnen omkeeren.”

Dit zeggende, vatte hij het paard bij den teugel; toen het moedige ros dit voelde begon het te steigeren en achteruit te slaan; doch spoedig stond het stil en onbeweeglijk: de ijzeren hand, die het vasthield, verhinderde het zich te bewegen.

„Stijg af, Signor!” zeide de slager barsch, „waarnaar wacht gij? of wilt gij dat ik den stijgbeugel houden zal?”

Zoodra de Spanjaard zijn geleider zich van den teugel zag meester maken, rees de argwaan in zijn hart op zijne hand vatte een der zinkroeren; maar daar hij wist, dat de lonten niet ontstoken waren, liet hij het los, en toen de andere zijne uitnoodiging herhaalde, en hij zag, dat deze in zijn rechterhand een lang scherp mes hield, dat hij nu voor het eerst gewaar werd, begreep hij, dat het beter voor hem zou zijn dadelijk af te stijgen dan zijn paard onder zich te laten nederstooten.

Toen hij afgestegen was, stond hij zoo gedrongen tegen zijn paard, dat hij geene gelegenheid had, om zijn rapier te trekken, maar zich vergenoegen moest met zijn dolk uit de scheede te halen.

Zoodra de slager hem van het paard zag, besloot hij hem aan te vatten; hij wist niet, dat de Spanjaard ondanks de duisternis, het mes gezien had, dat hij in de hand hield, noch dat deze zijn dolk getrokken had. Hij dwong dus het paard, om zich in een schuinsche richting te plaatsen en sloot den ruiter den terugtred af: maar op het oogenblik, dat hij zijne gespierde hadn uitstrekte, om hem te vatten, riep deze in zuiver Hollandsch: „Om allerheiligen wil houd op, ik ben geen Spanjaard.”

Verwonderd trok de slager zijn hand terug, stak het mes in de scheede, en zeide spottiend in het Hollandsch: „Het scohijnt mij toe, Caballero! dat de vrees u de taal heeft doen leeren, welke gij aan de poort niet verstondt: gij spreekt het Hollandsch als een boek. Het zal u echter hier niet helpen; ik had het mes, dat u verschrikt heeft, niet tegen u getrokken, maar om uw paard tot rede te bregen, indien het noodig geweest was. Komaan, Signor! maak u gereed; want ik heb besloten, dat men u morgen met uw paard hier in het water zal vinden, en wat Jan Lagnarm gezegd heeft, dat moet geschieden.”

„Zoo waar als er een God is, zoo waar is hetgeen ik u zeg, ik ben een Hollander!” riep de ruiter.

„Welnu, ik wil het gelooven,” antwoordde de slager schielijk, „waarom niet? Indien Judas Gods zoon verraden heeft, zoo zal men ook wel Hollanders vinden om hunne landgenooten te helpen vernielen! Spanjaard of Spaansche bespieder, het is hetzelfde; gij moet sterven.”

Bij deze laatste woorden maakte hij zich gereed den ruiter te vatten.

Deze trad zoo veel mogelijk achteruit, en wierp zijn mantel van den rechterschouder af. Ondanks de duisternis zag de slager, dat hij een rood lakensch wambuis droeg, en dat hij in de gesloten vuist een langen dolk hield.

„Welnu, ik ben gereed!” riep de ruiter met een sterke stem: „Kom hier, sluipmoordenaar! die mij verradelijk herwaarts gelokt hebt, kom hier! nu ik den geheelen dag te paard gezeten heb, ben ik en mijn paard vermoeid, anders zou ik u over het lijf gereden hebben. Denk evenwel niet, dat gij mij gemakkelijk zult ternederleggen; het is mogelijk, dat gij wint, maar de zegen zal u duur te staan komen.” Hierop den dolk zwaaiende, vervolgde hij met een droevige stem: „Mijn God! zal ik dan veroordeeld zijn, om ver van haar en zoo dicht bij mijn vriend, nutteloos het leven te laten.”

„En wie zijt gij dan?” vroeg de slager, die, des ruiters beschuldiging hoorende, zijne hand had laten zakken.

„Ik heb geen tijd tot praten, kerel!” antwoordde deze verwoed; „laat mij gaan, of ik begin het gevecht, ieder oogenblik is voor mij een eeuw; – ik ben een watergeus!”

„Watergeus?” hernam de slager verwonderd. „Ik weet niet sedert wanneer de slotvoogd te Utrecht die knapen als boodschappers gebruikt. Maar hiermede bewijst gij uw zeggen? gij, die u mogelijk wel voor een moor zoudt willen uitgeven, indien gij niet eerst tijd noodig hadt, om uw aangezicht zwart te maken?”

„Ik heb geen bewijs dan mijn woord van eer en dezen penning,” antwoordde de ruiter, een gouden geuzenpenning, die aan een zijden lint om zijn hals hing, opheffende; „maar mijn wederstand zal u bewijzen, dat ik een watergeus ben.”

„Ik geloof u,” zeide de slager, nadat hij het penninkje in zijne hand genomen had en bevoeld had, „Gij zijt een geus; ik dank u broeder! voor het bewijs van vertrouwen, dat gij mij die zoo even uw leven bedreigde, geschonken hebt, door mij u te laten naderen.”

„Gij vergeet, burger! dat mijne hand gewapend was, en dat ik onder wijn wambuis een buigzaam harnas aan heb,” antwoordde de ruiter.

„Welnu, zie mij eens aan, vriend!” hernam de andere lachende, terwijl hij zijn gespierden arm uitstrekte, en met de andere hand het paard bleef vast houden. „Weet dat Jan Langarm – want dit is een bijnaam, dien men mij niet ongepast gegeven heeft – nog nooit iest heeft behoeven los te laten, als hij het eens vast had; de sterkste os kan niet op zijne pooten blijven staan, als ik hem bij de horens heb; ik zou met uwe dagge gelachen hebben, als ik u ij den strot gehad had.”

„Ik zie wel, dat gij een sterke borst zijt, goede vriend!” hernam de ruiter; „maar God helpt dikwijls den zwakke, als hij het recht aan zijne zijde heeft. Maar laten wij gaan ik moet in de stad wezen!”

„Wees zoo goed om terug te gaan,” zeide de slager, „ik zal; uw paard doen keeren.” Dit zeggende, noodzaakte hij het om zijne achterste pooten op het ijs te zetten. Tevergeefs zocht het moedige ros zich te verzetten, maar het hielp niet; spoedig had hij het paard gewend, en zij gingen nu weder terug naar de stad.

„Uwe tegenwoordigheid is den wel in de stad noodig,” zeide de slager, „dat gij u gewaagd hebt, om bij den avond den intocht met geweld te vorderen; of wilt gij misschien naar het slot?”

„Neen,” hernam de andere, „het leven of de dood hangt van mijn bezoek in Gorcum af; ik moet noodzakelijk in de stad wezen.”

Verder gaf hij echter geen reden, wat hij er te doen had. De slager eerbiedigde zijn stilzwijgen, en vroeg hem er ook niet verder naar, en, ofschoon hij op het punt was om de vermeestering van Loevestein, waar de geus misschien belang bij had, aan dezen te berichten, zoo zeide hij echter niets; een kwade tijding komt altijd nog tijdig genoeg dacht hij.

Aan de stadsgracht gekomen, besteeg de ruiter zijn paard weder, terwijl de slager den teugel losliet; maar toen hij naar den steiger wilde rijden, denkende, dat zijn leidsman dr aan het huisje van den schipper zou aankloppen, zeide deze; „Neen, mijnheer! daar kunt gij niet door; de Dalemer- of Burgpoort is gesloten als de andere poorten; hetgeen ik verhaald heb, was niet waar; maar volg mij, ik zal wel een middel vinden om u binnen de stad te brengen.” Hierop vroeg hij: „Is er ook wat nieuws in Utrecht.”

„Dat weet ik niet,” hernam de ruiter, zijn mantel om zich heenslaande, terwijl zijn paard verheugd scheen weder in de macht van zijn meester te zijn; „ik kom daar niet vandaan.”

„Dan moet gij van Vianen gekomen en door Arkel gereden zijn,” zeide Jan Langarm. „Maar zeg mij eens, hoe kwam het u in het hoofd om u voor een Spanjaard uit te geven?”

„Vergeef mij,” antwoordde de geus, „het moet u vreemd voorkomen, dat ik zoo bij u aan de poort gekomen ben; ik kom van Nieuwkoop. In vollen draf den Schelluinerdijk langs rennende, hoopte ik nog vr poortsluiten te Gorcum te komen; maar, helaas! ik kwam te laat; de Kansepoort was gesloten. Tevergeefs trachtte ik de burgers te bewegen mij in te laten; zij weigerden het mij, evenals gij gedaan hebt; noch dreigen, noch smeeken of aanbieding van veel geld kon baten, en ik moest mij verwijderen. Daarna was iok voornemens mijn paard achter te laten, over het ijs te gaan, en hier of daar de stad te beklimmen; toen ik dit echter beproefde, ontdekte ik, dat de grachten wijd open gebijt waren, en het mij dus onmogelijk was. en geen anderen raad wetende, trachtte ik mij den ingang te verschaffen, door mij voor een Spanjaard uit te geven, hetgeen mij bijna het leven zou gekost hebben. Maar zeg mij eens vriend! wat bewoog u toch, mij naar het leven te staan, mij, dien gij nooit gezien hebt?”

„Het genoegen der wraak te smaken,” antwoorde de slager schielijk. „Ja, Mijnheer! het zal u niet bevreemde, als ik u zeg, dat ik dezen dag mijn broeder vr de stad aan de galg heb zien hangen. Geloof mij, anders heeft nog niemand mij van wreedheid kunnen beschuldigen; maar dit heeft mijn haat tegen alles wat Spaansch is, zoodannig aangewakkerd, dat ik onvoorzichtig gezworen had, om de eersten Spanjaard te dooden, die mij tegenkwam.” Hier zweeg hij, en vervolgde weinig tijds daarna: „Wacht mij hier een oogenblik, Mijnheer! ik zal de poort laten openen; indien ik mijne muts afneem, kunt gij gerust naderen; zoo niet, dat is er iets gebeurd, dat mij verhindert u in de stad te laten, en gij zult tot morgen moeten wachten; want ik kan het leven mijner medeburgers niet in de waagschaal stellen voor u.”

Dti zeggende, stapte hij naar de hamei; de ruiter hield zijn paard staande, en rustte met de linkerhand op de greep van zijn rapier.

Met meer opmerkzaamheid dan wel vroeger, zag hij naar de stad.

De omtrek der oudem hooge muren en der zware torens van de poort teekende zich donker tegen de lucht af; hier of daar stak de gevel van het een of andere huis boven den muur uit; de poort zelve had veel van de oude half vervallen bergsloten, die hij in Duitschland gezien had. Slechts een klein venster was verlicht; het was dus, alsof dr de eene of andere goudzoeker of toovernaar nog bezig was, met gift of tooverdranken te bereiden, terwijl de overige bewoners zich ter ruste begeven hadden.

„Heidaar, mijne meesters; maakt open!” riep de slager met zijne gesloten vuist op de hamei slaande.

„Wie is daar?” vroeg een stem door het raampje in de wachtkamer.

„Ik ben het!” antwoordde Jan Langarm, „maak open, het is hier vervloekt koud!”

Weinige oogenblikken daarna ging de poort open. Over de brug traden zes burgers naar hun aanvoerder, en openden de sloten der kettingen, die de hamei bevestigden.

„Is er ook iets nieuws?” vroeg de slager. „Is er ook iemand geweest, terwijl ik weg ben geweest?”

„Neen; is het gedaan, Jan! heeft hij geen weerstand geboden?”

„Doe open!” riep deze, zonder hem te antwoorden en de hamei openstootende. „Terug; alles heeft zich gemakkelijk geschikt, de Spanjaard is verdwenen!” Dit zeggende, nam hij de muts af, draaide haar op de hand rond, en zette haar weder op.

„Alle heiligen staat bij!” gilde de Apotheker op eens uit, terwijl de anderen de vlucht over de brug namen, „ziedaar zijn paard, zijn mantel – het is zijn geest, hij is achter u, barmhartige God! ontferm u mijner.”

„Zwijg gek! het is geen geest,” grauwde de slager hem toe, terwijl hij den ruiter, die op het gegeven teeken genaderd was, verzocht voort te rijden, waarna hij de hamei sloot en over de brug naar de poort trad. Onder het gaan bracht hij des apothekers hand aan het paard en zeide: „Voelt gij nu wel, dat het geen spook is, maar wel de ruiter en het paard in eigen persoon? Ik zal u straks alles vertellen.”

„Is hij dan de Spanjaard niet, dien gij gedood hebt?” vroeg de andere, die zijne hand schielijk terughaalde.

„Wel neen, oud wijf!” antwoordde de slager lachende, „hij is een Hollander met vleesch en been, evenals wij; maar wees voorzichtig, sinjeur! gij verbrant met de lont van uw roer uw fraai zwart wambuis, dat gij reeds een halve eeuw gedragen hebt.”

„Vrees niets, oude man!” zeide de ruiter, de poort binnenrijdende, „gij hebt van mij geen kwaad te duchten.”

Half overtuigd, twijfelde de apotheker nog aan de waarheid van de zaak, en was hij op het punt om het teeken des kruises te maken, ten einde te ontdekken, of het waarlijk geen booze geest was; doch bedenkende, dat, indien het er een was, hij verdwijnen zou en de poort vann zou doen springen, besloot hij liever zijne onzekerheid te behouden, dan te wagen om onder het gewelf begraven te worden.

De slager opende nu behoedzaam de poortdeur, die in de stad uitkwam, en nadat hij eerst gezien had, of er ook iemand op straat was, zeide hij: „Alles is stil Mijnheer! gij kunt gaan!” waarna hij een paar treden met den geus buiten de poort deed, om niet door de zijnen verstaan te worden. Met zijne rechterhand tegen het paard rustende, vervolgde hij: „Gij ziet, dat zoo Jan Langarm de Spanjaarden haat, hij steeds genegen is een geus en landgenoot, zelfs met gevaar van zijn leven, te dienen; en zoo gij morgen bij mij wilt komen, zal het mij aangenaam zijn met den beker in de hand nader kennis te maken; ik woon schuins over de Gevangenpoort: vraag maar naar Jan Philips, den slager; hij is door de geheele stad bekend; een kind wijst u mijn huis, indien gij naar Jan Langarm vraagt.”

„Ik dank u, vriend!” antwoordde de geus, hem de hand reikende, „het zou mij leed doen, dat gij of een van de wacht om mijnentwil in gevaar kwaamt.” Hier hield hij op en scheen iets te willen vragen.

„Ik hoop van niet,” zeide de slager; „ik zal aanstonds een paar hartelijk woorden tot mijn volk spreken, en dan geloof ik niet dat zij het wagen zullen den mond te roeren.”

„Vaarwel dan!” riep de ruiter en gaf zijn ros de sporen. Toen echter het paard wilde voortgaan, vatte de slager het bij den teugel. Het steigerde; maar toen het de hand herkende, die het buiten de poort had vastgeboden, stond het stil.

„Ik vergeet nog iets,” zeide hij. „Het zou kunnen gebeuren, dat gij vr het aanbreken van den dag de stad moest verlaten; het wachtwoord is: Overwinning, onthoud dit wel.”

„Ik dank u,” hernam de ruiter, „ik hoop, dat dit woord voor mij een gunstig voorteeken zal zijn.”

„Zoo ga dan met God!” vervolgde de andere, en liet den teugel los. Het paard snelde voorwaarts, alsof het vreesde, dat dezelfde hand nog eens zou verhinderen om mijn meester te gehoorzamen.

In de poort teruggekomen, sloot de slager haar weder behoedzaam toe. De Burgers, van hun schrik bekomen, vielen hem met vragen lastig; doch hij wilde niet antwoorden, voordat het bevestigen van de poort en de brug was afgeloopen; waarna hij zich bij het vuur nederzette op dezelfde plaats, waar hij te voren gezeten had, en hun vertelde hetgeen hem voorkwam, dat zij weten moesten.

„Maar indien het uitkomt, dat wij iemand hebben binnengelaten, wat zal ons dan gebeuren?” vroeg de bakker bevreesd.

„Dan zal u men u naar alle gedachten de keel toebonden, evenals een meelzak,” antwoordde de slager droogjes. „Dit is echter niet zeker; maar zoo waar als wi allen zondige menschen zijn, zoo zeker is het, dat zoo iemand van u het hart heeft iets te zeggen van hetgeen hier heeft plaats gehad gedurende den nacht, hij een dood mensch is; want ik zal hem den hals breken: gij kent Jan Langarm. Belooft gij te zwijgen?”

Allen knikten van ja, waarna de slager lachende vervolgde: „Gij ziet er allen uit, alsof het vonnis reeds was uitgesproken. Komaan! schenk eens in, en laten wij drinken. Indien gij u niet met mijne zaken bemoeit, of bij mijn blok gaat staan, zal ik ook uwe zaken laten rusten. Neem gerust iemand een paar el laken meer af voor een mantel, dan gij noodig hebt; verkoop water en azijn met honing voor een duur geneesmiddel; verberg vrij het lichte brood onder den oven, of stop den menschen oude laarzen voor nieuwe in de handen, het gaat mij niet aan; en zoo er al iemand wat van zegt, Jan Langarm zal het niet wezen.”

908SR15.gif (1832 bytes)

16e hoofdstukInhoudopgave Oltmans18e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)