J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL II – HOOFDSTUK 19

De ruiter zit met de schuit in het drijfijs van de rivier vast.

A.gif (3984 bytes)lsof het paard in het ongeduld van zijn meester deelde, reed het snel langs den dijk. Noch den ongelijkheid er van, noch de bochten die er in waren, verhinderden het met spoed zijn weg te vervolgen; en indien iemand het hier in het duister even snel als de wind had zien voorbijvliegen, zou hij gedacht hebben, dat het zoo even van den stal was gekomen, en niet, dat het reeds zulk een grooten weg had afgelegd. De ruiter scheen in gedachten verzonken, en ofschoon nu en dan de dorre tak van den een of anderen op den dijk geplanten wilg, hem aanraakte, merkte hij het neit eens; hij scheen slechts ééne gedachte, één voornemen te hebben, namelijk het doel van zijn tocht te naderen.

Weldra reed hij voorbij Dalem, en de honden begroetten hem met een ster geblaf; doch toen hij het dorp een eind weegs achter zich had gelaten, hield hij zijn paard staande. De vaart, die het ros had, deed het bijna op de achterbenen nedervallen; doch het herstelde zich spoedig en stond stil, snoof door de wijd geopende neusgaten, en den harden grond met zijne hoeven omkrabbende, vertoonde het zijn moed en tevens zijne gehoorzaamheid.

De ruiter, die tot nog toe voorover gebukt gereden had, richtte zich nu op; zijn oog vestigde zich aan de overzijde der rivier op een gebouw, dat gedeeltelijk zichtbaar was door een groot vuur, dat er voor scheen te branden; de roode steenen schenen nog bloediger door het schijnsel der vlam, die de glasruiten deed glinsteren.

„Loevestein! Loevestein! zie ik u dan nog weer!” riep hij droevig uit. „De vreugdevuren mijner vijanden verlichten het gebouw, waar ik had behooren te sterven. Groote God! waarom hebt gij de vlag van mijn vaderland laten vallen?”

Een wijl nog staarde hij onbeweeglijk naar het slot, waarop al zijn gedachten schenen vereenigd te zijn; vervolgens riep hij wild: „Voort, voort! ik wil hem zien; wee hem, die het mij zal willen beletten.”

Nu gaf hij zijn ros de sporen; diep drong het staal in de zijden van het moedige dier, dat hem nu weder snel als de bliksem langs den weg voortdroeg.

Zoodra hij echter nog langs eenige hooischelven en boerenwoningen gereden was, minderde hij den draf, en steeds het oog naar den dijk gericht houdende, trachtte hij het huis te ontdekken, waarvan de veerman gesproken had. Weldra zag hij een zwart punt tegen de rivier afsteken; het was het schuurtje.

Hij steeg af, wierp den teugel over den kop des paards en bond het aan de zijde van den weg aan een boom. Hij deed zijn mantel af en wierp dien over zijn paard,om het voor de koude te beveiligen, dewijl het zeer bezweet was; een bewijs, dat hij het in waarde hield, ofschoon hij het niet gespaard had. Daarop haalde hij zijne zinkroeren te voorschijn en streelde nog eens het gehoorzame dier, dat hem zou trouw had gediend, over den kop. Dankbaar beantwoordde het deze liefkoozing; toen verwijderde zich de ruiter, maar het kostte hem moeite om te gaan.

Zal hij weder zijn paard bestijgen, of zal door het water of het staal omkomen? wie weet het!

Toen hij van den dijk afgeklommen was, bedacht hij zich een oogenblik, of hij zijne vuurwapenen zou medenemen; hij scheen er echter van af te zien! want hij legde ze op den grond neer, en haalde de lonten een eind weegs uit; de wind waarborgde hem, dat zij zouden aanblijven. Nu opende hij het schuurtje. In den donker rondtastende, vond hij spoedig een paar riemen, en nadat hij de deur weder gesloten had, trad hij naar het schuitje, en wierp er de riemen in.

Met kracht sleepte hij de aak stroomwaarts; tweemaal ws hij genoodzaakt een oogenblik te rusten; doch hij sloeg spoedig de handen weder aan het werk, en gaf den moed niet op. Eindelijk liet hij het te water glijden. Noch de zwakheid van het vaartuig, waarin hij zich ging wagen, noch het geweld, dat de stroom maakte, noch het denken aan eene of andere hem dierbare betrekking, schrikte hem af: zijn besluit was genomen; het was onwrikbaar.

Nadat hij de schuit van den dijk afgestoten had, zette hij zich op de bank neder, rukte de riemen te boord, steeds tegen den stroom inroeiende, en gedachtig aan hetgeen de veerman hem gezegd had, om onder den Waard heen te houden.

Doch hij kende het element niet, waarop hij zich gewaagd had; snel stroomde het water dat groote schollen ijs met zich voerde, en sloeg geweldig tegen het zwakke boord. Nadat hij een eind weegs met inspanning van al zijne krachten gevorderd was, belette hem het ijs zijne riemen verder te gebruiken; het schuimende water stortte het vaartuig binnen, en, tusschen het ijs benepen, kraakte het hout: hij scheen verloren. Moedeloos wierp hij de riemen op den bodem van het vaartuig; zij zwart haar woei door den wind om zijn hoofd; zijne stem, die het geluid van den stroom en van den wind overschreeuwde, deed de verwensching van het ijs en zich zelven hooren. Van woede met den voet stampende, alsof hij de planken, die hem droegen, wilde verbrijzelen, maakte hij zich gereed om zijn degen uit den draagband te nemen en het wapen weg te werpen, dat zijn dood slechts kon verhaasten, zoodra hij zwemmende zou moeten worstelen met het element. Maar hij gevoelde den moed in zich om tot het uiterste te kampen, en zijn leven tot den laatsten snik te verdedigen.

Hij was gereed om, in weerwil van het ijs en zonder vaartuig, zijn weg te vervolgen, en hij besefte de noodzakelijkheid, om zich in doodsgevaar van alles te ontdoen, wat hem kon verhinderen in het vrij en gemakkelijk gebruik zijner ledematen. Doch nu draaide het vaartuig, door een groote ijsschots geprangd; de voorsteven tegen den stroom gekeerd, kliefde de golven, en het ijs gleed langs de zwakke boorden af. Hij vatte weder moed; andermaal greep hij de riemen op, terwijl hij steeds het vaartuig in die richting hield, welke het voor vernieling bewaard had. Zoo kwam hij achter het eilandje waar de stroom minder sterk was; en voer, ofschoon niet zonder gevaar, ook het andere gedeelte der rivier over. Eindelijk trad hij aan land, en nadat hij het vaartuig een eind weegs tegen den dijk, die om het Monnikenland was, opgehaald had, maakte hij het aan den grond vast. Vervolgens veegde hij zijn gelaat af, sloeg zijn oog dankbaar ten hemel, drukte zijn hoed vaster op het hoofd, en snelde voort.

908SR15.gif (1832 bytes)

18e hoofdstukInhoudopgave Oltmans20e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)