J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL II – HOOFDSTUK 20

De ruiter nadert, op de brug naar Loevestein, een slapende schildwacht.

D.gif (3307 bytes)e gracht naderende, welke Loevestein van het Monnikenland scheidt, zag hij om zich heen; hij was bevreesd onvoorziens op de eene of andere Spaansche schildwacht te stooten; want het was hem niet bekend, hoever zich hunne voorposten uitstrekten. Van Perea’s kunde in alles wat den oorlog aanging, moest hij verwachten, dat deze geen voorzorgen verontachtzaamd had, terwijl echter de trotschheid des Spanjaard hem hoop gaf, om ongezien tot aan het slot te kunnen doordringen. Dikwijls verwaarloost de overwinnaar die voorzorgen, welke hij zou genomen hebben, indien hij ware overwonne geworden.

Zoo naderde hij tot aan de lange, smalle, houten brug, die over de gracht lag, en door de Spanjaarden hersteld was. Daar hij geen gerucht vernam, noch de lont van een soldaat gewaar werd, besloot hij hier den overtoch te beproeven, dien hij veilig, eenige voetstappen van dáár, over het ijs had kunnen bewerkstelligen, indien hij eenig gevaar vermoed had. De dunne plank zwiepte, toen hij zich aan de ranke leuning vasthield en daarover trad; doch op eens stond hij stil, en hield zelfs zijne ademhaling in. Een Spaansch soldaat in zijn mantel gewikkeld, zat slapendeop den grond vóór de brug, en leunde met zijn rug tegen den paal waarop de leuning rustte. Zijn rechterhand had reeds den dolk gevat, die den verkleumden en geen onraad vermoedenden soldaat het eeuwig stilzwijgen moest opleggen; maar snel liet hij het gevest weder los. Een slapende te dooden, vermocht de geus niet; zijne driften waren niet zoo hevig, zijn bloed jaagde niet zoo onstuimig door zijne aderen als dat van dan Italiaan of Spanjaard uit zuiderlijker landen geboortig; maar zijn moed was den hunnen gelijk,, terwijl het den Hollander ingeschapen gevoel van goedheid, menschelijkheid en afschuw van bloevergieten hun onbekend was.

In de overtuiging dat de soldaat sliep, stapte hij behoedzaam over hem heen; doch hetzij de scheede van het rapier den slaper raakte, dat deze iets hoorde, of door de fijnheid zijner zintuigen gewaar werd, dat iemand hem naderde, althans hij richtte zich op, en riep snel:

„Wie daar?” tegelijk zijn hand naar zijn musket uitstrekkende, dat aan zijne linkerzijde lag.

„Zwijg!” riep de ruiter zacht in het Spaansch en hem bij de keel vattende, „zwijg! of gij zijt des doods.”

„Staat bij, mannen, verraad!” schreeuwde de Spanjaard bijna onverstaanbaar en de hand zoekend los te scheuren, die hem het spreken onmogelijk maakte. Spoedig ontstond er een hevige worsteling; aan de eene zijde ging kracht gepaard met stoute onversaagdheid, aan de andere zijde moed met jeugdige vlugheid en sterkte, De kamp was evenwel niet gelijk: de Spanjaard, ofschoon op den grond onder zijn vijand liggende, en door diens knie op de borst gedrukt, had beide handen vrij, terwijl de ruiter, om het gerucht en het geschreeuw te voorkomen, steeds zijn linkerhand aan den strot van zijn vijand houden moest.

Nadat de Spanjaard eindelijk had ingezien, dat zijn pogingen om zich van zijn bespringer te bevrijden, vruchteloos waren, staakte hij die, en trok zijn dolk, dien hij nu onder zijn bereik had, waarmede hij met een forsche hand den ruiter een stoot in de zijde toebracht. Het lemmer  verscheurde het laken van het wambuis, doch de stalen ribben van den buigzamen kolder redden hem dezen keer het leven. De Spanjaard, van woede brullende, maakte zich gereed om op een andere plaats zijne stooten te verdubbelen, toen het zijn vijand, die van zijne beweging meer meester was, gelukte om de gewapende hand te grijpen; maar nog hield de soldaat een arm vrij. Den dolk aan de gespierde vuist des krijgsmans te ontwringen, vermocht de ruiter niet; zijne eigen wapenen te trekken, was hem onmogelijk; ieder oogenblik kon de Spanjaard, die zich evenals een slang onder hem bewoog, zich losworstelen, en dan ware het met hem gedaan geweest; van alle kanten zouden de soldaten op de stem huns makkers komen toesnellen. De vlucht zou hem mogelijk nog hebben kunnen redden, maar hij was niet gekomen om te vluchten; voor niets had hij niet den dood te Gorichem en in ’t vaartuig getrotseerd; wie waarborgde hem het leven op de vlucht en op zijne overvaart?

Zijne vingers omklemden vaster dan ooit de keel des Spanjaards, wiens ondergang was besloten. Met geweld sleepte de ruiter, die er tot nog toe alleen op bedacht was geweest, om hem op de grond te houden, hem nu langs de gracht voort.

De voeten van den soldaat hingen op den harden grond; de snelheid, waarmede zijn vijand hem met zich sleurde, verhinderde hem tot staan te komen; het gebrek aan lucht deed hem bijna verstikken, en zijne hand, welke hij langs de zijde zijns bespringers naar diens wapenen gezocht had, zonk machteloos neder.

Aan de Waal gekomen, hield de ruiter stand; het water, dat schuimend tegen den oever aanbruiste, bevochtigde zijne voeten. De Spanjaard scheen nu een weinig te ekomen, hetzij door den kouden wind, die hier woei, of doordat zijne keel minder sterk werd vastgehouden; en daar hij het voornemen zijns vijands giste, trachtte hij zich aan diens wambuis vast te houden. Doch vergeefs; met een hevigen ruk stiet de ruiter hem van zich af, en hij viel ploffend in het water. Toen de hand, die hem bijna verworgd had, zijne keel losliet, kreeg hij weder lucht en hij riep:

„Sta bij, Romero! sta bij!”

Zijne zwakke stem werd echter niet gehoord: het geraas der golven en de wind verdoofden het geroep, dat zijne makkers anders zou hebben doen toesnellen om hem te wreken. Onbeweeglijk staarde de ruiter den ongelukkige na, die zijn arm, welke den dolk voerde, in de hoogte hield, alsof hij zijn vijand nog wilde dreigen, toen hij te midden der ijsschotsen verdween, en door den stroom naar de diepte werd gesleept.

„God zij uwe ziel genadig, dappere krijgsman! en vergeve mij uw dood,” zeide hij somber, toen de Spanjaard verdwenen was, het teeken des kruises makende,, waarna het vervolgde, terwijl een bittere glimlach zijn mond onttrok: „Vaarwe! mogelijk volg ik u spoedig.”

Toen keerde hij zich snel om, als zocht hij een droevige gedachte te verdrijven, en verwijderde zich van de rivier. Hij ontweek echter zooveel mogelijk het voorhof en de batterij, omdat daar vuren brandden, en ging op de Maas aan; waarna hij langs en achter den kleinen moestuin om, naar de gracht snelde, die achter om het slot heenliep. Op een verren afstand zag hij een vuurvonk zich bewegen; het was de brandende lont van een der schilwachten; en misschien wel in de plaats van hem, dien hij zoo even uit het leven gestooten had, gaf hij met een ruwe stem antwoord, toen de Spanjaarden elkander toeriepen.

Aan de gracht gekomen, bleef hij staan; geen enkel licht vertoonde zich in het slot; alles was daar doodsch en stil, terwijl op het voorhof een groot vuur brandde, en zich nu en dan eenig gerucht liet hooren. Opmerkzaam beschouwde hij het gebouw, dat aan één zijde gedeeltelijk was ingestort; maar opeens viel hem een witte stip in het oog, welke zich boven het dak verhief. Zijn oog glinsterde van vreugde, en zijne handen dankbaar ten hemel opheffende, riep hij zacht:  „Ik dank U, Gij hebt mijn gebed verhoord! de vlag mijns vaderlands is nog onbezoedeld!”

Met welk oogmerk hij naar het slot was doorgedrongen, wist hij mogelijk zelf niet. Was het om de plaats van het gevecht te bezien, evenals in onze dagen duizenden nieuwsgierigen zijn samengevloeid op de slagvelden, die met het bloed hunner landgenooten, vrienden en vijanden doorweekt waren? Was het op te trachten den overwinnar neder te stooten, of, de wraak tot een anderen tijd uitstellende, slechts een poging te doen, om het verbrijzelde lichaam van een vriend aan de schandplaats te onttrekken? ’t is onbekend; doch zeker is het, dat hij in dit oogenblik het vaste besluit nam, om de vlag des Boodschappers te redden, of in de verdediging er van te sneuvelen.

Toen trad hij over eenige ladders, die op het ijs in de gracht lagen, naar het slot, en stapte het door een venster binnen. Zijne voeten raakten nu iets hard, dat op den grond lag; hij stak zijne hand uit, en raapte een ijzeren werktuig op; het was het houweel, dat Pedrillo gebruikt had. De gang doorgaande, evenals iemand, die met de gelegenheid van het gebouw bekend was, naderde hij het voorste gedeelte van het slot. Op de kleine binneplaats gekomen, welke binnen de poort was, zag hij he licht, dat de glasruiten vna een klein raam verlichtte, hetwelk naast de poort was, en tegen de lantaren stootende, die Perea aldaar had nedergezet, nam hij haar op. Spoedig gebruikte hij het gereedschap, dat de veerman hem had gegeven, en ontstak de kaars.

Hij kon zich het genoegen niet ontzeggen zijne vijanden te bespieden, en toen hij vóór het raampje trad, zag hij een achttal soldaten om het vuur zitten. Toen echter één van hen het hoofd oprichtte en naar het slot zag, verwijderde de ruiter zich snel, en begaf zich naar het achterste gedeelte daarvan. Evenals Perea klom hij op den puinhoop heen en weder. De lantaren naast zich nederzettende, stond hij eindelijk stil, en riep uit, terwijl een traan van aandoening op den grond nederviel: „Hier zijt gij dan gevallen, Herman! hier heeft de Booschapper zijne vijanden verpletterd. Op Loevestein zou ik u wedervinden; waar rust gij? Ik zie u niet; uwe stem antwoordt niet meer op die der vriendschap. Herman! waar vind ik u?” en weemodig zijne armen over elkander slaande, zalg hij om zich heen.

Een steen, die toevallig van een der zijmuren gleed, viel niet ver van hem neder. Zonder te gelooven, dat dit het antwoord op zijne vraag was, begon hij echter dáár de steenen weg te ruimen; het was hen onverschillig waar hij zijn treurig werk zou aanvangen; de dooden keeren niet in het leven terug, en het koude graf is stom; waarom zou hij een antwoord op zijn vraag gewacht hebben?

Langen tijd hield hij zich bezig met den grond om te wroeten; groote moeite kostte het hem de steenbrokken en andere beletselen aan eene zijde te wentenlen, zonder dat het hem gelukte iets bijzonders te ontdekken. Wanneer al zijn houweel op het een of ander ijzer stiet, zoo was het de helm of het borstharnas van een der ridders; en over het lot, dat deze brave krijgslieden getroffen had, nadenkende, wierp hij hunne bloedig wapenen ter zijde, in welke meestentijds eenige misvormde overblijfselen van de verscheurde lichamen zaten vastgeklemd. Indachtig aan de woorden van den veerman, dat, zoo ver men wist, de speerruiters vooraan waren geweest, bleef hij ook in dezelfde richting zijn onderzoek voortzetten.

Reeds gaf hij de hoop op om te vinden wat hij zocht, toen hij een helm ontdekte, welke tusschen de steenen zichtbaar begon te worden, en het hem na veel moeite gelukte, een geheel geharnasten man te ontblooten. Bij het flauwe licht der lantaren zag hij, dat deze kleiner was dan de Boodschapper, die hij goed scheen te kennen.

Vergeefs zocht hij den gesloten helm te openen; want daar het ijzer ingedrukt was, zat het vizier vastgeklemd. Ofschoon het lichaam nog niet aan stukken gescheurd was, zoo was echter het borstharnas platgedrukt: en toen hij zag, dat in de linkerhand een trompet, met het koninklijke wapen er aan, zat vastgeklemd, werd het hem klaar, dat dit Pedrillo, de trompetter der speerruiters, was. Hij legde hem op zijde, begon weder te graven, en luisterde nu en dan naar het gerope der schildwachten, hetwelk de felle wind hem toevoerde.

Op eens begon de hoop weer bij hem te herleven; hij ontdekte den voet van een krijgsman; in een kromme, gebogen houding zat de geharnaste tusschen twee stukken hout, wellicht de overblijfselen van de stijlen eener deur, vastgeklemd. Nadat hij hem geheel had bevrijd van den grooten hoop steenen, hout en andere voorwerpen, die hem bedekten, nam hij hem op, sleepte hem een eind weegs van daar en zette hem tegen een grooten steenklomp aan, die daar lag. Duidelijk zag hij aan het harnas dat het geen der ruiters was; het harnas was geheel anders; een der musketiers kon het niet zijn; het moest dus de Boodschapper of een der geuzen wezen; de houding en grootte kwamen hem vrij gelijkend voor. Doch toen hj het gelaat bij het licht der lantaren wilde gadeslaan, en de kaars met zijne vingers snoot, deinsde hij terug. Niets kenteekende meer een menschelijk aangezicht, het hoofd was verschrikkelijk geschonden en onkenbaar. Een der zinkroeren hing aan den gordel, waaraan een tinnen waterflesch met een lederen riem vastgemaakt was; de stop was niet op de flesch; waarschijnlijk had de krijgsman, toen hij de laatste teug nam, dien weggeworpen. Vruchteloos zocht hij om den hals naar het een of ander hem bekende teeken, of den geuzenpenning; maar hij vond het niet, en de armen treurig over elkander slaande, staarde hij weemoedig en vragend op het lijk.

„Zijt gij hiet Herman?” riep hij uit. „Antwoord mij, geest van den verslagene, – wie zijt gij?”

Doch ijdel was zijn vragen: de geest keert niet terug om den vriend te antwoorden. toen vloog een uil, die het voor het eerst weder waagde, zich na het rumoer van het gevecht te vertoonen, om het slot rond, en vervulde de lucht met zijn gekras.

„Ja, gij zijt het, vroolijke Uil!” riep de ruiter uit. „Ja ik herken u nu; gij zijt het, die mij weleer door u geschreeuw hebt verschrikt; weinig dacht ik toen, dat ik u zoo spoedig aldus zou wederzien. Rust zacht! God zij u genadig! uw aanwezen wijst mij de plaats aan, waar ik uw vriend zal vinden; helaas! indien ik mijn plicht evengoed vervuld had als gij, zoo zou ik met hem gevallen zijn.”

Over het bijzonder toeval nadenkende, dat den geus en den trompetter in hun geheel gelaten, en daarentegen de musketiers allen vanééngescheurd had, begon hij weder te graven, Hij wist niet, dat, aangezien het buskruit achter in de kelder   gelegen had, die onder de gang was, de uitbarsting juist onder de vijanden het hevigst geweest was.

Plotseling hield hij op, en rustte op zijn houweel om aandachtig te luisteren. Het kwam hem voor, dat op het voorhof eenige beweging plaats had; doch denkende dat het de wind was, die door het openliggende gebouw en de bres heensnoof en de menschelijke stem nabootste, of dat het de soldaten waren, die de posten aflosten, begon hij weder de steenen op te ruimen, hetgeen zijne vermoeidheid hoe langer hoe zwaarder deed vallen. Eenigen tijd mocht hij nog daarmede bezig geweest zijn, toen het hem voorkwam, alsof er in het slot zelf iemand liep. Hij luisterde, voorovergebogen, en duidelijk hoorde hij nu het gekletter van laarzen me sporen, dat in de gewelfde gangen weerkaatste. Hij wierp het houweel weg, en greep een verscheurden mantel, dien hij zoo even had opgedolven, wond dien op zijn linkerarm, drukte zijn hoed vast op het hoofd, trok zijn rapier, en na nog een blik geworpen te hebben op de akelige groef, waaruit hij den doode had opgegraven, trad hij snel, maar behoedzaam naar de plaats, vanwaar het geluid kwam.

Zijne bedaardheid, zijn moed, de geruste blik, dien hij op zijn degen geworpen had, toen hij dien dreigend boven zijn hoofd zwaaide, alles kondigde vernietiging aan voor hem, die het wagen durfde hem te storen.

Flauw verlichtte de lantaren dit kerkhof, welks eenzaamheid nu weder door geen levend wezen meer werd gestoord. De twee geharnaste mannen lagen dicht bij elkander; het scheen alsof het het voorovergebogen hoofd van den geus, die tegen den steen leunde, nog naar zijn vijand gericht was, die, nog met zijn trompet in de hand op den rug lag uitgestrekt, en weder reeds gedeeltelijk bedekt was met de steenen, die de ruiter van zich had afgeworpen.

Weldra liet zich, niettegenstaande den afstand en het gehuil van den wind, een gekletter van wapenen hooren; de eene slag, de eende stoot scheen den anderen te volgen. Twee geheele dagen had het gevecht geduurd, twee geheele dagen had het gevecht geduurd, twee geheele dagen had het zwaard in en om het slot gewoed; het scheen alsof het staal nog niet in de scheede rusten kon.

Van tijd tot tijd liet zich, te midden van het gevecht, de eene of andere kreet hooren; doch de wind, die zich steeds verhief, snoof en huilde geweldig door de gangen van het slot, en toen hij een wijl zijne woede matigde, hoorde men niets meer; geen enkel geluid liet zich meer hooren; alles was stil als het graf.

Eindelijk klonk het geluid der sporen weder op een afstand; het licht eener fakkel verkondigde de nadering van iemand; – de geus had er geene toen hij vertrok; zou hij gevallen zijn? – Een man trad over den puinhoop naar de lantaren, het was – de ruiter; de fakkel, aan het stuk eener lans vastgebonden, plantte hij tusschen de steenen naast den dooden krijgsman. Hij wierp den mantel van zijn linkerarm af, en veegde zijn rapier er aan af; vervolgens drukte hij het getrouwe staal, waarmede zijne vijanden teruggedreven waren, aan zijne lippen; zijn oog fonkelde van moed en zelfvoldoening, toen hij zijn wapen opstak. Bij het licht der fakkel zag hij met genoegen, zoo het scheen, doch met verachting tevens naar het wambuis, hetwelk op de borst op onderscheidene plaatsen was doorstoken en vanééngescheurd. Nu sneed hij met zijn dolk een stuk van den mantel af, dien hij weggeworpen had, vouwde het op, en stak het onder zijn zwart lederen gordel, waaraan zijn degen hing, haalde de gesp sterk aan, om de wonde, die hij scheen ontvangen te hebben, te sluiten, en nadat hij zijne hand, welke daardoor met bloed bevlekt was geworden, afgeveegd had, nam hij zijn hoed af, wuifde er mee boven zijn hoofd, en riep: „Zij is nu de mijne, voor eeuwig! mijne belofte is vervuld!” en den hoed weder opzettende greep hij het houweel en begon te graven.

Wanneer de doodgraver bij nacht op het eenzame kerkhof het stille graf voor den aanstaanden bewoner graaft, zingt hij, niets vreezende, en aan den nachtelijken arbeid te midden der graven gewoon, zijn eentoonig lied. Wanneer hij echter te midden van een stormachtigen nacht zijn woning verlaten heeft, om het lijk, dat des morgens is ter aarde besteld, zijn zijn laatste kleederen of zijne kostbaarheden te berooven, zoo beeft zijne hand, als hij de spade in de aarde drukt; het minste geritsel in het gebladerte jaagt hem schrik aan, en als de eene of andere nachtvogel boven zijn hoofd en de graven heenvliegt, en zijn gewoon gezang aanheft, ziet hij sidderend omhoog en neemt spoedig de vlucht: het is alsof de vogelen hem zijne heiligschennis verwijten.

Ofschoon de vrees den ruiter onbekend was, en hij bezig was een heiligen plicht te vervullen, zoo stond hij nu en dan stil om te luisteren, evenals vreesde hij weder verontrust te worden. Wel liet zich van tijd tot tijd een geroep in de verte hooren; maar men scheen geene nieuwe poging te doen om hem te storen.

Onder een zwaren balk, die gevallen was, en dien hij niet vermocht te bewegen, vond hij weder een harnas. Vol hoop zette hij zijne pogingen voort; weldra had hij het gedeeltelijk ontbloot. Helaas! hij had weder vergeefsche moeite gedaan; een groote zijden sluier bedekte het borstharnas; het was een Spaansche vlag!

Toen hij echter nog verder de steenen opruimde en het geheele lijk ontblootte, zag hij, dat het geen Spanjaard of vaandrig zijn kon. Dadelijk stak hij zijne hand uit naar den hals, haalde een keten van zilver onder de vlag uit te voorschijn, en toen hij den geuzennap bezag, welke er aan hing, riep hij uit: „Gij zijt het, Herman! gij zijt de Boodschapper; het geschenk van den edelen Vorst zal mij steeds aan u doen denken.” Dit zeggende, nam hij de keten, haalde haar over het hoofd des Boodschappers, en hing die zelf om den hals.

In de linkerhand hield deze een groot breed zwaard, dat echter op den grond viel, toen de ruiter hem oplichtte; het scheen alsof hij het alleen aan zijn vriend had willen overgeven. Met aandacht bezag hij het gelaat: het was ook onkenbaar; geen ijzer had het beveiligd tegen de kracht der nedervallende steenen zich vooroverbuigende, kuste hij den ijzeren handschoen, waarin de hand gesloten was, die zoo even het zwaard had losgelaten; hierna nam hij het wapen, dat op onderscheidene plaatsen diepe schaarden had, als getuigen, dat men het niet had gespaard, en legde het naast den anderen geus neder.

Toen bezag hij de vlag, waarop ’s Konings wapen met goud gestikt was. Het veldteeken der Spanjaarden had hem dan omhuld toen hij viel; met eerbied staarde hij op den doode. Nu verbleef zich het geschreeuw buiten het slot, en wel aan de overzijde van het gebouw, en herinnerde den geus, dat het hoog tijd was om heen te gaan. Eensklaps, terwijl de winde vreeselijk loeide, hoorde hij eenige beweging, en er vielen eenige steenen.

Reeds bracht hij de hand aan het gevest van zijn degen; want het was alsof men op de wankelende zoldering boven zijn hoofd liep, en er viel iets, dat langs den muur kraste en van de balken afgleed, naar beneden. Snel liep de ruiter derwaarts, hief het op, en de geuzenvlag, die door den wind was afgeworpen, boven zijn hoofd ronszwaaide, riep hij halfluid: „Overwinning! Vivent les Gueux!

Zoo was dan de vlag gered, en als den anderen morgen Perea aan zijn huurlingen zou gebieden haar af te rukken, zou zij verdwenen zijn. Hij ontdeed het heilige doek van den stok en spreidde het op den grond uit; vervolgens legde hij den Boodschapper er op en wikkelde de vlag om het gekneusde en bebloede lichaam.

Met moeite torste hij de zware vracht op zijn schouders, nam het houweel, en verliet daarop leunende, de plaats, waar de Boodschapper gestorven was. Nog eens zag hij om naar den geus, wiens harnas, door de fakkel verlicht, sterk glinsterde; daarna verdween hij te midden der duisternis.

Door de gang verliet hij het slot, evenals hij er binnen was gekomen; met moeite gelukte het hem zijn last door het venster te krijgen, en hij trad over de ladders. Gelukkig kwam hij op den vasten grond; toen legde hij den doode neder en rustte. Duidelijk kon hij het geschreeuw der soldaten hooren; hij trachtte te ontdekken, of er zich ook eenige vóór hem in het veld bevonden, doch vergeefs: de duisternis was sterker dan ooit.

Nu weder, en wel langs de Maas voortgaande, verried hem de zwaarte van zijn gang op den harden grond. „Wie daar?” riep een sterke stem; doch de ruiter gaf geen antwoord maag zag om zich heen.

Nu hoorde hij de pan van een vuurroer openen en werd de lont gewaar, maar zich zoo dicht mogelijk naar de aarde buigende, wachtte hij het schot af.  „Wie daar?” riep dezelfde stem, maar met minder beradenheid. De trekker werd afgetrokken: een heldere vlam vertoonde hem op eenigen afstand twee Spaansche voetknechten; het schot vierl, en gleed ad langs het harnas des Boodschappers.

Toen spoedde hij zich weder voort; de last, dien hij droeg, maakte echter dan hij gebukt moest gaan, en nu eens naar dezen, dan weder naar genen kant overhing. De soldaat die geschoten had scheen met den anderen in gesprek: hij begreep, dat zij in hun bijgeloof hem voor een geest hielden, en daarom hem niet durfden naderen, en daarvan gebruik makende, prevelde hij langzaam met een holle stem in het Spaansch eenige woorden, die hen in hun denkbeeld moesten versterken. Zoodra zij dit gehoord hadden, namen zij de vlucht, zonder zich verder om hem te bekommeren, en liepen naar het voorhof, terwijl de ruiter, langs de rivier gaande, zijn weg vervolgde.

Aan de brug gekomen, voelde hij voorzichtig met zijn voet, bevreesd zijnde om over het musket van den soldaat, met wien het geworsteld had, te struikelen; doch het was verdwenen. Langzaam trad hij nu over de lange plank, die onder den last dreigde te breken; maar het buigzame hout weigerde niet hem te dragen. Eindelijk betrad hij het Monnikenland.

De wind, die hem zeer hinderlijk was, begon een weinig minder te worden, en hij begon langzaam, doch gestadig voort te gaan, en weldra hoorde hij het geroep der soldaten niet meer, die op het verhaal hunner makkers naar de brug gesneld waren.

Zoo had hij den den gevaarlijken tocht volvoerd; zoo was het hem dan toch gelukt om, buiten alle verwachtingen den Boodschapper te vinden en de vlag uit de handen der Spanjaarden te redden.

Na menigmaal te hebben gerust, kwam hij aan de hoogte, die te midden van het Monnikenland was; de dorre takken van den ouden olm, die onder den naam van Heer Jan’s, of Heer Jan van Blois’ boom bekend was, maakten, door den wind bewogen, een eentooning geluid. Onder aan den stam legde de ruiter nu het lijk van den Boodschapper neder, en nadat hij eenigen tij uitgerust had, begon hij met het houweel een graf te maken. Dit ging moeilijk in den harden grond met het onhandige werktuig, en hij was genoodzaakt om de aarde met zijne handen naar buiten te werpen.

Toen het graf hem voorkwam een genoegzame grootte en diepte te hebben, ontrolde hij de vlag, waarin de Boodschapper gewikkeld was, en nadat hij de banier, die voor doodwade dienen moest, op den grond van het graf had uitgespreid, legde hij het lijk er op. Nog eens drukte hij de hand van den gevallenen, en bracht toen de beide handen bijeen. De Boodschapperlag nu, evenals de oude beelden op de praalgraven ziet uitgehouwen; daarna dekt hij hem toen met de tippen der vlag, en zijn hoed afnemende knielde hij naast het graf en bad voor den overledene, wien hij de laatste eer bewees. Nadat hij dit verricht had, wierp hij de aarde in het graf, de voorzorg nemende om haar vast in elkander te stampen; want het was noodig om deze plaats zoo onkenbaar mogelijk te maken. De overige aarde wierp hij in het rond van de hoogte af, opdat niets de plaats zou verraden, waar de Boodschapper begraven was; zelfs bedekte hij het graf weder met de sneeuw, die nog op het land lag.

De zorg, die hij besteed had, om des Boodschappers lijk te redden, zoo mede het teeken des kruises, dat hij bij het eindigen van zijn gebed gemaakt had, verried, dat hij een Katholiek was; mogelijk was dit ook de reden, waarom hij zoovele gevaren getrotseeerd had, om hem een eerlijke begrafenis te bezorgen. Niet ieder krijgsman heeft zulk een vriend, die, ofschoon gehecht aan de voorvaderlijke gebruiken en zijn godsdienst, geen onderscheid in deze maakt; want toen de ruiter het houweel medenam en de plaats verliet, riep hij: „Rust zacht, Herman! rust zacht!; vroeg of laat hoop ik, op het bed van eer uwer vrienschap waardig, te vallen; dan zal ik u wederzien. Uw naam zal niet, zooals gij dacht verloren gaan; neen! in aller harte zult gij leven, en hetgeen gij verricht hebt, zal nog honderden jaren na uw dood anderen uitlokken, om een voorbeeld te volgen, dat zijn niet kunnen overtreffen. Iniden gij gedwaald hebt, toen gij den godsdienst uwer vaderen verliet, zoo zal God u echter niet verstooten; liefde en vergeving alleen paren zich aan het Alvermogen; de Wraak is hem vreemd!”

Daar stapte hij naar de plaats, waar het schuitje lag, en nadat hij het houweel in de rivier geworpen had, bracht hij het vaartuig te water, trok het een eind weegs tegen den stroom op, en sprong er in.

908SR15.gif (1832 bytes)

19e hoofdstukInhoudopgave Oltmans21e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)