J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL II – HOOFDSTUK 21

De ruiter brengt de roeiriemen terug naar de schuur, zoals hij beloofd had aan de veerman.

D.gif (3307 bytes)e wind was nu bijna geheel gaan liggen, en dit maakte de terugvaart minder gevaarlijk. De ruiter droeg nu zorg om de zijde van de schuit nooit aan het ijs bloot te geven; en ofschoon de snelheid des strooms hem ne en dan in gevaar bracht, zoo kwam hij echter, na een langen tijd met beleid der riemen gevoerd te hebben, aan de overzijde.

Toen hij het schuitje hoog tegen den dijk opgesleept had, bracht hij de riemen weder in de schuur, en stak den sleutel met eenige goudstukken onder de deur door, als een kleine belooning voor hetgeen hij den veerman verschuldigd was. De lonten zijner zinkroeren brandden nog; het zette ze weder in den sleutel, en begaf zich naar zijn paard. Zoodra het getrouwe dier hem hoorde naderen, stampte het met den voet om zijne blijdschap te kennen te geven, en de ruiter, die zijn mantel om zich heenwierp, stak de zinkroeren in den zadel, maakte den teugel las, zette den voet in den stijgbeugel en ging in den zadel zitten, juist toen een dichte sneeuw begon te vallen, die hem alle vrees hernam, dat men zijn spoor op het Monnikenland zou kunnen volgen.

Gereed om te vertrekken, gaf hij zijn paard den vrijen teugel, maar het bleef staan. Nu gaf de ruiter, wien dit ongewoon dralen verwonderde, het dier de sporen; doch nog snelde het niet voort, en zich omkeerende, zette het de ooren steil in de hoogte, alsof het iets gehoord had. De ruiter zag langs den dijk, om de redenen van dit bedrijf te ontdekken, en hij bemerkte eenige lichtvonken in de verte naar den knat van Waijestein; het bleek hem nu duidelijk, wat zijn paard bewogen had te blijven; dat er krijgsvolk in de verte aankwam, was zeker. Het geluk, dat hem tot nog toe gediend had, maakte hem stout, en ofschoon het wel te denke was, dat het Spanjaarden waren, die met stille trom aankwamen, reed hij echter voorwaarts. Langen tijd te midden van den dood en de verwoesting omgedoold hebbende, dacht hij aan den Boodschapper, en nu streelde hem de gedachte zijne vijanden te ontmoeten, zich als een engel der verwoesting onder hen te vertoonen, en te midden der gesneuvelde Spanjaarden te vallen.

Na eenigen tijd voortgereden te zijn, bleef hij midden op den dijk staan. Het krijgsvolk kwam al nader en nader, en duidelijk hoorde de ruiter hunne doffe voetstappen op den harden grond, die reeds dik met sneeuw bedekt begon te worden; zij schenen hem echter niet te ontwaren, voordat zij dicht bij hem waren. De rechterhand des ruiters rustte op de greep van zijn rapier, terwijl de linker, waarin hij den teugel hield, gereed was, om een der zinkroeren te grijpen.

Toen riep een man, die een eind weegs vr het voetvolk uitging, zoodra hen de zwarte gedaante in het oog viel, die hun den doorgang scheen te willen betwisten, met een forsche stem: „Halt!”

De soldaten, die de geheele kruin van den dijk besloegen, gehoorzamden dadelijk, terwijl zij de gelederen sloten, en door hunne wapenen, die elkander raakten een licht gedruisch veroorzaakten.

Werda!” riep nu degene, die gesproken had en de aanvoerder scheen te zijn; maar de ruiter antwoordde niet. Nog tweemaal herhaalde de andere zijn roep, doch even vruchteloos. Toen riep hij: „Legt aan, soldaten! maakt u gereed om te vuren.” De twee voorsten gelederen lieten het musket op de vork  vallen en brachten de hand aan de trekker.

„Werda! voor de laatste maal!” riep de aanvoerder, en ditmaal was het antwoord: „Vriend!”

„Vriend? dat is goed,” hernam de hoofdman zich meer ter zijde van zijn volk plaatsende „maar welke vriend? zijt gij geus of een Spanjaard?”

„Dient gij den Koning?” vroeg de ruiter snel zijn rapier een eind weegd uithalende; wat ofschoon hij, naar den tongval des mans oordeelende, vermoedde dat het Duitscher ware, zoo kon hij niet weten, tot welke partij het krijgsvolk behoorde, omdat de Spanjaarden, zoowel als de geuzen, soldaten van dien landaard in hun dienst hadden; hij vermoedde echter, dat het volk van den graaf van Oberstein was.

„Antwoord, kerel!” riep de Duitscher driftig, „zijt gij geus of Spaansch?”

„Geus, voor den duivel!” schreeuwde de ruiter, zich gereed houdende op op het voetvolk in te houwen; doch de hoofdman beval aan zijne soldaten hun geweer op den schouder te nemen, en trad naar hem toe.

„Kunt gij mij eenig bericht van Loevestein geven, Heer?” vroeg de hopman, „Mijn naam is Steinbach, hopman in dienst van den prins van Oranje.”

„Ja,” antwoordde de ruiter, „ik kom daar vandaan.”

„Met twee schepen van boven gekomen, om het slot te bezetten,” vervolgde de Duitscher, „ben ik door het ijs en het hooge water belet eerder hier te komen; in de vooravond zijn wij Bommel voorbijgevareen, en nu op verkenning uitgegaan. Zeg mij, Mijnheer! is de Boodschapper nog op het slot?”

„Neen, hopman!” antwoordde de ruiter ernstig. „hij is gevallen, het slot is ingenomen!”

„Dan heb ik mijn last volbracht,” zeide de Duitsche koel.

„Wat wilt gij daarmede zeggen, hopman?” vroeg de ruiter verwonderd.

„Ik wil zeggen, Mijnheer?” antwoordde deze, „dat ik nu terugkeer naar de plaats, vanwaar ik gekomen ben. Ik heb beloofd het slot te ontzetten en te bezetten, indien het nog niet was ingenomen; ik kan dus terugkeeren, als het vermeesterd is.”

„Toen men u dien last gaf, hopman!” zeide de ruiter schielijk, „was men niet met de zaak bekend. Hier dicht bij heb ik een schuit; geef mij een vijftigtal uwer manschappen, en zorg zoodra mogelijk met de anderen te volgen. Te midden der duisternis begeef ik mij naar het slot: in den slaap of onvoorziens overvallen, zullen de Spanjaaren zonder orde of opperbevel spoedig verslagen zijn; ik weet de wijze, waarop men in het slot kan komen. Eer de dag aanbreekt, kunt gij met uw volk en uw krijgsvoorraad bij mij zijn; de stukken der belegeraars sleepen wij naar binnen; morgen zal de vlag der vrijheid weder van het slot wapperen, en de Spanjaard zal versch krijgsvolk moeten zenden om het te hernemen.”

„Ik heb daartoe geen last, Mijnheer!” hernam de hopman koel; „ik moest tot nader bevel aan den Boodschapper gehoorzamen; nu die dood is, verval alles; ik ken u niet en niemand heeft u om raad gevraagd; Steinbach weet wel wat hij doen of laten moet.”

„Maar zoo gij mij niet kent, kent gij toch de eer,” schreewde de ruiter, „de eer om zijne vijanden te verslaan en een sterkte op hen te veroveren. Ik bid u, hopman! verwerp mijn raad niet.”

„De eer?” hernam de hopman lachende. „Een Duitscher kent niets dan zijn plicht; die hem betaalt kan bevelen, ik heb met u niet te maken.”

„Lage ziel!” riep de ruiter driftig, „indien gij dat gevoel niet ken,t, dat ten allen tijde de edelste daden heeft doen verrichten, zoo zal ik mij tot uwe manschappen wenden.”

„Mannen!” vervolgde hij met vuur tot de soldaten, een weinig naar hen toerijdende, „het slot dat gij bezetten moest, is ingenomen; een handvol Spanjaarden bevindt er zich in, zoodat wij hen gemakkelijk zullen overrompelen; de eer, Loevestein hernomen te hebben, zal u toekomen; de Prins zal dankbaar voor uw ijver en moed, u daarvoor beloonen. Niet waar, Duitschers! niet waar, wilt gij gaan? volgt mij dan! ik waarborg u den uitslag met mij hoofd!”

De soldaten bleven echter onbeweeglijk staan; met domme, verbaasde gezichten zagen zij den ruiter aan, alsof zij hem niet verstaan hadden. Het woord „beloonen” alleen scheen eenigen invloed op hen gemaakt te hebben; maar bij het eindigen van zijne rede stonde zij weder onbeweeglijk en bewaarden een diep stilzwijgen.

„Gij doet vergeefsche moeite,” zeide de hopman grimlachende, terwijl hij tevreden scheen over de traagheid en onverschilligheid zijner manschappen; „mijn volk zal niets doen zonder mijn bevel, en niet wetende of gij de macht hebt om hun de belooning te doen geworden, zullen zij zich niet door u laten medesleepen.”

„Zij zouden mogelijk dus den Spanjaard evengoed en gaarne dienen als den Prins, indien zij slechts betaald werden?” vroeg de ruiter, met moeite de verachting verbergende, die hij voor den hopman gevoelde.

„Waarom niet?” antwoordde deze koel, „wie de meeste soldij geeft, die dienen wij; wij hebben immers geen belang bij uwe overwinning of uw ondergang; naar roem of eer te streven is dwaasheid, en verdwijnt als rook; geld is beter.”

„Het is dus maar al te waar, dat gij niet anders zijt dan een hoop lage huurlingen,” schreeuwde de ruiter, „die evenals gehuurde moordenaars dengene dienen, die hun het bloedgeld toetelt. Ellendige lafaard! het is goed, dat er nog Nederlanders genoeg zijn; wij kunnen buiten u. Zoo ik u ooit bij de Spanjaarden gewaar wordt, dan zal ik u vinden; ver van uw land zal uwe lage ziel uw lichaam verlaten, indien ik het niet beneden mij acht om u terneder te stooten.”

„Legt aan, soldaten! maakt u gereed op te vuren!” riep de hopman, over des ruiters worden verwoed. De musketten vielen op de vorken. „Verwijder u, knaap!” vervolgde hij, „of ik zal u bewijzen, dat een Duitscher zich niet laat beleedigen.”

„Kom vooruit!” riep de ruiter. „ik zal afstijgen en u bewijzen, dat gij een ellendeling zijt.”

„Aan de lont, soldaten!” beval de hopman bedaard. De pannen werden geopend en de lonten waren gereed om op het buskruit neder te slaan.

Een oogenblik stond de ruiter in beraad wat te doen; doch de gedachte, dat het vaderland zijn arm nog noodig had, dat mogelijk op ditzelfde oogenblik een bemind wezen, in tranen smeltende, op hem wachtte, en God bad om hem te bewaren, dat de Spanjaarden edeler vijanden waren dan deze huurlingen, wendde hij zijn paard, en reed zonder iets te zeggen, bliksemsnel vandaar.

Op bevel van hun aanvoerder, die bedaard het besluit des ruiters had afgewacht, namen de soldaten hunne musketten weder op den schouder, en keerden terug naar het vaartuig, zonder verder eenig onderzoek te doen of Loevestein werkelijk verloren was.

Nog eens zag de ruiter naar het slot, toen hij, er tegenover gekomen, een dwarsweg van den dijk zou inslaan. Er brandde nog een vuur op het voorhof; het kwam hem evenwel voor, dat er ook licht in het slot was; mij meende het geschreeuw der soldaten te hooren, en de handen voor den mond brengende, riep hij zoo hard als hij kon: „Overwinning! Vivent les Gueux!” sloeg zijn mantel op zich heen, en verdween in de vale sneeuwjacht.

908SR15.gif (1832 bytes)

20e hoofdstukInhoudopgave Oltmans22e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)