J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL II – HOOFDSTUK 22

Een krijgsman was daarop in volle wapenrusting afgebeeld, wiens hoofd en rechterarm echter ongewapend waren, en die twee andere mannen onder zijne voeten vertrad.... (met op de achtergrond een kaart van Spanje)

D.gif (3307 bytes)en dag nadat Loevestein was ingenomen, moeten wij ons verplaatsen in het vertrek op het stadhuis te ’s-Hertogenbosch. Noch het huisraad, noch de versierselen aan den wand, hadden eenige verandering ondergaan; alleen de bewoners van het vertrek, de hertog van Alva, die den vorigen dag wederom een aanval van jicht gehad had, stond nu niet, prachtig gekleed voor het glasraam, maar zat in een grooten leuningstoel, gehuld in een wijden, zwart fluweelen kamerrok of tabbaard met bonten rand. Hij nam den fraai bewerkte dolk, in rood marokijn lederen scheede, uit den gordel, en nadat hij er den gouden ketting, die er aanzat, omgewonden had, legde hij hem naast zich op de tafel, neder, alsof hij vooreerst niet voornemens was het vertrek verlaten.

Toen kreeg hij tusschen eenige papieren, die vóór hem lagen, er één uit, en beschouwde het met aandacht. Een krijgsman was daarop in volle wapenrusting afgebeeld, wiens hoofd en rechterarm echter ongewapend waren, en die twee andere mannen onder zijne voeten vertrad; het geheel rustte op een voetstuk, waarop eenige regels stonden. Met welgevallen merkte de Hertog de hand des krijgsmans op, die dreigend was uitgestrekt, en zeide: „Zoo Aerschot al gelijk had, toen hij zeide, dat deze twee knapen met hun geuzentuig, ofschoon overwonnen, nog dreigende blikken op mij werpen, zoo wil ik toch, dt er niets aan veranderd worde. Op mijn eer! het zegevieren op vrouwen en verwijfden is niets, maar wel op mannen; zij worden gedrukt voor mij en de zwaarte mijner wapenen, en zoo zij weder opstaan, dan zal het niet zijn, voordat ikhet land verlaten heb. Dat zij in Madrid mijn voornemen laken, en den Koning tegen mij zoeken in te nemen, het staat hun vrij; in Antwerpen’s kasteel zal reeds het veroverde metaal mijne heerschappij en die mijns meesters bewijzen, en zelfs indien de haat al eens zoo ver ging om mijn beeltenis omver te werpen, zal het nageslacht toch weten, dat zij daar werd opgericht, en men zal zeggen: „Hier stond Alva!” ”

In dit oogenblik werd de deur geopend door een drager van de groene roede, die het tapijt oplichtte en met zijn hoed in de hand binnentrad en met zijn hoed in de hand binnentrad, zeggende: „Don Juan de Vargas wacht in het voorvertrek de bevelen uwer Excellentie.”

„Laat hem binnen,” zeide de Hertog, de teekening weder wegbergende en de fluweelen muts opzettende, die naast hem op de tafel lag.

Diep boog zich de voorzitter van den bloedraad, die geheel in het zwart gekleed, binnentrad, en eerbiedig zijne muts afnam.

„Wat wilt gij, De Vargas?” vroeg de Hertog, die zijn groet door een lichte buiging met het hoofd beantwoordde.

„Ik kom, Excelencia!” antwoordde De Vargas, nadertredende, „om eenige vonnissen van den Raad aan uwe goedkeuring en onderteekening te onderwerpen; doch sta mij toe uwe Excelancia geluk te wenschen met de zege uwer wapenen en den val uws vijands!”

„Gij dwaalt, De Vargas!” hernam de Hertog, „indien gij den Emisario als mijn vijand beschouwt; ik heb erger vijanden dan dien muiter; mogelijk zij de ergste ook niet aan de zijde der rebellen; en ofschoon zij zijn moed niet hebben, zijn zij toch gevaarlijk. Voor het overige moet gij den Koning geluk wenschen met de overwinning, ofschoon ik als zijn stedehouder den gelukwensch wel wil aannemen. De overwinning van een handvol landloopers is voorwaar geen groot sierraad aan de kroon mijns meesters: gelukkig, dat andere zegepralen haar met zulk een roem overdekte hebben, dat de glans der kroon van Frankrijk er door verdoofd wordt.”

„Uwe Excelencia heeft gelijk,” antwoordde De Vargas, terwijl hij de papieren, die hij onder den arm droeg, op de tafel nederlegde; „na Jemmingen en Maastricht wil de vermeestering van een weerloos gebouw en de lafhartige zelfmoord van een ellendigen verspieder niet veel zeggen.”

„En ik zeg!” hernam de Hertog, met zijne hand op  de tafel slaande, „dat menig groot veldheer zoo niet gestorven is als de Emisario; zijn leven moge laag geweest zijn, maar zijn dood is verheven; ik zelf begeer geen ander einde, en indien hij voor zijn vorst gevallen ware, zou een gedenkteeken voor hem verrijzen, op de plaats waar hij verkoos liever te sterven dan zich over te geven, evengoed als dit te Rome voor een ander geschied is, of ik wil geen Hertog wezen; maar gij mannen van de pan! gij weet van die zaken niets. Ziehier den brief van Perea, lees zelf, wat hij mij schrijft.”

Eerbiedig nam De Vargas het geschrift aan, en toen hij het aandachtig gelezen had, legde hij het op de tafel neder, zeggende: „Ziedaar, Excelencia! bijzonderheden, welke mij onbekend waren; ofschoon het mij verwondert, dat Signor Perea, die anders zoo haastig, is, zich niet eerder van het slot heeft meester gemaakt.”

„Ik heb nog meer reden om verwonderd te zijn,” zeide de Hertog driftig, „dat gij den Emisario, die hier woonachtig was, niet voor lang hebt bij den kop doen pakken; het is genoeg, dat Perea mijne bevelen heeft ten uitvoer gebracht; gij behoeft zijn gedrag niet te beoordeelen. Maar laat mij nu eens zien, wat gij hebt medegebracht, en neem een stoel.”

Toen De Vargas zijne muts naast zich op den grond nedergelegd en tegenover den Hertog plaat genomen had, bezag hij den inktkoker, die met een zegelring en eenig schrijfgereedschap op een zilveren bord stond, waarna hij zijne papieren losmaakte en zeid: „Het zijn eenige vonnissen, Excellencia! welke u Raad naar rijp overleg geslagen heeft, en noodig aan uw verlicht oordeel te onderwerpen; de stoute daad van van den Emisario had voor een oogeblik de uitspraak over de schuld of onschuld der aangeklaagden doen opschorten.”

„En waarom?” vroeg de Hertog snel, „of denkt gij, dat ik de macht niet had om een rechtvaardig vonnis te doen uitvoeren?”

„Zeer zeker hebt gij de macht, Excelencia!” zeide De Vargas, „maar de Raad oordeelde, dat de voorzichtigheid aanried te wachten; thans door nederlaag der geuzen verslagen, zal niemand, na de zegepraal onzer wapenen, het wagen om het lot der ballingen te beklagen; ook zijn het meest geringe lieden.”

„Ziedaar een lafheid, die mij mishaagt,” zeide de hertog driftig. „Gij heeren van den gerechte en van mijn Raad behoeft niets te vreezen, indien uwe vonnissen overeenkomstig de wetten zijn; want ik ben dáár u te beschermen; bovendien de verbanning of terechtstelling van eenig gemeen volk baat den Koning niet; men moet de hoofden treffen en straffen. Wees onverschrokken in het gevaar, laat nooit uwe   vrees blijken; maar wees genadig na de overwinning, en las gij machtig zijt. Ziedaar ik u zoo dikmaals zeide, en zoo als ik gehandeld wil hebben.”

De Vargas, tot zwijgen gebracht, durfde niet zeggen, dat des Hertogs gedrag zelden of nooit eenige toegeeflijkheid verraden had. Even laag voor zijn meester, als trotsch tegen zijne minderen, boog hij zich diep en zeide: „Uwe Excelencia geeft steeds te veel gehoor aan hare menschlievendheid, waarvoor men u toch geen dank weet; reeds heeft zich een gerucht verspreid, dat gij den Raad van Beroerten gelast hebt geen onderzoek meer te doen naar het gedrag der muiters, omdat gij bevreesd zijt voor de volksbewegingen, die daaruit zouden kunnen ontstaan.”

„Zij kennen mij slecht,” zeide Alva bitter, „indien zijn wanen, dat vrees ooit invloed zal hebben op mijn gedrag. Lees uwe sentintiën voor, opdat ik ze teekene, en zij zullen zien, dat, als ware deze stad of dit huis nog alleen maar onder mijn gezag, ik nog recht zou doen volgens mijn goeddunken.”

Dit was juist wat De Vargas verlangde; hij vreesde, dat de Hertog zijn bevel weder zou intrekken, hetgeen hem zou verhinderd hebben om in den eersten tijd een menigte menschen, die in staat van beschuldiging gesteld waren, ongelukkig te maken, en een blad papier opnemende, begon hij in het Fransch te lezen, in welke taal de vonnissen opgesteld waren:

Veu par Monseigneur le Duc d’Alve, Marquiz de Croria etc., Lieutenant Gouverneur et Capitaine Généneral pour le Roy, notre Sire, des Païs de pardeça. Les deffaults obtenus par le Procureur Général de sa Majesté, Imprétrant de mandement Criminel en demandeur, d’une part: contre Pierre Jacobsse faiseur de bocxes, Anna Berger, Cornille Schaepman, arbeyder, Jacques Wouters à   l’enseigne du Pellicaen, alias Scheele Jacq en Hans Huges Muletier, host en la Berbie perdue, alias Duyveljagher, tous manans et bourgois de la ville d’Utrecht, adjournez à comparoir en personne par devant son Excellence ou ceulx du conseil lez elle, pur eulx venier pruger de leur fuyte, absence ou latitation, à cause des troubles passés deuement contumaces en deboutes de toutes exceptions de deffenses, d’autres charges, assaçvoir les dittes Pierre Jacobsse et Anna Beger assisté les perrnitieux Prédicans sectaires, en amené ung d’iceulx de la ville de Culenbourch pour prescher au village de Wyck pres de Duerstde: et le dict Cornille Schaepman, arbeyder, et Jacques Wouters, alias Scheele Jacq aussy conduict et soustenu iceulx Predicans avecq armes, le dernier fort diffame voire par son popre dier d’avoir esté ung des dites Images et avoir crié à haulte voix au brisement: mauldictes soyent les mains qui les ont faictes en benist celles qui les rompent; et Hans Huges hoste en la Berbie perdue d’avoir logez en sa maison plusieurs sectaires en gentilhommes ayant soubsigné á Sainet Tron l’abominable et détestable lique et confédetation, et d’avoir, garny d’une espie et de deux pistoltz, voullu contraindre aulcuns de quet ordonné de la part de magistrat de cryer: Vive les Geulx. Veues aussy les informations exhibe’s par le dite Procureur Génénral à la vérification des faitz dessus posez. Ensemble les actes en exploits y joinctz en par especial l’acte du deboutement des dite adjournez de toutes exceptions et deffenses. Son Excellence vuydent le prouffict des dite deffaults et deboutement, bannyt les dittes adjournez et chaqu’un deulx perp’ttuellement et à jamais hors de tous les pays et seigneurs de sa Majesté sur la hart, et confisque tous et quelconques leurs biens au prouflict de sa ditte Majesté.”

Faict à Bois le Ducq le 13e jour de Decembre 1570.” (vertaling)

„Toen hij geëindigd had, gaf hij het vonnis en tevens de pen aan den Hertog over, die de verbanning dezer lieden ondertekende.”

„Met deze is het nu weder afgedaan,” zeide de Hertog koel, de pen nederleggde, en zijne vingers, die met inkt bevlekt waren aan zijn tabberd afveegende, „men zal zien, dat mijn ijver voor den Koning en de heilige kerk nog niet verflauwd is.”

„Indien ik het u zeggen mag, Ecxellencia!” zeide De Vargas vleiend, „en zoo vrij mag zijn om mijn gevoelen met dat van uwe Excellencia te vergelijken, zoo moet ik zeggen, dat ik bijna even zoo denk over het gezag der wetten; want zoo de geuzen van tijd tot tijd nog wagen om u te trotseeren, zoo komt het van uwe lankmoedigheid.”

De Hertog wierp van onder zijne breede wenkbrauwen een blik op De Vagas; het verwonderde hem, van lankmoedigheid beschuldigd te worden, hij, die mogelijk zelf overtuigds was, dat hij veeleer als een dwingeland dan als een mensch gehandeld had: de vleierij met altijd binnen zekere palen blijven, anders wordt zij gevaarlijk. Hij bracht zijne hand aan zijn bleek gelaat, toen hij det des voorzitters beschouwde: een enkele glimlach op het gelaat van dezen handlanger des dwinglands, en deze vertrapte hem in het stof, waaruit hij hem had opgenomen. Zonder dat De Vargas echter het vorschend oog zijns meesters scheen te ontwijken, zeide hij bedaard: „Beveelt uwe Excellencia dat ik de tweede sententie voorleze?”

„Ja,” zeide de Hertog koel, waarna hij somber vervolgde: „En ik beveel u tevens u van alle aanmerkingen over mijn gedrag te onthouden! ik wel even gaarne met den snaak, die gisteren levend geradbraakt is, vergeleken worden, als met u, Señor Licenciado! Het kost voorwaar weinig moeite om een sententie met den pen op het papier te stellen; maar mijne soldaten dragen er eene in elke musketloop, uit buskruit en lood samengesteld. Ga nu voort, en houd u voor verwittigd!”

De Vargas boog zich diep, en ofschoon zijn gelaat bij de laatste woorden des Hertogs doodsbleek was geworden, zoo begon hij te lezen met een stem, die geene ontsteltenis verried.

Hij was echter pas een eind weegs gevorderd, of de Hertog riep: „Houd op!” tegelijkertijd zijn gelaat naar het venster keerende. „Ik hoor het rijden van wagens in de verte; het zal Señor Perea zijn, die, volgens zijn belofte, bijtijds hieraan komt; ik zal dus weldra nadere bijzonderheden vernemen.” Daar het echter waarschijnlijk tegen de Spaansche deftigheid zou gestreden hebben om op te staan en te zien wat er gebeurde, bleef hij zitten,en De Vargas, niet nieuwsgierig om Perea te zien, of het niet durvende wagen zonder bevel zijne plaats te verlaten, zoor vóór zich heen, en bladerde in zijne papieren, verheugd, dat de Hertog zijne gedachten op iets andes gevestigd had.

Ongeduldig klopte de Hertog met den knop van zijn dolk op de zilveren schaal, waarop de inktkoker stond. De deur werd geopend, de roededrager trad binnen en zeide: „Uwe Excellencia roept?”

„Wat gebeurt er op de markt?” vroeg de Hertog, „ik hoor een ongewone beweging.”

„Het is mij onbekend,”  antwoordde deze; „indien uwe Excellencia het goedvindt, zal ik het gaan zien.”

De Hertog knikte met het hoofd, waarop de roededrager zich verwijderde. Eenigen tijd daarna keerde hij terug, en zeide: „Het is het krijgsvolk van Loevestein, Excelencia! de wagens zijn nog in de straat; maar de musketten rukken reeds op de markt.”

„Zeg den aanvoerder, dat hij dadelijk zich herwaarts begeve,” antwoordde de Hertog; waarnja hij, toen de roededrager vertrokken was, hardop vervolgde, ofschoon hij het woord niet tot De Vargas richtte: „Het is, op mijne eer! alsof het hard geregend heeft, of dat het een begrafenis is; waarom laat Perea de trom niet roeren of de trompet steken, ten minste, indien de trompetter niet met zijne makkers gebleiven is? Waarachtig! ik geloof, dat de monden der Onoverwinnelijken zijn dichtgevroren; want ander zouden zij hun veldkreet wel laten hooren,” en onvergenoegd zag hij vóór zich neder.

Kort daarna werd de deur geopend; de Spaansche Capitan trad achter het tapijt uit te voorschijn, en zijn hoed afnemende, zei hij: „Uwe Excellencia heeft mij laten ontbieden.”

„Treed nader, Señor Velasquez!” zeide de Hertog; „ik had gelast den aanvoerder van het krijgsvolk te roepen.”

„Dat ben ik, Excelencia!” hernam Velasquez bedaard, zijne hand met den hoed in de rechtezijde zettende.

„En waarom is Perea niet hier?” vroeg Alva verwonderd. „Hij had mij geschreven, dat hij in persoon zou terugkomen; wat kan hij te Gorcum te doen hebben?”

„De mensch wikt, en god beschikt, Excelencia!” zeide Velasquez droevig. „Het lijk van Perea is wel met mij van Loevestein teruggekomen; maar hj zal den koning geene dienst meer bewijzen: hij is dood.”

„Dood?” riep de Hertog, „Lorenzo Perea dood!” Dit zeggende, wilde hij opstaan; maar hij ging weder zitten, terwijl De Vargas, zijn hoofd oplichtende, de brenger van deze voor hem zoo aangename tijding beschouwde en de linkerhand vóór zijn gelaat bracht, om den glans van vergenoegen, die het overdekte, te verbergen.

De Hertog zeide niets; men kon zien, dat het den wreeden en hardvochtigen krijgsman smartte zulk een dapper en getrouw soldaat en handlanger te verliezen, en toen hij eindelijk naar Velasquez zag, als twijfelde hij nog aan hetgeen hij gehoord had, zeide deze aangedaan: „Helaas! het is maar al te zeker, Excelencia! ik zelf wilde het nog niet gelooven, toen ik hem ontzield aan mijne voeten zag liggen; in dit leven zullen wij hem niet meer zien.”

„Ga zitten Signor!” zeide de Hertog, „en vertel mij van het begin tot het einde, hoe dit alles zich heeft toegedragen.”

Velasquez gehoorzaamde en antwoordde: „Het verhaal, dat uwe Excelencia van mij verlangt, zal een weinig lang wezen, zonder dat evenwel al de bijzonderheden mij bekend zijn. Nadat het slot vermeesterd was, en Perea den slotvoogd vermoord had gevonden, beval hij mij naar Gorcum te gaan om de overwinning te boodschappen, en niet vóór den anderen morgen terug te komen.”

„Ik weet het,” zeide de Hertog schielijk, „de Emisario heeft mij de moeite gespaard den Italiaan den kop voor den voeten te laten leggen, vervolg!”

„Nadat ik mijn verslag op het raadhuis gedaan had,” ging Velasquez voort, „begaf ik mij naar een herberg en te bed; ik had echter pas mijne oogen geloken, of  een vreeselijk geraas wekte mij; men stiet hevig met een musket op de deur, en begeerde binnengelaten te worden. Ik sprong dadelijk uit mijn bed, kleedde mij aan, en wierp mij op mijn degen, ten einde te gaan zien, wie het waagde des nachts zulk een geweld te maken. De waard, die op mijn bevel geopend had, berichtte, dat de aanvoerder der wacht aan de Waterpoort hem gelast had mij te zoeken, daar mijne tegenwoordigheid op Loevestein noodzakelijk vereischt werd. Ik haastte mij hem te volgen; ik wist, dat de arbeiders en kanonniers waren teruggezonden; anders had ik zeker gedacht, dat zij aan het muiten waren geslagen, dewijl  zich reeds eenige onvergenoegheid onder hen vertoond had; ik vreesde dus, dat de troepen tot ontzet van het slot waren opgekomen. Ik kwam aan de rivier; eenigen mijner soldaten wachtten mij daar in een groot vaartuig; ik wierp er mij in, en gaf aan den schipper bevel om af te houden.”

„Hebt gij toen de reden der beweging vernomen?” vroeg de Hertog.

„Ja Excelencia! ik haastte mij daarnaar te vragen. Men verhaalde mij, dat, omstreeks een uur geleden, een licht in het slot was ontdekt geworden: van te voren meende reeds een der soldaten dit insgelijks te hebben opgemerkt. Perea werde er van verwittigd; hij besloot dadelijk te gaan zien, wat er van was, en gebood de musketiers hem te volgen: zij weigerden het echter.”

„Zij weigerden het, Signor?” riep de Hertog driftig.

„Ja, Excelencia!” hernam Velasquez, „zij vreesden voor eene tweede uitbarsting van het buskruit. Zij gehoorzaamden niet, en ik was niet dáár om hen tot reden te brengen of Perea te vergezellen; hi had stellig voorgenomen te gaan, al ware het alleen, en hij deed het.”

„Daaraan herken ik hem,” zeide Alva, „de vrees kende hij niet; Lorenzo kon niet anders handelen.”

„Nadat hij een fakkel aan een gebroken lans gebonden, en een rondas aan een arm gedaan had, trad hij door de bres van het slot,” vervolgde Velasquez. „Vol moed zwaaide hij zijn degen, toen hij in het slot verdween, en zoo zij wel verstaan hebben, riep hij: „Ik ken u, die hier bij nacht door de puinhoopen en over de graven sluipt; dezen dag zal ik mij van al mijne vijanden ontdoen!” Eenigen tijd daarna meenden de soldaten het geluid van degens te hooren; weldra vernamen zij niets meer, en Perea kwam niet terug. Vergeefs riepen zij hun hoofdman, hij antwoordde niet, en daar de wind hunne stem verdoofde, staakten zij hunne ijdele pogingen, en besloten mij te gaan halen. Zoodra ik aan land gestapt was, gebood ik hun mij te volgen.”

„En zij weigerden het?” zeide de Hertog, zijn voorhoofd rimpelende.

„Vergeef mij, Excelencia! zij gehoorzaamden,” hernam Velasquez. „Door de bres naar binnen gaande, zochten wij eenigen tijd vruchteloos. eindelijk vonden wij den gesneuvelde: hij lag recht uitgestrekt op den grond, en was nog warm; doch het leven was uit hem geweken. Zijn hoed met den vederbos, aan zijne vijanden zoo wel bekend, lag achter hem. In zijn rechterhand hield hij zijn staal, dat in zijne hand geklemd was, toen wij hem oplichtten; het is ons niet gelukt het uit zijne handen te wringen, zoodat wij het er in hebben gelaten. Het rondas droeg blijken van hevige stooten, die zijn vijand hem had toegebracht; menigen doodelijken steek heeft hij daarop opgevangen. Maar wat baat het? één is genoeg om aan het leven een einde te maken; ook had hij maar één wonde dicht bij het hart, die echter door en door ging, en die wij ontdekten, toen wij zijn linkerarm oplichtten; want in die hand hield hij een lederen vrouwen-handschoen, die hij in zijn uiterste aan den mond schijnt gedrukt te hebben. Hij is dus gevallen met zijn schild, zooals het een krijgsman betaamt; helaas! waarom was het niet op het een of ander slagveld! Ik vermoed, dat zijn laatste gedachte voor haar geweest zijn, die hij meer dan den roem en zich zelven beminde.”

„Hij, die hem gedood heeft, moet zeker geharnast geweest zijn, anders had hij het niet tegen Lorenzo uitgehouden. Hebt hij ook ontdekt, wie het geweest is? Ik wil mijn beste paard geven om hem te kennen,” viel Alva hem in de rede.

„Ik geloof het ook, Excelencia! en Perea was zelden zwaar gewapend,” antwoordde Velasquez; „maar hem, die ik er van verdacht houd, durf ik niet noemen; het komt mij zelven zoo onbegrijpelijk voor.”

„Spreek, Signor! ik wil het weten,” zeide Alva driftig, „en, bij het leven des Konings! zoo het een der soldaten geweest is, die de hand uit wraakzucht aan zijn bevelhebber geslagen heeft, zoo zal hij vreeselijk gestraft worden, dat zweer ik! Immers ik weet dat er onder hen zijn, die gedurende het gevecht geweigerd hebben te gehoorzamen.”

„Neen, Excelencia!” hernam Velasquez met vuur. „Neen, het is geen mijner soldaten geweest, ik blijf daarvoor borg; Perea was de beste kling van ons leger; de Emisario alleen kan het verricht hebben.”

„Dat is onmogelijk,” riep de Hertog, „de Emisario is dood; hoe komt hij op die gedachte?”

„Indien gij wist wat ik gezien heb, Excelencia!” zeide Velasquez, „zoo zoudt gij niet ver af zijn om even als ik te denken; het zou voor het eerst niet zijn, dat iemand voor een oogenblik in het leven teruggekeerd is om een vijand te treffen.”

„Verhaal al wat gij weet,” zeide de Hertog nieuwsgierig, en sterkte zich in zijn stoel uit. Zich nu tot De Vargas keerende, die met opmerkzaamheid geluisterd had, maar bij de laatste woorden van den Capitan een lichten grimlach niet had kunnen onderdrukken, vervolgde hij: „Ik verzoek u, Signor Licenciado! om aandachtig te luisteren; wij kunnen soms uwe hulp nodig hebben.”

De Vargas boog zich, en Velasquez begon, zeggende: „Excelencia! het zal noodig zijn, ten einde aan uw verlangen te voldoen, mijn verhaal een weinig hooger te beginnen; want in de vorigen nacht zijn er zulke wonderlijke dingen gebeurd, dat zoo ik mij niet van de waarheid daarvan overtuigd had, ik er geen geloof aan zou hechten, of mij verstouten om uwe Excelencia er mede bezig te houden.”

„Zeer wel, Signor, ga voort,” zeide Alva ongeduldig, waarna Velasquez zich haastte te vervolgen:

„De Kansepoort te Gorkum was reeds eenigen tijd des avonds geloten geweest, toen een man te paard er vóór verscheen en begeerde ingelaten te worden. Toen hem dit geweigerd werd, trachtte hij door verzoeken en dreigen de wacht daartoe over te halen, en bood een groote soms gelds aan, welke hij hun zien liet. Hij sprak zuiver Hollandsch, droeg een zwarten mantel, en bereed een groot zwart paard, en toen hij zich verwijderderde, dreigde hij hen met zijne wraak, en riep hun schamper toe, dat hij buiten hen wel in de stad kon komen.”

„De bevelhebber der wacht gelastte aan één zijner manschappen, om, lang den wal gaande, den ruiter in het oog te houden. Deze heeft verklaard, dat, omtrent twee musketschoten van de poort, de ruiter, zoo het hem voorkwam is afgestegen, en over het ijs der stadsgracht den muur genaderd zijnde, aan de op last der regeering gebijte opening stilhield, met zijne armen vreemde gebaren makende en onverstaanbare woorden prevelde, alsof hij een bezweering in het werk stelde. Hierdoor verschrikt, heeft hij de vlucht genomen, en aan zijn hoofdman van het gebeurde verslag gedaan.”

„De bevelhebber van de Arkelpoort, die reeds dezen morgen vroegtijdig te Loevestein kwam, met voornemen om Signor Perea iets te verzoeken, berichtte mij toen al dadelijk, dat een ruiter, wiens kleeding volkomen met die van den vorigen overeenkwam, en die zeide afgezonden te zijn door den bevelhebber van Z. M. kasteel te Utrecht aan uwe Excelencia, heeft verlangd te worden binnengelaten, hetgeen hem echter geweigerd werd, omdat men de waarheid van zijne woorden wantrouwde. Hij heeft zich ook dáár de geweldigste bedreigingen veroorloofd, en is al vloekende vertrokkenL hij heeft daar gedurig Spaansch gesproken: evenwel moet men gelooven, dat het dezelfde persoon geweest is.”

„Na dezen tijd schijnt hij echter een middel te hebben gevonden, om met paard en al in de stad te komen, hetgeen over de gracht en den muur bevonden is mogelijk te zijn. Een oude vrouw, die nog laat hare deur geopend had, is door hem aangesproken geworden, zonder dat zij weet, waar hij vandaan is gekomen. Hij heeft haar onderscheidene vragen gedaan naar een voortvluchtigen geus, die in hare nabuurschap in een herberg woonde. Verschrikt over deze verschijning en over het akelige gelaat van den zwarte ruiter, heeft zij zich in hare vrees tot God gewend en het teeken des kruises gemaakt; het paard heeft toen getracht haar hond , die op de straat was, te vertrappen. De ruiter gaf een luiden gil, en verdween hoe langer hoe grooter wordende, uit haar gezicht; zijn mantel was in groote vleugels veranderd en zijn lijf was bloedrood. Daar men op het denkbeeld gekomen was, of hij misschien uit de groote deur, die naar de stalling der gesloten herberg leidde, gekomen was, heeft men dit onderzocht; doch de deur is nog van binnen gesloten gevonden, evenals het gerecht dit gedaan had.”

„Dat is zonderling,” zeide de Hertog nadenkende, terwijl De Vargas met gespannen aandacht scheen te luisteren.

„Na dien tijd,” vervolgde Velasquez, „heeft hij zich aan den rivierkant vertoond, en verlangd over gezet te worden. De veerman weigerde het hem, waarna hij, zich voor een vriend van Signor Perea uitgevende, trachtte den bevelhebber van de poort te bewegen hem de overvaart toe te staan. Op een aanmerking van dezen, heeft hij hem in het Spaansch op een hoogen toon gelast zich te verwijderen, waarna hij nog een oogenblik met den veerman gesproken heeft. Deze heeft veklaard, dat hij hem heeft aangezien voor den jonker Perea Hernanda, die, zooals u bekend is, zich thans in Brussel bevindt, en dien de veerman meermalen gezien heeft; houding en gelaat kwamen volkomen overeen; alleen de riddelorde van het Gulden Vlies, die de zwarte ruiter droeg, had hij den jonker natuurlijk nooit zien aanhebben. De bevelhebber, die aan de poorten daarnaar gevraagd zijn, meenden ook die orde gezien te hebben.

De Anspessado aan de Waterpoort, reeds over het raadselachtige gedrag van dien nachtelijken bezoeker verwonderd, had besloten hem in de poort aan te houden, als hij weder stadwaarts ging; doch deze heeft hem gelast de wacht in het geweer te laten komen, en het wachtwoord van dien avond gegeven, eer nog de Anspessado aan zijne besluiteloosheid een einde had gemaakt.”

„Is het mogelijk,” zeide Alva verwonderd, „hoe kan dit zijn?”

„Het is stellig, Excelencia!” zeide Velasquez, „ik heb den Anspessado zelven gesproken. Nadat de vreemde ruiter nog eenige orders gegeven had, alsof hij een Capitan ware, heeft hij de stoutheid gehad zijne pistoollonten te ontsteken, en is de stad ingereden. Door het geven van het wachtwoord heeft hij de Burgpoort voor zich doen openen, en aldus heeft hij de stad verlaten. Zoodra hij over de brug was, heeft hij een woesten kreet gegeven, en de burgers hebben onder het sluiten der hamei verklaard, dat hij, toen hij wegreed, het achterste voren op het paard zat! Sedert dien tijd weet men niet, wat er van hem geworden is, en alle pogingen zijn vergeefsch geweest om te ontdekken, wie degene geweest is, die op zulk een zonderling wijze dien nacht de Poorten van Gorcom bezocht heeft.”

„Is dit alles?” vroeg de Hertog.

„Neen, Excelencia!” zeide Velasquez, „en hetgeen ik nog verhalen moet is niet minder zonderling. Zoodra wij het lijk van Perea gevonden hadden, hoorden wij een gil; daar ik te zeer mijne aandacht gevestigd hield op den gesneuvelde, en de wind steeds huilde, heb ik het niet kunnen hooren, vanwaar die kwam. Eenige soldaten beweerden, dat het geluid van de overzijde der rivier kwam; andere hielden staande, dat het uit het gebouw zelf gekomen was. Hoe het ook zij, het herinnerde ons het veldgeschreeuw der geuzen, dat wij den geheelen dag gehoord hadden; doch de toon was scherper, woester, en alsof een ijlhoofdige dien gegeven had. Daar ik de toorts niet zag, die de Capitan medegenomen had, besloot ik er naar te zoeken. Wij volgden het spoor van eenige droppels op de steenen, en kwamen alzoo op de plaats, waar het buskruit zijne krachten ontwikkeld had. Gij zult licht begijpen, Excelencia! hoe verwonderd wij waren, toen wij aldaar de nog flauw brandende toorts ontdekten, die tusschen de steenen was gestoken, en die met een lantaren, waarin een kaars brandde, over deze plaats een twijfelachtig licht wierp. De grond was niet, zooals hij geweest was; steenen en andere grondstoffen waren ter zijde van een kloof opgeworpen, waaruit iemand zich scheen opgericht te hebben, die dezen bezwarende last van zich afgeworpen had. Hij, die dit bewerkt had, zat gegen een steen leunende; de toorts stond naast hem, en bewees, dat hij het was, die met Perea was slaags geweest; en ofschoon zijn gelaat onkenbaar was, en de vlag, die hij gedragen had, niet meer over zijn schouder hing, herkenden wij hem dadelijk voor den Emidario.”

„Onmogelijk, Signor!” riep Alva verwonderd.

„En het is toch de waarheid,” hernam Velasquez. „Het breede zwaard, dat gedurende twee dagen onze pogingen verijdeld had, dat zoo meningen Spanjaard dit leven had doen vaarwel zeggen, lag naast hem. God geve, dat hij het hebbe laten vallen, om het nooit weder op te nemen! De soldaten, begeerig om den Emisario van naderbij te beschouwen, ontwapenden hem; doch toen zij de gespen van zijn harnas losmaakten, viel zijn hoofd naast hem neder; ook heeft men, welke moeite men ook aanwendde, geene papieren bij hem gevonden.”

„Mij blijft nu nog alleen over te zeggen, dat een der schildwachten gedurende dien nacht verdwenen is, zonder dat men weet hoe. Zijn musket heeft men op zijn post gevonden, en niets duidt aan, dat men hem vermoord heeft. Eenige soldaten hebben buiten het slot een lange witte gestalte zwevende door de lucht zien gaan; zij was wel vijf voet van den grond, en bewoog zich men weet niet hoe. Toen er een schot gedaan was, gaf zij een klagend geluid, en sprak voor eenige geheimzinnige woorden; zij verklaren stellig dat het een geest geweest is. Het zonderlijkste echter is, dat de vlag der muiters, die des avonds nog van het slot wapperde, en die de schildwachten nog gedurende den nacht gezien hebben, ’s morgens verdwenen was; ik verzeker u, op mijn woord van eer, dat het aan ieder mensch onmogelijk was, haar zonder ladders te bereiken. Ik geloof, dat uwe Excelencia mij te goed kent, om mij verdacht te houden van aan alles geloof te staan; doch ik zeg u, dat ik, Diego de Velasquez, stellig geloof, dat de verschijning van den ruiter te Gorcum in verband staat met hetgeen op Loevestein is voorgevallen; dat de gevonden krijgsman de Emisario is; dat hij, die de vlag gered heeft, de tegenpartij van Perea is, om een reden, mij onbekend, is wedergekeerd om de eenen of andere beleediging te wreken, en alvorens die wraak gesmaakt te hebben, niet rusten kon.”

Langen tijd zat de Hertog in gedachten verzonken, met zijne kin in de hand, en zijn arm op de leurning van den stoel rustende. Hij bracht de bijzondere voorvallen met elkander in verband; zijn gezond verstand weirgerde eerst dit ongeval aan een bovennatuurlijke macht toe te schrijven; weldra gevoelde hij zich bezwaard over dezen twijfel, welke tegen zijn godsdienstige gevoelens streed, en zijn hoofd oplichtende, zeide hij langzaam: „Alles weloverwogen, Signor! ben ik van uw gevoelen; een gewoon mensch zou niet in staat geweest zijn, Lorenzo, met een rondas gedekt, neder te stooten; waarom het een ketter werd toegestaan een waar katholiek te schaden, weet ik niet……” Evenals vreesde hij te vervolgen, zweeg hij, waarna hij zich naar De Vargas keerde, en voortvoer: „Maar wat heeft onze voorzitter te zeggen? dat is juist iets, dat tot zijn ambt behoort, en ik ben nieuwsgierig zijn gevoelen te vernemen.”

De Vargas, die met gespannen aandacht geluister had – want alles, wat den val zijns vijands betrof, was hem zeer aangenaam geweest te vernemen – boog zich en zeide: „Het zou mij niet voegen mijn gevoelen te uiten, nadat uw Excelencia dit gedaan heeft; de gevolgtrekking van den Signor Capitan, hier tegenwoordig, laat toch niets te wenschen over.”

„Gij dwaalt, Signor!” antwoordde Alva koel, „wanneer gij, hetgeen ik u gezegd heb, voor een verzoek houdt; ik wil uw gevoelen kennen, en wel in zijn geheel: ik wel gehoorzaamd worden.”

„Ge beveelt, Excelencia!” zeide De Vargas schielijk, „ik zal dsu zoo vrij zijn Signor Velasquez te vragen, of het den ruiter soms mogelijk geweest is de rivieren over te komen, omdat hij zulks schijnt verlangd te hebben.”

„Ik geloof het niet,” antwoordde deze. „De rivier was vol drijfijs, de wind en stroom waren zeer sterk; de veerlieden hebben verklaard, dat zulks al zwemmende, ja zelfs met de vaartuigen, waarvan hij zich had kunnen bedienen, onmoglijk was,”

„Ten tweede moet ik vragen, of hij ook nog op meer plaatsen gezien is dan gij hebt opgenoemd?” zeide De Vargas.

„Zeer zeker!” hernam Velasquez, „vele burgers hebben hem   ’s nachts op de straat en in tegenovergestelde wijken der stad gezien: doch hunne opgaven zijn niet altijd juist: vele meenen hem gezien te hebben, nadat hij reeds vertrokken was.”

„Zeer goed,” zeide De Vargas. „Sta mij nu nog toe u te vragen of de poorten allen bewaakt werden door de bezetting dan wel door burgers.”

„Alleen aan de rivier was een Spaansche wacht,” hernam Velasquez, wien deze vragen verveelden; „de overige poorten werden door de burgers zelven bewaakt.”

„Dat dacht ik reeeds,” zeide De Vargas; „op hunne trouw kan men geen staat maken,” waarna hij door de eerzucht zich latende wegsleepen, en zijne gewone voorzichtigheid vergetende, voortvoer: „Mijn gevoelen is dus, dat in deze geheele zaak niets bovennatuurlijks bestaat, en dat , indien uwe Excelencia mij morgen met een onbepaalde volmacht en een kornet ruiters naar Gorcum zenden wil, ik aanneem te ontdekken, wie de zwarte ruiter geweest is; want niemand dan hij is de moordenaar. De eenen vóór, den anderen na, zal ik de scheenschroeven laten aantzetten. Het oude wijf is mogelijk de eenige, die zonder kwaad voornemen gelogen heeft, en het zal mij niet verwonderen, als er meer dan één door de ben   zal vallen.”

Indien de Hertog niet eerst zijn gevoelen te kennen had gegeven, zou hij misschien zich wel dadelijk met dan van De Vargas vereenigd hebben; doch zijn oordeel willende volhouden, was hij verwonderd over het antwoord, dat hij gebieden had gevorderd.

Dikwijks noodzaakt een dwingeland iemand voor zijn gevoelen uit te komen, alsof hij de vrijmoedigheid bemint; maar een dwaas, die hem gehoorzaamt; want weldra zal hij ondervinden, dat hij in alles even willekeurig is. Zoo handelde Alva; want nadat De Vargas geëindigd had, zeide hij schamper lachende: „Het zou waarlijk jammer geweest zijn, Signor Licenciado! dat gij uw gevoelen verzwegen hadt; want het loopt juist tegen het onze in; ook weet ik niet, welk nut wij zouden trekken uit het pijningen van zooveel lieden, die mijns inziens, niets gemeens hebben met de zaak.”

„Vergeef mij, Exelencia!” zeide De Vargas, „het is hier noodig, dat eenigen lijden om der gerechtigheid wille, dat is niets anders; en ik verzeker u, dat hun door de smart iets wel ontvallen zal, hetwelk mijne onderstelling tot zekerheid zal brengen.”

„Gij gelooft dus niet, Signor De Vargas!” zeide Velasquez, de verachting, welke hij voor hem gevoelde, nauwelijks verbergende, „dat het een schreeuwend onrecht is, een onschuldige te pijnigen? Ik weet niet, hoe gij durfst voorslaan, daar ik u gezegd heb, dat alles schijnt verricht te zijn door een macht boven de menschelijke verheven, en waarvoor zij dus geen borg kunnen zijn.”

„Gij mij betreft, ik zie in de zaak niets zonderlings; de mirakelen zijn tegenwoordig zeldzaam; wij rechtsgeleerden, ofschoon wij het hoofd zoo hoog niet dragen als een krijgsman, oordeelen veeltijds juister; en hij, die in het veld en held is, staat dikwijls in den raad gelijk met een oude vrouw.”

Velasquez, vertoornd over deze taal, verschoof zijn stoel, en maakte zich gereed om naar behooren te antwoorden; alleen de eerbied voor den Hertog was oorzaak, dathij De Vargas had laten uitspreken. Doch Alva bespaarde hem deze moeite; wan zich snel omkeerende, terwijl zijn voorhoofd zich rimpelen te zamen trok, en zijne wenkbrauwen zijne oogen bedekten, zeide hij driftig: „Bij God, hetgeen ik en Velasquez gelooven, behoeft gij niet te verwerpen; wij hebben naar uw gevoelen, dat mij voor het overige niets waard, is, maar niet naar uwe beslissing gevraagd. Gij zult het mogelijk een leugen noemen, dat het gedrocht, te Luik geboren, een voorteeken was van den heillozen opstand die het land nu beroert; gij zult zeggen, dat het buskruit, te Mechelen gesprongen, geen voorbode was ven den naderenden oorlog; maar ik weet, dat gij Juan de Vargas! noch aan God en Zijn gebod, noch aan de heilig mysterieën gelooft. Uwe taal riekt naar den mutsaard, en bij het leven des Konings! omdat gij uw hoofd zoo hoog draagt, als een braaf edelman. Zoo zal het te spoediger langs den grond rollen, als het wordt afgeslagen.”

De Vargas, zich te veel op zijn scherpzinnig en verlicht oordeel hebbende laten voorstaan, had vergeten, dat de Hertog nog dacht aan hetgeen te voren met hem was voorgevallen; hij zag nu zijne dwaling en onvoorzichtigheid in, en opstaande, plaatste hij zich, zonder een woord te antwoorden, vóór het glasraam om zijne ontsteltenus en woede te verbergen.

De soldaten op de markt ziende staan, zonder dat hij hunne vlag gewaar werd, bracht hij dit in verband met hetgeen Velasquez gezegd had van de vlag, die de Emisario gedragen had, en met een duistere zinssnede in den brief van Perea; en dadelijk begrijpende wat er van was, wachtte hij een geschikt oogenblik om zich op Velasquez te wreken.

„Gij hebt welgedaan,” zeide de Hertog, „met de lichamen van Perea en Da Silva mede te brangen; zij moeten hunner waardig ter aarde besteld worden; ik had dien jonkman ook niet moeten toestaan om te gaan. Maar zeg mij eens, hebt gij geen uwer soldaten achtergelaten?”

„Niet dan die zwaar gekwetst waren, Excelencia!” antwoordde Velasquez. „Daar ik zoo spoedig hier wilde komen, als mogelijk was, heb ik mij gehaast, om hen met de wagens herwaarts te laten brengen; het slot wordt thans door het krijgsvolk van Gorcum bezet.”

„Het schijnt echter, dat de Signor Capitan de banier heeft achtergelaten,” zeide De Vargas, zich omkeerende, bedaard, „want ik zie haar niet.”

„Wat wilt hij daarmede zeggen, Capitan?” vroeg de Hertog.

„Dat wij haar niet hebben kunnen terugvinden, Excelencia!” antwoordde Velasquez neerslagtig.

„Ik versta u niet,” riep Alva driftig, met den voet stampende. „Wat wil dat zeggen? Voegt het Velasquez om zonder vlag voor mij te veschijnen? Spreek! is zij verloren? Waarom tracht men mij te misleiden Waarom hebt gij mij dit niet gezegd?”

„Omdat ik dacht, dat het aan uwe Excelecia bekend was,” antwoordde deze bedaard, doch met waardigheid. „Nooit heb ik iemand bedrogen; hoe zou ik mij dus verstouten uwe Excelensia te misleiden. Niemand kan gevoeliger zijn over het verlies dan ik; maar ik ben er niet voor verantwoordelijk.”

„Dat zijt gij wel Capitan!” zeide de Hertog woedend; „van u vraag ik haar terug, het is uit uw mond en niet uit dien van De Vargas, dat ik zulks had moeten, ja, voor de eer van uwe vlag, had wenschen te vernemen.”

„Gij vergeet Excelencia!” hernam Velasquez, „dat Perea het bevel voerde. Toen het ongeluk plaats vond, was ik niet eens tegenwoordig; hij heeft u geschreven, niet ik; en indien hij u niet bericht heeft, dat de vlag door den Emisario vermeesterd is, zoo is het zeker in de hoop geweest van haar weder te hernemen.”

„En waarom is dit niet geschied?” vroeg de Hertog bitter.

„Omdat het ondoenlijk was, Excelensia!” antwoordde Velasquez. „Ee Emisario droeg haar over zijn schouder; geloof mij, wij hebben niets ombeproefd gelaten, en indien ik nog leef, is het alleen te danken aan zijne edelmoedigheid! hij heeft mij niet willen nederstooten, maar mij genoodzaakt terug te gaan. Ik heb gezegd, dat toen wij hem vonden, de vlag niet meer bij hem was, niet anders denkende, of het was u bekend, dat ik van de onze sprak. Het valt altijd smartelijk zulk een snaar aan te roeren; ik ben het dus aan Don Juan de Vargas verplicht, dat ik mijne onschuld kan doen blijken, en dat uwe Excelensi van het geval onderricht wordt.”

„Gij zijt mij geen dank schuldig Signor!” antwoordde De Vargas, zich buigende, terwijl zijn mond zich lachend samentrok, „het was slechts een invallende gedachte, die ik mededeelde. Het is buiten uwe schuld geschied; ik ben daarvan verzekerd, en het is alleen te wijten aan den jongeling, die zich het veldteeken heeft laten ontnemen.”

„Wie heeft u gelast mijne verdediging op u te nemen?” vroeg Velasquez fier. „Weet, dat ik nooit gewoon ben geweest mijne misslagen op eens anders schouders te laden, en het minst nog van een doode. Ik zeg u, dat Da Silva gevallen is met eer! en indien hij gesneuveld is, is het omdat hij het hem aanvertrouwde pand niet heeft willen verlaten; Signor Perea heeft verklaard dengene te zullen nederstooten, ide het wagen durfde de eer van den Abanderado te bekladden.”

„Maar die is dood,” merkte De Vargas spottend aan.

Recht zoo, Signor Licnenciado!” vervolgde Velasquez: „maar ik leef nog, en zal elken lasteraar naar behooren straffen.”

„Gij maakt misbruik van uwe macht, Signor!” antwoordde De Vargas koel; „gij weet dat wij, lieden van den Raad, geen degen voeren: gij kunt ons dus ongestraft beleedigen.”

„En wie zegt u,dat ik met u den degen zou willen kruisen?” vroeg Velasquez driftig; „een stok zou goed geweest zijn, om een Licenciado tot reden te brengen.”

Een hoogroode kleur bedekte het gelaat van De Vargas, dat anders zeer bleek was, en hij antwoordde, zijne bedaardheid vergetende: „En toch Signor! zouden mij de middelen niet ontbreken om mij te wreken; het zou voor het eerst niet zijn, dat iemand van den tabbaard een soldaat overwonnen had, en ik wilde den stok wel eens zien die lang genoeg zou zijn om De Vargas te raken.”

„Neen, het zou niet voor het eerst zijn,” antwoordde Velasquezs met verachting, „dat een geestelijke op een man van den tabbaard den dolk of het vergift gebruikte; maar ik veracht u en uws gelijken; dit is mijn steun.” Dit zeggende, sloeg hij op het gevest van zijn rapier.

Toen De Vargas wilde antwoorden, zeide de Hertog, die gedaaan had, alsof hij hun twist niet gehoord had „Zwijg! – Velasquez heeft gelijk!” waarna hij vervolgde: „Gedane zaken nemen geen keer.”

„Dewijl de vlag toch weg is, zoo zullen wij er niet verder over spreken, en daar de gevangenen met de wapens in de hand zijn gegrepen, zoo komt het mij voor, dat zij hoe eer hoe beter moeten gestraft worden; met muiters behoeft men niet naar krijgsgebruik te handelen: zij hebben allen den strop verdiend.”

„Sta mij toe te zeggen, Excelensia!” zeide Velasquez, „dat er één bij is, die, door een belangrijke ontdekking te doen, van Perea lijfsgenade heeft bekomen”.

„Dat dot niet af,” zeide De Vargas, „men behoeft zijn woord niet te houden tegen een oproermaker; ook is Signor Pera dood.”

„Zijn woord kan niet verbroken worden,” hernam Velasquez koel, zonder het woord tot De Vargas te richten, „hij gaf het als vertegenwoordiger van uw Excelencia: het heeft dus volle kracht!”

„Dat is zoo,” zeide de Hertog, „het leven zij hem dan, hoe ongaarne ook geschonken.”

„Dewijl Signor Velasquez zoo goed van de zaak onderricht schijnt, zal hi mogelijk wel in staat zijn, om nauwkeurig te zeggen, wat Perea beloofd heeft,”   zeide De Vargas.

Velasquez scheen echter niet gezind om te antwoorden, en bewaarde een verachtend stilzwijgen, waarom de Hertog hem aansprak en zeide: „Wees zoo om goed te antwoorden, Signor! ik verzoek het u.”

Velasquez boog en zeide: „Signor Perea heeft hem op zijne eer beloofd, dat hij niet met zijne makkers zou opgeknoopt worden; en toen de ongelukkige nog meer zekerheid verlangde, heeft hij gezegd, dat hij op hem kon vertrouwen.”

„Gij hebt volkomen gelijk, Signor!” zeide De Vargas schielijk; „het zou dus onrecht zijn, hem op te hangen; maar om het recht niet op te houden en het woord van den Capitan niet te breken, kan hij geradbraakt worden; wij rechtsgeleerden weten overal raad voor.” Moeite hebben om een vergenoegden grimlach te onderdrukken, ging hij zitten en wreef zijne handen.

„En het is in uw bijzijn, Excelencia!” riep Velasquez met hevigheid, nadat hij een oogenblik De Vargas met stomme verbazing had aangezien, „dat deze man zulk een voorstel durft te doen: indien de éér zoo met voeten vertreden mag worden, wie zal dan voortaan een edelman vertrouwen? wie zal de soldaten des Konings willen aanvoeren?”

„Waarlijk,” antwoordde de Hertog glimlachende, die insgelijks met verwondering het voorstel gehoord had; „indien Signor de voorzitter al met recht den naam verdient van iemand te zijn, die zeer geschikt is om een gerechtszaak, hoe zij ook staat, op het schavot te doen uitloopen, zoo zullen wij hem echter in dit geval tot wegwijzer nemen. Op mijne eer! hij schijnt slecht bekend te zijn met de eer van een krijgsman. – Wees derhalve gerust, Velasquez! ik zelf zal nader over deze zaak beslsossen. Maar nu moeten wij nog aan uwe soldaten denken: de krijgstucht is de ziel van een leger; zij hebben eerst geweigerd te stormen, toen hun bevelhebber te volgen, en die zijn zaken, die voor een gemeen soldaat den dood na zich slepen.”

„En toch zou ik uwe Excelencia verzoeken hun genade te schenken,” zeide De Vargas schielijk, voordat Velasquez nog antwoordde.

„Dat is wat nieuws,” zeide de Hertog, „dat woord ben ik van u niet gewoon; het zal niet gezegd worden, dat ik het eerste verzoek tot genade, dat Juan de Vargas mij gedaan heeft zoo dadelijk van de hand gewezen heb. Laat eens hooren, waarom gij dit verlangt.”

„Omdat het soldaten zijn, Excelencia!” antwoordde deze; „indien het burgers waren……”

„Zoo zoudt gij er voor zijn om hunne goederen verbeurd te verklaren niet waar?” vroeg de Hertog grimlachende.

„In dat geval zou ik u niet lastig valllen; uw Raad zou er u spoedig van ontdoen,” antwoordde De Vargas, „maar het zijn soldaten; uwe Excelencia zal misschien de krijgsbendne noodig hebben; zij zijn niet te sterk wanneer Oranje zijn volk over de grenzen werpt. Zend hen naar een gevaarlijke post; indien zij dien behouden, is het goed; indien zij sneuvelen zoo redt gij daardoor het leven van dapperder mannen.”

„Ik dach wel, dat uwe genade niet veel te beduiden zou hebben,” zeide de Hertog. „Signor Velasquez! hebt gij ook iets ten voordeele van uwe soldaten te zeggen?”

„Men geeft te kennen, Excelencia!” antwoordde deze met waadigheid, „dat er dapperder soldaten bestaan, ik geloof het niet: de naam van Onoverwinnelijken is hun niet voor niets gegeven; zijn zij niet in de bres gesprongen, toen ik hen voorging? Wat wil men meer? ieder heeft somtijds een oogenblik, dat hij aarzelt wat te doen; wanneer men een krijgsman als een slaaf behandelt, wanneer men hem dwingt dingen te doen, die hem in zijne oogen verachtelijk maken, zoo behoeft men zich niet te verwonderen, dat hij op he laatst niet meer gehoorzaamt.”

„Gij zoekt hen te verschoonen, Signor?” zeide de Hertog.

„O ja, Excelencia!” hernam Velasquez. „Ik zelf heb mij in hen die onder mijne bevelen stonden beleedigd gevoeld, toen men hen zocht te verlagen; ik zelf heb het zwaard getrokken tegen Perea, nadat het lsot was ingenomen; hij zond mij weg, en zijn dood verhindert hem nu mij  genoegdoening te geven. Even schuldig als mijne soldaten verlang ik geen ander recht dan zij.”

„Hij heeft mij daarvan niet geschreven,” zeide de Hertog driftig. „Met grooten lof spreekt hij van uw gedrag, zonder eenige de minste reden te geven, waarom hij u heeft weggezonden.”

„Dan moet ik zwijgen,” zeide Velasquez met geestdrift. „Zijn edele manier van handelen treft mij, en het zou mij kwalijk voegen hem te beschuldigen, op het oogenblik dat ik verneem, dat hij mij niet aangeklaagd, maar zelfs geprezen heeft.”

„Maar indien ik zeg, dat ik u gelast te spreken,” zeide Alva.

„Dan zal ik, hoe ongaarne ook, gehoorzamen,” antwoordde Velasquez, zich buigende. „Gij moet dan waten, Excelencia! dat hij de soldaten gedwongen heeft, om als beulen met de krijgsgevangenen te handelen; dat hij, na er één te hebben laten doorschieten, een tweeden op een brandstapel heeft laten sleepen, en dat alleen een tijdige bekentenis den geus heeft bewaard, om in het vuur te sterven dat mijne soldaten moesten aanbrengen. Hoe kan het nu nog vreemd voorkomen, dat zij geweigerd hebben, het ’s nachts in het slot te volgen! Nooit worden de wetten der eer en der menschelijkheid straffeloos verkracht.”

„Gij vergeet,” zeide de Hertog, zijn voorhoofd rimpelende, „dat het lieden waren, die God en den Koning verraden hadden; ik ben verwonderd u zoo verbaasd te zien over hetgeen men verricht heeft, om hun verstokt gemoed te buigen.”

„Onmogelijk het het uw wil geweest zijn, Excelencia!” riep Velasquez. „Zij zijn schuldig het is waar; maar waarom soldaten tot zulk een werk gebruikt tegen verdoolden, die moedig en stout is, in de laatste oogenblikken van hun leven, mijn leven nog gespaard hebben!”

„En indien ik u zeg, dat ik Perea’s gedrag goedkeur,” zeide Alva driftig, terwijl hij Velasquez van het hoofd tot de voeten bezag.

„Dan zou mij iets anders overblijven, Excelencia!” hernam Velasquez met waardigheid, terwijl hij opstond, „dan het zwaard ter zijde te leggen, dat niet meer met eer den Koning zou kunnen dienen; ik stel geen prijs op het bevel over soldaten, die als beulsknechts gebruikt worden; mijne eer en mijn geweten gebieden het mij.”

De Vargas zag met genoegen, dat des Hertogs gelaat doodsbleek werd, en hoe deze de muts van het hoofd afrukte, en op tafel wierp. Ook bedroog hij zich niet, toen hij het onweder, dat hij reeds tweemaal boven zijn hoofd had zien samentrekken, op dat van den edelen Spanjaard, die hij haatte, zag nederdalen, ofschoon hij zelf niet wist waarom; want tusschen deugd en ondeugd kan geen verband bestaan.

„Gij spreekt stout, Signor!” zeide Alva, schijnbaar bedaard, na eenige oogenblikken, terwijl de beweging van zijn bovenlip en zijn knevel zijn inwendige toorn verried. „Ik geloof, dat ’s Konings stedehouder behoort te weten, wt hij aan een Capitan der soldaten gebieden moet; het zal hem nooit in de gedachten komen de eer van zijn meester te bezoedelen. Ik verwacht van u, noch van iemand aanmerkingen op mijne bevelen, dan van mijn Vorst. Indien iemand ridderlijke deugden hoogacht, dan ben ik het; maar alles wat men te ver drijft, ontaardt in dwaasheid; ik wil mij voor de geuzen niet bespottelijk maken; ik verlang van een ieder gehoorzaamheid voor mijn meester, of ik zal er hem toe dwingen.”

„Ik weiger geen gehoorzaamheid, Hertog!” hernam Velasquez fier! „maar ik weiger de hand te lenen tot het onderdrukken en folteren van gevangenen; uit eigen wil ben ik in het leger gekomen en het staat vrij het te verlaten.”

„Bij het leven des Konings! neen!” riep Alva driftig. „Elk edelman is dienstplichtig en gehoorzaamheid verschuldigd; – indien ik u vraag wie u tot verdediger der soldaten aanstelt, zult gij zeggen; de Koning; – indien ik u vraag, waarom gij de geuzen voorspreekt, zult gij mij antwoorden: om den wil der menschheid; ik weet het!” waarna hij, met de hand op tafel slaande, woedend vervolgde: „Maar ik zeg u, dat gij een gek zijt, en beter hadt gedaan te zwijgen.”

„Het is mogelijk, Hertog!” antwoordde Velasquez bedaard, „Perea heeft mij dit reeds gezegd; ik had echter weinig gedacht, dit hier en door u te hooren bevestigen; maar zoo het al te waar is, dat de landvoogd van mijn meester recht heeft om den Capitan van het groene vendel van Romero te beleedigen, zoo is het zeker, dat Diego de Velasquez recht heeft, en bij de zaligheid van zijn vader gezind is, aan den Hertog van Alva rekenschap van zijne woorden te vragen.”

„Welnu, gij wilt het!” schreeuwde Alva hem toe, zijn haar in de hoogte strijkende en hem met vuur schietende oogen aanziende; „welnu, gij hebt het! – In naaam des Konings beveel ik u, aanvoerder van zijn leger om uw zijdgeweer over te geven – gij zijt gevangen!”

Zonder een woord te antwoorden, haalde Velasquez zijn rapier uit den draagnbad, en stak het vooruit; doch hij naderde den Hertog niet. zijn gelaat was rood van toornen gekwetst eergevoel; het kostte hem veel moeite  het zwaard afte geven, dat hij zoolang met roem gedragen had. Met woede zag hij het verheugde gelaat van den lagen De Vargas, die zich in dezen twist verheugde.

De Hertog stond echter niet op om het zwaard aan te nemen, hetzij hij verwachtte dat Velasquez hem zou naderen, hetzij hij dacht te vergegaan te zijn, en diens edele manier van denken innerlijk niet kon afkeuren, of dat hij zich verheugde in de onaangename houding van Velasquez: hij bleef stil zitten. toen begon zijn gelaat minder gestreng te worden; zijne rechtvaardigheid overwon zijn toorn, en zeide hij zacht: „Signor De Vargas neem mijn degen.”

Deze stond dadelijk op; doch hetzij hij zich, door zijne drift om Velasquez te vernederen, liet medesleepen, of dat hij den Hertog verkeerd verstaan had, hij trad in plaat van naar den degen des hertogs, naar Velasquez, voornemens zijnde om hem het rapier uit de hand te nemen.

Zoodra Velasquez hem zag aankomen, begon zijn arm te beven, dien hij tot nog toe onbeweeglijk gehouden had, en zijn gelaat werd bleek. Reeds naderde de hand des voorzitters van den bloedraad de greep van den degen; dit was te veel! onwillekeurig bracht Velasquez zijn linkerhand, achter den rug om, aan het hecht van zijn dolk. De Vargas, die de veranderingen van het gelaat de Capitans opmerkte, en diens arm, om welken een doek gebonden was, onder den mantel zag verdwijnen, trad terug; hij aarzelde; zelfs in tegenwoordigheid van Alva gevoelde hij den moed niet om het bevel uit te voeren.

De Hertog had zijne handelswijze in stilte gadegeslagen; hij liet hem begaan, en begreep, hoe pijnlijk dit oogenblik voor Velasquez zijn moest. De haat en vrees, welke in de gelaatstrekken van De Vargas te lezen stonden, waren oorzaak, dat de Hertog het niet noodig keurde den krijgsman in diens tegenwoordigheid verder te vernederen.

„Wat doet gij? geef mij mijn degen, Signor!” riep hij driftig, terwijl hij opstond, „gij zijt de man niet, die ik verkiezen zou, om een man van eer te ontwapenen.”

De Vargas gehoorzaamde zwijgend, en gaf nu Alva den gevraagden degen. Het verheugde hem aan het gevaar ontsnapt te zijn, en toch griefde het hem, dat een ander dan hij Velasquez zou ontwapenen. Eenigen tijd bezg de Hertog het lemmer, nadat hij het een eindweegs uit de scheede gehaald had; liet hij het weder naar binnen glijden, zag Velasquez aan en zeide: „Geef mij uw degen, Signor?”

Velasquez, die den arm had laten zakken, gaf hem het staal over, waarna Alva langzaam vervolgde: „Neem nu den mijnen.” Dit zeggende, reikte hij hem zijn degen toe, en toen hij zag, dat Velasquez aarzelde en niet wist wat hij doen zou, zeide hij: „Neem dezen degen Signor! ik droeg hem bij Ingelstadt; – ik schenk hem u.”

Verwonderd nam Velasquez het kostbare rapier aan, waarna de Hertog met waardigheid vervolgde: „De landvoogd des konings van Spanje heeft nu met den Capitan van Romero afgedaan. – Wat heeft Don Diego de Velasquez nu aan Ferdinand Alvares de Toledo te zeggen?”

„Vergeef mij Excelencia!” zeide Velasquez zich buigende, „hoe zal ik uitdrukken, wat ik gevoel? onze toestand is zoo verschillend.”

„Dat is waar,” hernam Alva fier, „ik ben twee en zestig jaren, en gij zijt in de kracht uw levens; maar dit verhindert hij miet, om, waar het noodig is, mijns meesters legers aan te voeren, of in den kamp mijne eer te verdedigen, wanneer men haar aanrandt.”

„Wie zoudat beter weten dan ik, Excelencia!” zeide Velasquez met vuur, „ik, die u zoo dikwijls aan onze spits gezien heb? Maak de maat uwer goedheid vol; laat mij nu vertrekken, en vergeef mij hetgeen ik gezegd heb. Waarom heb ik ook een woord opgenomen, dat u in uwe drift ontsnapt is?”

„Welnu, het zij zoo, Signor?” zeide de Hertog, na zich eenige oogenblikken bedacht te hebben: „Ik weet, dat noch een laffe vrees voor uw leven, noch een laagheid, die een edelman niet past, u alsdus doet spreken. Vergeet echter niet Signor! dat de landvoogdij, die zwaar weegt, dikwijls, handelwijzen noodzakelijk doet worden, die men anders zou afkeuren, en die maakt, dat men lieden moet gebruiken, die men veracht.” Dit zeggende, zag hij naar De Vargas, die met verwondering en nijd het bedrijf den Hertogs gezien had. „Voorheen Velasquez! dacht ik evenals gij; maar mijne zending is hier niet die van vrede; de dienst van God en mijn meester dwingt mij dikwijls strenge middelen aan te wenden. Waar zijn de tijden, dat ik een ander werelddeel, in Duitschland of in Italië, onze krijgsbende aanvoerde?” Hier zweeg hij, en een droevige grimlach kwam op zijn gelaat, waarna hij vervolgde: „Is de Corredor, dien ik Perea geleend heb, ook mede teruggekomen, Signor?” want met recht op zijn ouden dag van gierigheid beschuldigd, wenschte Alva het geschenk terug te bekomen, dat hem veel waard was.

„Ja, Excelencia,” antwoordde Velasquez.

„Dat zal ik u verzoeken, hem naar mijn stal te laten brengen. Laat de soldaten hunne kwartieren betrekken; morgen zal ik hen monsteren. Signor De Vargas zal ik naar Gorcum zenden om alles nog eens te onderzoeken, en de gevangenen naar Antwerpen laten brengen, ten einde over hen naar mijn goedvinden te beschikken; gij kunt nu gaan.”

Dit zeggende gaf hij Velasquez een wenk om te vertrekken, en nadat deze het rapier van den Hertog in den draagband gestoken en zich gebogen had, verliet hij het vertrek, terwijl hij een verachtende blik op De Vargas wierp.

908SR15.gif (1832 bytes)

Vertaling van het vonnis:

„Gezien door mijnen heere de hertog van Alva, markgraaf van Coria, enz. luitenant gouverneur en kapitein generaal voor den Koning onzen heer uit den lande van herwaarts over. De defaulten geobtineerd door den procureur generaal van zijne Majesteit, impetrant van crimineel mandement en eischer ten eenre, op ende jegens Pieter Jabobse, broekmaker, Annetje Berger, Cornelis Schaeptman, arbeider, Jacobus Wouters, daar de Pelikaan uithangt, alias Scheele Jakob en Hans Huges, muilezeldrijver, waard, in het Verloren Schaap, alias Duiveljager, allen huislieden en burgers der stad Utrecht, respectievelijk ingedaagd om zich in persoon te sisteeren voor zijne Excellentie of die van zijnen Rade, om daar te komen verantwoorden van hunne vlucht, afwezigheid of latitatie, ter oorzake van de verdelene beroerten, wegens contumacie wettelijk ontstoken zijnde van alle exceptiën en defensiën ter andere zijde. Te weten de voorzeide Pieter Jacobse en Annetje Berger bijgestaan door pernitieuse predikanten sectarissen, en een van deze gebracht uit de stad Kuilenburg, om te prediken in het dorp Wijk bij Duurstede; en de genoemde Cornelis Schaepman, arbeider en Jacobus Wouters alias Scheele Jacob, als hebbende ook geleid en wapenen gesouteneerd dezelve predikanten, de laatste zeer berucht, ja zelfs, bij zijn eigen zeggen een beeldstormer geweest te zijn, en tijdens het breken der beelden met luider stemme geroepen te hebben: vervloekt zijn de handen, die ze gemaakt hebben, en gezegend die ze verbreken; en Hans Huges, waard in het Verloren Schaap, van in zijn huis geherbergd te hebben onderscheidene sectarissen en edellieden, te Saint-Troud onderteekend hebben het afschuwelijke en verfoeilijke verbond en samenspanning; en te hebben getracht voorzien zijnde van een degen en twee pistolen, een van de wacht van wege de magistraat geordonneerd, te dwingen om te roepen: vive les gueux; ook gezien de informatiën geëxhibeert door de gezegende procureur generaal, tot bekrachtiging van de daadzaken hierboven gemeld; te zamen de acten en exploiten daarbij gevoegd, en in het bijzonder de acte van eisch, ontzegging van de gezegde ingedaagde van alle exceptiën en defensiën.”

„Zijne Excellentie vuideerende de profijten van de gezegde defaulten en verweringen, bant de gezegde ingedaagden en een ieder van hen eeuwigdurend en voor altijd, op straffe van de galg, uit alle landen en heerlijkheden van zijne Majesteit, en confisqueerende al hun goederen, geene uitgezonderd, ten voordeele van zijne voorzeide Majesteit”

„Gedaan te ’s Hertogenbosch, den 13den dag van December 1570.”

908SR15.gif (1832 bytes)

21e hoofdstukInhoudopgave Oltmans23e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)