J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL II – HOOFDSTUK 23

De galg wordt gereed gemaakt voor een executie

E.gif (3520 bytes)en tijdlang zat de Hertog in diepe gedachten verzonken, terwijl het roeren van de trom te kennen gaf, dat de soldaten aftrokken, waarna hij de muts weder opzette, die hij te voren had afgeworpe, en zeide: „Vergeefs zal de listige Oranje zijn volk laten inrukken; de Emisario is dood en keert niet terug; maar de Koning en ik hebben veel verloren; Lorenzo Perea was imand, op wie men zich kon verlaten, stout, dapper en tevens niet kleingeestig; het was alles, wat men verlangen kon.”

„Het zal uwer Excelencia niet moeilijk vallen zijne plaats te vervullen: elkeen zal verlangen uw vertrouwen te verdienen: het ontbreekt Spanje nog niet aan een moedigen adel, en eer en belooning zullen u weldra iemand doen vinden, die even moedig is, en toch edeler denkt dan Perea,” antwoordde De Vargas.

„Zooals gij, bij voorbeeld, Signor Licenciado!” hernam de Hertog spottend. „Zult gij dan nooit afleeren iemands eer en goeden naam te bekladden? maar ik weet, dat gij Perea nooit een goed hart hebt toegedragen; ik heb dat reeds voorlang bemerkt.”

„Het is zoo, Excelencia!” antwoordde De Vargas, „ik verberg het niet; ik heb mij nooit bekreund om zijne vriendschap; want hij was die niet waardig!”

„Ziedaar iets nieuws, Licenciado!” zeide de Hertog schamper. „Het zou u zeker tot eer verstrekt hebben hem onder uwe vrienden geteld te hebben; maar zou de reden van die overschilligheid ook gelegenzijn in hetgeen te voren tusschen u en een uwer bloedverwanten gebeurd is of in de verdwijning van een groot getal penningen, die gij in Spanje ambthalve onder uwe berusting hadt, en die Perea nooit gekregen heeft?”

De Vargas verbleekte sterk, toen de Hertog eindigde; doch hij verborg zijne ontsteltenis, en zeide: „Uwe Excelencia spreekt van zaken, die reeds zeer lang geleden en geheel afgedaan zijn; maar ik zie, dat Perea zijn woord niet gehouden heeft, hij heeft met u over zaken gesproken, waaraan ik onschuldig ben; ik weet dus niet, waarom ik langer zwijgen zou: hij zelf heeft ons verbond verbroken.”

„Onschuldig!” riep Alva lachende. „Ik moest het dan niet beter weten! maar stel u gerust, ik verzeker u op mijne eer, dat Pera nooit over u tegen mij gesproken heeft; hetgeen ik zeg, ben ik langs andere wegen te weten gekomen! Juan de Vargas! ik ken u beter dan gij denkt, en wat dat verbond betreft, hoor, Signor Liceciado! de leeuw zoekt een prooi zijns waardig, en evenzoo deed Perea; maar de jakhals aast op krengen; hij heeft alleen den moed dooden te verslinden; dit doet gij. Geloof mij, Lorenzo verachtte u te zeer om over u te spreken of u te benadeelen.”

„En toch was hij het, die uwe verachting verdient, Excelencia!” riep De Vargas buiten zich zelve van woede. „Ik, Juan de Vargas, verklaar, dat hij uw vertrouwen onwaardig was; reeds lang had hij zijn rif tusschen hemel en aarde, anderen ten afschrik, den vogelen des hemels tot spijze moeten verstrekken.”

„Nooit zal men in mijne tegenwoordigheid eens edelmans eer straffeloos bezoedelen,” antwoordde de Hertog toornig; „gij zult naderhand dit oogenblik vervloeken. Spreek op, wat heeft hij dan gedaan?”

„Wat de edelman gedaan heeft? Excelencia!” hernam De Vargas schielijk, „hij heeft zijn vriend, den edelen De Mailla, vermoord, hier niet ver vandaan op de heide, geholpen door den Italiaan D’Avillar.”

„Op mijne eer! dat is te veel,” schreeuwde Alva woedend, „gij zult mij bewijzen, wat hij gezegd hebt, of God moge u genadig zijn!”

„Dat zal niet moeilijk vallen,” antwoordde de Vargas met zelfvoldoening, terwijl hij zijn wambuis openknoopte, dat hij onder zijn tabbaard droeg. „De Vargas is de man niet om zich onverhoeds te laten overvallen; te allen tijde moesten de bewijzen voorhanden zijn om Perea in ontzag te houden. Ziehier Excelencia! de papieren, welke ik steeds bij mij heb gedragen;; wees zoo goed om ze in te zien.”

De Hertog nam schielijk de papieren aan, die De Vargas uit een binnenzak van zijn wambuis haalde, en begon aandachtig te lezen. Naarmate hij vorderde, werd zijn gelaat hoe langer hoe donkerder, en zijne handen beefden van ontsteltenis of kwaadheid. Langen tijd in Perea vertrouwen gesteld hebbende, viel het hem hard dengene te moeten verachten, dien hij nog zoo kort geleden de hand gedrukt had, en van wien hij dacht, dat hij steeds aan de eer getrouw was gebleven, en wiens dood hem zoo zwaar gegriefd had.

Reeds had hij de papieren doorloopen, waarvan sommige door den Boodschapper geschreven waren, toen De Vargas, die zijne vreugde niet kon betoonen over de overwinning, die hij nu behaalde, dit door een vergenoegd lachen aan den dag legde.

De Hertog, in zijne overdenkingen gestoord, zag over het blad papier, dat hij inn de hand hield, naar degene,die tegenover hem zat. Het hinderde hem te moeten bekennen, dat hij zich in iemand bedrogen had, en hij werd gebelgd, dat een nietswaardige, zoo hij dacht, met zijn leed spotte; en langzaam doch somber, zeide hij: „Den aan Jan Growel, hij, die het laatst lacht, Signor! zal van geluk mogen spreken.”

IJskoud was de blik des Hertogs, zoowel als zijne woorden. De Vargas las zijn vonnis in den opslag van des Hertogs oogen en beefde.

„De dood van den Italiaan en van Perea verwondet mij mu niet meer,” vervolgde de Hertog langzaam; „maar ik sta verbaasd, hoe gij nog hebt kunnen twijfelen aan de straf der goddelijke gerechtigheid, gij, die van het schelmstuk kennis droeg.”

De Vargas zweeg, weshalve Alva driftig voortvoer: „Maar het zal u mogelijk gemakkelijker vallen te zeggen, u, Licenciado! die geheel uw leven met gerechts- en ongerechtszaken versleten hebt, welke straf degene verdient, die het recht verkocht heeft; die, in den Raad van Beroerten zittende, uit laffe vrees voor zijne eigen huid, een ander gespaard heeft. Ja,” vervolgde hij met verheffing van stem, „indien Perea niet gesneuveld ware, zou ik nog dezen dag zijn hoofd, met de lauweren van Loevestein omkranst, doen afslaan, en noch zijn rang of zijne verdiensten, noch de herdenking der goedheid, die ik voor hem gehad hebben, zouden zijn kop kunnen redden, – en zoo ik bij de Nederlander voor een dwingeland doorga, zoo wil ik hen dezen dag noodzaken mijne rechtvaardigheid te roemen; want de zon zal niet ondergaan, voordat gij uwe misdaad met den strop geboet hebt!”

Dit zeggend, klopte de Hertog hevig met den knop van den dolk op de zilveren schaal, waarop de inktkoker stond.

De groene roededrager trad binnen, om zijne bevelen te vernemen, terwijl De Vargas zijn gelaat in de handen verborg.

„Laat dadelijk een Aspessado met drie soldaten in het voorvertrek komen,” zeide de Hertog: „laat order aan de scherprechter geven, om terstond alles gereed te maken, wat tot de galgstraf behoort. Mijne lijfwacht rukke uit en bezette den toegang tot de strafplaats, de poorten worden gesloten, en de doodsklok verwittige den burgers, dat des Konings gerechtigheid gereed is een misdadiger te straffen. Ga heen, en doe zooals ik u gezegd heb.”

„Het zal geschieden, Excelencia!” hernam de verbaasde roededrager, diep buigende, en de deur werd gesloten.

„Gij ziet,” vervolgde de Hertog, toen zij weder alleen waren, „dat ik er den gek niet mee steek; gij hebt mij klaar bewezen, dat Perea een schurk was, maar ook u zelven aan mij als een zoodanigen doen kennen; gij hebt hem de mom afgerukt, verheugt u daarover, maar gij hebt ook zelven, in al uwe hatelijkheid ontbloot, voor mij vertoond, – ik ken u nu, Juan de Vargas!”

„Gij zult mij dan veroordeelen zonder mij te hooren?” zeide deze bedremmeld. „Ik bid u, Excelencia! heb medelijden met mij; jaren lang heb ik vuur u en voor ’s Konings dienst mijn leven gewaagd, en mij de grievendste beleedigingen getroost; vergeef een oogenblik van verzuim. Voor Perea bevreesd, heb ik deze zaak laten rusten, die alleen tot nadeel van de eer der Spanjaarden kon uitvallen; ik heb misdaan, dat erken ik; maar deze aanklachten indertijd door een onbekende gedaan, en door den Emisario herhaald, waren niet geloofwaardig genoeg, om een edelman, die uwe gunst genoot, in rechten te betrekken; ook behoorde het niet tot de werkzaamheden van den Raad.”

„Gij vergeet,” antwoordde de Hertog bedaard, „dat gij en de Raad wel van meer zaken hebt kennis genomen, en dat gij op veel losser gronden honderden burgers hebt verbannen en vervolgd.”

„Dat waren rebellen, Excelencia!” zeide De Vargas zacht. „Ik bid u, schenk mij genade, vernietig mij niet; ik weet het, mij leven is in uw hand; red mij van de galg.”

„Hoe zoo, Licenciado?” hernam de Hertog schamper. „Denkt gij dan, dat de jaren mijn geheugen zoo verzwakt hebben, dat ik niet meer weten zou, hoe dikwijls gij mij gezegd hebt, dat de strop een zeer gemakkelijke straf is? gij zelf kunt het nu onderzoeken, door de praktijk bij de theorie te voegen, en eer er een uur verstreken is, zult gij weten wat er van is.”

„Gij zult mij niet doen sterven zonder vonnis,” zeide De Vargas op een vasten toon, want ziende, dat de Hertog niet te bewegen was hem vergiffenis te schenken, besloot hij een anderen weg in te slaan: vrees voor den dood gaf hem moed.

„Uw vonnis is reeds uitgesproken,” hernam de Hertog koel.

„Maar niet volgens de wetten,” hernam De Vargas, terwijl hij het angstzweet dat van zijn voorhoofd druppelde, afveegde, „Uwe Excelencia heeft de macht niet om het recht te verkorten; ik verkies gebracht te wroden voor mijne rechters, die mij schuldig verklaren of niet.”

Nos curamus vestros leges” zeide de Hertog spottend in het Latijn, doelende op hetgeen De Vargas gezegd had, toen hij den oudsten zoon de prinsen van Oranje te Mechelen van de hoogeschool had weggevoerd.

In dit oogenblik werd de deur geopend; de roededrager trad binnen en zeide: „De bevelen van Uwe Excelencia worden uitgevoerd; de Anspessado wacht in het voorvertrek nadere bevelen.”

De Hertog boog met zijn hoofd tot teeken van goedkeuring, en zeide: „Ga heen! ik zal hun nader mijn wil doen kennen,” waarna hij vervolgde, toen deze vertrokken was: „Het dunkt u goed om te zeggen, dat ik de macht niet heb; ik, die het hoofd van Egmond heb doen vallen, ik leg hij  in de schaal tegen uw geheelen romp, en toch zal het zwaarder zijn. Weet gij niet, dat een pleitgeding gemakkelijker kan opgemaakt worden na dan vr de straf; wan tals de uitslag bekend is, valt het slaan van het vonnis niet moeilijk.”

„Uwe Excelencia vreest dus niet, dat men u rekenschap zal vragen van mijn dood?” vroeg De Vargas angstig.

„Wel neen!” antwoordde Alva, schamper lachende, „wel neen, Licenciado! morgen wordt uw sententie in den Raad opgemaakt en geteekend. Het geheel land zal juichen over uwe val; overal zal men vreugdevuren branden, en hen alleen, die gehoopt hadden zelven u den hals te breken zal het smarten, dat gij hun ontnomen zijt.”

„Vreugdevuren?” bromde De Vargas zacht, „en wat zou men dan wel doen, als hij werdt weggerukt? koelbloedige moordenaar!” Waarna hij luid vervolgde: „Gij vergeet dus, Excelencia! dat ik u in de zaak van Carlo en Risior trouw gediend heb. Heb ik toen niet voor uw leven gewaakt? Ik verkies de belooning niet, die gij mij toen beloofd hebt; behoud uw goud, maar schenk mij het leven.”

„Dien dienst hebt gij mij ambtshalve bewezen; maar nooit verbrak ik mijne belofte; nog dadelijk zal ik u de belooning doen toetellen,” antwoordde de Hertog. „Nu heb ik wel voor het wereldsche gezorgd, maar nog niet voor het geestelijke. Begeert gij den prior der Minnebroeders, of wilt gij een anderen geestelijke spreken?”

„Kan die mij van de galg redden!” vroeg De Vargas schielijk, en evenals iemand die, in het water gevallen, zich aan een stroohalm vasthoudt, en zijn leven denkt te redden.

„Neen!” hernam de Hertog koel, „maar hij kan u met God verzoenen.”

„En hoe zal hij, die mij hier niet redden kan, mij mijne zondern vergeven!” riep De Vargas. „Neen, ik wil hem niet zien; al de papen van de geheele wereld kunnen mij niet hunne mommerijen geen vergiffenis doen verwerven voor hetgeen ik gedaan heb.”

„Zwijg!” antwoordde Alva driftig, „staak uwe godslasterende taal tegen de heilige moederkerk. Nog eens, wilt gij een geestelijk spreken?”

„Neen!” schreeuwde De Vargas, „neen! zij zullen zich met mijn goed en bloed niet mesten.” Dit zeggende, verborg hij het hoofd in zijne handen. De trom liet zich hooren, de lijfwacht bezette het schavot, het gejoel der menigte konigde de tegenwoordigheid van een groot getal nieuwsgierigen aan. Toen hoorde men een geluid, alsof twee stukken hout tegen elkander aanstieten. De Vargas bewoog zich krampachtig; niet voor het eerst van zijn leven hoorde hij dit geluid: het was de dubbele ladder, welke tegen de galg werd aangezet. Het gemeen begroette de verdoemde trap met een luid gejuich. De Vargas beefde, en zijne tanden klapperden; nu en dan liet hij een akelikg gejammer hooren, en hij, die zooveel vonnissen lachend geslagen had, hij, die in ditzelfde oogenblik met zijn angstzweet eenige daarvan, die voor hem lagen, bevochtigde, was zelf geheel verpletterd, omdat het zijne was uitgesproken.

De Hertog zag hem zwijgend en met verachting aan: die vrees voor den dood on hij niet begrijpen, hij, die zoo dikwerf zich onder het berei van het vijandelijk lood gewaagd had. Den dolk opnemende, dien hij te voren op de tafel had geworpen, en wiens hecht bijna de bevende hand van De Vargas raakte, stak hij weder in zijn gordel; want ofschoon hij den dood noch De Vargas vreesde, zoo oordeelde hij den laffen, wraakgierigen Spanjaard tot alles in staat, hij wist, dat zij, die den moed niet hebben om het zwaard te voeren, dikwerf door de wanhoop kracht genoeg bezitten, om een laffen moord te begaan.

De doodsklok die nu geluid werd, deed den Hertog weder aan iets anders denken. Akelig klonken de tonen van het metaal, en drongen De Vargas door merg en been.

„Zijt gij gereed?” vroeg de Hertog bedaard.

De Vargas antwoordde niet, maar bleef stil voorover op de tafel liggen, Plotseling sprong hij echter op. De onzekerheid is de grootste pijniging; men heeft menschen gezien, die den nacht voor hunne terechtstelling slapeloos doorbrachten, om voor hunne vensters het tooneel te zien opslaan, waarop zij den anderen dag zouden verschijnen, en die evenals een kundig bouwmeester, aandachtig aanzagen, hoe alles stuksgewijs werd in elkander gezet; men heeft er gehad, die oplettend de bijl bezien hebbe, die hun hoofd zou doen vallen, alsof het een wapen ware, hetwelk zij zich wenschten aan te schaffen, en welks deugdzaamheid en waarde zij wilden onderzoeken. Zoo deed ook De Vargas: hij wilde zien wat er voorviel; zij haar stond steil in de hoogte, ofschoon het anders glad bij zijn hoofd nederhing; zijne oogen waren dof en rolden wild door zijn hoofd; zijn gelaat was blauw; het zweet liep er met groote druppels langs; angstig wrong hij zijne handen, en als zinneloos staarde hij door het raam.

Hij zag, hoe het volk uit de straten op de markt stroomde en met moeite door de soldaten in bedwang werd gehouden, en hoe eenige jongens op de luifel vr het boterhuis geklauterd waren, en anderen toeriepen om zich bij hen te voegen. Hij zag, hoe een der knechts van den scherprechter, de koord aan een der spijkers van den dwarsbalk vastgemaakt hebbende, daaraan ging hangen, om er de deugdzaamheid van te beproeven, en daarna weder op de ladder sprong. Een groot gedeelte van het volk juichte zijne vlugheid toe, en onder een daverend handgeklap en geschreeuw van goedkeuring, klom hij, zijne muts afnemende, naar beneden, met de houding van iemand, die aan dergelijke gunstbewijzen gewoon en van zijne verdiensten overtuigdd is. De doodende koord werd nu door den wind heen en weder geschommeld; De Vargas zag den strop, die weldra zijn hals omvatten zou.

„Neen!” riep hij zich opeens omkeerende, „ik wil niet sterven: neen, Hertog! gij zult mij niet laten ombrengen: mijn leven is nuttiger dan mijn dood.”

„Ziedaar wat nieuws,” zeide Alva langzaam. „Zij gij gereed? uw tijd is dr, waarom iets langer uitgesteld, dat toch plaats moet hebben?” en hij maakte zich gereed om te roepen.

„Ene vraag, Excelencia! ne vraag nog, en ik ga,” zeide De Vargas schielijk, zich aan de leuning van den stoel vasthoudende.

„Spreek! wat wilt gij weten!” antwoordde Alva driftig, „haast u; want ik moet u uw geld nog laten toetellen: het is beter laat dan nooit.”

„Wien zult gij na mijn dood als voorzitter in den Raad benoemen?” vroeg De Vargas langzaam.

„Dat is niets, dat is mijne zaak,” hernam de Hertog; „die plaats zal niet moeilijk te vervullen wezen.”

„Zooals gij denkt, Excelencia!” riep De Vargas; „maar gij weet niet, wat het zeggen wil om dat ambt waar te nemen. Telt gij het niet, om den haat van een geheel volk, om de verachting van elken weldenkende ten eeuwigen dage op zich te laden, en mogelijk voor eeuwig hiernamaals verdoemd te zijn? Waar vindt gij iemand, die, evenals ik, het een noch het ander vreest, en er mede lacht? Ge zelf, Excelencia! waarom zit gij zelf niet meer voor in den Raad? Waarom ben ik alleen genoodzaakt het werk te verrichten? Ofschoon de twee leden Del Rio en Hessels nu en dan als eens verschijnen, geloof daarom niet, dat een van hen op den stoel van De Vargas zal durven plaats nemen.”

„Gij dwaalt!” hernam de Hertog: „waarom zouden zij het ambt niet aannemen? Het is, op mijne eer! het eerst, dat ik u daarover hoor klagen. Indien ik het wel heb, is uwe beurs er niet kwalijk bij gevaren, en gij, die, toen gij naakt uit Spanje kwaamt, geld moest leenen om een tabbaard te laten maken, zoudt er nu wel duizend kunnen doen vervaardigen.”

„En wat is geld, wat is een ellendige hadn met goud tegen het werk, dat men doen moet?” antwoordde De Vargas bitter. „Hij, die nog eenige eer, menschelijkheid, godsdienst of vrees voor eeuwige straf bezit, kan geen voorzitter wezen. Ik zeg u, Hertog! ik, Juan de Vargas, dat de Raad met recht een bloedraad genoemd wordt; een tweejarige ondervinding heeft mij het bewezen. Eenige grooten mogen schuldig wezen, maar de burgers niet; nooit heeft de Koning getrouwer onderdanen gehad dan het Nederlandsche volk, hij is het zelf, die door bloedplakkaten en door zijne gestrengheid hen tot opstand heeft gedwongen; hij heeft hunne privilegin verkracht. Hun wederstand is wettig; de Koning heeft geen macht, om u met ons volk, herwaarts te zenden, onder schijn van den godsdienst te beschermen, dien God zelf beschermen zal, als Hij  het goedvindt. Laat ieder bidden, zooals hij wil. Wie heeft het recht tusschen God en de menschen te treden? Wat doet er toe, of men psalmen zing op Latijnsche gezangen, die men niet verstaat? Het doet niets af, en ofschoon mij alle godsdiensten onverschillig zijn, zoo weet ik toch, dat in de bijbel van geen ban, paus of papen gesproken wordt; het is alles misbruik en bedrog. Geloof mij, Hertog! niemand zal mijn ambt aanvaarden, zonder dit gewaar te worden; waar zult gij mijn evenbeeld vinden?”

„Zwijg!” riep de Hertog driftig, „staak uwe heiligschennende taal. – En zoo het waar is,” vervolgde hij na eenige oogenblikken te hebben nagedacht, „waarom hebt hij dan niet voorlang bedankt? Hoe hebt gij zooveer kunnen gaan om duizenden te vervolgen, hun strafvonnis mij ter teekening voor te leggen, ja zelfs mij aan te zetten om hen te straffen?”

„Omdat ik geoordeeld heb volgens de wetten, die aan den Raad gegeven zijn,” riep De Vargas. „Een rechter behoeft niet te onderzoeken, want zij dienen hem ten richtsnoer; de verantwoording komt voor hem, die ze gaf en uitvaardigde. Ik wasch mijne handen schoon van hetgeen gebeurd is; het bloed der geuzen kome op het hoofd des Konings, in wiens naam ik gevonnist heb: en nochtans zal het menschdom het aan mij verwijten; ik weet het. Te bewijzen,dat Juan de Vargas in den Raad van Beroerten gezeten heeft, zal genoeg zijn, om hem voor altijd te doen verfoeien.” Hier zweeg hij, dewijl hij vreesde voort te gaan; want des Hertogs oog trok zich dreigend te zamen.

„En toch schijnt gij te vergeten, dat hij, tot wien gij spreekt, den Raad heeft ingesteld”, zeide de Hertog; doch De Vargas antwoordde niet; hij zag, dat de Hertog scheen te peinzen over hetgeen hij gezegd had, en vreesde dezen indruk te verflauwen.

De schimmen van Egmond, Hoorne, de Batenburgs en anderen verschenen voor den geest des Hertogs; hij zag een lange processie van edelen zonder hoofden voor zich voorbijgaan: hij zelf had wel eens getwijfeld, of de weg der gestrengeheid, dien hij den Koning aangeraden, endien hij steeds gevolgd had, wel die den rechts, wel de beste geweest was; en door de woorden van het hatelijke werktuig zijner dwingelandij, die zijn slechtheid en afschuwelijke, koelbloedige wreedheid voor hem in doodsangst ontsluierde, rees opnieuw deze gedachte bij hem op.

Men wachtte De Vargas het gevolg zijner verachtelijke en vernederende bekentenis af, terwijl het snelle klokgelui verried, dat de klok weldra zou ophouden, en daardoor aan het bijeenvergaderde volk op de markt zou berichten, dat spoedig aan hun ongeduld en verlangen zou voldaan worden.

„Neen!” riep de Hertog op eens, terwijl hij zijne hand over de oogen streek, om als het ware de pijnigende droombeelden te verwijderen, welk hem kwelden, „neen, De Vargas! gij liegt. Mijn meester heeft het recht om zijne onderdanen te tuchtigen, wanneer zijn zich aan zijn schepter onttrekken; het hoofd der kerk heeft de macht de ketters te verdoemen en te straffen, die de heilige kerk bespotten en verlaten. De Koning heeft mij de landvoogdij gegeven, en de heilige Vader schonk mij den gewijden hoed en het zwaard.” Dit zeggende, weed hij op het kastje, dat tegenover den schoorsteen stond, waarna hij vervolgde: „Indien zij die macht niet hadden, gelooft gij dan, dat God hun dit zou hebben toegelaten? zou hij dan mijn wapenen gezegend hebben en het hoofd des oproers buiten het land als balling doen omzwerven? Neen! zelfs de twijfel daaraan is reeds strafwaardig.”

Zoo zocht hij zich zelven door drogredenen te verblinden; doch nadenkende, vervolgde hij zacht, dewijl hij zijn verstand niet geheel kon onderdrukken: „en toch, zoo hij eens gelijk had!” waarna hij trots voortvoer: „Dan zouden de Spaanschen Grandes den Hertog van Alva leeren kennen; zij zouden beven voor mijn geweld, het Nederlandsche volk, da mij nu zoo veracht, zou uit mijne hand den palm des vredes ontvangen, jaa aan het hoofd van hen zou ik mij onoverwinnelijk achen. Het zou niet voor het eerst zijn, dat Oranje en ik in het veld de handen ineensloegen: de Koning zou mij in het eind recht doen wedervaren; hij zou mij danken voor het behoud van deze landschappen en het volk, waarvan zijn vader zoo gehecht was, en, zoo Gods stedehouder mij zijne goedkeuring niet schonk, zoo zou Hij, wiens plaats hij hier op aarde vervult, mij die doen geworden. Ja, dit zou ik doen, De Vargas! indien ik kon vermoeden, dat gij niet dwaaldet. Uw gedrag voegt u,” zeide hij bitter; „maar dit zou een Toledo voegen. Doch,” vervolgde hij met vuur, „gij dwaalt: nooit zalmen mijne banier tegen die des Konings zien optrekken; nooit zal deze arm den degen trekken tegen mijn meester; nooit zal deze mond den aanval tegen zijen soldaten bevelen. Dat hij mij gebruike of niet, het staat hem vrij; en zoo hij morgen mijn grijs hoofd verlangt, zal ik zelf het hem brengen; ik kan sterven, ik kan ongelukkig, maar nooit ontrouw aan mijn meester zijn. Maar ik weet dat iedereen niet denkt als ik: de eer wordt alleen onder het harnas gevonden, en dikwerf schuilt hde vrees onder de kleed der rechters.” Hier hield de Hertog op; weder scheen eenige twijfel bij hem op te rijzen, in weerwil van hetgeen hij gezegd had, en hij vroeg schielijk: „Maar welk bewijs geeft gij, dat gij de waarheid zegt, Licenciado?”

„Dat ik de waarheid gezegd heb, Excelencia!” zeide De Vargas – „ik verzeker het op mijne eer.”

„Eer! De Vargas – eer? bedenk wel, wat gij zegt,” antwoordde de Hertog schamper.

„Ik zweer het u bij God, en al wat heilig is!” zeide De Vargas schielijk.

„Gij, die mij gezegd hebt, dat gij geen godsdienst had,” zeide de Hertog verachtelijk, „gij zijt een ketter, een monster, hondermaal verachtelijker dan de laagste geus.”

„Indienik een monster ben, ben ik het geworden door het uitvoeren der wetten; maar bij den duivel en de eeuwige verdoemenis!” riep De Vargas, angstig zijne handen wringende, „ik heb de waarheid gezegd, de bloedraad is onrechtmatig.”

„Een man, die de menschen ter dood veroordeelt met genoegen en tegen zijn geweten, die nooit een stem ten voordeele der onschuld laat hooren, kan aan geen duivel of eeuwige straf gelooven,” riep de Hertog driftig. „Bij het leven des Konings! geef andere redenen, of het is met u gedaan.”

In dit oogenblik hield het gelui der klok op, hetgeen het geschreeuw der menigte nog meer hoorbaar deed worden. In doodsangst wirp De Vargas zich nu voor den Hertog op de knien neder, zijn hoofd op den grond buigende.

„Zoo waar als ik den dood vrees!” riep hij radeloos, „zoo waar als ik een ellendeling ben, dien gij vertredenkunt, Hertog! zoo waar is het, dat ik de waarheid gesproken heb; straf mij, zooals gij wilt, maar laat mij in leven; tot mijn dood wil ik u dienen, overal en in alles, doch red mij van de straf; genade! genade!” Dit zeggende bleef hij liggen; de angst verhinderde hem verder te spreken.

De Hertog zag met verachting naar den ellendeling, en haalde een slip van zijn tabbaard terug, dien  deze in zijne handen vasthield.

„Sta op, De Vargas!” zeide hij koel.

„Niet voordat gij mij genade schenkt,” antwoordde deze zacht.

„Sta op.” riep de Hertog driftig, „ik wil het!”

De Vargas gehoorzaamde. Met moeite richtte hij zich op, en hield zich aan de tafel vast, die door zijn aanraking heen en weder schudde. De Hertog zat met zijn kin en zijn baard op de hand geleund, en scheen in diepe gedachten verzonken; van den uitslag daarvan hing des voorzitters leven of dood af, wiens denkbermogen verstomd was, en die niets meer van het geschreeuw der menigte hoorde, welke met ongduld de terechtstelling scheen t vorderen. Vergeefs zocht hij op het gelaat des Hertogs zijn behoud te lezen; de duisternis, welke reeds begon te vallen, verhinderde hem nauwkeurig te zien, daar deze met zijn rug naar het licht zat.

„Ik wil gelooven, dat gij de waarheid gezegd hebt; ik wil zelfs gelooven, dat gij gelijk hebt,” zeide de Hertog eindelijk langzaam, doch gestreng, „en toch kan ik het niet gelooven; neen, om mijne eer! het is onwaarheid en logen. Het zou dus onmogelijk   zijn een tweeden De Vargas te vinden! vergeefs zou ik naar iemand zoeken, die even verachtelijk is als gij? Het vonnis, dat ik uitgesproken heb, blijft onveranderd; maar de uitvoering er van blijft onbepaald verschoven. Zoo gij ooit weder het recht verkort, al ware het in een zaak, die mijn eigen zoon betrof; zoo gij het waagt een woord te reppen van hetgeen hier is voorgevallen, iets ten nadeel van Perea te zeggen of bekend te maken, dat ik mij in dien ellendeling bedrogen heb, zoo zal het vonnis terstond aan u voltrokken worden; gij zult zelf uwe dagen aftellen. De strop blijft al het ware om uw hals: n woord van u, een enkele daad van onrecht, en hij wordt dichtgehaald. Gebruik den tijd, dien gij nu nog van mij ontvangt, om u tot God te wenden; tracht u met hem te verzoenen, indien het mogelijk is; doch wasch uwe handen niet af van het bloed der geuzen; in naam des Hertogs van Alva worden de vonnissen van den Raad geslagen; hij is er dus hier en hier namaals verantwoordelijk voor. Nooit zal het hem in de gedachten komen u er mede te bezwaren, om zich te verontschuldigen; nooit kan een Toledo met een De Vargas iets gemeens hebben.”

Noch de diepe verachting, zoo sterk uitgedrukt in des Hertogs woorde, noch het gevaar, dat hem in het vervolg steeds bedreigde, kon de vreugde van De Vargas matigen of vergallen. Het gevoel, dat hij zijn leven daaraan te danken had, dat de Hertog het onmogelijk achtte iemand te vonden, die hem in slechtheid evenaarde, hinderde hem niet; neen, het streelde hem zelfs; want het had hem gered.

„Hoe zal ik uwer Excelencia ooit mijn dank kunnen betuigen voor uwe goedheid,” riep De Vargas, zich voor hem willende nederwerpen; doch deze stond op, en zeide barsch: „Voor hetgeen ik gedaan heb, verwacht ik dank noch belooning; hinder mij niet met uwe verachtelijke taal.”

De Vargas veegde zijn gelaat af en trad terug; het antwoord des Hertogs, dat ieder die nog eenig gevoel van eer had, geheel zou verpletterd hebben, trof hem niet, en de gerustheid begon weder op zijn gelaat zichtbaar te worden, ofschoon zijne oogen nog wild in zijn hoofd stonden.

De Hertog nam nu de papieren  op, die hem ter lezing waren overgegeven, en wierp ze in het vuur. „Hetgeen daarin staat,” zeide hij „moet verborgen blijven; gij weet, wat ik gezegd heb.”

De Vargas boog zich zwijgend; doch plotseling trad hij naar het vuur, nadat hij een vluchtigen blik over de tafel geworpen had, en stak de uit om een papier te grijpen, dat nog niet door de vlam bereikt was. Maar de Hertog hield hem vrij onzacht terug, en zeide koel: „Wat wilt gij?”

„De door u geteekende sententie uit het vuur redden, Excelencia!” antwoordde De Vargas.

De Hertog stak nu met een ijzeren vuurtang, die naast den haard stond, ook dit papier in de vlam en zeide schamper:  „Hoe durft gij zoo ontmenscht zijn om deze lieden met geweld te willen vervolgen, na hetgeen gij gezegd en bezworen hebt, die zoo even den dood ontsnapt zijt, en terwijl de beul nog op u wacht; ik verbied u om ooit weder eenige vervolgingen tegen hen op te maken. De vlam heeft de sentensie vernietigd; het vuur heeft hen gelouterd, en de Koning heeft hun genade verleend; niemand mag tweemaal voor dezelfde zaak gevonnist worden.”

„Verkiest uwe Excelencia, dat ik de sentesin verder voorleze?” vroeg De Vargas, eenige oogenblikken daarna, terwijl hij er een blik op wierp, en zooveel wilde zeggen als: „dan zal ik een licht noodig hebben.”

„Neen,” zeide Alva kortaf.

„Beveelt uwe Excelensia, dat ik morgen naar Gorcum ga, om het onderzoek te bespoedigen en te vernemen, wie de ruiter geweest is?” vroeg De Vargas langzaam.

„Neen!” antwoordde de Hertog ongeduldig, „ik wil niet, dat iemand om deze zaak eenige overlast geschiede. Er zijn geene papieren bij den Emisario gevonden; waarom zouden wij dus weder op vermoeden handelen? ja, al ware de ruiter in mijne macht, zoo zou ik hem op vrije voeten stellen; want God heeft zich van hem bediend om een misdadiger te straffen, en hij is de oorzaak, dat ik dezen dag twee menschen heb leeren kennen, die ik reeds meende doorgrond te hebben. Ik gelast u om den kop van den Emisario van Gorkum herwaarts te laten brengen en door den scherprechter aan de galg te laten spijkeren.”

„De belooning, die ik u schuldig ben, en die gij mij herinnerd hebt, zal ik morgen uitbetalen, maar niet aan u; ik zal haar overhandigen aan het Minnebroeders-klooster hier ter stede om zielmissen voor de afgestorven zie van Signor d Manilla, wiens dood door uw toedoen zoo lang ongewroken is gebleven; gij zoudt wel doen die bij te wonen.” Hier eindigde de Hertog, terwijl hij zich naar het raam begaf.

De Vargas pakte zijne papieren bij elkander, nam zijne muts, die hij in zijn angst vertreden had, en vroeg: „Heeft uwe Excelencia nog iets te bevelen?” Deze wees hem echter naar de deur zonder zich om te keeren of te antwoorden, waarna De Vargas zich boog en het vertrek verliet.

Toen hij de deur achter zich dicht sloeg, was het alsof er een zware last van zijn hart was afgewenteld. Nu eerst achtte hij zich gehouden; en zooveel mogelijk zijne aandoening trachtende te verbergen voor degenen, die in het voorvertrek waren, trad hij het snel door, om niet door jonkers en roededragers, die zich daar bevonden, te worden aangesproken, en die, aan een raam bij elkander vergaderd, over iets schenen te redetwisten. Ofschoon zij de ware toedracht der zaak niet wisten en de oogenblikkelijke terechtstelling van iemand in die tijden van geweld niets vreemds was, zoo hadden zij toch nu en dan, niettegenstaande het tapijt, dat vr de gesloten deur hing, de stem gehoord van den Hertog en den voorzitter. Deze haastte zich om den groet van den Anspessado te beantwoorden, die met zijne manschappen op het bevel van den Hertog wachtte, en hij daalde snel de trap af. In de gang bracht hij zijn haar, zijn baard, zijne muts en zijn kraag in orde en spoedde zich nu naar de deur, alsof er niets ware voorgevallen.

De scherprechter, die in de loude ongeduldig naar zijn lijder wachtte, had het schavot verlaten, en zich bij de deur geplaatst. Zijne knechts zaten in een staande houding tegen de dubbele ladder, en spraken over verschillende zaken. Zoodra hij De Vargas zag aankomen, nam hij zijn hoed af, boog zich diep en zeide: „Zou het nog lang duren, Mijheer? Reeds sinds lang ben ik gereed; indien het donkerder wordt, ben ik niet in staat het werk naar behooren te verrichten. Gij weet, Mijnheer! dat ik steeds gewoon ben mijne zaken naar den eisch te doen; ook is het volk ongeduldig. Zoudt gij mij ook kunnen zeggen, met welken kwant ik zal te doen hebben, dat wil zeggen, wie door het hennepen venster zal moeten kijken, zooals gij niet onnatuurlijk den strop laatst genoemd hebt?” eindigde hij lachende.

„Ziedaar dan de man,” dacht De Vargas, „die mij meedoogenloos zou hebben opgeknoopt, indien de tijger het bevolen had; nu kruipt hij voor mij; maar dan zou hij zijn voet op mijn nek gezet hebben.” Hij liet zijn oogen over de markt gaan, en zag het volk, dat hem gewaar werd, en hun geschreeuw staakte, in de hoop van spoedig den veroordeelde te zien verschijnen, weinig denkende, dat het De Vargas zelf was; want evenals een onweervogel den zeelieden het naderend onweder voorspelt, zoo was de voorzitter van den bloedraad ook meestal een voorbode tot de eene of andere strafoefening.

„Neen, meester!” antwoordde De Vargas, schamper lachende, „ik weet niet, voor wien de strop wezen zal, dien gij daar hebt opgehangen, noch wanneer de misdadiger, voor wien hij bestemd was, u zal worden overgegeven.” Dit zeggende, trad hij op de stoep, en daalde langs de steenen trappen af, terwijl de scherprechter hem onderdanig groette.

De hoofdman der lijfwacht groette hem niet, toen hij hem  voorbijging en scheen den eersten groet van De Vargas te verwachten; doch deze ging hem trotsch voorbij, en trad tusschen de soldaten door. Het volk, den gevreesden man ziende aankomen, maakte voor hem plaats, terwijl het zich diep boog, en hem een breeden doorgang open liet. Evenals werd hij hem niet gewaar, ging hij langzaam langs hem heen, en trad op de markt. Hier stonden nog meer lieden in hunne mantels gedoken; zij groetten hem niet, maar verborgen tevens uit voorzichtigheid of voor de koude hun gelaat in hun mantel; en zoo zij al in de verte naar de strafplaats zagen, wat het niet uit een laakbare nieuwsgieriheid, maar uit gevoel van medelijden, dat zij voor hunne medeburgers gevoelden, die vermoord werden.

De straat doorgaande, hield De Vargas boven op de brug stil, en zag nog een naar de markt. Het kwam hem voor, alsof er iemand de ladder beklom, die zich gereedmaakte op den strop van den galg af te nemen. In zijne verwachting bedrogen, verdween het gemeen al schreeuwende van de markt, en de trom der soldatenliet zich hooren; waarschijnlijk trokken zij af.

„Ik ben dus gered,” zeide hij bij zich zelven, „ik heb mijn hoofd uit de klauwen van den bijgeloovigen dwingeland teruggetrokken. Wie geeft hem het recht, om mijn geld in de beurs der papen te werpen? die wreede gierigaard! Waarom kan ik niet eens, al ware het voor n oogenblijk, landvoogd zijn? ik zou hem dan eens doen gevoelen, hoe het smaakt om minder dan een hond behandeld te worden; ook hij zou dan aan mijne voeten bidden om genade, of ik zou hem den langen kop doen afslaan, dien hij, als een gek, aan den Koning zijn waardigen meester, vrijwillig zou komen brengen. Doch gij, ellendig gemeen!” vervolgde hij, „dat nu nog voor mij in het stof buigt, en mijn dood zoudt toegejuicht hebben, gij zijt onder mijn bereik, waarom zou ik aarzelen u te vertrappen? Uw hoofd en goed zullen mij dit oogenblik betalen; gij zult gevoelen, dat gij, zonder het te weten, naar mijn dood verlangd hebt. In u zal ik mij op den dwingeland wreken; wat hij heeeft uw bloed op zich genomen. Welnu! ik, Juan de Vargas, voorzitter van den Raad, zal maken, dat hij er in verzuipt!” Dit zeggende, keerde hij zich om, sloeg zij tabbaard om zich heen, en vervolgde met snelle schreden zijn weg.

Nadat De Vargas vertrokken was, gaf de Hertog dadelijk bevel om iedereen te verwittigen, dat er dien avond geen recht zou gedaan worden. De gordijnen werden voor de glasvensters geschoven, en twee dikke waskaarzen op de tafel gezet, waarna zij, die dit verricht hadden, zich op een wenk van hun meester verwijderden. De sombere Spanjaardzette zich daarna in zijn leunstoel bij het vuur neder, terwijl hij zijne schoenne met groote strikken tegen den haard plaatste. Lang zat hij na te denken over hetgeen dien dag was voorgevallen. Nadat hij alles, zoo voor als tegen, had overwogen, riep hij, zijn baard strijkende: „Het is niets, de verachtelijke Licenciado heeft gelijk; voor geld en eer zal ik wel een Perea verkrijgen; doch waar vinden de geuzen een Emisario? De liefde tot zijn vaderland en voor het hersenschimmig beeld der vrijheid heeft hem de kracht gegeven om te verrichten hetgeen hij deed. Oranje verliest meer dan ik; de geuzen hebben een groot man verloren, en nooit zal er zeker iemand in hun land geboren worden van dien naam, die hem zal overtreffen.”

Hij wist niet, de dwingeland, toen hij in het hart der Nederlanden dus sprak, dat zijn landaard uit de zeven vrije landen zou verdreven worden; hij wist niet, dat, eer honderd jaren verloopen zouden zijn, de Nederlanders een man zouden bezitten van denzelfden naam al de Boodschapper; dat deze held, door de geheele wereld bekend, geacht en gevreesd, den roem van Holland op den oceaan, door het gedonder zijner kartouwen, voor eeuwig zou vestigen, en dat hij, door ’s lands Staten gezonden zijnde, om met zijn zeekasteelen het bestaan van het diep gezonken Spanje te onderschragen, door hem, die hij kwam helpen, lafhartig verlaten, het leven laten zou.

908SR15.gif (1832 bytes)

22e hoofdstukInhoudopgave OltmansNaschrift

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)