J.F. Oltmans (1806 – 1854)

HET SLOT LOEVESTEIN

NASCHRIFT.

H.gif (3137 bytes)ier eindigt het handschrift, dat wij tot nog toe, eenige weglatingen en bijvoegselen uitgezonderd, onafgebroken gevolgd hebben, zonder dat het mogelijk geweest is, onder de vele geschreven en gedrukte stukken, waarmede het verward was, het vervolg te ontdekken. Alleen drie op afzonderlijke papieren geschreven aanteekeningen, die ik hierna onder dezelfde motto’s als de orgineele, zal inlasschen, en welke zeker alleen nog overgebleven zijn van die vele, van welke de schrijver zich bediend heeft om het verhaal op te stellen, schijnen mij zeer geschikt, om den lezer eenigszins te voldoen, die verlangend mocht zijn iets anders van de in dit verhaal voorkomende personen te vernemen; terwijl wij zeker zouden onderricht geworden zijn van de verdere lotgevallen des heeren Van Doorn, van den dag zijns huwelijks met de pleegdochter des Italiaanschen burgvoogds, het getal hunner in dien echt overgewonnen kinderen, en eindelijk nopens hunne wijze afsterven, de plaats hunner begrafenis met hunne grafschriften en opnoemingen hunner goed hoedanigheden, indien de hand des tijds het vervolg van Het Slot Loevestein niet had vernietigd, wanneer het ten minste geheel afgewerkt is geweest.

Mij dus verstoken ziende van de riemen, met welke ik tot nog toe geroeid had, heb ik zelf getracht in onze geschiedverhalen iets naders nopens den vriend des Boodschappers te vernemen; doch mijne ijverigste pogingen zijn slecht beloond. Ziehier echter, wat ik ben te weten gekomen:

Dat het niet onwaarschijnlijk is, dat door de bemoeiingen van Van Doorn, de stad Heusden, in 1577, bij de Gentsche Bevrediging, zich onder de bescherming der Staten begaf, zooals zij, ofschoon over de Maas gelegen, sinds dien tijd ook steeds als een gedeelte van Holland, is beschouwd geworden, en dat hij, na eerst, zooal ons bekend is, onder de watergeuzen gediend te hebben, de zee voor het land verlaten heeft, en in een niet onaanzienlijken rang een werkzaam aandeel in den bevrijdingsoorlog genomen heeft. In 1572 schijnt hij echter nog tot de watergeuzen behoort te hebben, zooals blijkt uit de hierna volgende aanteekening, welk het echter voor sommige mijner lezers, die minder met de krijgsbedrijven van dien tijd bekend zijn, niet onvoegzaam zal zijn te doen voorafgaan van een kleine historische herinnering, die ik voortaan, zonder er verder melding van te maken, de vrijheid zal nemen terneder te zetten, dr, waar het mij noodzakelijk voorkomen zal.

Nadat op den 1sten April des jaars 1572 Den Briel was ingenomen, iets hetgeen toch aan weinige Nederlanders onbekend zal zijn, begon de zaak der verbondenen aan alle zijden veld te winnen. Vlissingen en verscheidene andere steden wierpen hare gehate bezetting uit, en op den 25sten Juni werd Dordrecht door Bartel Entens van Menthada in bezit genomen. Den volgenden dag vertoonde zich kapitein Marinus Brandt vr Gorcum met zestien schepen, hetgeen den vrienden van hun vaderland moed gaf, zich als zoodanig te doen kennen. In de kapel bij de Kansepoort werd de overeenkomst met die van de stad   gesloten, en de burgers, door het luiden der klok op de markt bijeengeroepen, zwoeren plechtig en met opsteking der hoeden, Alva en zijne trawanten uit het land te helpen verdrijven getrouwheid aan den, volgens hunne gedachten, wettigen stadhouder des Konings, prins Willem van Oranje.

De drossaard van Gorcum, Casper Turk, die den Hertog van Alva getrouw bleef, en intijds hoopte ontzet te worden, weigerde het kasteel, op hetwelk veel priesters, monniken en roomschgezinde burgers gevlucht waren, aan de geuzen over te geven, en begon de stad te beschieten. De watergeuzen, geholpen door de burgers, dwongen hem echter zich den volgenden dag met het aanbreken van den dageraad aan hen op genade of ongenade over te geven. De drost met zijne vrouw en dochter werden gevangen gehouden, en op rantsoen gesteld, terwijl twee mannen, die zich steeds als lanhangers der spaansche wreedheden hadden laten gebruiken, op de markt werden opgehangen. De geestelijken werden slecht behandeld: in het begin van de volgende maand werden zij naar den Briel vervoerd, en de wreede Van der Mark liet hen bijna allen, na vele mishandelingen, ter dood brengen. Willem Turk, de zoon des drosaards, trok nu met 600 man op, en te laat komende om zijn vader te ontzetten, besloot hij zich in Loevestein te werpen; denzelfden dag schijnt deze brief geschreven te zijn.

908SR15.gif (1832 bytes)

Hoofdstuk 23Inhoudopgave OltmansEen brief

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)