
A prima vista = op het eerste gezicht.
Aanbelang = gewicht, belang.
Aanglimmen = ontvlammen, vlamvatten.
Aanlegger = ontwerper, veroorzaker.
Aanmatigend = brutaal verwaand.
Aanranden = aanvallen.
Aanslaan = beginnen te blaffen.
Aanvalligheid = bevalligheid, behaaglijkheid, lieflijkheid..
Aanzetten = de sporen geven.
Abanderado = vaandrig, vaandeldrager.
Abra la puerta = open de poort.
Abuis = vergissing.
Achterdocht = argwaan, verdenking.
Achterstaan = voor iemand onderdoen, achterliggen.
Achtgeven = opletten.
Adelante = voorwaarts.
Adelante por la bandera = voorwaarts voor de banier.
Afgematheid = krachteloosheid door inspanning van lichaam en
geest, door overmaat van arbeid, lijden of zorg.
Afgrijzen = de hoogste graad van het gevoel van afkeer.
Aflaten = ophouden.
Aflezen = voorlezend bekendmaken c.q. opnoemen.
Afmalen = afschilderen.
Afrossen = afranselen, stokslagen geven.
Afsterven = overlijden, sterven.
Aftrekken = trekken, zich verwijderen, zich uit de voeten maken.
Afwezen = afwezigheid.
Afwinnen = overtreffen.
Afzijn = afwezigheid.
Afzitten = afstijgen.
Aide-de-camp = adjudant.
Al asalto, soldados = Loopt storm, soldaten.
Al asalto, soldados! al
asalto! Adelante, Romero! = Loopt storm, soldaten! loopt storm! Voorwaarts, Romero!.
Al asalto por Romero
u la bandera! La bandera ô la muerte! = Loopt storm voor Romero en de banier! De
banier of den dood!.
Albion = Engeland.
Allegorisch = zinnebeeldig.
Animo = houd moed.
Animo, Diego! animo! = Houd moed, Diego, houd moet!.
Animo, soldados!
Romero por su bandera! Viva de Velasquez! = Houdt moed, soldaten! Romero voor zijne
banier! Leve Velasquez!.
Anspessado = onder-korporaal.
Approviandeeren = van levensmiddelen voorzien.
Arduin = harde, meestal blauwgrijze kalksteen, synoniem
hardsteen.
Arkenier, arkebussier = soldaat bewapent met een haakbus.
Armblaker = meervoudige lage kandelaar met brede voet.
Attaque = aanval.
Auditorium = luisteraars, toehoorders.

Bagge = grote korf, mand.
Ballade = kort romantisch verhalend gedicht, lied bij een dans.
Balling = een uit het land verbannen persoon.
Bandelier = over de schouder gedragen en schuin over borst en rug
lopende band met een houder voor een degen.
Bandeliersgewijze = als een degenhanger.
Banier = vierkant vaandel.
Barbier = kapper.
Bard = zanger en dichter bij de Galliërs.
Bardezaan (pertezaan, partizaan) = hellebaard, voorzien van een langer en breder ijzer
dan gewoonlijk.
Barmhartigheid = medelijden.
Barrière = slagboom.
Bastaard = onecht kind.
Batterij = een aantal stukken zwaar geschut, samen opgesteld om een
vijandelijke stelling te beschieten.
Bede = verzoek.
Bedelaarsdeken = uit allerlei stukken samengeflanst, de
eenheid ontbreekt, lappendeken.
Bedremmeld = in het nauw gebracht.
Bedrijf = oorzaak.
Bedrijf = handeling(en).
Beduiden = betekenen, uitleggen.
Begeeren = gretig verlangen.
Beguichelen = misleiden, een rad voor de ogen draaien.
Behelzen = bevatten,.
Bekomen (bekwam, bekomen) = krijgen, ontvangen.
Bekommeren = zorgen maken om.
Bekoorlijk = verleidelijk.
Bekoring = verzoeking, verleiding.
Bekreunen = bekommeren, zorgen maken.
Beletsel = hindernis.
Belgen = zich boos maken.
Beminnen = liefhebben.
Ben = mand.
Benauwde = angstige.
Bende = afdeling.
Benepen = beklemd.
Benevelen = verduisteren.
Benevens = naast.
Bengel = klokje.
Beoogen = trachten te bereiken.
Beproeven = proberen.
Bergère = leuningstoel met voetenbank.
Beroerte = onrust, opstand.
Berokkenen = verwekken, op de hals halen, veroorzaken.
Beschikken = beslissen, regelen.
Beschoren = bestemd, toebedeeld.
Beschroomd = verlegen.
Beschroomdheid = verlegenheid.
Besprengen = besprekelen.
Bespringer = aanvaller.
Bestiering = beschikking.
Betamen = voegen, passen.
Bevallig = bekoorlijk, lief.
Beverasie = bibbers, rilling.
Bevlammen = in brand steken, beschieten???.
Bevroeden = begrijpen, vatten.
Beweenen = huilen om, betreuren.
Bey = titel van de Barbarijsche (Noord-Afrika) vorsten.
Bezien = bekijken, inspecteren.
Bezijden = naast.
Bezinnen = nadenken.
Bezoedelen = bevlekken, besmetten.
Bezoldigd(en) = betaald(en).
Blaam = afkeuring, smet.
Blanketten = het gezicht bepoederen met wit poeder.
Bloedplakkaat = afkonding van de Inquisitie (kerkrechtbank).
Bidden = smeken.
Bijstand = hulp.
Bijvallen = weer te binnen schieten.
Blikken = kijken.
Blood = laf.
Bloodaard = lafaard.
Bloot = enkel.
Bolwerk = borstwering.
Bodem = schip, boot.
Bommel = Zaltbommel.
Boomwol = germanisme voor katoen (Baumwolle).
Boorden = oevers.
Borgen = krediet geven.
Boterhuis = gebouw waar boter verkocht werd.
Botvieren = de vrije teugel geven, er aan toegeven.
Bouwheer = opdrachtgever, stichter van een gebouw.
Braaf = dapper.
Braafheid = dapperheid.
Brassen = overmatig eten en drinken, zuipen en vreten.
Braveeren = trotseren.
Braven = dappere.
Bravo = sluipmoordenaar (Italiaans).
Breidel = dwang.
Breidelen = intomen, bedwingen.
Bres = opening in een muur (door rammeien of geschut),
muurgat.
Brieftasch = portefeuille.
Bruidsuiker = een soort suikergoed, dat de bruid weggeeft.
Brunswijk = Emden.
Buis = visserschip.
Busschieter = soldaat belast met het onderhoud van het geschut.

Carajo = verdomme.
Capitanes = bevelhebbers.
Casak = reisrok met wijde mouwen.
Charmant = bekoorlijk, innemend.
Chirurgijn = wondheler, heelmeester.
Chroniqueur = kroniekschrijver, jaarboekschrijver.
Confisqueeren = in beslag nemen, verbeurd verklaren.
Contumacie = weerspannigheid aan de wet, bij verstek.
Corredor = hardloper.
Couragewater = sterke drank (schertsend)
Couvert = enveloppe.

Daniël van Zanten = Diederik Sonoy.
Dantzig = Dillenburg.
Dartel = wulps, loszinnig, levendig, uitgelaten.
Dartelheid = loszinnigheid, wulpsheid, levendigheid,
uitgelatenheid.
Decorum = fatsoen, gepaste uiterlijke vormen.
Deern = meisje.
Deernis = medelijden.
Default = verstek.
Defensie = verdediging.
Défilé = een in smalle gelederen voorbij trekkende stoet.
Degen opsteken, de = de degen in de schede terugdoen.
Deken = oudste, overste van een gilde.
Derhalve = daarom.
Derven = missen.
Derwaarts = daarheen.
Deten-tu = Sta.
Dewijl = daar, omdat.
Dienstman = knecht.
Dier = van de.
Diets = wijs.
Dijn = jouw.
Dikmaals = vaak.
Dikwerf = vaak, dikwijls.
Disch = tafel.
Discours = gesprek.
Doch = maar, echter.
Dol = krankzinnig, gek.
Dolen = zwerven, dwalen.
Dolleman = krankzinnige.
Doodeter = klaploper, iemand die ten laste van een ander leeft.
Doorluchtigheid = titel van een prins (Doorluchtig =
aanzienlijk, voornaam).
Doove = gedoofde.
Dorper = dorpeling, dorpsbewoner.
Dorsten = erg sterk verlangen.
Dra = spoedig, meteen, onmiddelijk.
Draalen = aarzelen.
Dracht = pak.
Dragonder = licht bewapende cavalarist.
Drillen = zwaaien.
Drinkpenning = fooi.
Drommen = menigten.
Drossaard = drost, baljuw, schout,
commissaris van politie.
Dubloen = een Spaanse gouden munt, dubbelpiaster (in de 19e
eeuw, waarin het boek geschreven, is een dubloen 20 gulden waard).
Dulcinea = geliefde, beminde (De geliefde van Don Quichotte
droeg deze naam. Haar volledige naam luidde: Dulcinea de Toboso.).
Duifsteen = tufsteen, grauwe poreuze vulkanische steensoort.
Dwingeland = onderdrukker, tiran, dictator.
Dwingelandij = onderdrukking, tirannie.

Echt = huwelijk.
Edelknaap = dienaar aan het hof.
Edeling = edelman.
Edoch = maar, echter.
Eenre (ter) = aan de ene zijde.
Eenzelvig = eentonig, gelijk, één en hetzelfde.
Eer = eerder.
Eerlang = spoedig, weldra, binnen kort.
Eilieve = och!; kom!; wees zoo goed!.
Elkeen = aan ieder.
Emisario = Boodschapper.
Epistel = brief.
Er de lap op leggen = er op los slaan.
Erlangen = verkrijgen, bekomen.
Escalador = soldaten, die in Spanje in de gebergten gebruikt
worden.
España = Spanje.
España! España! Viva el Rey! = Spanje!
Spanje! Leve de Koning!.
España! la bandera! la muerte po
el Emisario! = Spanje, de banier! de dood aan de
Boodschapper!.
Euveldaad = misdaad.
Evenwel = niettemin, echter.
Exceptie = uitzondering.
Excellent = uitstekend.
Exhibeeren = aanwijzen, openleggen, tentoonstellen.
Exploit = exploot, dagvaarding en betekening.

Falie = regenmantel voor vrouwen.
Fatsoen = vorm, uiterlijk.
Fier = trots.
Flatteeren = vleien.
Flenters = stukken, mootjes.
Fopperij = bedrog, misleiding.
Fou = gek.
Fourgon = wagen met een gaffeldissel (boom tussen de paarden van
een tweespan in de vorm van een tweetandige vork).
Fulpen = fluwelen.

Galant = hoffelijk tegenover dames.
Galliër = Fransman.
Gansch = geheel, helemaal.
Gebelgd = boos.
Gebenedijde = gezegende.
Gebied(st)er = bevelhebber, regeerder.
Gebleven zijn = sneuvelen, om het leven komen.
Gedekt = beschermd.
Gedoogen = toestaan.
Gedruisch = lawaai.
Geestvervoering = toestand waarin gedachten en gevoelens een
ongewone intensiteit hebben.
Geheimschrijver = secretaris.
Gek steken, den, gekscheren = de spot
drijven.
Gelag = verteringen, consumpties.
Gelasten = opdragen, bevelen.
Geleibrief = bewijs van vrijgeleide, laissez-passer, paspoort.
Gelieven = behagen, zo goed willen zijn.
Gemaal = echtgenoot.
Gemeen = gewoon, normaal, algemeen.
Gemeen = lagere volksklasse, gepeupel.
Gemeenschap = betrekking, verkeer, omgang.
Gemelijk = verstoord, boos.
Gemelijkheid = boosheid.
Gene(n) = andere, die.
Gentsche Bevrediging = Pacificatie van Gent.
Gereede penningen = contant geld.
Geschaard = verzameld.
Geschieden = gebeuren.
Gestadig = standvastig, duurzaam.
Gestreng = niet vergevingsgezind
Gevader = doopvader, peetoom.
Gevallen = gesneuveld.
Gevest = handvat (van een degen).
Gewaand = vals.
Geweer = wapens.
Geweld = lawaai.
Geweldenaar = tiran, dwingeland.
Gewicht = belang, ernst.
Gezichteinder = horizon.
Gezant = met een opdracht gezonden persoon, vertegenwoordiger.
Gissen = raden.
Gods stedehouder = de paus in Rome.
Godspraak = orakel, beslissing die als gezag geld.
Goeddunken = gepast voorkomen.
Goedmaats = goed bevriend.
Gor(c)(k)um , Gorcom = Gorichem.
Gramschap = boosheid, toorn, woede.
Gramstorig = driftig, toornig.
Grein = weefsel van kamelen- of geitenhaar en wol.
Grenadier = keursoldaat van de infanterie.
Grieven = beledigen, kwetsen.
Grievend = kwetsend.
Griffelen = inkrassen.
Grimlach = grijns, kwaadaardige lach.
Grimlachen = grijnzen, kwaadaardig lachen.
Groot = muntstuk.
Grootspreken = opscheppen, overdrijven.
Guit = grappenmaker, deugniet.
Guur = stuurs, onvriendelijk.

Haakbus = handkanon met een haak aan de monding van de loop welke
aan de rand van een muur werd gehaakt ter voorkoming, dat de schutter door de terugslag
van het schot omver werd geworpen.
Haaken = verlangen.
Haakschutter = soldaat gewapend met een haakbus.
Haan = haakje van een vuurwapen, dat het schot doet afgaan.
Haardstede = stookplaats (letterlijk), woning, verblijf
(figuurlijk).
Hakkenei = telganger, klepper, draver, paard.
Halsstarrig = hardnekkig, koppig.
Hamei = traliehek.
Handgemeen te worden = beginnen te vechten.
Handlanger = hulp.
Hardvochtig = wreed.
Hartsvanger = lang jachtmes.
Haveloos = slordig, armoedig (eigenlijk bezitloos).
Hecht = handvat, heft.
Heerlijkheid = adelijk landgoed.
Heiden = ongelovige.
Heimelijk = in het geheim, stiekum.
Heinde = dichtbij.
Hellebaard = een spies (punt) met een lange steel en een
bijl, waarmee gestoken en gehouwen kan worden.
Hellebaardier = een soldaat gewapend met een hellebaard.
Hendrik Philipszoon = Koningin van Engeland.
Herbergier = waard, logementhouder.
Herwaarts = hierheen.
Heugen, zich = zich herinneren.
Hoeve = boerderij.
Hoofd = uitgebouwde steiger of losplaats.
Hoofdlieden = aanvoerders.
Hoofsch = gemaakt hoffelijk.
Hoogmis = grote kerkdienst van de Rooms-katholieke kerk.
Hooischelf = hooiberg.
Hoon = spot.
Hoonen = spotten.
Hoonend = spottend.
Hoop = menigte.
Hopman = kapitein (inzake de landmacht), hoofdman.
Horde = meestal langwerpig rechthoekig vlechtwerk van teenen.
Hospes = waard, herbergier, huisheer, gastheer.
Houppelande = japon.
Houwen (hieuw, gehouwen) = slaan met een scherp voorwerp
(zwaard, degen, bijl).
Houwer = sabel, degen.
Huichelen = voorwenden, veinzen, doen alsof.
Huik = zijden of stoffen kapmantel.
Huislieden = boeren, dorpelingen.
Hupsch = aardige, nette.
Huwlijkspand = kind.

Iegelijk = wie ook.
Immer = steeds.
Immers = toch.
Impetrant = eiser, verzoeker.
In dorso = op de rugzijde, op de achterkant.
In het breede = uitvoerig.
Inblazen = influisteren (veelal in ongunstige zin).
Inblazing = ophitsing.
Inboezemen = vervullen.
Inborst = aard, karakter.
Indagen = een afwezige oproepen voor de rechtbank.
Indigo = heester waaruit een blauwe verfstof wordt gemaakt.
Inlaten = binnen laten.
Inscherpen = met klem opdragen, inprenten.
Interruptie = onderbreking.
Intijds = op tijd.

Jaagstuk = kanon op het voorschip, om op schepen, mensen, enz,
te schieten waar men jacht op maakt.
Jachtspriet = speer, gebruikt bij de jacht op wilde zwijnen.
Jegens = ten aanzien van, tegenover.
Jicht = stofwisselingziekte, berustend op het afzetten van
urinezure zouten in de gewrichten, aan pezen, kraakbeen, ingewanden, enz., gaat gepaard
met hevige pijn (arthritis urica).
Jonker = De titel van een zoon uit een adelijk huis, die als hij niet
huwt, zijn hele leven zal dragen.
Jonkman = jongeling, ongehuwde van het mannelijk geslacht.
Jonkvrouw = ongehuwde adelijke vrouw, ook wel freule genoemd.

Kaag = platgeboomd vaartuig met zwaarden, een enkele schuine mast en
een halve boegspriet. Het voerde een sprietzeil en één of twee fokken.
Kaai = kade.
Kamenier = vrouwelijke lijfbediende bij een dame, kleedster.
Kamp = gevecht, strijd.
Kampen = vechten, strijden.
Kanten = verzetten.
Kanunnik = koor-, dom- of kappitelheer, een wereldlijke
rooms-katholieke geestelijke, die deel uitmaakt van het kapitttel (vergadering van
kanunniken) van een kathedraal.
Kapellaan = priester van een kapel; geestelijke, die de pastoor
assisteert; huisgeestelijke.
Kappen = treffen.
Kaproen = muts.
Karmeliet = een monnik die zijn naam ontleent aan de berg Karmel,
waar in 1180 het eerste klooster van de heilige Elia, de schutspatroon (beschermheilige)
van de Karmelietenmonniken werd gesticht.
Karmozijn = purper, hoogrood.
Kartouw = kanon.
Kastelein (Castellan) = slotvoogd, beheerder van een kasteel.
Keur = verordening.
Keurslijf = korset.
Keuvelen = kletsen, babbelen.
Klaar = helder, duidelijk.
Kleed = kledingstuk.
Klerk = schrijver.
Kling = lemmet, blank van het zwaard, sabel, enz.
Kluisters = boeien, ketenen.
Kluisteren = boeien, binden.
Knappen = vangen.
Knap = bekwaam, geschikt.
Knevel = snor.
Koen = dapper, stoutmoedig.
Kolder = leren harnas, dat borst en rug bedekte.
Kolf = breed uitlopend achtereind van de lade van het geweer.
Kommer = kwelling, zorg; schuld.
Koper = Holland.
Kornet = vaandrig (vaandeldrager).
Kout = algemeen en genoegelijk gesprek.
Krank = ziek.
Krenken = kwetsen, beledigen.
Kreupelbosch = laagstammig geboomte.
Kreupelhout = laag houtgewas met dooreengroeiende takken en
stammen.
Krijg = oorlog, strijd.
Krijgsklaroen = oorlogstrompet.
Krip = dunne doorschijnende meestal gekroesde, uit wol of ruwe zijde
gemaakte stof voor dameskleren.
Kroniek = jaarboek.
Kruisvuur = vuur van troepen- of geschutsopstellingen waarvan de
schootslijnen elkaar kruisen.
Kruizen (zich) = een kruis slaan.
Kuilenburg = Culemborg.
Kunne = geslacht.
Kuiperij = heimelijk samenspanning, omkoperij, samenzwering.
Kurassier = cavalerist (militaire ruiter) met een
borstharnas.
Kwant = vent, gast, snuiter.
Kwartier = verblijfplaats.
Kwartier = genade.
Kwetsen = verwonden.

Laagheid = gemene manier van handelen.
Laakbaar = verwijtbaar, het afkeuren waard.
Laat af = hou op.
La bandera ô la muerte! = de banier of de dood.
Lafenis = verkwikking, verfrissing.
Lakei = voetknecht, dienaar, lijfknecht.
Laken (werkwoord) = afkeuren, misprijzen.
Laken (zelfstandig naamwoord) = geweven wollen stof.
Lakonisch = blijk gevend dat men de zaken doodkalm opvat, zonder
zich druk te maken.
Lamina = kling.
Lanceros = lansier, speerruiter.
Landpalen = grenzen van een land.
Landvoogd = bestuurder of beheerder van een land, voor en namens
een vorst. Synoniem: stadhouder, onderkoning.
Landvoogdij = ambt van een landvoogd.
Landziekig = heiwee hebben.
Lankmoedigheid = toegevendheid.
Lantaarn = glazen dak.
Lappen = repareren.
Last = opdracht.
Lasteren = zwaar beledigen.
Lastpost = functie die iemand tot last is.
Leenheer = hij die een een goed te leen geeft of heeft uitgegeven,
in relatie tot de ontvanger van het leen.
Leenplichtige = leenman, vazal, verplicht tot het diensten aan
zijn leenheer.
Leep = sluw, doortrapt.
Leest = gestalte, lichaamsvorm.
Legaat = pauselijke gezant van de eerste rang.
Legerbende = legerafdeling.
Legerstede = bed.
Legerplaats = verblijf, kamp, kwartier.
Lemmer = lemmet, blote kling, het snijdende deel van een mes.
Leninging = verzachting, verlichting.
Lettre de cachet = verzegelde brief.
Licenciado = doctorandus, geleerde.
Licht = gemakkelijk.
Lijder = patiënt.
Lijfsgenade = genade voor het leven (te weten dat men het
behouden mag).
Lijfsweer = verdediging.
Livre = Franse rekenmunt (dezelfde waarde als een frank).
Livrei = bijzonder kleding van een bediende, lakei, of soldaat.
Lo(o)fwerk = versiering in de vorm van takken en bladeren van een
boom.
Logement = herberg, eenvoudig hotel.
Lombard = lommerd, bank van lening, pandjeshuis (eigenlijk
inwoner van Lombardije, een voormalig koninkrijk in Noord-Italië. De Lombarden waren de
eersten, die deze banken in Europa oprichtten.).
Lontstok = stok waarmee kanonniers het geschut doen losbranden.
Loos = listig, geslepen, doortrapt.
Loosheid = slimheid, sluwheid.
Loover = bladeren.
Losbranden = afvuren.
Louteren = zuiveren.
Luchtgestel = klimaat.
Luiken (look, geloken) = dicht doen, sluiten.
Luister = glans, schittering.
Lust = zin, trek.
Lustig = flink, krachtig.

Maarschalk = bevelhebber van de legers (Het woord is
samengesteld uit de woorden Maar = paard en schalk = knecht).
Maarten Willemszoon = Willem, Prins van Oranje.
Magistraat = stadsregering.
Maintineren = handhaven.
Maldito Barberillo = verloekte baardschrapper (barbier,
kapper).
Mal = gek, dwaas.
Mallen = gekkigheid uithalen.
Mandement = herdelijk schrijven.
Manhaftig = dapper, moedig.
Markbrief = schulbekentenis, kredietbrief?????.
Markeur = teller van de caramboles bij biljarten.
Markgraaf = titel van de bestuurder van een grensgewest (mark);
markies.
Markies = adelijke titel, beheerder van een grensgewest (mark).
Mededoogen = medelijden (hebben).
Medicus sum = Ik ben geneesheer.
Meesmuilen = spottend, ongelovig glimlachen.
Menigmaal = verscheidene keren.
Met een langen neus moeten heengaan = beschaamd staan.
Minnebroeder = minderbroeder, Franciscaner monnik.
Minnenijd = jaloezie.
Mirakel = wonder.
Mirakeleus = wonderlijk.
Misnoegdheid = ontevredenheid.
Misslag = mislukking, falen.
Moei = tante.
Mof = scheldwoord voor Duitser, eigenlijk voor iemand uit Westfalen.
Mom = masker, schijn.
Mommerij = maskerade, veinzerij.
Mondgesprek = mondeling onderhoud.
Monsteren = inspecteren.
Monstering = wapenschouw, inspectie.
Monteering = uniform.
Mop = grote gebakken metselsteen.
Morgenster = goedendag, een knots met stekels.
Musket = een geweer met een lont ter afvuring van een schot.
Musketier = soldaat gewapend met een musket.
Mutineeren = aan het muiten slaan, oproerig (opstandig) worden.
Mutsaard = eigenlijk takkenbos, maar later ging het
woord over naar de brandstapel welke van mutsaards gemaakt werden.
Muzelman = mohamedaan, moslim.

Nabuurschap = buurt.
Nachtleger = slaapplaats.
Nar = hofnar, hansworst, clown.
Naricht = nieuws, bericht.
Naijverig = jaloers.
Nederzetten, zich= zich vestigen.
Neep = schade, afbreuk, verlies.
Nevens = naast, bij.
Niettegenstaande = ondanks, hoezeer.
Nimmer = nooit.
No es nada = het is niets.
Noen = middag.
Nombre de Dios = bij de naam van God.
Nopen = noodzaken, doen besluiten.
Nopens = aangaande, betreffende.
Nos curamus vestros leges = Wij storen ons niet
aan uwe wetten.

Obtineeren = verkrijgen.
Ofschoon = hoewel.
Olm = iep.
Omdoolen = rondzwerven.
Omtrent = in betrekking tot, ten opzichte van.
Omvleugelen = omsingelen.
Omvraag = stemming.
Onbekrompen = mild, vrijgevig.
Onbeschroomd = vrijmoedig.
Onbewimpeld = openhartig, rondborstig, vrij uit.
Onbezonnen = onnadenkend, zonder nadenken.
Onderhoud = gesprek.
Onderhouden = praten, spreken.
Onderrichten = leren, onderwijzen.
Onderricht = inlichting, bericht, mededeling.
Onderscheidene = verschillende.
Onderstand = steun, hulp.
Onderstelling = vermoeden.
Ondervinding = ervaring.
Onderwijl = intussen.
Ongedekt = onbeschermd.
Ongesteld = ziek.
Onkiesch = niet fijngevoelig.
Ontberen = missen.
Ontdekken = onthullen.
Ontferming = erbarmen, medelijden.
Onthalen = ontvangen.
Ontijdig = te vroeg.
Ontveinzen = iets verborgen houden, niet uitkomen voor iets.
Ontwaren = zien, waarnemen.
Onvergenoegd = ontevreden.
Onversaagd = zonder vrees.
Onweervogel = stormvogel (Fulmaris glacialis), noordse
pijlstormvogel.
Oogmerk = (be)doel(ing).
Oor leenen, het = luisteren naar.
Oorlam = rantsoen jenever, slokje, borrel.
Oorveeg = draai om de oren.
Ootmoedig = nederig, onderworpen.
Op zijde blijven = bij kunnen houden.
Op zijn luimen liggen = bespieden, op de loer liggen.
Opgeruimd(heid) = vrolijk(heid).
Oploopend = driftig, opvliegend.
Oploopendheid = drift, opvliegendheid.
Opluistering = versiering.
Opontbieden = bevelen om te komen.
Opruien = ophitsen, opstoken.
Opschik = versiering.
Opslag = blik.
Opslag = omgevouwen deel.
Opwellen = opborrelen.
Opzitten = een paard bestijgen, opzadelen.
Ordonnantie = bevel, verordening.
Ordonneeren = bevelen, verordenen, gebieden.
Overlieden = veermannen.
Overrompelen = verrassen, overvallen.
Overwinnen = telen, voortbrengen.

Paap = scheldwoord voor een rooms-katholiek (afgeleid van het
Duitse woord Pabst = paus).
Page = edelknaap, hofjonker.
Palen = grenzen.
Palissadewerk, paalwerk =
omheining van in de grond geslagen palen of staken, welke voor de verdediging dient.
Pan = de plaats waarin het buskruit ligt voor het afvuren van de musket
c.q. vuurroer.
Pand = een aan iemand toevertrouwd voorwerp.
Pareeren = sieren, tooien; bij schermen: afweren, keren.
Pasporteeren = uit de militaire dienst onslaan.
Pastourelle = herderslied.
Patroon = beschermheilige.
Paulus Alblas = Alva.
Perk = grens.
Perkament = bereide dierenhuid gebruikt als schrijfpapier.
Pernitieus = afvallig.
Peryeel = gevaar.
Piek = lans met platte ijzeren punt.
Piekenier = soldaat gewapent met een piek.
Pij = mantel van grove wollen stof.
Pisel =??????????.
Plan dattaque = aanvalsplan.
Planten = in de grond zetten.
Ponjaard = dolk, korte degen.
Poorter = burger.
Por la bandera = voor de banier.
Prangen = drukken, knellen.
Predestinatie = voorbestemming.
Presomtueus = aanmatigend, verwaand.
Prevelen = mompelen, binnensmonds brommen.
Prior = hoofd van een mannenklooster wanner er geen abt als hoofd is.
Privilegie = Elke bepaling, die, van het gewone recht afwijkend,
voor een enkel of meerdere personen, van een zelfde soort of stand, een bijzondere
rechtstoestand schiep, onverschillig of deze in hun voor- of nadeel was. Een door de vorst
aan zijn onderdanen, vooral aan de burgers, toegestaan recht, waarbij hij zekere afstand
deed van zijn absolute macht.
Profijt = toewijzing van de conclusies van de eiser bij een
verstekprocedure.
Pruim = een stuk tabak om op te kauwen.
Pruttelen = mopperen.

Quid agis prudenter agas = al wat gij doet, doe zulks voorzichtig.

Raad van Beroerten, bloedraad = op 9 september 1567
door Alva ingesteld op de onrusten van 1566 (de Beeldenstorm) te onderzoeken en
te bestraffen.
Rabauw = schelm, schurk, galgenaas.
Rakker = beulsknecht.
Rapier = lange degen.
Recht zoo = juist, inderdaad.
Redekavelen = redeneren, discussiëren.
Redetwisten = discussiëren.
Regent = bestuurder.
Regiment = afdeling krijgsvolg van 2 of meer batallions.
Rein = zuiver, schoon.
Rekenschap geven = verantwoording afleggen.
Ruiken naar den mutsaard = een ketter zijn (ketters
werden op de brandstapel (mutsaard) ter
dood veroordeeld).
Rif = lijk, geraamte, skelet.
Rijs = dunne rechte takken van wilgen of berken.
Rijsbossen = bundels rechte taken van wilgen of berken.
Rijssel = Lille (Frankrijk).
Rijzig = lang.
Ritmeester = kapitein bij de cavalerie.
Robeur = .
Roede = staf.
Roededrager = deurwaarder.
Roekeloosheid = zorgeloosheid, onbezonnenheid.
Roeren = slaan op.
Romanesk = dweepachtig.
Rondas = rond schild.
Ros = paard.
Rosbaar = berrie, draagbaar.
Rot = manschappen onderleiding van een korporaal.
Rotting = (wandel)stok.
Ruchtbaar = bekend.
Ruminantia = herkauwingen, voortdurende herhalingen.
Ruwaard = iemand, die bij het ontbreken van de landsheer, het land
of gewest bestuurt, landvoogd.

Saai = wollen stof.
Sardesco = ezeltje.
Sargie = gekeperde (de draden van het weefsel staan hier niet loodrecht op elkaar)
wollen stof.
Saturnus = Amsterdam.
Schaard = kerf, breuk.
Schafting = eten.
Schaker = ontvoerder.
Schaking = ontvoering van een vrouw met het doel een huwelijk af te
dwingen.
Schalksch = guitig, plagend.
Schalm = schakel.
Schalmei = houten blaasinstrument, een pijp met zes toongaten en
een klep, dun mondstuk en een klankbeker.
Schamper = bits, bitter, honend, scherp.
Schans = verdedigingswerk, fort, wal.
Schanskorf = cylindrische manden van vlechtwerk, van
verschillende afmetingen. Ze worden gebruikt als bekleding van borstweringen van
loopgraven en batterijen geschut. Men plaatste ze naast elkaar en vulden ze met aarde. Dit
alles ter bescherming van de soldaten.
Scharlaken = fijne wollen stof met een hoogrode kleur.
Schavot = stellage waarop lijfstraffen werden uitgevoerd, met name
de doodstraf.
Scheenschroef = martelwerktuig, waarin het onderbeen wordt
vastgeklemd en hard aangedraaid wordt.
Scheepsvoogd = gezagvoerder, kapitein.
Schelf = hoop, stapel.
Schellen (schelde, gescheld) = bellen.
Schelm = schurk, boef.
Schelmstuk = schurkenstreek.
Schendekeuken = iemand, die ondanks goed eten en drinken mager
en bleek blijft.
Schepsel = wezen.
Schermutseling = ongeregeld gevecht.
Schermutselen = met kleine benden en ongeregeld vechten.
Scherprechter = beul.
Scherts = grap, mop.
Schertsen = grappen maken.
Schielijk = haastig, plotseling.
Schier = bijna.
Schildknaap = jonge edelman, die onder leiding en in dienst van
een ridder, zijn opleiding in de krijgskunst genoot.
Schoon = hoewel.
Schoon(ste) = mooi(ste).
Schraal = zuinig.
Schrander = scherpzinnig, slim.
Schranderheid = scherpzinnigheid, vlugheid van verstand.
Schrap staan = spannend zijn.
Schrede = pas, stap.
Schreien = huilen.
Schroom = vrees, angstvalligheid.
Schroomvallig = angstig, vreesachtig.
Schroomvalligheid = angst, vrees.
Schutterij = burgerwacht.
Schutgevaarte houden = de kanonnen laten afschieten.
Sectaris = volgeling, aanhanger.
Señorita = juffrouw.
Señor Caballero = Heer ruiter.
Sententie = vonnis.
Sentimenteel = overdreven gevoelig.
Sermoen = preek.
Serpentijn = vrij licht, lang stuk geschut.
Signor Abate = Heer abt.
Signor Caballero = Heer Ridder.
Signor = heer.
Signores = heren.
Sisteeren = verschijnen.
Slang(stuk) = lang kanon van klein kaliber.
Slimmer = erger.
Sluier aannemen, den = intreden in het klooster.
Sluiphoek = schuilplaats.
Smart = verdriet, pijn.
Smarten = verdriet doen, pijn hebben.
Smeerkaars = een van vet gemaakte kaars (deze waren goedkoper
als een waskaars).
Snaak = kluchtig persoon, knul, knaap.
Snappen = kletsen, babbelen, praten.
Sneven = sneuvelen.
Snoeverij = opschepperij, grootspraak.
Snood = slecht, misdadig.
Snorker = opschepper.
Snuifdoos = doos om gemalen tabak te bewaren.
Soldij = betaling van soldaten.
Sombrero = hoed met brede rand.
Sommeren = aanmanen, opeisen, bevelen.
Somtijds = soms.
Sop is de kool niet waard, het = de zaak is zoveel moeite niet
waard.
Sot = dwaas, gek
Souteneeren = onderhouden, staande houden.
Spaander = houtafval.
Spade = laat.
Spade = schop.
Sparren = lange stukken hout voor het geraamte van een dak.
Speelman (meervoud: speellieden) = muzikant.
Spie = spion.
Spinrokken = het opwinden van gesponnen draad op een stok.
Spitsbroeder = krijgsmakker, kameraad.
Spraak = gerucht.
Staal = Gelderland.
Staat maken = vertouwen.
Standaard = vaandel.
Stedehouder, stadhouder = plaatsvervanger, vertegenwoordiger van
een vorst.
Steekbrief = brief, die gewoonlijk in de dagbladen verschijnt,
met verzoek aan de ambtenaren van het gerecht, om een ontsnapte misdadiger, wiens
uiterlijk en kleding men beschrijft, te arresteren en uit te leveren.
Stellig = zeker.
Stijfhoofdig = koppig.
Stijfhoofdigheid = koppigheid.
Stil = bedaard, vredelievend.
Stooten (stiet, gestooten) = stoten, klinken.
Stootplaat = plaat aan een degen ter bescherming van de hand
(hier zit het gevest (handvat) aan vast).
Storm = aanval in snel tempo op een verdedigingswerk.
Stormen, storm lopen = aanvallen, bestormen.
Stormhoed = eenvoudige helm zonder vizier, kin- of nekstuk, doch
meestal met een rand.
Storten = vallen.
Stout = brutaal, dapper, moedig.
Stoutheid = moedigheid, dapperheid.
Stoutmoedig = dapper.
Strooken = overeenkomen, overeenstemmen.
Souverein = regeerder, vorst.

Tabbaard, tabberd = lang statiegewaad, toga.
Tafel = plaat van steen, waarop iets geschreven of getekend is.
Talisman = voorbehoedsmiddel tegen ongelukken.
Te stade = van pas.
Teenen = lange twijgen van (wilgen)bomen.
Tegenovergestelde = verschillende.
Tegenweer = verdediging.
Telke reis = elke keer.
Terneder zetten = onderwerpen.
Ter sluiks = in het geheim.
Ter zijde = apart.
Terstond = onmiddelijk.
Tienden (penning) = belasting van 10 procent.
Tijding = bericht.
Tinne = het hoogste gedeelte, top, bovenrand van een gebouw.
Tirade = woordenvloed.
Toeleg = voornemen, samenzwering, aanslag.
Toetssteen = variëteit van kiezellei van een zwarte of ander
donkere kleur.
Toevallen = meterdaad partij kiezen voor iemand of iets, naar de
tegenpartij overlopen.
Toeven = blijven wachten.
Toom = bedwang.
Toomeloosheid = buitensporigheid.
Toorn = woede.
Toornig = woedend, driftig.
Traden in het hout = gingen het bos in.
Trawant = begeleider, lijfwacht.
Tromp = loop.
Tromp = slurf.
Trosboef, trosjongen = pakknecht, drager in het leger.
Tuchtigen = (be)straffen.
Twist = ruzie.
Twisten = ruzie maken, vechten.

Uitvorschen = opsporen, door onderzoek te weten komen.
Uitweiden = uitvoerig spreken.

Vaan, Vaandel = afdeling krijgsvolk, die onder
één vaandel (vlag) optrokken.
Vaandrig = vaandeldrager (tegenwoordig laagste officierrang).
Valbrug = ophaalbrug.
Vast staat maken = er zeker op kunnen rekenen.
Vazal = leenman, iemand die zich onder de bescherming van een machtig
heer gesteld heeft, in zijn betrekking tot die heer, dien wie hij als tegenperstatie voor
de bescherming diensten verricht, zoals de krijgsdienst. Ook wel onderschikte vorst.
Veeltijds = vaak.
Veil hebben = bereid om op te offeren.
Veinzen = doen alsof.
Velasquez! cesa tu el fuego = Velasquez! staak
het vuur.
Veldontdekking = verkenning.
Veldteeken = legerstandaard, vaan, onderscheidings-,
herkennigsteken van militairen.
Vellen = horizontaal richten.
Vendel = compagnie voetvolk onder een vaandel (vlag).
Venganza = wraak.
Verbeiden = verwachten.
Verbeurd verklaren = in beslag nemen, aan de schatkist
ten deel vallen.
Verbidden = overhalen, smeken.
Verbolgen = boos, kwaad.
Verbolgenheid = boosheid, woede.
Verderven = tot de ondergang c.q. dood leiden.
Verdichtsel = fabel, leugen.
Verdoolde = ver-, afgedwaalde.
Verdrieten (verdroot, heeft verdroten) = onaangenaam
zijn, kwellen.
Verfhout = hout, waaruit verf wordt bereid. b.v geelhout.
Vergaderen = verzamelen.
Vergallen = zuur maken, verpesten.
Vergeven = vergiftigen.
Verglaassel = glazuur.
Verhalen = vertellen.
Verhelen = verbergen, verstoppen.
Verhoovaardigen, zich = trots zijn op
.
Verkeeren = veranderen.
Verknochtheid = sterke gehechtheid.
Verkrachten = overtreden, geweld aandoen.
Verkwikken = doen opleven, ver-, opfrissen.
Verlof = vergunning, toestemming.
Verloopen = verdwijnen, vervloeien.
Vermanen = waarschuwen.
Vermaning = waarschuwing.
Vermat (vermeten, vermat, vermeten) = waagde.
Vermeesteren = veroveren, overmeesteren, bedwingen.
Vermeestering = verovering, overmeestering, bedwinging.
Vermetelheid = roekeloos, gewaagd.
Vermogen = de macht hebben om iets te doen.
Vermurwen = vertederen, tot zachtere gevoelens stemmen.
Vernachten = overnachten.
Vernuft = scherpzinnigheid,.
Verschansing = bolwerk, sterkte, bewalling, verdedigingswerk.
Verschoonen = sparen, vergeven, verontschuldigen.
Verschoonbaar = vergeeflijk.
Versnapering = lekkernij.
Verspieder = spion, verkenner.
Verstoken van = zonder.
Verstokt = verhard, onvatbaar voor rede.
Verstoktheid = verharding, onvatbaarheid voor verandering,
verbetering.
Verstoord = boos.
Verstouten (zich) = durven.
Verstrooiing = vertier, afleiding.
Vertellen van ouden en jongen Jan = over van alles en nog wat
vertellen.
Vertoeven = verblijven.
Vertoornd = woedend.
Vertoornen = woedend worden.
Vertreden = vertrappen.
Verwijlen = verblijven.
Verwittigen = waarschuwen.
Verwulf = gewelf.
Verzaken = verlochenen, afvallig worden.
Verzaker = afvallige.
Vest = vesting.
Victoria, victorie = zege, overwinning.
Vigoureus = krachtig, nadrukkelijk.
Villain = schurk.
Viva el Rey = leve de koning.
Vivent les Gueux = Leve de Geuzen.
Vlegelachtig = lomp, dom, onbeleefd.
Vlieden (vlood, gevloden)= stromen, vluchten.
Vlieten = stromen, vloeien.
Voldoening = genoegdoening.
Volhandig = druk.
Voorbaat = voorproef, eerste genot.
Voorbidding = het voor iemand bidden.
Voorgeven = beweren.
Voorlang = sedert lang, allang.
Voornemens = van plan.
Voorschoot = schort.
Voorslaan = voorstellen.
Voorslag = voorstel.
Voorspreeken = verdedigen.
Voortvaren (voer voort, voortgevaren) = doorgaan.
Voorvallen = gebeuren.
Voorwaar = wel is waar, nochtans, zeker.
Voorzeggen = voorspellen.
Voorzegging = voorspelling.
Vork = steun voor de loop van een musket en vermindering van de
terugslag bij het afschieten.
Vorschen(d) = onderzoeken(d).
Vrijmoedig = onbevreesd, niet verlegen.
Vrijplaats = schuilplaats.
Vrijpostigheid = grote vrijmoedigheid, brutaliteit.
Vruchteloos = tevergeefs.
Vuurpan = pan met vuur ter verwarming.
(Vuur)roer = geweer, snaphaan.

Waardgelder = huursoldaten ter bescherming van een stad of
gebied.
Wachten, zich = oppassen, hoeden.
Wagenmenner = koetsier.
Wakker = dapper.
Wambuis, buis = Mansbovenstuk dat het lijf van hals tot aan het
middel bedekte.
Wapenhandel = oefening in het gebruik van wapens.
Wapenkreet = strijdkreet.
Weder = weer.
Weduwgift = geldsom of rente door de man vastgezet op zijn vrouw,
ingeval hij vóór haar komt te overlijden.
Weenen = huilen.
Wegwijzer = gids.
Weiden = rond laten gaan.
Welgevallen = tevredenheid.
Wellevend = beleefd, beschaafd.
Wellicht = misschien.
Werda = wie is daar.
Werf = opgehoogde plaats, waar een huis gebouwd wordt en die het gebouw
omringt(terp, wierd).
Werwaarts = naar welke plaats, waarheen.
Weshalve = daarom, om deze reden, het is daarom.
Wezenloosheid = bewusteloosheid.
Wicht = meisje.
Wichtig = het vereiste gewicht hebbende.
Wijk nemen, de = vluchten.
Wijkplaats = veilige plaats, toevluchtsoord.
Wijl = omdat.
Wijl = poos, tijd.
Wijs = manier, methode.
Wijs = melodie.
Wipbrug = valbrug, ophaalbrug.
Wisse = zekere.
Woerkum, Woerkom = Woudrichem.
Wraakgierigen = naar wraak verlangende.
Wrevel = gegriefdheid, misnoegdheid, lichte bitterheid.
Wuft = frivool, lichtzinnig.

IJlhoofdige = dolleman, krankzinnige.
IJlings = haastig.
IJzen = beven van vrees.

Zaagt = zag.
Zalig = gered; hoogst gelukkig, de zaligheid genieten (hier namaals).
Zaliger = overleden.
Zegepraal = triomf, overwinning.
Zeilsteen = kompas.
Zijdgeweer = sabel, degen.
Zinkroer = kort vuurwapen, dat men vroeger in een bandelier (degenhanger)
droeg, pistool.
Zinnebeeld = allegorie, symbool.
Zoeken = pogen, proberen.
Zoenoffer = offer waardoor iets goedgemaakt wordt.
Zoo hem het hart niet in de
schoenen is gezakt = als hij de moed niet verloren heeft.
Zoom = rand.
Zot = hofnar, hansworst, clown.
Zotheid = dwaasheid, gekheid.
Zwaarlijvigheid = dikheid.
Zwang = gebruik, gewoonte, mode.
Zwanger = een plan gemaakt hebben.
Zwarigheid = moeilijkheid, bezwaar.
Zwijger, de = bijnaam van Prins Willem van Oranje.
1) Dit werd natuurlijk geschreven vóór de afschaffing der slavernij in de Vereenigde Staten.
2) De lezer gelieve zich te herinneren, dat dit stuk op het einde van 1840 geschreven, en in den aanvang van 1841 publiek gemaakt werd. Het zou veel van het piquante verloren hebben, indien wij het, door het maken van wijzigingen, in overeenstemming met de tegenwoordige uitgave hadden willen brengen. Wij deelen het daarom geheel onveranderd mede.
![]()
Ingezonden op 19 July 2001 door J.Rvan Wijk.
![]()