J.F. Oltmans (1806 – 1854)

DE GRAAF VAN BOSSU TE ROTTERDAM

De Oostpoort te Rotterdam

D.gif (7003 bytes)e geschiedenis vermeldt, bijna op elke bladzijde, den naam van een vorst of een legerhoofd, en draagt zorg, dat het nageslacht hem de eer toekent, in dezen veldslag te hebben gezegevierd, deze stad te hebben vermeesterd of gene vesting te hebbben verdedigd. Soms ontvangt een gansche burgerij de eer, om haar manhaftigen wederstand tegen den vijand genoemd te worden; slechts zelden teekent de geschiedenis den naam op van den eenvoudigen burger, die zich voor zijn vaderland, voor zijne medeburgers verdienstelijk maakt. En evenwel: Wie winnen de veldslagen? Wie vermeesteren de steden? Wie staan tegen den vijand over op de benauwde vest, indien het niet de burgers zijn, somtijds strijdende vereenigd in schutterijen, of wel naar het punt van gevaar gesneld, uit eigen beweging, uit besef van den nood des vaderlands, of op den wapenkreet hunner vorsten en regenten; somtijds strijdende onder den meer algemeenen naam van krijgsman of soldaat? Doch het is en blijft de burger. Zelfs als bezoldigden zijne muren verdedigen, vestingen innemen en veldslagen winnen, het is zijn geld, waarmede de geworven legerbenden worden betaald; die, in het zweet zijns aanschijns, met zijne werkzaamheid verdiende gelden, redden het vaderland, of vergrooten er den roem van; hij spaart zijn bloed, maar geeft zijn goud.

Heeft de geringe burger meestentijds minder te vreezen van vreemde overheersching dan de voorname, die of door zijne rijkdommen, of door den rang, welken hij bekleedt, meer in het oog valt – des te meer verdient hij geroemd te worden, als hij zich zelven als het ware uit de vergetelheid op den voorgrond plaatst, en zijn leven in gevaar stelt. Niet dat zijn leven meer waard zou zijn dan dat van iemand van aanzien, maar omdat hij slechts zeer zelden de vruchten kan plukken van zijn moed en van het gevaar, dat hij heeft uitgestaan.

Meestentijds blijft zijne edele daad onopgemerkt, of zoo dit al niet geschiedt, helpt het hem niet veel, bij gemis aan de noodige voorspraak en aanbeveling; hij is onbekwaam, om een of ander ambt waar te nemen, en eenig geld wordt hem als belooning gegeven. De aanzienlijke burger, de man van geboorte, heeft geschiktheid voor elke betrekking; hem faalt de belooning voor het minste feit slechts zeer zelden, en door het aantal der lieden  van geringe afkomst, die het vaderland gediend hebben, laat het zich alleen begrijpen, dat sommigen, na het doorstaan van vele gevaren, zoowel in het leger als voornamelijk ter zee, de hoogste betrekkingen hebben bekleed. Teekent de geschiedenis, als een waarschuwend voorbeeld, het droevig en onverdiend lot aan van een vorst of een ander voornaam man, wiens diensten met zwarten ondank zijn vergolden – de bladzijden, die te vullen zouden zijn met de namen van geringe burgers, voor wie het vaderalnd ondankbaar is geweest, zijn bijna geheel schoon gebleven.

De namen van eenige mannen, die zich bij het vermeesteren van Rotterdam door de Spanjaarden, door hun moedigen tegenstand een beteren uitslag, hebben verdienstelijk gemaakt, zijn evewel door de geschiedenis opgeteekend; gelukkiger dan anderen zijn hunne namen aan de vergetelheid ontrukt. Het zij mij vergund, u drie hunner te herinneren, of u met hen bekend te maken.

Op den 9den April des jaars 1572, – een jaar, een maand, altijd door den Nederlander met vreugd en dankbaarheid te herdenken, wegens het vermeesteren van den Briel door de stoute watergeuzen  – op den 9den April, zeggen wij, vertoonden zich, omstreeks den middag, eenige schepen op de Maas vr Rotterdam. De krijgslieden, die zich op de vaartuigen bevonden, behoorden tot het regiment van Lombardije. Door den graaf van Bossu, stadhouder van Holland, uit Utrecht opontboden, had deze gehoopt met hen den Briel te hernemen; doch dit was hem niet gelukt. Met verlies van zijne vaartuigen, die door de watergeuzen waren verbrand of in den grond geboord,   zag hij zich genoodzaakt, zoowel  voor den vijand, als voor het wassende water, de vlucht te nemen. Na een vermoeienden marsch vr Dordrecht gekomen, weigerde men hem aldaar te ontvangen; en niet sterk genoeg om geweld te gebruiken, rekende hij zich nog gelukkig, dat men hem van de noodige vaartuigen voorzag om de rivier af te zakken. De vermoeienissen en het gebrek,door de soldaten sedert vier dagen uitgestaan, nadat zij vr den Briel het hoofd gestooten hadden, deden hem met begeerige oogen naar de stad zien, welke zij hoe langer hoe meer begonnen te naderen.

Een eind weegs van de stad, aan een soort van hoofd, legden de vaartuigen aan, en het krijgsvolk haastte zich om aan land te treden; een gedeelte hunner schaarde zich terstond op den dijk in slagorde; twee krijgslieden werden, bij wijze van vrposten, tot bj de hamei der Oostpoort, en twee andere verder op aan een kleine brug, meer naar de Goudsche poort, geplaatst. Nadat deze kleine krijgskundige schikking, welke de voorzichtigheid noodzakelijk gebood, was afgelopen, zeide Bossu tot de officieren, die met hem aan land getreden waren, terwijl de paarden ontscheept werden: „Het zal mij verwonderen, of men hier even stijfhoofdig is als te Dordrecht; de stoutheid der burgers gaat te ver; het wordt op mijn woord van eer tijd, dat de Koning hun onderdanigheid inscherpt.”

„Meer dan tijd, Heer Graaf!” zeide n hunner; „maar ik geloof, dat wij hier geen beter onthaal te wachten hebben: de poort blijft gesloten; niemand laat zich buiten zien, en op de wallen schijnt men de wacht te houden.”

„Welnu wij zullen zien; en als goede woorden geen ingang vinden, zullen wij list of geweld te baat nemen; het geeft geen pas, dat de stadhouder en de soldaten des Konings, als vreemd geboefte, het land rondzwerven en buitengesloten worden.”

Reeds zoodra het ruchtbaar geworden was, dat er schepen en vaartuigen in het gezicht waren, was alles in de stad op de been gekomen, en de ongerustheid was niet verminderd, toen zij in de nabijheid der stad waren blijven liggen en het Spaansche krijgsvolk ontscheept hadden. De regeering was echter al vroeger dan de burgerij bewust van het lastige en gevaarlijke bezoek, dat haar te wachten stond; men had haar door een vertrouwd persoon uit Dordrecht laten verwittigen, dat Bossu waarschijnlijk den wil naar Rotterdam had. Vandaar dat de graaf, zoodra hij zijn verlangen liet te kennen geven om de stad door te trekken, dadelijk ten antwoord ontving, dat men aan zijn verlangen niet kon voldoen. Met moeite onderdrukte Bossu zijne misnoegdheid, toen hij zich in persoon naar de poort begaf, en zijne begeerte te kennen gaf om den bevelhebber der wacht te spreken. Na voorafgaand beding, dat de graaf, slechts vergezeld van eenige edellieden en officieren, de hamei zou naderen, stond men zijn verlangen toe, en de poort werd geopend; de Spanjaarden die Bossu vergezelden, lachten, toen zij de burgers gewaar werden, die op de brug traden, en n hunner vroeg: „Zal de stadhouder van onzen Koning met die menschen spreken en hun goede woorden geven? Vijftig soldaten van Lombardije zullen gemakkelijk die poort vermeesteren, en het gemeen verjagen, dat haar bewaakt.”

„De stadhouder weet wat hij doen en laten moet, Mijnheer!” zeide Bossu; „hij kent den aard der ingezetenen beter dan de dappere officieren van Lombardije. De zege schijnt u gemakkelijk toe; maar gij zoudt u bedriegen! zij dragen geen fraai kleed; hunne wapenen zijn niet gelijkvormig; zij hebben niets gemeen met uwe soldaten, met u en mij, mijne Heeren! dan den moed.”

Toen de brug neergelaten was, zeide de burger, die alleen scheen te zullen vooruittreden: „Keert nu terug, mannen! haalt de brug op; sluit de poort en opent haar niet; komt, om welke reden ook, niet buiten, voordat ik het u gelast.”

„Wij zullen er voor zorgen, Jan!” antwoordde iemand, wiens bleek gelaat en kleeding een bakker deden herkennen, „wees gerust, ik zal op alles een wakend oog houden, en zoodra men de hand naar u uitsteekt, of op u schiet, moet gij u slechts op de brug neerwerpen, en van het bolwerk en den wal zal ik de hamei schoonvegen!”

„Wacht u dat te doen, Dominicus!” hernam de eerste; „ik verbied u allen, om wegens hetgeen met mij zou kunnen gebeuren, een enkele schot te doen. Zwart-Jan zal zich zelven trachten te helpen, zoo het nood is; vrees voor zijn leven of zijne vrijheid mag geene aanleiding geven tot het ternederschieten van Bossu en die heeren; de stad en onze vrouwen en kinderen zouden het moeten bezuren. Hebt gij mij verstaan, buurman! en gij ook, burgers?”

„Ja, Jan!” antwoordde de bakker, en de burgers knikten met het hoofd, toen vervolgde hij: „Wanneer men echter tracht de hamei te openen of te beklimmen, of als de soldaten naderkomen, dan schiet gij er onder, zonder naar mij om te zien; ik zelf zal het u gelasten als ik kan. Mocht men mij verraderlijk teneergeschoten of gestoken hebben, dan zal Jan Dominicus u het vuren gelasten; want hij is dan uw opperhoofd.”

Zoodrad de brug opgehaald en de poort gesloten was, trad Zwart-Jan naar de hamei, vr welke Bossu reeds was aangekomen, nam zijne muts af en zeide: „Heer Stadhouder gij verlangt den aanvoerder der wacht te spreken; hier ben ik.”

De officieren deelden elkander hunne gedachten halfluid mede, en de slotsom hunner opmerkingen was, dat die zwarte knaap, welke dr, met zijn hellebaard in de hand, onverschrokken vr hen stond, niets meer scheen te zijn dan een smid, en zij bedrogen zich niet. „Goede vriend!” zeide Bossu, „tot mijne verwondering verneem ik, dan men mij, den stadhouder, weigert in te laten; gij kunt daartoe geen last van de regeering hebben; en ware het zoo, dan zult gij zelf begrijpen, dat gij dit bevel niet moet, niet moogt gehoorzamen; want de gevolgen zouden op uw hoord nederkomen.”

„Is gehoorzaamheid niet de eerste plicht voor een burger, Heer Stadhouden?” antwoordde de smid, „vooral als hij verzekerd is, dat de opgedragen last tot nu der burgerij moet strekken? Maar Zwart-Jan heeft geen verstand genoeg om met u over deze zaak te spreken, en echter weet hij wel, dat men zoozeer niet weigert om u in te laten: het vreemde krijgsvolk, dat dr staat, is oorzaak, dat de poort voor u gesloten blijft.”

„Maar dat zijn soldaten van den Koning, uw heer!” riep Bossu toornig, „en het zal u berouwen hen voor de stad te hebben laten wachten.”

„Al waren het soldaten van den duivel, Heer Stadhouder!” hernam de smid snel, „ik laat hen niet binnen de poort; mijn dom verstand zegt mij, dat het mij juist zou berouwen hen ingelaten te hebben; zoolang zij dr wachten, kunnen zij mij geen kwaad doen.”

Bossu bemerkte, dat de smid evenmin voor overreding als voor vrees vatbaar scheen te zijn, en het speet hem, dat hij zoo driftig gesproken had. In het vermoeden, dat de regeering wellicht eerder door dreigen of bedaarde toespraak zou over te halen zijn dan Zwarte-Jan, zeide hij: „Het heeft nog nooit iemand berouwd zijn plicht te hebben gedaan, en ik duid u die woorden niet ten kwade; gij hebt deze heeren en mij overtuigd, dat gij een wakkere kerel zijt; maar n dienst verlang ik nog van u; keer terug, doch zend iemand van de wacht naar het stadhuis, en laat zeggen, dat de graaf van Bossu, stadhouder van Zijne Majesteit, niet vertrekken zal, voordat de regeering hem heeft te woord gestaan.”

„Inden Zwart-Jan u hiermede een dienst kan doen, Heer, Stadhouder! dan zal het spoedige antwoord, dat ik u hoop te brengen, zoo ik vertrouw, het bewijs zijn, dat ik u niet verhinder in te trekken, dan alleen omdat hij mij gelast is.”

De smid was nauwelijks binnen de pport, of hij zond Jan Dominicus naar het stadhuis, en toonde zijn misnoegen over het aantal menschen, die hij in de nabijheid van de poort vereenigd vond. „Hebben de vrouwen niet anders te doen, dan naar het vreemde volk te komen kijken?” riep hij; „pakt u van hier, en past op huis en kinderen, terwijl uwe mannen onder de wapenen zijn. Wat zoeken die kinderen hier? jaagt ze weg die bengels, mannen! en legt er den lap maar op: een slag of stoot met de kolf van een roer, of den steel van uwe pieken en hellebaarden zal zooveel kwaad niet doen als een Spaansche kogel, en die kunnen al heel spoedig hier over den wal vliegen.” De ijver, met welken men zijn last uitvoerde, verwekte hier en daar misnoegdheid; maar Zwart-Jan bekommerde er zich niet om, en vervolgde: „Wie niet tot de wacht behoort, moet weg; wie lust tot vechten heeft, kan zich te huis van geweer voorzien en naar het stadhuis gaan; als de heeren zijn dienst noodig hebben, zullen zij hem hier of daar een post aanwijzen.”

Het grootste gedeelt dergenen, die hier naar toe gekomen waren, waren Spaanschgezind, en dit was voornamelijk de reden, waarom de smid hen verwijderen wilde; van tijd tot tijd waagde het er een te zeggen, hoe onvoegzaam en gevaarlijk het was, ’s Konings soldaten en den stadhouder zoo oneerbiedig te behandelen. Eenige monniken vooral, die zich onder den hoop bevonden, trachtten het volk op te ruien, en aan te sporen om de stad voor alle gevaar te behoeden, door de poort te openen; doch Zwart-Jan, die den invloed vreesde, welken deze woorden ten laatste op de burgers van de wacht mochten uitoefenen, drong stoutmoedig in den dichtsten hoop, vatte een Dominicaner monnik, die de hevigste scheen te zijn, in de borst, en dreigde hem met zijn hellebaard, zoo zij hij zich verzetten durfde.

De monnik, die zeker geen lust had om in de poort te worden opgesloten, die wel inzag, dat hij geen hulp te verwachten had, en het den smid best toevertrouwde, hem de punt van zijn wapen in den buik te jagen, bad om zijne vrijheid te behouden, en beloofde te zullen heengaan, waarop de smid hem gewillig losliet. Door deze onverschrokken handelswijze gelukte het de wacht, om den lastigen en nieuwsgierigen hoop van de poort en den wal te verwijderen; en om een soortgelijken toeloop te voorkomen, stelde de smid aan elken toegang een zijner burgers, die met een roer gewapend was, met strengen last om niemand door te laten.

908SR15.gif (1832 bytes)

Toen Bossu eindelijk, ten gevolge van zijn verzoek, dat men niet had durven afslaan aan het stadhuis aankwam, werd hij aan den ingang ontvangen, en voorts in de raadkamer geleid, alwaar de geheele overheid vergaderd was. De burgemeester Jan Janszoon Roos verzocht hem plaats te nemen, zoowel als de vier edellieden, die hem vergezelden, en zeide voorts: „Ofschoon wij uwe genade, voor het welzijn en het behoud der rust in onze stad, niet hebben kunnen binnenlaten met uw krijgsvolk, hebben wij evenwel gemeend, Heer Graaf! u te moeten hooren.”

„Ik ben u zeer verplicht voor deze goedheid,” zeide Bossu grimlachend, en hij vervolgde: „Zelfs na de redenen, die gij geeft van het gesloten houden der poort, kan ik er mijne verwondering nog niet genoeg over te kennen. Indien ik niet geweten had, dat ik mij vr Zijner Majesteits goede stad Rotterdam bevond, zoo waar ik edelman ben, ik zou gedacht hebben vr een vreemde vesting te zijn. Maar ik begrijp, dat alles een misverstand is: het kan u geen ernst zijn, uwen stadhouder buiten te sluiten en het krijgsvolk niet te willen ontvangen, dat hij binnen uwe muren brengt tot beveiliging van uwe eigen stad tegen een aanslag, welken de vijanden zou kunnen ondernemen; dat het u ernst zou zijn mijne voorzorgen voor de goede burgerij te miskennen, en uwe goederen en uw leven, uit een belachelijke gehechtheid aan uwe voorrechten, goedsmoeds prijs te geven aan de willekeur der watergeuzen, die elk oogenblik kunnen komen opdagen.”

„De goede burgerij is uwe genade dank verschuldigd voor uwe goede bedoelingen; maar zij is machtig genoeg, hare eigen muren te bewaken en te verdedigen: het verblijf van een aantal soldaten, wier hulp men niet behoeft, zou een drukkende last en een oorzaak tot misnoegdheid wezen; het platteland heeft zeker meer bescherming noodig, en het zal meer pas geven en roemrijker voor den soldaat zijn, om den Briel te hernemen, dan de wacht te houden binnen Rotterdam.”

„Men schijnt te vergeten,” zeide Bossu kortaf, toen de burgemeester zweeg, „dat ik niet ben gekomen om raad te vragen, wat met het krijgsvolk zal gelasten te doen; het slot uwer rede is zoo ongepast, dat ik, als stadhouder des Konings, en aangezien het bevel, dat ik over de soldaten voer, liesft wil vergeten, wat ik gehoord heb. Maar ik wil u alleen opmerkzaam maken op het gevolg eener weigering om mij en mijn volk te ontvangen; het verderf der stad en der brave burgerij zal ter uwer verantwoording komen, indien de watergeuzen zich van uwe vest meester maken, en bovendien en alle geval zult gij het moeten verantwoorden. ’s Konings soldaten de poort voor het hoofd te hebben gestooten: Let wel, dat ik niet gekomen ben om de stad, strijdig met hare voorrechten, met een bezetting te verzwaren, maar alleen om haar te beschermen in dezen onrustigen tijd; let wel, dat ik niet gekomen ben, om de invorderingen van den tienden penning door te zetten, gelijk kwaadwilligen u wellicht diets gemaakt hebben.”

„Indien ik iets gezegd heb, Heer Graaf!” hernam de burgemeester, „dat u niet welgevallig is geweest, zoo wijt het, bid ik u, alleen aan mijn verlangen, het welzijn van het land zooveel mogelijk te bevorderen. Wat de ontvangst van het krijgsvolk betreft, wij kunnen er niet toe besluiten; evenwel zal het onze stad aangenam zijn, den stadhouder des Konings binnen hare muren te zien, en hem zoo goed ons mogelijk is, te onthalen. Onze weigering doet ons leed! maar juist om de verantwoording, die op onze schouders rust, kunnen wij uw verzoek niet inwilligen. Wij vertrouwen, dat de Koning en uwe Excellentie onze weigering niet aan verkeerde oorzaken zullen toeschrijven, en hopen, dat uwe genade getuigenis zal geven van ons verlangen, om aan uw verzoek te voldoen, ofschoon de omstandigheden des tijds ons verhinderen dat verlangen te beveiligen.”

„Ziedaar vele fraaie woorden!” riep Bossu ongeduldig, terwijl hij opstond: „zeg ja! of zeg neen! en wacht de gevolgen van uw antwoord af. Gij schijnt wel een hoog denkbeeld te hebben van uwe muren en den moed uwer burgers; maar, bij den Hemel! wat zoudt gij doen, indien het regiment van Lombardije eens, het wachten moede, zich niet stoorde aan uwe bezwaren en storm liep op uwe muren?”

„Wij vertrouwen, Heer!” antwoordde de burgemeester zonder bedenken, „dat uwe genade hun zou verbieden deze daad van geweld te plegen; maar waren zij doof voor uwe stem, dan zouden wij het regiment van Lombardije met Gods hulp, dwingen, om de muren van Rotterdam te verlaten, evenals het die van den Briel heeft moeten doen!”

„Het is zoo ver nog niet; het was slechts een veronderstelling,” zeide Bossu, die weder zitten ging, en onvergenoegd scheen op zich zelven om hetgeen hij gezegd had. „In allen gevalle, gij zult met mij inzien, dat het krijgsvolk dr niet kan blijven liggen; het is vermoeid en heeft veel uitgestaan in de laatste dagen; ik wil dan, hoe ongaarne ook, uw verlangen inwilligen en hen naar elders voeren, en zal de bescherming geheel aan u, en te uwer verantwoording overlaten, en verlang slechts den vrijen doortocht”

De burgemeester sprak een oogenblik zacht met zijn twee ambtgenooten enmet eenige andere leden der regeering; en zeide toen: „Het spijt ons, uwe genade ook dit te moeten weigeren.”

„Ook dit?” riep Bossu, „gij, die alln het woord voert, zij gij hier oppermachtig? of beschikt gij alln over de belangen van de gansche burgerij?”

„Neen, uwe genade!” hernam de burgermeester; „maar ook dit punt was reeds vr uwe komst, volgens de oude vormen onzer regeering, beslist. De doortoch door de stad is ook noodeloos; hij kan slechts aanleiding geven tot misverstand met de burgerij. Door de stad om te trekken, of het krijgsvolk met de vaartuigen beneden de stad aan land te zetten, kanu uwe genade hen gemakkelijk naar de plaatsen voeren, welke men bezetten wil; voor levensmiddelen voor den soldaat zal gezorgd worden, en uwe genade en de heeren van uw gevolg hebben slechts te zeggen, wat zij verlangen, en het zal verschaft worden.”

Bossu scheen in tweestrijd wat te doen; zijne ontevredenheid was duidelijk te bespeuren, en hij zeide ernstig: „Ik had een beter besluit van uwe wijsheid en zorg voor de burgerij verwacht; indien ik den doortocht door de stad verlangd heb, is het alleen geschied, om de eer van de soldaten des Konings te redden enu en de stad voor zijne ongenade te bewaren. Beseft gij zelf niet, dat het ons niet voegt, als een samengeraapte hoop, om uwe vest heen te sluipen? Ik dring er op aan, dat mijn laatste voorstel nog eens in omvraag worden gebracht, en zal mij met deze heeren verwijderen.” Toen hij, gevolgd van zijne edellieden, gereed stond de kamer te verlaten, zeide hij nog met gestrengen blik: „Bedenk, dat gij den Koning in mij en zijne soldaten beleedigt; dat de hertog, in naam van zijne Majesteit ook zeker van mij rekenschap zal vragen, waarom ik de eer van mijn meester niet heb opgehouden, en dat ik dus wellicht, liever dan die verantwoording op mij te laden, besluiten zou kunnen om de stad met storm te vermeesteren, of met de wapenen in de vuist voor de oproerige stad te vallen, zooals het een edelman en braaf soldaat betaamt!”

Na ernstige beraadslaging werd men te rade den stadhouder gedeeltelijk genoegen te geven, en toen hij weder was binnengetreden, zeide de burgemeester:

„Ons verlangen om aanuwe genade zooveel mogelijk genoegen te geven, heeft ons doen besluiten, den doortocht onder voorwaarde toe te staan. Vijf en twintig man zullen met doove lonten ingelaten en naar de poort geleid worden, die uwe genade zal gelieven aan te wijzen, en zoodra zij buiten zijn, zullen er weder vijf en twintig door de Oostpoort binnen de stad treden, en zoo vervolgens, totdat het geheele regiment er dr is.” Hier hield hij op; doch daar hij scheen te bemerken, dat de graaf een ander antwoord verwacht had, voegde hij er op vasten toon nog bij: „Meer kunnen wij niet toestaan, uwe genade! er moge van komen wat wil; wij hebben volgens onzen eed en plicht geantwoord; het overige berust in Gods hand, en wij zijn, op Hem vertrouwende, op het ergst voorbereid.”

„Ikhad een ander besluit verwacht,” zeide Bossu koel; „maar voor ditmaal zal ik er mij mee tevreden houden. Komt, mijne Heeren! laat ons gaan; want men zal ons met ongeduld wachten, en wij moeten straks daarbuiten nog voor nachtverblijf zorgen.”

„Een onzer zal uwe genade vergezellen en aan de wacht de noodige bevelen geven; doch alvorens moet ik uwe genade verzoeken, uw woord van eer te geven, dat de overeenkomst van uwe zijde stipt zal worden nagekomen.”

„Ik dacht, dat alles reeds was afgehandeld,” zeide Bossu gemelijk; doch de burgemeester antwoordde bedaard: „Op de bezwering van de overeenkomst na; uw woord van eer moet ons ten onderpand voor de trouw, en ten waarborg tegen den moedwil der soldaten verstrekken, en zonder uw woord zal er niemand doortrekken.”

„Welnu! ik geef mijn woord van eer, dat de overeenkomst getrouw zal worden gehouden,” riep Bossu; „zijt gij nu tevreden? hebt gij nu al de voorzorgen, die gij begeert? of wilt gij uw stadhouder ook misschien gevangen houden, totdat de trosboef buiten de poort gesloten is?”

„Ik hoop, dat uw genade beter over ons denkt, dan spreekt,” zeide de burgermeester beleefd; „uwe tegenwoordigheid, bij het inrukken der soldaten, is voor ons van te veel belang; anders zouden wij verzoeken u eenige verveschingen te mogen aanbieden; evenwel zullen wij ons gelukkig rekenen, indien onze stadhouden en de heeren van zijn gevolgd ons later de eer willen gunnen hen op stadskosten te onthalen.”

„Wij zullen zien,” antwoordde Bossu lachend; „voor het oogenblik kan ik niet ja of neen zeggen; maar verzoek n uwer met mij te gaan; want die zwarte man aan de poort zout stout genoeg zijn om mij niet te gelooven!” Dit zeggende, verliet hij de raadkamer, en burgemeester Jan Janszoon Roos zeide toen hij vertrokken was: „Het zal nu ook mij tijd worden om te vertrekken; ik mag lijden, dat ik mij bedrogen heb; maar ik blij bij mijn gevoelen, dat Bossu het op de stad gemunt heeft: de Hemel geve, dat ik mij bedrieg!”

Toen Bossu bij de Oostpoort aankwam, was de wacht merklijk versterkt; de burgers, die uit nieuwsgierigheid of andere redenen zich herwaarts begeven hadden, werden nog steeds op een behoorlijken afstand gehouden. Zwart-Jan stapte me Jan Dominicus vr de poort heen en weder; de edelieden, officieren en pages, die met den graaf waren binnengekomen, doch hem niet naar het stadhuis vergezeld hadden, volgden hun voorbeeld. De burgermeester deelde aan de burgers het genomen besluit mede terwijl Bossu met zijn gevolg sprak.

„Gij schijnt onvergenoegd, Meester!” zeide de burgemeester tot den smid; „maar het is eenmaal besloten, en de graaf heeft zijn woord verpand.” –

„Zijn woord?” mompelde de smid; doch hij vervolgde niet; want de burgemeester ging voort: „Het zijn er maar vijf en twintig telke reis, en bovendien volgt burgemeester Roos mij op de hielen met eenige versterking.”

„Gelief nu last te geven om de poort te openen,” verzocht de stadhouder, „dan kan ik naar buiten treden en mijne bevelen geven.” Aan mijn verzoek werd voldaan, en terwijl zijne edellieden hem bleven wachten, trad hij met den smid en eenige anderen naar buiten. De hamei werd geopend, nadat de valbrug nedergelaten was, en de graaf begaf zich naar het krijgsvolk.

Eenige oogenblikken later zeide de smid: „Waarom zendt hij er niet vijf en twintig naar de poort? gij zult zien, hij  komt zeker met den geheelen hoop aan.” – „Wat zullen wij er aan doen, Jan?” vroeg de bakker; – „als er maar niet meer dan het getal binnenkomen, dan hebben wij niets te zeggen; men kan het met die groote heeren zoo nauw niet nemen.”

Het geschiedde, zooals men vermoed had: het krijgsvolk, dat door den graaf in gelederen gesteld was, naderde, ofschoon met stille trom en zonder ontrold vaandel; de musketiers maakten de vr- en achterhoede uit; de spiesdragers gingen in het midden, terwijl de soldaten, die met dubbele haakbussen gewapend waren, zich ter wederzijde bevonden. De smid liep terug en gaf er den burgermeester bericht van, die er met de edellieden over sprak; doch zij verzekerden, dat deze zaak geene ongerustheid moest baren, er niet meer dan vijf en twintig tegelijk zouden binnenrukken. De smid keerde terug, met last, om er zich niet mede te bemoeien, maar slechts acht te geven, dat er niet meer dan het bepaalde aantal naar de poort traden. Zoodra hij weder bij de hamei kwam, maakte Dominicus hem opmerkzaam op de lonten, die allen brandden, waarom de smid Bossu toeriep, die vooruittrad: „Er is gezegd met doove lonten, Heer Stadhouder?”

„Denkt gij dan, dat ik uwe herinnering noodig heb?” vroeg deze barsch; „indien zij uitgedoofd worden, vrdat men binnentreedt, hebt gij of niemand iets te zeggen.” Toen beval hij, dat vijf en twintig soldaten de lonten zouden uitdooven en vooruittreden. Degenen, die aan dit bevel gehoorzaamden, hadden echter nauwelijks eenige stappen gedaan, of de smid, die zich met den bakker beraden had, riep forsch: „Sta! er zijn er meer dan het getal.”

„Het is niet zoo, burger!” zeide Bossu, „er zij er niet meer dan vijf en twintig!” maar Zwart-Jan liet zich niet bedriegen en riep luid: „Sluit de poort mannen! er zijn er meer dan het getal; ik heb ze geteld.”

„Gij liegt, kerel!” hernam de graaf driftig, en vervolgde schamper: „Het past u niet, om ’s Konings krijgsvolk te tellen.”

De smid strekte zijn hellebaard uit, om het eerst gelid het voortgaan te beletten en antwoordde onverschrokken: „De wacht en het tellen is mij bevolen;” en gaf een teeken om de hamei te sluiten; doch Bossu, die naast hem stond, trok snel den dolk uit de scheede, en stak den moedigen verdediger zijner stad in de borst, terwijl hij luid riep: „Voorwaarts, soldaten! de stad is ons!” Zonder een woord te kunnen uiten, liet de smid den hellebaard los en viel ruggelings neder.

Op hetzelfde oogenblik sloegen de trommelslagers den stormmarsch; Jan Dominicus viel dadelijk, gewond door een der Spaansche officieren, naast zijn buurman neder; de edellieden en officieren, die zich in de stad bevonden, riepen zoo luid: „Verraad!” als die van de wacht, en vielen op de burgers in de poort aan. Sommigen ontkwamen; de meesten werden ternedergestooten, en met wienig moeite gelukte het den soldaten de halfgesloten poort te openen; zij drongen met vliegend vaandel en slaande trom de stad binnen. De burgemeester Jan Janszoon Roos, die juist aan het hoofd van een gedeelte der burgerij de poort bereikte, wederstond een oogenblik met moed den onstuimigen aanval; doch weldra stortte hij, door een kogel getroffen, terneder, en onder woest geschreeuw verspreidde het Spaansche krijgsvolk zich door de stad.

Meer dan driehonderd burgers bekochten hun kloeken wederstand met den dood; over hunne lichamen baanden de door hunne nederlaag voor den Briel en hunne omzwerving verbitterde soldaten zich een weg in de stad; al wat in de wapenen gevonden werd, werd afgemaakt; het lichaam van den moedigen Zwart-Jan werd op de markt gevierendeeld; de bakker Jan Dominicus werd meer dood dan levend op een bakermat naar de markt gesleept, en tot dezelfde straf verwezen als zijn buurman.

Het was mijn doel niet de geweldenarijen, die de burgerij van het woeste krijgsvolk te lijden had, het lot der arme vrouwen en maagden, die aan de willikeur der soldaten overgeleverd waren, weder in het geheugen te roepen, – het zou ook een te treurige herinnering zijn; maar ik wenschte u slechts de namen te herinneren van drie mannen, die hun leven opofferden voor de verdediging hunner medeburgers. De nige belooning voor hun moed en hunne burgertrouw is, dat het nageslacht hunner blijft gedenken.

Jan Jz. Roos,

Zwart-Jan,

Jan Dominicus.

908SR15.gif (1832 bytes)

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)