J.F. Oltmans (1806 – 1854)

FRIESCHE GASTVRIJHEID

De hoeve Kreilingaweerd (r.)

I.gif (6830 bytes)n de nabijheid van een kleinen inham, en niet ver van den oever der binnenzee, die weleer, toen zij nog den naam van het Flie-meer droeg, de heerkoggen van Rome op haar golven gedragen had, lag, in den aanvang der twaalfde eeuw, de hoeve van Jeltze Kreilinga.

Op een schoonen zomerschen dag scheen er geen twijfel te zijn, dat de bouwheer dezer woonstede haar opzettelijk niet dieper landwaarts gesticht had: de nabijheid van de zee maakte toch den bewoners de vischvangst zoo gemakkelijk, en het aanschouwen van de bewegende watervlakte was een vermaak, dat nimmer eenzelvig kon worden. Als de zon elke golf deed schitteren, als overdrijvende wolken beurtelings fantastische schaduwen wierpen op het water, of het oog de vaartuigen volgde, die in de zee staken om hunne netten uit te werpen, of die terugkeerden met de buit gemaakte bewoners van het zilte water, voor weinige uren nog vrij dartelend in hun element, of die met het doel om koophandel te drijven uitgerust, met rijke ladingen bevracht, de kust naderden of ontweken, – dan scheen het zeker, dat de bouwheer door dit zeegezicht verlokt was, toen hij de hoeve grondvestte.

Doch men behoefde slechts een enkelen herfstdag, bij een zuidwestenwind, op Kreilingaweerd door te brengen, om de keuze van den stichter te laken, of te vermoeden, dat er sedert den eersten aanleg der woningen, een aanmerkelijke verandering van grond had plaats gehad; en deze gedachte zou volkomen juist geweest zijn. De rietbosschen aan den oever, die zich zacht ruischend bewogen, als de golven een welbehagen schenen te vinden er in te smoren, en hun zoom te omgorden met een donzen rand van sneeuwwit schuim; doch die geknakt, ternedergeworpen of ontworteld werden, als de golven door den wind gezweept wordende, en vroeger spel vergetende, een welbehagen schenen te scheppen in het beproeven van hare kracht, en met verbolgen woede, evenals een leger geschaard, in ontelbare gelederen kwamen stormloopen op den oever – die rietbosschen, thans een speelbal der golven, hadden hun bestaan te danken aan de zee. Eerstijds vervolgde de jager het wild op dezelfde plaats, waar nu de watervogel zijne eieren uitbroedde, zelfs daar, waar nu de visscher zijne netten uitwierp. Toen de zee velden en bosschen overstroomd en vernield had, verzwolg zij niet alles; grootmoedig liet zij een gedeelte harer prooi terug, maar in de gedaante van wadden en slecht land. Het was een stilzwijgend en ongevergd afzien van een gedeelte harer verovering; doch even onverzadelijk als alle veroveraars, zou zij later schaamteloos terugkomen op hetgeen zij zelve uit vrijen wil geerbiedigd had.

Dat de hoeve vroeger omringd was geweest door de bosschen, die zich nu nog slechts ten noorden van haar bevonden, was bekend uit de overlevering; en men schreef het aan deze oorzaak toe, dat zij, zoover men wist, weinig te lijden had gehad van de plundertochten de Noormannen of Denen. Toen later de graven van Holland aan veroveringen begonnen te denken, was het geboomte verdwenen, dat vroeger den zeeman verhinderde, den rook boven het dak te zien opstijgen; ook waren deze nieuw aanvallers, die meer beoogden dan het wegnemen van vee en goed, en die Friesland voor altijd van zijne vrijheid wilden berooven, beter bekend met de landstreek, welke zij gewapend binnentrokken, dan de woeste zonen van het Noorden; en Kreilingaweerd werd, na een hardnekkigen wederstand van de trouwe dienstmannen, die zich door afwezigheid van den heer op de hoeve bevonden, door het vreemde krijgsvolk vermeesterd en verbrand.

Gehechtheid aan de plek, door de voorouders tot hunne woonstede verkozen, of andere redenen, hadden de hoeve, hetzij in vreemden of binnenlandsche oorlog verwoest, meer dan eens weder op dezelfde plaats doen opbouwen of herstellen. Waarschijnlijk had men zich vergenoegd, de hoogte, waarop de gebouwen reeds vroeger gestaan hadden, te verhoogen: de nabijheid van de zee vorderde dit ook gebiedend.

Aan de eene zijde van den weerd of de hoogte, waarop de woning stond, bevond zich niets dan slecht land met riet en gras, dat meestal onbruikbaar was, en bij den eersten hoogen vloed dadelijk onderliep; aan de andere zijde daarentegen, ontmoette mij vrij goede weilanden, eenig bouwland, en het bosch, dat meest uit laag hout bestond; een soort van bedijking keerde hier den eersten aanval van de zee. Hoe veranderd van gedaante de omstreek ook ware, was deze eenzame woning een bewijs van de neiging der oude Friezen om op het land te leven; en het liet zich hierdoor verklaren, waarom de oude Jeltze geen gezelliger, minder afgelegen, ja zelfs veiliger oord bewoonde.

Boven op de weerd, die hoog genoeg was om alle vrees voor het water onnoodig te maken, bevonden zich de schuren en de stallen van het vee. Zij vormden met de woning zelve een verward geheel, en alleen aan de weinige openingen in den wand, die met luiken gesloten waren, herkende men het gedeelte, dat voor den mensch, of meer bepaald gezegd voor de vrouw der hoeve, bestemd was; want de gaten, die zich in de schuren en stallen bevonden, welke ook tot woning verstrekten aan degenen die in staat van dienstbaarheid verkeerden, waren zoodanig geplaatst, dat zij wel geschikt waren om licht of lucht te geven, maar niet toelieten een blik naar buiten te werpen. In het midden van deze slechts van hout samengestelde gebouwen, en dus op het hoogste gedeelte van den kunstmatigen heuvel, stonden eenige schelven hooi, die met riet en plaggen gedekt waren, waaruit, ofschoon dan met meer zorg aangebracht, ook het dak der gebouwen bestond, die, voor zooverre de wanden uit horden waren te zamen gesteld, bijna geheel, en voor het overige daar, waar men zulks had noodig geoordeeld, met een mengsel van klei en leem waren dichtgestreken.

Jeltze Kreilinga was de weduwe van den laatsten mannelijken afstammeling der oude eigenaars van het bosch Kreil, en van de velden en wateren, in de omstreek er van gelegen; en hoewel de zee er van tijd tot tijd van had verzwolgen, wat het oog een bezitting, die, hoewel niet door de innerlijke waarde van den grond, evenwel door hare uitgestrektheid, aanmerkelijk kon genoemd worden. Hare dochter en eenig kind, nog bij het leven van den ouden edeling Kreilinga aan den zoon van zijn naasten buurman en trouwsten vriend uitgehuwelijkt, was haar vader spoedig in den dood gevolgd; gelukkig dat de oude vrouw in haar kleinzoon, Juw Galama, het eenigste kind harer dochter, een voorwerp vond dat hare hulp en verpleging behoefde, en op hetwelk zij hare liefde kon overbrengen. Zij had hare dochter nog niet geheel verloren, zoolang zij den kleine Juw behouden mocht, en met recht voedde zij de hoop, dat hij, zijn grootvader en vader waardig, eens zijn geslacht tot eer zou verstrekken.

Op een dier herfstdagen, welke het voor elken vreemdeling, die bij toeval deze landstreek bezocht, onbegrijpelijk deed voorkomen, dat er nog menschen waren, die uit vrijen wil hier bleven wonen, zat Jeltze in hare hoeve bij het vuur. De wind, die tegen den avond was losgebarsten en nu zijn geweld toonde, waaide gelukkig uit het noordwesten, terwijl hij den bewoner der kust van de groote zee met vernieling dreigde, vonden de bewoners van Kreilingaweerd zich door het bosch beschut; evenwel moest men gewoon zijn het huilen van den wind hier te hooren, om niet nu en dan met bezorgdheid het oor te leenen aan de vreemde geluiden, die zich lieten hooren. Wat Jeltze betreft, zij scheen zich, zoowel als zij, die zich met haar bij het vuur bevonden, weinig te bekommeren om den storm.

Een eenvoudig zwart gewaad van wollen stof, maakte de kleeding der oude vrouw uit; een ronde muts, of liever kapje van dezelfde kleur, doch van een glanzige stof, bedekte haar hoofd en reikte ter wederzijde tot over de ooren. Haar gerimpeld voorhoofd en beenachtig gelaat werden door niet bedekt; alles wat dienen kon, om de sporen des ouderdoms uit te wisschen of te verbergen, was verzuimd; er scheen geene gedachte te bestaan om het eerbiedwekkende gelaat, door kunst of hulpmiddel te verjeugdigen, maar evenmin om het nog sterker te doen spreken. En evenwel zou met het laatste bijna vermoed hebben, zoo eerwaardig kwam het zilvergrijze haar, dat met het kapje in glanzigheid wedijverde, er uit te voorschijn.

Maar wilt gij weten, wie die grijze haren zoo passend, ja zelfs schoon langs de slapen van de oude vrouw gevlijd had? Het was Rieme, het meisje, dat tegenover haar zat. Sedert den dag, dat Jeltze eens, om aan het verlangen van Rieme, die toen nog een kind was, te voldoen, deze had toegestaan, de grijze lokken van hare weldoenster naar haar welgevallen te schikken, moest de oude vrouw zich dagelijks dezen last, zoo zij zeide, getroosten; maar sedert lang was zij reeds aan dezen dienst gewoon, en zoo zij zich er nu en dan tegen verzette, wat het om door Rieme verbeden te worden.

Toen de rampen des oorlogs de kleine Rieme tot een wees gemaakt hadden, en zij, niettegenstaande de goederen, die zij van hare ouders gerfd had, wellicht uit gebrek of gemis aan behoorlijke verzorging, zou omgekomen zijn, toen trok Jeltze zich het kind aan; weinig jonger zijnde dan haar kleinzoon, wat het een geschikte speelgenoot voor den kleinen Juw. Haar schoonzoon Galo Iges Galama toonde zich verheugd, dat zijn zoon in het aanvallige kind een deelgenoot zijner spelen gevonden had, toen hij het voor het eerst op Kreilingaweerd ontmoette, en op verzoek van de grootmoeder, die verder zag dan de vader, droeg, hij zorg, dat de rechten van Rieme op de bezittingen harer ouders niet werden uit het oog verloren.

Bijna even rustig van gestalte als Jeltze, die nog rechtop ging, niettegenstaande zij zooveel schreden grafwaarts gedaan had, bezat Rieme die gave van schoonheid, waarop de dochters van het oude Friesland zich zoo met recht konden verhoovaardigen: blank en schoon van aangezicht, getuigden hare tintelende blauwe oogen en helder witte tanden, zoowel als de blos der gezondheid, die op hare wangen lag, dat de leefwijze op Kreilingaweerd, noch de onbestendigheid van het weder, nadeel hadden gedaan aan de ontluiking harer schoonheid.

Zoolang haar vriend Juw de hoeve bewoonde, had zij hem meest altijd gezelschap gehouden. Hetzij op het water, of op het land, of des winsters op het ijs bevond, Rieme was steeds aan zijne zijde; zij deelde in zijne gevaren en genoegens; elke teleurstelling, die hij ondervond, werd ook door haar gevoeld; het visschen, eieren zoeken, het vangen der vogels in het bosch en honderd andere vermaken hielden haar bezig; doch toen Juw de verzorging van zijne grootmoeder ontberen kon, moest hij zijn vader vergezellen. Slechts nu en dan had hij gelegenheid de hoeve te bezoeken, en sedert haar speelmakker vertrokken was, hadden al de vermaken, welke zij vroeger met hem genoot, alle aantrekkelijkheid voor haar verloren. Jeltze had voorzien, welke uitwerking het vertrek van haar kleinzoon op Rieme zou uitoefenen; zij had tot dit oogenblik gewacht om haar meer bepaald in datgene te onderrichten, wat zij eenmaal weten moest om eenmaal een huisvrouw te worden, waardig den man, dien zij haar had toegedacht, en het huis, in hetwelk zij was opgevoed; en de oude vrouw had alle reden om voldaan te zijn over haar goeden wil en hare leerzaamheid.

In het eerst werden de oude vermaken en spelen dadelijk weder hervat, zoodra Juw zijne grootmoeder bezocht, en zoolang de jongeling zich in het veld of op het water bevond, was Roeme  niet op de hoeve te vinden. Doch langzamerhand verminderde de liefde tot de spelen der jeugd, ofschoon haar noch de krahten, noch de vlugheid ontbraken, om haar ouden speelmakker op zijne tochten te volgen, en ten laatste gingen er dagen om, gedurende welke Juw er zelfs niet aan dacht om het huis te verlaten, alleen omdat Rieme het te volhandig had, of voorgaf geen lust te hebben, om hem te vergezellen.

Spoedig echtr bemerkte Jeltze, dat, ofschoon de plichten, die Rieme te vervullen had, deze bijna allen lust schenen benomen te hebben tot de vermaken van vroegeren tijd, zij evenwel in het geheel niet onverschillig was geworden omtrent het gezelschap van Juw. Naarmate het verlangen om den jongeling te zien in haar hart in kracht toenam, gaf de maagdelijke beschroomdheid, die de koene dartelheid van het kinde opgvold was, haar in, om dat onrustig verlangen in haar boezem te verbergen; doch Jeltze zag met treurigheid, de terughouding van het meisje.

Ook Juw had zijne speelgenoot niet vergeten. Gaf de leefwijze bij zijn vader hem meer verstrooiing, was zijn hart niet zoo gevoelig als dat van Rieme, ook hij liet bemerken hoeveel het hem kostte, Kreilingaweerd te verlaten, hoe gelukkig hij zich gevoelde, als zijn vader hem uitnoodigde om een bezoek op de hoeve af te leggen. Het duurde niet lang of hij verklaarde vrijmoedig aan zijn vader, dat deze hem geen grooter dienst zou kunnen doen, dan hem toe te staan, zijn vast verblijf weder bij zijne grootmoeder te vestigen, dewijl de omgang met Rieme een gewoonte voor hem geworden was.

Jeltze wachtte toen ook niet langer hare pleegdochter de reden te vragen van hare treurigheid, van de tranen die het afwezen van Juw haar scheen af te persen; Rieme openbaarde zonder terughouding, dat zij zich slechts gelukkig gevoelde, als de jongeling zich op de hoeve bevond, en dat zij hem te lief had, om niet treurig te zijn over zijne afwezigheid. De woorden vol liefde en tevredenheid, waarmede de oude vrouw haar vertrouwen beantwoordde, vervulden het hart van het meisje met blijde hoop en ongekend geluk en weldra kwam de oude Galama deze hoop in zekerheid verkeeren. Nooit had Rieme met angstiger, doch tevens met blijder verwachting de komst van den jongeling verbeid; nooit had deze zijn vader meer dan vervroolijkt door zijn driftig verlangen om de woonplaats te bereiken van haar die zijne vrouw zou worden; en hoe gelukkig zij zich in elkanders gezelschap bevonden, hoe spoedig de dagen voorbijsnelden, die de oude Galama op Kreilingaweerd vertoefde; Rieme zag niet treurig meer, toen de jongeling vertrok en nooit was Juw zijn vader gewilliger gevolgd. Zij waren nu gerust en tevreden, en vol vertrouwen gingen zij de toekomst te gemoet.

Het kleed, dat Rieme droeg, was niet geschikt om aan de bevalligheid van hare leest recht te doen: de blauwe kleur en de roode randen gaven er evenwel een levendigheid aan, die voor hare jaren paste. Een klein versiersel van barnsteen, dat aan een koord om haar hals hing, en twee groote, ronde gouden oorringen waren de eenige kostbaarheden, die zij droeg.

Wat Juw betreft, die naast Rieme zat, niet meer dan n jaar ouder dan deze, en dus slechts twintig haren tellende, had Jeltze reden om trotsch te zijn op het kind harer dochter; en Galama had haar met geen minderen grond zijn dankerkentenis toegebracht, toen zij hem het kind, dat hij aan hare zorg toevertrouwd had, als een sterken en gezonden knaap had teruggegeven, die in staat was de grootste vermoeienissen te wederstaan, en zijn vader op de tochten door velden en wouden, door waters en stroomen te volgen op zijde te blijven. De vier jaren, die hij bij zijn vader had doorgebracht, hadden hem het aanzien van een volwassen man gegeven; het krachtvolle van zijn lichaamsbouw, zijne hooge gestalte, en de fiere houding van zijn hoofd, alles deed hem den zoon van den edeling kennen, die een dapper voorstander van Frieslands vrijheid beloofde te worden. Gaf het wit blonde haar van Rieme, dat boven op haar hoofd was te zamen gevlochten en ten deele door de lakensche kap bedekt was, reeds hare afkomst te kennen, het eenigszins rosachtig haar van Juw gaf altijd stof aan zijn grootmoeder, om uit te weiden over het oude heldenvolk, dat zich het eerst op Frieslands bodem had nedergezet, en waarvan hij, door de kleur ziijner lokken, bewees een onverbasterde afstammeling te zijn. Om der waarheid hulde te doen, moet met zeggen, dat zijn gelaat nog geen dier norsche trekken vertoonde, waarmede de oude Friezen hunnen vijanden schrik inboezemden; doch dit was een gebrek in de gelijkenis, van welke de oude vrouw droomde, hetwelk zij niet bemerkte, en Rieme vond niets te berispen in de gelaatstrekken van Juw. Zijne opperkleederen bestonden uit twee stukken: het eerste diende hem voor broek en kousen, het tweede was een soort van overrok, die tot aan de knien reikte en op de borst werd toegehaakt; hooge schoenen, die zelfs veel van lomp bewerkte laarzen hadden, zetten nog eenige weelde aan zijne kleeding bij; want de overige mannelijke personen, die zich in het vertrek bevonden, moesten, voor zoover zij niet blootvoets waren, zich met houten schoeisel behelpen; voor het overige verschilde de kleeding niet veel: de stof was slechts wat grover, de snede minder net, en zoo wat het ook met de vrouwenkleederen in betrekking tot die van Jeltze.

Het vertrek was vrij ruim; door een aanstrijksel van leem was het hout der wanden niet zichtbaar, en eenige randen en figuren, met onderscheidene verven in levendige kleuren er op gelegd, gaven te kennen, dat er niets verzuimd was om het verblijf zoo fraai mogelijk te maken. De grond was mede met leem gelijk gemaakt; doch de zolder was verstoken van alle opluistering. Menigmaal, als er gesproken werd, hoe schaars het zware hout in het bosch begon te worden, verhaalde Jeltze, hoe zij zelve getuige was geweest, dat de boomen, die thans voor balken dienden, in het bosch waren geveld; ja, hoe al het hout, dat gediend had om de hoeve weder te herbouwen, nadat zij ten deele verwoest was geworden door het krijgsvolk van den graaf van Holland, toen hij in den winter van het jaar acht en zeventig naar Stavoren was getrokken, zonder moeite door het woud Kreil was opgeleverd. Eenig keukengereedschap en jacht- en vischtuig hing aan de wand, welk echter zijn grootsten luister ontving van een Oostersch zwaard, dat door den broeder van Jeltze uit Palestina was overgezonden; een geschenk te meer van waarde, omdat de vrome kruisvaarder, evenals Iges Galama, de grootvader van Juw, te Antiochi gestorven was. Een schoorsteen bevond zich niet in het vertrek; de rook van de turven en het hout, dat op de haarsteenen lag, moest zijn uitweg zoeken door een opening, die boven in den zolder gelaten was: eene wijze van stoken, die gelegenheid gaf om den haard van vier zijden te naderen, welken de rook nog af te leggen had, voordat hij door het dak met de buitenlucht in aanraking kwam, was de opening in den zolder niet onder den invloed van den wind; het rookte minder in deze Friesche hoeve, dan in de zaal van den Hollandsche edelman, die zijn wijden schoorsteen al een der vernuftigste uitvindingen beschouwde. Er brandde kraas noch lamp in het vertrek; om echter aan het licht, dat het vuur gaf, te gemoet te komen, onderhield men een klein vuur van droge houtspaanders, op een ijzeren vuurpan, die op een ijzeren stang naast den haard in den grond stak.

Het was van een belangwekkende groep om dien haard: die oude vrouw met dat bruine, sprekende gelaat, dat van den ouderdom geen gaaf had willen leenen, dan alleen den ernst, en die slechts in andere tijden had behoeven te leven, om, indien zij het gewild had, als een andere Velleda hare godspraken te geven, en het bijgeloovige volk door hare voorzeggingen te bezielen met een dweepachtigen moed, of in sombere  moedeloosheid te dompelen. Voorts dat blanke meisje, de lelie van het noorden, begaafd met eene schoonheid, welke Jeltze nooit gekend had, doch die ook geen zoo schoonen oudedam beloofde, als waarvan de grootmoeder van Juw het levende voorbeeld gaf; en Juw zelf, die in manlijken vorm van schoonheid van Rieme en het krachtvolle van Jeltze in zijn persoon vereenigde, op wiens gelaat geen trots, maar slechts vertrouwen op eigen kracht te lezen stond, en die lijfeigenen van beider kunne, die Jeltze allen had zien geboren worden – hoeveel vertrouwen en ontzag tevens lag er opgesloten in de wijze, waarop zij om den haard gelegerd waren; met hoeveel vrijmoedigheid waagden zij te vragen of hunne opmerkingen mede te delen! maar hoe ontvingen zij ook zonder wrevel de bestraffing van hare meesteres, ja zelfs van Rieme! maar die bestrafte ook niet licht!

Waarom was de vader van Juw niet aan den haard gezeten, om het geheel te volmaken? want dan lokte het eene woord het andere uit. Hoe gaarne men ook luisterde naar de verhalen van het Roode Klif, van den held Friso en zijne broeders, van het schoone huis, dat koning Richard Offe had laten bouwen, en honderd andere wetenswaardige vertellingen – nooit was het onderhoud levendiger, dan wanneer de oude Galama met Jeltze sprak over de dagen hunner jeugd, en als hij verhaalde van de dappere daden van zijn vader nij het Heilige Land en in de oorlogen tegen Godfried en graaf Dirk, of als hij zijne eigene lotgevallen vertelde. Doch Galo Iges, die met zijn zoon sedert drie dagen op Krelingaweerd vertoefde, had haden zijn verlangen om het woud in te gaan, niet kunnen onderdrukken; tegen den middag had men zijne terugkomst verwacht, maar sedert, en vooral nu het weder zoo onstuimig geworden was, wachtte men hem niet meer, en men vermoedde, dat hij elders zou overnachten.

„Juw! hoort gij eenig vreemd gerucht daar buiten?” vroeg Jeltze onbezorgd, toen zij den jongeling nu en dan zag luisteren naar de dwarlwinden, die tusschenbeide in de enge ruimte, wlke er binnen de gebouwen was, nedervielen en dan met geweld een uitweg zochten.

„Neen, moeder!” antwoordde Juw.

„Wel jongen!” hernam de oude vrouw lachende, terwijl zij hare pleegdochter toewenkte, „dat is het antwoord van een goeden Fries? Rieme zal je niet meer gelooven durven, en dan komt er van het trouwen niets.”

„Niets, beste moeder?” vroeg Juw onbezorgd, en de hand van het meisje vattende, vervolgde hij: „Is het waar, Rieme? zeg het maar; je bent immers al knappe meid genoeg, om zelve je vrijer den zak te geven.”

Was het omdat Rieme het niet wagen durfde, met de verbreking van een band te schertsen, wiens verscheuring haar het leven zou gekost hebben? of vond zij geen reden genoeg om aan Juw’s geloofwaardigheid te twijfelen? Het zij hoe het wil, zij vergenoegde zich om schalks lachend te antwoorden: „Gij hoort wat Jeltze-moeder gezegd heeft.”

Het was een antwoord, dat niet rond genoeg was voor een Friesche deern, om niet te laten bemerken, dat zij nog geheel niet vast besloten had om Juw zijn afscheid te geven; bovendien liet zij hem gewillig hare hand over, en bantwoordde den druk zijner vingers. Doch de jonkman, die niet twijfelde aan hare trouw, die wist hoe noodig hij was voor haar geluk, omdat zij het hem meermalen had verzekerd, niet droomende hoeveel misbruik hij van de kennis van dat geheim zou kunnen maken, was niet tevreden met dat antwoord, en terwijl hij hare hand uit de zijne stiet, keerde hij zich om, en zeide met gemaakte onverschilligheid: „Het is wel, Rieme! ik versta genoeg wat gij zeggen wilt: uit is het! en er zijn nog genoeg knappe meisjes in Friesland, die Juw zullen willen hebben.”

„Kinderen! kinderen!” zeide de oude Hille, die, ofschoon een tiental jaren jonger dan hare meesteres zijnde, reeds geheel gebukt ging onder de gebreken des ouderdoms: „drijft den spot niet met zulke dingen; wie weet, wie weet?… maar de heiligen mogen je bewaren!” en zij dreigde waarschuwend met den mageren vinger van de stramme hand, die zij met moeite in de hoogte hief.

„Loop, loop, Hille-moer! ziet gij niet, dat het maar mallen is? Juw weet wel, dat er veel meisjes in Friesland zijn, doch dat er maar ne Rieme is,” zeide de dienstman Epo schertsend, en zooals meest altijd het geval was, werd ook nu het onheidspellend geknor van de oude Hille overstemd door het gelach van het jongere volk.

Door een enkelen wenk met de hand bevrijdde Jeltze de beste van hare vervolgers, en zij zeide, toen er weder stilte heerschte: „Gij moet Hille niet zoo uitjouwen: de ouderdom loopt niet zoo vlug, maar ziet veeltijds verder dan de jeugd. Maar gij Juw!” vervolgde zij minder ernstig, „je spreekt boud, jongen! doch je zoudt wel berouw hebben, als het eens zoover kwam, en ik geloof zelfs, dat je nu al berouw hebt; beken maar schuld en haal Rieme over om vrede te maken, voordat wij opstaan; want het is laat, en hoog tijd om den dan te besluiten.”

Ware Juwe verstoord geweest, dan zou hij zoo gereedelijk niet voldaan hebben aan de vermaning van zijn grootmoeder; hij had daartoe te veel Friesch bloed in de aderen; nu echter keerde hij zich tot Rieme en vatte hare hand; doch toen zij deze terugtrok, sloeg hij zijn arm om haar middel en zeide lachend: „Nu, nu, laat mij u afkussen; het zou mij bedroeven, dat gij kwaad naar bed gingt; want dat maakt de meisjes leelijk.”

„Zijn er meisjes, er zijn ook nog knappe jongens in Friesland,” merkte Rieme aan, terwijl zij haar vrijer, zonder zich er tegen te verzetten, den vrede liet bezegelen, en vervolgde vroolijk: „Maar welk antwoord kreeg Jeltze-moeder ook? Erken het maar, Juw! je bent een vreemdeling geworden op onze hoeve, en je zat met vrees te luisteren naar den wind. Dacht je ook, dat we in zee zouden waaien?”

„Spot maar!” hernam hij lachend; doch eindigde minder opgeruimd: „Wilt gij het weten, Rieme! het slechte weer deed mij berouw gevoelen, dat ik mijn vader niet vergezeld heb.”

„Berouw?” vroeg het meisje met bevreemding, en terwijl hij bevestigend met het hoofd knikte, zeide Jeltze: „Juw! Juw! al weder een leugen. Doch het kan ook wel waar zijn: nu hij den geheelen dag met Rieme heeft zitten vrijen, is hij hier lang genoeg geweest, en hij gevoelt nu spijt, dat hij zijn kruisboog aan den wand heeft laten hangen!”

„Neen, moeder! niet om de jacht,” antwoordde Juw zonder lachen, terwijl hij het hoofd schudde; „hedenmorgen ried ik vader af om te gaan, en zeide hem dat ik er zeker van was, dat wij slecht weer zouden krijgen, ofschoon ik mij van het tegendeel overtuigd hield; ik heb dus toen niet gesproken, zooals ik dacht, en dit doet mij leed.”

„Dat was niet goed: het berouw dat gij gevoelt, bewijst dit,” zeide Jeltze ernstig; daar alle geneigdheid tot scherts uit hare gedachten verdwenen was. Het verwonderde haar niet, dat haar kleinzoon zich van zoo weinig aanbelang bezwaard rekende; echter vervolgde zij vriendelijk: „Het zal zich wel schikken, jongen! gij behoeft er van den nacht niet over te denken; de Hemel heeft u tot geen leugenaar willen maken: het is slecht weer, en uw vader zal inzien, dat uwe voorzegging is uitgekomen.”

„Dat is het juist, moeder! Vader zal nu denken, dat ik hem alleen liet gaan om het weer,” hernam Juw ontevreden op zich zelven, en hij vervolgde zacht fluisterend, terwijl hij zich naar Jeltze wendde: „en evenwel was het alleen om Rieme, dat ik bleef.”

„Uw vader zal dit niet denken, kind!” zeide Jeltze, die getroffen was door de liefde welke haar kleinzoon voor zijn vader gevoelde, en de vrees, welke hij koesterde, een plicht verzuimd, een hem niet passende vrees voor regen en wind verraden te hebben.

„Vader Galama zal immers toch geen leed overkomen zijn, denkt gij, Juw?” vroeg Rieme met bezorgdheid; en zij vervolgde schielijk: „Het is mijne schuld alleen, moeder! want gisteren verzocht ik Juw heden nog thuis te blijven.”

„Uwe schuld?” hervatte Juw met drift, alle schuld van Rieme uit zijne gedachten werpende, „alsof ik niet weet, wat mij mijn plicht gebiedt; gij hebt geen schuld, Rieme lieve!” en hij vervolgde met vertrouwen: „Leed? neen, Rieme! wat geeft hij om wind en regen of water, en bovendien is de oude Ruird niet bij hem?”

„Behalve dat is de edeling naar de goede zijde heengegaan,” zeide Jouke, waarna hij met de hand naar het westen wijzende, vervolgde: „want dr! dr is de kwade hoek, en men brouwt er een echten Fries niet veel goeds.”

„Goed gesproken, Jouke!” zeide Juw tot den dienstman, „en als mijn vader er heengaat, dan zal het ook niet alleen zijn, en er zal dan zeker genoeg gebeuren, dat de vrouwen en ook de mannen er lang van zullen kunnen vertellen aan den haard. Maar al ware mijn vader er alleen heengegaan, reikt zijn grond en die van mijne grootmoeder niet tot aan de landen der Friezen, die van hunne goederen ontaard zijn? En wie zou een Galama durven aanraken op zijn eigen grond?”

„De arm van een graaf van Holland reikt ver!” zeide Jeltze ernstig; „het recht van eigendom wordt niet altijd geerbiedigd. heeft die Floris niet gejaagd op onzen grond? Heeft de Hemel tot straf over onze zonden, hem niet toegelaten, zich als heer van Friesland te doen erkennen? heeft hij zelfs niet gezegd, dat hij alleen het recht had, om te jagen op het land, dat uw vader en ik van onze ouders gerfd hebben?” Hij heeft immers Ruird, den dienstman van den edeling Galama gedreigd, en hem de honden afgenomen!”

„Zoo is het, beste moeder,” hernam Juw, die met moeite zijne drift bedwongen had, toen hij den hoon, zijn vader aangedaan, herdacht; „maar mijn vader heeft ook gezworen, die daad aan het goed van den geweldenaar te wreken, al ware het ook ten koste van zijn eigen leven, en wat hij gezworen heeft, is heilig. Zoodra de graaf zich weer aan de landpalen van Vrij Friesland, dan zal het oorlog zijn, en al wat den naam van Galama draagt, zal naar de wapenen grijpen!”

„Dat zullen zij! en al het manvolk, dat op mijne landen leeft, zak den tocht mededoen; de Heer schenke dan den Friezen de overwinning of een roemvollen dood!” hernam Jeltze plechtig, terwijl zij opstond en vervolgde: „Het is tijd, om het voorbeeld van Hille te volgen, zij slaapt reeds, en…”

„Moeder!” viel Juw de oude vrouw in de rede, en verhinderde haar, Rieme te verzoeken het avondgebed te doen. „Zwijg, bid ik u, en gij allen luistert! De honden slaan aan; is dat de wind, of hoor ik een hoorn?”

De wind en de regen verhinderden gedurende eenige oogenblikken, om het geluid op te vangen, dat Juw meende vernomen te hebben; eindelijk zeide Jouke: „Ja, er wordt getoet,” en de andere mannen en zelfs sommige vrouwen haastten zich zijn gezegde te bevestigen, en wezen zelfs de richting aan, vanwaar het geluid kwam.

„Ja, dr, aan den ingang van de hiem,” zeide Jeltze, die het nu mede gehoord had. „Is het mijn zoon Galama, haast u dan, mannen! om den edeling in te laten;” doch voordat men haar bevel kon ten uitvoer brengen, zeide Juw: „Neen, moeder! het is mijn vader niet: ik dacht eerst, dat het de oude Ruird was, doch hij is het evenmin. Nooit heb ik dat getoet meer gehoord; de man schijnt vermoeid: wilt gij, moeder! dat ik ga zien, wat hij verlangt?”

„Doe zoo, mijn kind!” zeide Jeltze; „met zulk weer kan men geen Christenmensch zijn huis ontzeggen; zelfs al ware het een Hollander, Kreilingaweerd zal niet voor hem gesloten blijven.”

De jonge Galama verliet het vertrek met Jouke, die een brandende houtspaan in de hand nam, en toen zij eenigen tijd daarna terugkeerden, volgden hen vier mannen, wier kleederen doornat waren, en die de sporen droegen van het zwerven door het woud en de moerassige landen. „Het zijn vreemdelingen, moeder!” zeide Juw op een toon, welke zijn wrevel over hun onverwacht bezoek verried, ofschoon hij zich moeite gaf om den eerbied niet uit het oog te verliezen, op welken de gasten van zijne grootmoeder recht hadden.

„Ik ontvang ze aan mijn haard, en zij zullen in vrede aan mijn disch aanzitten!” zeide Jeltze met waardigheid, terwijl zij de vreemden met de hand naar den haard wees, aan welken eenige der vrouwen hurkten, en bezig waren het vuur, dat genoegzaam uitgegaan was, weder te doen aanglimmen, terwijl Epo zich haastte om nieuwe spaanders op de vuurpan te werpen.

De jongste der vier mannen, en die het eerst vooruittrad, boog zich licht en zeide, zonder zich bevreemd te toonen over het gewicht, dat men er aan hechtte, hem met zijne makkers onder dak te nemen, en op een toon, die, niettegenstaande zijne vermoeidheid, niet van zekere fierheid beroofd was: „Ik neem die aanbieding aan, vrouw! en zal er mij dankbaar voor betoonen, ofschoon wij lang gewacht hebben, voordat wij werden ingelaten. Ik ben een Zeeuwsch edelman, en voor zaken op reis zijnde, heb ik het dezen morgen gewaagd, mij zonder wegwijzer op de jacht te begeven; wees zoo goed mij te zeggen, onder wiens dak ik dezen nacht zal doorbrengen. Mijn naam is Rogier…”

„Heer!” viel Jeltze hem met drift in de rede, „wijt dat wachten aan den wind; voor het overige reken ik op geen dank. Is de gastvrijheid, die ik aanbied, u aangenaam, zoo neem haar aan; maar laat zij u genoeg zijn, of verlaat mijne woning. Gij zijt misschien een afstammeling van de oude Friezen, die de uiterste landpalen ten westen bewoonden; maar gij hebt uwe afkomst, en uw land behoort niet tot  de zeven Zeelanden; gij zijt een vreemdeling in Vrij Friesland. Ik wil uw naam niet weten; want de honden, die u vergezellen, de jachtsprieten, die uwe gezellen dragen, en uwe eigen woorden doen mij kennen, dat gij gejaagd hebt; dat gij u aan den eigendom van een ander vergrepen hebt; ik moet u dus niet kennen. Gij zijt mijn gast, en dit is mij genoeg; morgen kunt gij in vrede gaan!”

De vreemdeling scheen verwonderd te zijn, toen men hem zoo kortaf het woord afnam; er lag eenige gemelijkheid opgesloten in de wijze, waarop hij zich op de bank bij den haard nederzette, en hij zeide schielijk: „indien gij den naam niet wilt kennen, van iemand, die morgen veel verplichting aan u zal hebben, het is mij wel, beste vrouw! doch ik heb altijd de ondankbaarheid voor een groot kwaad gehouden; zeg mij ten minste, onder welk dak ik mij bevind; zeg mij uw naam, opdat ik en mijne vrouw u en de uwen zouden kunnen gedenken in onze gebeden, dewijl gij alle dankerkentenis versmaadt.”

Juw scheen verwonderd over de herhaling van die vraag; zelfs Jeltze schudde ontevreden het hoofd en hernam ernstig: „Het is zeker een verdienste te bidden voor zijne vijanden; maar wij verzoeken u niet om uwe voorbidding; welk geluk zou zij ons aanbrengen? zelfs de zegen van een Hollander wordt den Fries tot vloek. Houd mij deze woorden ten beste, Heer!” vervolgde zij minder ernstig. „Den gast zal men niet vragen, maar ook hij vrage niet. Wie goed vertrouwen heeft, behoeft niet te vragen: alleen de spie vraagt. En doet, hetgeen ik zeg, u leed, geloof daarom niet, dat ik het goede voornemen versmaad van iemand, die het verblijf onder mijn dak voor lief neemt; mijn volk bereidt u op mijn last het avondmaal, zonder dat ik uw naam weet; de heiligen kunnen immers ook mij genadig zijn, als gij hen voor mij aanroept, zonder mij te kennen?”

„Het zij zoo!” antwoordde de vreemdeling kortaf; de vermoeidheid, of de gedachte dat hij zijn beleng niet was, die oude stijfhoofdige Friezin nog boozer te maken, had hem vrij bedaard doen toeluisteren, en zonder het te weten of te willen, drukte zijn gelaat het ontzag uit, dat Jeltze hem had ingeboezemd, toen zij weigerde hem te kennen, om zelve niet te kunnen zeggen, wie bij haar vernacht had, als men naar de jager zou vragen toen zij alle denkbeeld van dank met verachting verwierp, hem vermanende tevreden te zijn met hetgeen men hem aanbood, evenals ware zij een koningin, die hem hertogdommen en graafschappen had ten geschenke gegeven.

Het hout, dat nu lustig opbrandde, vooral het rijs, dat men met geheele bossen op den haardsteen wierp om de vreemdelingen in staat te stellen hunne kleederen te drogen, gaf veel licht in het vertrek. Op een wenk van den vreemdeling waren ook de overige drie mannen het vuur genaderd, en eerst nu konden de bewoners van de hoeve goed zien, wie hun de nachtrust kwamen onthouden, terwijl het licht der vlammen het ook aan de onbekende jagers mogelijk maakte, om eenig denkbeeld te verkrijgen van het verblijf, dat hen beschermde tegen weer en wind, en de vrouwen en mannen van elkander te onderscheiden, die zich tot nog toe als spookgestalten in de duisternis vertoond hadden.

De kleeding van den edelman bestond uit broek en kousen van leder, dat met veel zorg bewerkt was,  en uit een rok van fijn laken en een vilten muts met nederslaande boorden; zonder opschik te verraden, gaf zijne uitrusting evewel te kennen, dat hij niet tot den geringen stand behoorde. De jongste van de vier zijnde, zag hij er, zoo niet het sterkst, ten minste het welvarendst uit; zijn rok had met behulp van den lederen gordel, zoo het scheen, nog moeite genoeg om den doorvoeden buik in toom te houden; ook zijn gelaat was gevuld en getuigde van zijn aanleg om dik en vet te worden, zoo niet van zijne genegenheid tot overdadig tafelgenot. Doch met dat al, en niettegenstaande zijne vermoeidheid, was zijn bleek gelaat, dat veeltijds een pijnlijke plooi aannam, niet misdeeld van edele trekken; zijn oogopslag was fier en zelfs ontzag inboezemend; trots zetelde op zijn voorhoofd; een schampere trek omgaf zijn mond, zoo vaak hij de lippen bewoog. En zijner gezellen verschilde weinig in kleeding met hem; de twee overigen daarentegen droegen lompe rokken van grof laken; de eerste was misschien een begunstigde dienaar van den vreemden heer; vandaar zeker ook, dat zijn gelaat en zijne houding hem onderscheidden van zijne makkers, ofschoon hij genoodzaakt was, de honden aan den band te houden en het jachttuig te helpen dragen.

Van beide zijden was men mogelijk niet voldaan over het onderzoek: den Friezen mishaagde de vorschende en fiere blik van den edelman; zij gaven door teekens en gefluister hunne verachting te kennen over de kostbaarheid zijner kleederen, die beter waren dan een edeling ooit op de jacht gedragen had; maar vooral wekt het hun ongenoegen op, dat de vreemden met de jachtsprieten in de hand aan den haard plaats namen. Wat de gasten betrof, op kleeding en huisraad viel wel geene pracht te berispen, het eene noch het andere kon hunne wangunst opwekken; ook uitte niemand door woorden of daden iets, dat hun stof tot ongenoegen kon gevenl maar het scheen, of het woeste en ruwe voorkomen der dienstmannen van Jeltze hun niet beviel of hen niet geruststelde. Klonk aan de eene zijde het Hollandsch den Friezen onaangenaam in de ooren, de vreemde jagers luisterden met schrik naar de halfluid uitgesproken woorden, in een hun geheel onbekende taal. Want behalve een paar woorden, waarmede Juw zich verwaardigd had, hun te zeggen, dat zij in de woning ontvangen zouden worden, hadden zij nog niets kunnen verstaan dan hetgeen Jeltze tot hen gezegd had.

Intusschen had de huisvrouw eenige bevelen gegeven, en na den gasten, ofschoon tevergeefs, het aantrekken van droge kleederen aangeraden te hebben, zich aan den haard nedergezet. De vreemdeling toonde zijne bevreemding, toen hij den met zilveren beslag versierden drinkhoorn aan den mond zettende, dien Rieme hem aangeboden had, bemerkte dat men hem niet alleen wijn, maar zelfs zeer goeden wijn geschonken had. „De heilige Hubertus moge getuigen,” riep hij, „dat ik niet gedroomd had, hier wijn, veel minder zulken wijn te drinken!” maar alsof hij gevoelde, dat zijn uitroep te veel geringe verwachting te kennen faf van het onthaal, dat men hem doen zou, zoo vervolgde hij schielijk: „Dat is te zeggen, beste gastvrouw! dat het omzwerven door het woud en door poelen en moerassen mij wel op een teug water, of desnoods slecht bier, maar niet op wijn had doen rekenen. Hebt gij bier? zoo geef het ten minste aan die twee kerels; want deze wijn is te goed voor gemeen volk.”

„Heer!” antwoordde Jeltze, „Friesland is geen wijnland; doch de scheepvaart brengt het eene en haalt het andere, en wij hebben, de Hemel zij geloofd, nog koopmanschap genoeg, om onzen gasten den wijn te schenken,die ons voor ons zelven te kostbaar is; en wat het bier betreft, het is tot u aller dienst; maar ook uwe gezellen kunnen wijn drinken; er is meer! Ofschoon ik u heer noem, maak ik geen onderscheid tusschen den meester en den knecht; zij zijn beiden mijne gasten.”

De edelman hernam, dat het hem genoegen zou doen, als men zijne gezellen even goed onthaalde als hem, daar zij geene mindere behoefte aan verkwikking hadden dan hij zelf; en hij vervolgde, hetgeen Jeltze hem vroeger gezegd had, nog niet vergeten zijnde, en nu meer goed vertrouwen hebbende, sedert het aanbieden van den wijn; „Het moet gezegd worden, vrouw! dat uwe woning zich niet gemakkelijk opent, doch dat men er de gastvrijheid weet uit te oefenen: daarom verwondert het mij, dat gij he gaan met jachttuig in deze landstreek als een zoo groot kwaad beschouwt, vooral voor arme jagers als wij, die u zelfs niets voor uwe tafel kunnen medebrengen. Gij weet, misschien niet dat wij, edelen, van den graaf het recht verkregen hebben, om nu en dan te jagen in zijne bosschen, en het woud waarin ik verdwaald ben geweest, behoort immer onder zijn gebied!”

„Gebied!” herhaalde Juw, die nu eerst naast zijne grootmoeder plaats genomen had. De edelman vestigde het oog op den jongeling en vervolgde, zondeer zich door het ontevreden gelaat van dezen te laten afschrikken, noch zich te laten weerhouden door het bijna onmerkbaar hoofdschudden van den voornaamsten zijner volgelingen: „Ja, gebied! gij zijt oud genoeg om te weten, dat Floris landsheer van Friesland is: of ben ik Stavoren ook voorbijgetrokken zonder het te weten, jongen?”

„Ik ben een edeling!” hernam Juw fier, zich belgende over de benaming van jongen; hij, die geen aanspraak maakte om ander dan bij zijn naam genoemd te worden door de dienstmannen zijner grootmoeder, wilde den vreemdeling doen gevoelen, dat hij, op zijn minst genomen, in rang met hem gelijk stond, en op dezelfden toon, met welken men gevraagd had, antwoordde hij: „Het schijnt u reeds moeite genoeg gekost te hebben, om, zonder te verdrinken, het tot hiertoe te brengen, laat staan dan tot voorbij Stavoren. En wwat dat geschonken recht van den zoogenaamden landsheer betreft, de eerste de beste Fries, dien gij ontmoet hadt, zou u hebben kunnen zeggen, dat het juist niet veel te beduiden heeft, ofschoon Floris zelfs wel eens jaagt op onze gronden; en ik ben oud genoeg om te weten, dat de een wilddief aan den anderen geen jachtrecht geven kan!”

De verbazing, die de vreemde gezellen lieten bemerken, evenaarde den toornigen blik, welken hun heer op den jongen Fries wierp, terwijl de dienstmannen van Jeltze, door hun gefluister hunne goedkeuring over het antwoord van den jongeling te kennen gaven; zelfs de vrouwen, die aan den haard eenige spijzen gereed maakten, zagen op, om te bespieden, welke uitwerking die echt Friesche woorden zouden hebben. Alleen de blik van Rieme verried eenige bezorgdheid; want Jeltze verborg den indruk, welken de woorden van haar kleinzoon op haar maakten; doch zij zeide, evenals vreesde zij, dat hij nog verder mocht spreken met zekeren ernst: „Juw! gij hebt anders geen gewoonte gehad, mij het woord niet te gunnen, als men mij iets vroeg.”

De tijd, welken de edelman gewacht had, met op den naam van wilddief, dien men zijn graaf gaf, te antwoorden, gaf hem gelukkig gelegenheid, zijn ongenoegen grootendeels te overwinnen; en daar Jeltze het antwoord van den jongeling scheen af te keuren, greep hij de gelegenheid aan, om de goede verstandhouding te onder houden en te bevestigen en zeide: „De heilige Hubert moge mij bijstaann! Die jonge edeling geeft een naam aan onze graaf, dien het dezen keer even weinig zou lusten te dragen als den strop; maar indien die jongeling uw kleinzoon is, zooals ik denk, dan wil ik u de verzekering geven, beste gastvrouw! dat onzen heer door ons niet zal overgebracht worden, wat de edeling gezegd heeft, al ware het ook alleen maar ter will van zijne zuster, die mij zoo vriendelijk den drinkhoorn heeft aangeboden.”

„Zij zal zijne vrouw worden,” antwoordde Jeltze, minder om den vreemdeling uitleg te doen van de betrekking, in welke zij tot Rieme stond, dan om hem te doen gevoelen, dat hij het meisje, als verloofd zijnde, moest beschouwen; „voor het overige, Heer! indien uwe betrekking als mijn gast, u niet reeds verplichtte, het stilzwijgen te bewaren zoo zou ik u evenwel niet willen dankzeggen voor die verzekering. Ik heb mijn kleinzoon berispt, omdat hij scheen te vergeten, dat zijne grootmoeder werd aangesproken, en dat gij mijn gast zijt; niet, omdat hij gesproken heeft, zooals het elken Fries betaamt!”

De edelman trachtte zijn recht tot jagen niet verder te bewijzen, en hij scheen elk woord te wegen, voordat het over zijne lippen kwam; doch uit zijne vragen kon men wel bemerken, dat, indien Jeltze hem aangeboden had, hem iemand als wegwijzer te willen medegeven, hij wellicht besloten zou hebben, nogmaals de onstuimigheid van het weder te trotseeren. Zij, die met hem waren gekomen, hadden slechts een enkel woord gesproken, als Rieme hun den wijn aanbood, uitgezonderd de man, die zich door zijne betere kleeding onderscheidde, en die, terwijl zijn heer het zwijgen bewaarde, met veel beleid het gesprek gaande hield over het weder, den naderenden winter en soortgelijke onverschillige zaken.

De poging, welke Juw wilde doen, niet om de gunst van de vreemdelingen, maar om de goedkeuring van zijne grootmoeder te verwerven, gaf een oogenblik later bijna aanleiding tot een misverstand, dat kwade gevolgen had kunnen hebben; want toen hij opstond, en een der gezellen der jachtspriet uit de hand wilde nemen, om hem er van te ontlasten, nam deze, die de bedoeling van den Fries wantrouwde en zijne woorden niet goed verstaan had, het wapen met drift terug, en verstoord over deze daad, over deze miskenning van zijn goed voornemen, riep Juw toornig: „Bij St. Odolf! is de geest van Staf in dien dienstknecht gevaren, dat hij aan de zijde van een edeling met wapentuig wil zitten aan den haard?”

„Juw!” zeide Jeltze schielijk, „de vreemde man heeft je voornemen niet gevat, waarom wordt ge dus zoo toornig op hem?” Toen vervolgde zij ernstig: „Heer! mijn kleinzoon brengt mij een plicht te binnen, dien ik verzuimd heb. Is het den dienstman bevolen ongewapend te verschijnen voor den edeling, het is den gastheer opgelegd, zijn gast te ontlasten van zijne wapenen.” Toen keerde zij zich tot Rieme en zeide: „Dochter lieve! het geen ik moest doen, doe dat in mijne plaats.”

„Zet dat jachttuig tegen den wand!” beval de edelman kortaf, en vervolgde, terwijl zijne gezellen zich haasten te gehoorzamen: „Wat het lange jachtmes betreft, dat aan mijne zijde hangt, het hindert mij niet, vrouw! en ik zal he meisje, dat mij reeds zooveel dienst gedaan heeft, geen nieuwe moeite voroorzaken.”

„Die moeite is niet groot, Heer!” zeide Rieme vriendelijk, hem naderende , en Juw, die weder plaats genomen had, vervolgde: „En de gedachte, dat gij het noodig zoudt kunnen hebben, is beleedigend voor ons; die, dat gij het niet durft afgeven, vernederend voor u!”

„Welnu, voldoe dan aan het verlangen van mijne gastvrouw, meisje!” zeide de edelman, die geen verdere tegenwerping wilde maken, te meer daar Jeltze, om het gezegde van Juw te verklaren of te vergoeilijken, er op had laten volgen: „Hij wil zeggen, Heer! dat de grootste veiligheid voor den gast van een Fries bestaat in ongewapende te zijn.”

Toen Rieme het jachtmes uit den gordelriem wilde lichten, moest de edelman zijne hand van het gevest afnemen, waarop zij tot nog toe gerust had, van het oogenblik af, dat hij zich in het vertrek vertoond had, en een uitroep van smart was het gevolg van deze verplaatsing. Rieme, die dacht, dat zij den vreemdeling onwillekeurig leed veroorzaakt had, trad eenigzins verschrikt terug, en herhaalde den uitroep van den edelman; doch vrdat Juw, die met drift opsprong, en door de vlam en den rook heen alles niet nauwkeurig had kunnen zien, vragen kon, of de vreemdeling zijne verloofde beleedigd had, zeide deze vriendelijk: „Schrikt gij, meisje? Het doet mij leed; het zijn uwe lieve handen niet, die mij dien uitroep ontlokt hebben, maar de kneuzing aan den arm, door den val in het woud veroorzaakt – neem nu het mes!” Rieme voldeed aan zijn verlangen, en hij vervolgde luid, terwijl hij de hand met moeite in den gordel stak: „De jonge edeling zal nu inzien, waarom wij gehecht waren aan dat wapen: het diende tot rustplaats van een gekwetsten arm. Wij hebben er nooit aan gedacht een Friesch meisje te verschrikken, en nog veel minder een Fries te vreezen!”

Juw zweeg; zijne kwade vermoedens, die zoo onjuist geweest waren, en die hij zoo duidelijk had laten blijken, verplichtten hem de laatste verzekering zonder wederspraak aan te hooren; en zoodra Jeltze vernam, dat de edelman in het bosch gevallen was, vroeg zij hem, of dit hem wellicht bewogen had, niet van kleederen te verwisselen; zij ried hem aan dit nog te doen, en bood hem aan naar den arm te zien, doch hij bedankte haar voor de moederlijke zorg, die zij voor hem betoonde. Ondanks zich zelven was Juw genoodzaakt te erkennen, dat de honden van den vreemdeling, door hunne krachtvolle en fraaie houding verdienden bewonderd te worden; doch hij wachtte zich wel, om hem met het bezit van zulke schoone dieren geluk te wenschen, of zelf om zijn gevoelen er over te zeggen, aangezien er niets opp hen aan te merken viel. Met genoegen had de edelman gezien, dat Rieme nu en dan zijne honden tot zich riep, en hen liefkoosde. Juw zag dit minder gaarne, en sedert Rieme dit bemerkt had, wachtte zij zich om in het vervolg iets te doen, dat hem niet aangenaam was.

De wijze, op welke de vreemdeling het woord richtte tot de vrouwen, verried een zekere hoffelijkheid; de gedienstigheid, met welke Rieme hem bediend had, zelfs hare vrees hem leed gedaan te hebben, scheen hem aan het meisje te hechten, terwijl de hooge jaren van Jeltze, en de ernst, met welken zij sprak, hem eerbied inboezemde voor haar, niettegenstaande hare taal te rond Friesch was, om hem te bevallen; doch, ondanks zich zelven, hoorde hij haar aan zonder wrevel, terwijl elk woord van Juw hem vertoornde. Zonder vrees te gevoelen, begreep hij echter, dat alleen de kracht van geest der oude vrouw en het medelijden van het meisje hem in deze eenzaam gelegen woning zouden kunnen beveiligen voor de gevolgden van den volkshaar  des jongen edelings en dier ruwe dienstmannen, indien de eensgezindheid verbroken werd; ja! dat hij wellicht dezen dienst reeds aan haar verplicht was.

De spijzen waren eindelijk gereed. Er was van het maal, gedurende den nacht, voor onverwachte gasten inderhaast bereid, niet veel te verwachten, en toch hadden de jachtgezellen, en zelfs hun meester, met genoegen gezien, met hoeveel zorg alles onder toezicht van Rieme en zelfs van Jeltze werd gereed gemaakt. De geur van een stuk vleesch, hetwelk door een dienstman aan een ijzeren stang voor het vuur gebraden werd, was ook wel in staat een hongerige belust te maken, en het is niet waarschijnlijk, dat de edelman nu nog not het verlaten van de hoeve zou hebben kunnen besluiten, of dat zijne gezellen hem zonder leedwezen zouden gevolgd zijn.

Ware Rieme niet bevreesd geweest om Juw eenige reden tot onvergenoegdheid te geven, dan zou zij zeker den vreemdeling den arm geboden hebben, toen hij zoo pijnlijk opstond en met moeite de tafel naderde. Het deed haar daarom genoegen, toen Juw uit eigen beweging zelf zijn dienst aanbood; doch de goede bedoeling werd niet naar waarde erkend: het koele antwoord en het voortgaan met versnelden tred bewezen hem, dat men zijne hulp niet begeerde. Ofschoon Jeltze en haar kleinzoon reeds lang het avondeten genuttigd hadden, plaatsen zij zich evenwel aan den disch, terwijl Rieme moest zorg dragen, dat het aan niets ontbrak; ook hier gaf keur van spijs en drank en de bewerking en stof van het weinge tafelgereedschap, dat er gewoonlijk bij een Friezen maaltijd gebruikt werd, te kennen dat men den gasten alle mogelijke eer bewijzen wilde. Vier dienstmannen, die een brandende houtspaan in de hand hielden plaatsten zich als even zoovele kandelaars, achter de dischgenooten, en verspreidden, een helder licht over de tafel, en op last van Rieme werden de honden van den edelman ook van spijzen verzorgd.

Juw en zijn grootmoeder proefden slechts van de spijzen; en ofschoon de jonge Fries op een anderen tijd wellicht zich te buiten gegaan zou zijn in het drinken, alleen om te toonen, dat er op Kreilingaweerd geen gebrek was aan wijn, zoo scheen hij heden het voorbeeld der gasten te volgen; want sedert de edelman aan twee zijner gezellen herinnerd had, dat hij niet hield van dronken volk, werd er met mate gedronken.

Als met algemeene afspraak, vermeed men van beide zijden iets te zeggen, dat reden tot geschil zou kunnen geven; de beste eensgezindheid scheen op den duur te zullen heerschen; men kon zien dat het Jeltze leed deed, dat de edelman, zoo het scheen , veel pijn aan den arm gevoelde, en zijn lust tot eten hierdoor merkelijk verminderd werd. Ofschoon de dienstmannen nu en dan halfluid eenige woorden met elkander wisselden, hinderde dit de aan tafel zittende niet: doch plotseling zeide Jouke luid: „Er komen nog meer gasten aan, daar wordt getoet!” Er heerschte een oogenblik stilte; nog lieten de wind en regen zich buiten hooren, toen Juw luid riep, terwijl hij opstond: „Ruird!”

De vreemdelingen, die het gezegde van Jouke niet verstaan en niets vreemds gehoord hadden, zagen hem verwonderd aan; zoo bevreemden hun zijn doen en de ruwe klank van den uitgesproken naam.

„Dan komt uw vader nog; ik had hem niet meer verwacht,” zeide Jeltze, en vervolgde tegen den jongeling, die wilde heengaan: „Blijf zitten, Juw! Jouke zal den edeling wel inlaten.”

Op hetzelfde oogenblik dat Jouke de deur uitging, sprongen er twee honden het vertrek binnen. Het gevecht, dat er dadelijk tusschen hen en de honden van den edelman ontstond, deed hunne tegenwoordigheid bemerken, de vreemde gezellen omzien en de dienstmannen toeschieten. Een half gesmoorde uitroep[, door een zijner gezellen geuit, deed ook den edelman, die somber vr zich zag, het hoofd omwenden, en Juw, die tevergeefs trachtte te raden, waarom de heer en zijne knechten met ontzetting het gevecht en de de vreemde honden aanzagen, zeide: „Het zijn de honden van mijn vader; zij weten binnen den hiem te komen, zonder dat men hun openmaakt.”

Op dit oogenblik werden de Friesche honden, die de vreemden van hun erf hadden willen verdrijven de zwakste. Dit was het sein voor de dienstmannen, om tusschenbeide te komen, en de edelman zeide haastig, terwijl zijne gezellen het oog met ongerustheid op hem gevestigd hielden: „Het is laat, waarde gastvrouw! reeds te lang onthoud ik u den slaap; ik zelf ben zwaar vermoeid; ik ben ziek; de grootste dienst, die gij ons bewijzen kunt, is ons nu een rustplaats aan te wijzen.” Hij stond op, en de gezellen volgden zijn voorbeeld; doch toen ook Jeltze en de jonge Fries de tafel verlaten hadden, verhinderde het opengaan van de deur de oude vrouw om eenige bevelen te geven.

Het was een oud man, die binnentrad, en ofschoon zijn uiterlijk kracht aanduidde, scheen het slechte weder, hem geheel ontmoedigd te hebben; hij was zonder muts en het water liep hem langs de haren en kleederen. „Ruird! waar is mijn vader?” vroeg Juw, die den oude te gemoet trad; maar deze scheen te vermoeid om te antwoorden, en staarde hem half wezenloos aan; doch toen de vraag met meer nadruk  werd herhaald, wees hij, zocher echter het hoofd op te richten, met de hand naar de deur, en zeide met een doffe stem: „Dr!”

Aan de wijze, waarop Juw hem voorbijsnelde, kon men merken dat hij begon te vreezen dat er een ongeluk gebeurd was; doch hij bleef staan, toen de deur wijd geopend werd. Plotseling stortte hij evenwel voorwaarts en riep jammerend: „Vader! vader!” en herkende dezen, die door Jouke en drie andere mannen werd binnengedragen. Jeltze, Rieme, allen gaven door een kreet hunne ongerustheid te kennen, traden naar de deur; alleen de edelman en zijne gezellen bleven bij de tafel en stonden met den rug naar het vuur gekeerd; niets van hetgeen er aan de andere zijde van het vertrek voorviel ontging hun oog; zij schenen, halfluid, doch met drift, onder elkander te beraadslagen.

Juw nam de hand van zijn vader in de zijde, en toen hij voelde, dat die zoo koud, zoo stijf was, vroeg hij angstig: „Zijt gij het vader? Ik ben Juw!” maar de vraag bleef onbeantwoord, en die stilte verschrikte Rieme. Herkende de vader de stem van zijn zoon niet meer? Jouke fluisterde Jeltze eenige woorden in het oor, en de jongeling, die het laatste woord had opgevangen, riep de hand van zijn vader loslatende, op hartverscheurenden toon: „Dood! dood!” en bedekte zijn gelaat met beide handen.

En zoo was het: Gala Iges Galama werd dood in het huis gedragen, dat hij des morgens gezond en krachtvol verlaten had. Toen men hem nedergelegd had, en Epo den rok had ter zijde geschoven, die het hoofd van den edeling bedekte, vertoonde zich het bleeke gelaat: de lange, roskleurige knevels, de rosse haarlokken, weleer de voorwerpen van de zorg en den trots van Jeltze’s dochter, lagen nu haveloos en verwilderd; de oogen waren gesloten; geen pijnlijke trek misvormde het edel, manhaftig wezen, dat diepe rust uitdrukte; slechts de mond scheen zich te willen openen, om de vijanden van zijn geboortegrond, nog uit het graf me een uitdaging toe te roepen.

Jeltze zag met treurige blikken om den doode: de sterke, de moed- en krachtvolle man leefde niet meer, en zij! de oude vrouw stond naast zijn lijk; ook hem moest zij zich zien voorgaan; dr lag de wettige, de natuurlijke steun en beschermer van haar kleinzoon, en van Rieme! Aan wien zou zij nu de kinderen aanbevelen, als ook haar uur zou slaan?

O! het was een aandoenlijk oogenblik, toen Juw zich op zijn vader nederstortte, toen hij tevergeefs den vader riep, die hem niet meer kon antwoorden, toen hij het lichaam in zijne armen klemde, het bleeke gelaat kuste, en de kreten zijner wanhoop door het vertrek klonken. Rieme knielde naast den edeling neder; zij leed dubbel; elke uitroep van Juw sneed haar door de ziel, en ook voor haar was de doode een vader geweest. Niemand dacht er aan, om de wanhoop des jongelings door woorden, door toespraak van troost te matigen. Wat zijn woorden, welk vermogen hebben troostredenen bij het lijk eens vaders? wat zouden zij voor vermogen gehad hebben op Juw, die Gala Iges Galama verloren had?

Ook Rieme dacht er niet aan, en evenwel was hare nabijheid niet zonder invloed op de wanhoop des jongelings. Hij staakte die luide jammerklachten, toen het meisje met heiligen eerbied, en evenals vreesde zij den edeling te wekken, de haarlokken een voor een ter zijde schoof, die ten deele het hooge voorhoofd bedekten. Die zorg van haar voor den dooden vader trof Juw, en hij riep, terwijl zij haar voorschoot losmaakte, opvouwde en onder het hoofd van den dood legde, evenals had hij geslapen: „Vader! zijt gij het, die daar ligt? daar is Rieme! Maar ach! hoe kan ik vragen? gij hoort niet meer. Vader! vader! hoe kunt gij uwen Juw verlaten? Ik ben immers nog zoo jong! Uwe lessen zullen mij geen wijsheid geven in den raad; uw voorbeeld zal mij niet leiden in het veld; wie het ook zien moge, hoe Juw zich gedraagt in den strijd, zijn vader niet!”

Toen Rieme zich nu voor een oogenblik verwijderde, wekte dit dadelijk weder andere denkbeelden bij hem op en maakte zijne klachten luider, maar ook niet minder treffend. „Vader!” riep hij, „gij, de eer, de roem, de hoop van Friesland, gij verlaat ons; wie zal nu den wapenkreet aanheffen? Galama, Galama! uw hoofd is u ontroofd. Wie zal de plaats van Gala Iges vervullen? Dacht gij niet om hetgeen gij gezworen hebt, vader? aan den hoon die u werd aangedaan? Moet Floris de geweldenaar niet gestraft worden!”

In dit oogenblik keerde Rieme terug, terwijl zij de dienstmannen, die de nog brandende houtspanen droegen, een wenk gaf om zich wat te verwijderen, en hij vervolgde kalmer, doch met dieper treurigheid: „Maar hoe durf ik klagen, vader? O, vloek mij niet, vader! Uw Juw heeft reeds berouw gevoeld; had ik niet gelogen, u niet alleen laten gaan, dan hadt gij ten minste nog kunnen zeggen: „ Juw! ik ben ziek, ik sterf, gij moet…” ” Hier zweeg hij plotseling; hij zag dat het meisje het gelaat met wijn wiesch, en hij boog het hoofd voorover. Vergeefs trachtte Rieme het laatste roode vlekje te doen verdwijnen, dat aan de kin zichtbaar was; hij hield hare hand terug, en zag met strakke blikken naar het bloed. De voorzorg van Rieme was verijdeld; een vreeselijk licht scheen er in zijne ziel op te gaan, en eensklaps met de snelheid des bliksems den rok van het lichaam afrukkende, riep hij wanhopig: „Vermoord!”

Hij was wellicht de eenige, die zulks niet reeds vermoed had; maar niemand viel het ook moeilijke op dit denkbeeld te komen. Wie vertrouwde meer dan hij op den moed zijns vaders, op den eerbied waarop deze aanspraak had? Wie kon hem zoozeer gelijk een heilige vereeren als Juw? Had zijne droefheid hem niet vroeger doen denken om naar de oorzaak te vragen van den dood zijns vaders, ook nu nog was het gevoel te sterk om te vragen, te groot om te dreigen en wraak te zweren; maar hij begon behoefte te gevoelen om zijn leed aan een ander te klagen. „Moeder! moeder!” riep hij jammerend en keerde zich tot Jeltze, „zij hebben mijn vader vermoord, den vader van uwen Juw!”

„Is hij niet gelukkiger dan wij, kind!” vroeg Jeltze smartelijk, zich tot hem vooroverbuigende. „Zie, hoe rustig ligt hij daar, bij den rouw, die wij gevoelen! het is de slaap van den vrome, en de engelen hebben zijne ziel zeker hemelwaarts gevoerd. Maar wilt gij niet weten waarom gij hem verloren habt? Daar staat Ruird, de oude dienstman van uw vader, die hem heeft zien geboren worden en zeker ook heeft zien sterven.” Doch Juw antwoordde haar niet, maar bleef zwijgend op zijn vader staren.

Terwijl Rieme den rok weder behoedzaam over den edeling legde, doch zoo, dat het gelaat onbedekt bleef, richtte Jeltze des zelve het woord tot Ruird, en vroeg hem die reden van het ongeluk. De oude had zich tot nog toe verscholen achter de anderen; nu moest hij echter vrtreden, en hij zeide aarzelend: „Het is een droevige dag geweest voor Friesland, maar dubbel droevig voor den ouden Ruird! De booze geest gaf den edeling in, van voornemen te veranderen, en naar de hoeve van Sitze Poppes te gaan; maar wij zijn er niet geweest!”

„Naar Sitze Poppes!” herhaalden de dienstmannen halfluid, terwijl zij elkander toeknikten en naar het westen wezen, tot bewijs van eenerlei gedachte, waarna de oude vervolgde: „Toen ontmoette mij een een koopman van Stavoren; ik, arme man, vroeg hem naar nieuws; waarom had hij ook gehoord, dat er gejaagd werd in het woud?”

„Gejaagd?” vroeg Juw hevig, en Ruird hernam: „Ja, gejaagd! de edeling wilde er heen; de booze Staf deed hem niet luisteren naar den raad van den man, die hem als kind gedragen heeft. Wij keerden niet terug, gingen zelfs niet eens naar Sitze, maar dadelijk op weg; en het was waar: er werd gejaagd!”

Op hetzelfde oogenblik zagen al de dienstmannen elkander aan, en toen naar de vreemdelingen bij den haard; ook Juw scheen met dezelfde gedachte vervuld; want hij sprong op en vroeg dreigend, zoodat Ruird verschrikt terugtrad: „Gejaagd; spreek je leugens oude! wie was zoo stout te jagen op mijn vaders erf?”

„Die het reeds meer gewaagd had, Juw! die den ouden Ruird had laten slaan, die hem de honden…”

„De graaf?” riep Juw, en het was, alsof de beamende hoofdbuiging van Ruird hem even sterk bevreemdde en teleurstelde, als het dit de dienstmannen deed, en de oude vervolgde: „Uw vader vorderde erkenning van recht en vergoeding van schade; de Hollander weigerde en eischte toornig eerbied en onderdanigheid – van een Fries, van Gala Iges! Daar kon niet anders op geantwoord worden dan met de wapenen: uw vader draalde niet; reeds n stoot ontving de vreemdeling, die een Friesche hand hem toebracht: maar hij had vijf gezellen nevens zich – en uw vader werd vermoord! Toen gingen zij het bosch in; doch twee, die zij medevoerden, zullen zeker nu even koud zijn als de edeling.”

„Ha, Floris!” borst Jus los, doch hij veranderde van gedachte, zag Ruird dreigend aan en zeide: „Die twee Hollanders waren ten minste trouw – en gij, een Fries! gij liet uwen edeling vermoorden?”

„Juw!” riep de oude droevig, de handen wringend: „Ruird is oud van dagen, en de Hollander had vijf dienstmannen; kan ik het helpen, dat mijn bloed nutteloos gevloeid heeft? Zie…”

„Slaaf!” viel Juw hem met verachting in de rede, „een brave Fries zou zijn heer gewroken hebben. Ik had u niet weer moeten zien; gij…” doch hij vervolgde niet, toen de oude voor zijne voeten nederviel, en het hoofd wanhopig ter aarde boog; hij gevoelde medelijden met Ruird, dien hij zoo hard gevallen was, en riep somber, terwijl hij zich voor het hoofd sloeg: „En wat heb ik gedaan?” Maar die moedeloosheid maakte weldra voor andere denkbeelden plaats; hij zocht naar een voorwerp, dat hij met zijn toorn kon treffen; daarom sprong hij over den ouden heen, drong door de dienstmanne en de vrouwen, en riep luid: „Dat heeft Friesland te danken aan uw meester. Ha! een goed landsheer, die zijne edelingen vermoordt!” Hier zweeg hij en vroeg dreigend: „Behoort gij wellicht zelf tot zijne jachtgezellen!”

Noch de edelman, die zich nedergezet had, noch zijne knechten gaven eenig antwoord: het was alsof zij zich achter den haard een wijkplaats gezocht hadden tegen de wraakzucht der Friezen, die hen wellicht konden verantwoordelijk stellen voor den dood van den edeling. Vrdat Juw echter zijn vraag kon herhalen, of Jeltze hem vermanen de vreemden met rust te laten, riep Jouke verbaasd uit:  „Het bloed begint te vloeien.”

„Dan is de graaf in de nabijheid!” riep Ruird verheugd, en al de dienstmannen en vrouwen herhaalden dreigend, doch halfluid, als vreesden zij, dat het buiten mocht gehoord worden! „De moordenaar nadert!” De wraakzucht, die de Friezen scheen te bezielen, werd aan de andere zijde van het vertrek met ongerustheid bemerkt. Voor Juw waren de woorden van Jouke een blijde tijding geweest. „St. Odolf zij geprezen!” riep hij met vuur, en Jeltze sloot hem in hare armen en zeide verheugd: „Mijn zoon! gij zult uw vader wreken. De hemel heeft de Friezen niet geheel vergeten; ook Holland zal in rouw zijn, als Galama begraven wordt!” Het was zelfs, of Rieme er niet aan dacht, dat het lot van den vader ook den zoon treffen kon; zoo dankbaar sloeg zij haar oog ten hemel.

Had de vermindering van het vuur, daar niemand er aan dacht het te onderhouden of voor de vuurpan te zorgen, Juw niet verhinderd, het gelaat der vreemdelingen nauwkeurig gade te slaan, te meer daar de houtspanen, die aangedragen waren, genoegzaam waren opgebrand, dan zou hij bemerkt hebbe, dat de woorden van zijne grootmoeder bijzonderen indruk op hen schenen te maken. Ofschoon zij alleen de vraag van Juw verstaan hadden, schenen zij evenwel zeer goed te begrijpen wat er voorviel;; doch reedshunne houding teekende klimmende ongerustheid, en Juw vroeg daarom schamper: „Denkt gij, vreemdeling! dat uw meester zijn recht ook tegen den zoon van den vermoorden vader zal durven staande houden?” en dezen keer liet het antwoord zich niet wachten, maar de edelman antwoordde luid en zonder aarzelen: „Ja, dat zal hij!”

Dat antwoord, hetwelk men uitgelokt had, en had moeten verwachten, klonk vreemd in de Friesche ooren; de ton van den edelman was te dreigend, vooal in zijn toestand,; ook antwoordden de Friezen, geen hunner uitgezonderd, met een uitroep van woede of ongenoegen. Zelfs Jeltze rekende het antwoord in dit oogenblik te straf voor een gat, en wilde zich vr Juw plaatsen, om den vreemde tot zwijgen te vermanen en haar eigen volk den vrede te bevelen, en dat voornemen scheen niet onnoodig; doch Ruird, die bliksemsnel was opgesprongen, kwam haar voor en plaatste zich vr den jongeling. De gebalde vuisten tegen de borst drukkende, stak hij het hoofd vooruit, en terwijl hij naar zijn adem hijgde, zag hij met woeste vreugde naar de zijde van den haard.

Een oogenblik heerschte er een diepe stilte, waarna de edelman met moeite zijne zitplaats verliet; doch weldra richtte hij zich op, en zeide luid en met waardigheid, voordat Ruird, die van woede niet spreken kon, in staat was een woord te uiten: „Ik zelf ben graaf Floris, heer van Friesland!”

Er behoorde veel moeds toe, zelfs voor een graaf, ofschoon zijn persoon niet langer onbekend kon blijven, om zich zelven te noemen, zich heer van Friesland te noemen op Kreilingaweerd, tewijl het koude lichaam van Gala Iges Galama, die door zijne hand gevallen was, daar bloedend nederlag, en de haat, die Juw hem toedroeg, reeds lang gen geheim meer voor hemn kon zijn. Deze vermetelheid grensde aan het waanzinnige: zelfs zijne gezellen schenen zulks in te zien. Hunne laatste hoop op behoud van hun leven verdween; zijne stem klonk hun als een doodvonnis in de ooren; hetzelfde lot, dat hun makker en den gids in het bosch getroffen had, stond ook hen te wachten.

Dat niemand op het denkbeeld was gekomen, dat de graaf zich op de hoeve bevond, laat zich alleen daardoor verklaren, dat niemand in den vreemden, en niet prachtigen gekleeden jager, vergezeld door zoo weinig gevolg, den machtigen graaf herkend had, die Friesland gedeeltelijk aan zijne heerschappij had onderworpen: geheel anders hadden zij zich den gehaten landsheer voorgesteld. zij konden niet beseffen, dat de graaf, na hetgeen er met Galama had plaats gehad, de stoutheid zou gehad hebben, zich nog dieper op het betwiste grondgebei te wagen, en bij een Fries nachtverblijf te vragen, en dat hij zoo geheel onkundig zou zijn, wie de hoeve aan de zee bewoonde; iets, hetwelk elken Fries bekend was.

Jeltze verrie het eerste wat haar hart gevoelde, en wel door een uitroep van jammer; Juw daarentegen en al de Friezen gaven een kreet van woede. De koenheid van Floris had ook zijne vijanden een wijl met stomme verbazing doen zwijgen, doch hen nog meer verbitterd. Of het besluit van den graaf om zich zijne vermetelheid als schild te kiezen, hem redden of verderven zou, of hij er iets bij op het spel zette, liet zich moeilijk bepalen; evenwel was het den vorst en ridder waardig; ook haastte hij zich het woord nogmaals te voeren en zeide ernstig: „Wij hebben een onzer edellieden gestraft, omdat hij het ontzag uit het oog verloor, en zijn wapen tegen ons keerde; doch wat de vader deed, zal door ons niet op den zoon, wat de meester misdreef, niet op zijne dienstmannen verhaald worden; maar elke nieuwe beleediging, onzen persoon aangedaan, zal in Friesland nog honderd jaren daarna met schrik herdacht worden!”

Een woest en hoonend gelach was het antwoord van Juw op deze verzekering van grafelijke genade, het snellen naar den wand en het grijpen van een jachtspriet het antwoord op de bedreiging. „Het zal u heugen, uwen landsheer geherbergd en niet gevreesd te hebben,” riep Floris, die de scheede van zijn jachtmes afschudde, terwijl de edelman en de knechten die hem vergezeleden, de wapenen in de hand namen, in de nabijheid van welke zij zich wijselijk geplaatst hadden. Al de Friezen hadden zich in een oogwenk gewapend met alles wat hun onder de hand was gekomen; alleen het buigzame zwaard bleef aan den wand hangen; ieder scheen, evenals Juw, het vreemde wapen te verachten of te mistrouwen.

Zoodra beide partijen de wapenen hadden opgenomen, kon met het lot, dat den graaf en zijne volgers wachtte, reeds voorspellen. Als ware de jongeling niet reeds genoeg gerugsteund door de dienstmannen van Jeltze, en door het volk, dat Ruird geholpen had zijn meester te dragen, zelfs de vrouwen toonden haar voornemen en woest verlangen om deel te nemen aan den ongelijken strijd. Het scheen dat de razernij en de kreten dezer vrouwen den moed der twee jachtgezellen geheel uitdoofden. Zelfs de graaf en zijn edelman wisselden een blik van ontzetting; het was voor het eerst, dat zij met vrouwen zouden strijden: zij hadden er op gerekend door de Friezen gedood, niet door vrouwen verscheurd te worden. Zij drongen dit verschrikkelijk denkbeeld evenwel manlijk op den achtergrond van hun geest terug, en de graaf overwon de smart zijner wonde en zijne afgematheid, om te sterven, zooals het een vorst betaamt, toen Juw vooruittrad.

Gelukkig rekende Floris zich, dat allen, zelfs Ruird, het recht van den jongen edeling, om aan de spits te gaan, eerbiedigen; dat niemand dezen scheen te willen betwisten, dat het hem toekwam zijn vader met eigen hand te wreken; ofschoon hij voorzag, dat de gansche horde, bij de eerste aanraking der wapenenm met toomeloos geweld voorwaarts zou dringen, en hem en de zijnen ter aarde werpen. Was wellicht de hoop, den zoon te straffen, evenals hij het den vader gedaan had, nog een streelende gedachte voor den graaf?

Geen vrees voor zijn leven, maar wel de vrees zijn vader niet te kunen wreken, deed den jongeling met afgemeten schreden naderen. Hij gevoelde het heilige der verplichting, die op hem rustte, en hij moest toonen, dat hij, niettegenstaande zijne jeugd door bedaardheid in oogenblikken van gevaar en voorspoed, evenzeer waardig was, aan het hoofd der bedaagdste Friesche krijgers te staan als door zijn ontembaren moed.

Maar wat Floris gedroomd had van wraak, hij, gedoemd tot sterven; van met roem te sneuvelen – hij, die alle aardsche grootheid vaarwel moest zeggen en zich laten hoonen, ofschoon de grafelijke kroon nog op zijn schede rustte, en op een enkel woord, in Holland uitgesproken, zich een leger aan zijne zijde zou geschaard hebben – die droomen zouden niet verwezenlijkt worden; zij zouden vervliegen met zijne macht en met zijn leven; de graaf zou vallen zonder edelen strijd en zonder roem, door de handen eener vrouw! Want Jeltze snelde haar kleinzoon voorbij, en de Friesche vrouwen volgden haar op den voet.

Dit stelde Juw even sterk teleur als den graaf. Hoe weinig tijds deze evenwel over had om zich te beraden, hoe natuurlijk elke poging tot lijfsweer zou geweest zijn, zelfs tegen den aanval van een vrouw, de gedachte aan zijne vrouw en de jonge kinderen die hem beweenen zouden, kon hem echter niet doen besluiten, zijn wapen tegen Jeltze te keeren.Hij slaakte een smartelijken zucht, toen zij zijn arm vatte, – zij, wier leven hij geerbiedigd had, omdat zij een vrouw was, en haar dood toch den vader zijner kinderen niet redden kon. Toen echter hare vingeren zijne gewapende hand met een schier bovenmenschelijke kracht in bedwang hielden, toen haar gelaat bijna het zijne raakte, en hij de uitdrukking van droefheid, die aan wanhoop grensde, er met sterke trekken op geteekend zag, terwijl een edele geestdrift, die ontzag vorderde, haar oog bezielde, toen deed de graaf meer; en door een stap zijwaarts te doen, deed hij den jachtspriet zijn doel missen, dien de trouwe onderdaan, de vrouw, welke zijn heer het wapen trachtte te ontwringen, in de borst wilde stooten.

Jeltze had niet gezien, wat zij aan Floris te danken had, en terwijl deze eerst nu bemerkte, dat de oude vrouw op hem aangevallen was,, zonder andere wapenen te begeeren dan haar moed, keerde zij het hoofd om; en het was hoog tijd, indien zij alleen de eer der overwinning wilde hebben, dat zij haar wil deed kennen; want vrouw en dienstman volgden haar. Op een enkelen gebiedenden wenk met de hand hield de woeste hoop stand en hield op met schreeuwen; toen hernam Juw den voorrang. Hij vermoedde, dat zijn grootmoeder hem nu tot het gevecht zou oproepen, doch hij bedroog zich; want haar oog, dat het zijne ontmoet had, keerde zich schielijk af, en zij vroeg ernstig: „Graaf van Holland! wilt gij vermoord worden?”

Toen hij het zwijgen bewaarde, rukte zij hem het jachtmes met geweld uit de hand en vervolgde dreigend: „Laat die knechten de wapenen wegwerpen, of gij zijt allen verloren!” Floris gehoorzaamden, zonder te weten wat hij deed; hij zag om en de jachtsprieten vielen den knechten uit de sidderende hand. De edelman wierp zijn wapen met drift op den grond en zette met kracht den voet op, als wilde hij het in zijne woede verbrijzelen.

Geheel verschillend werd de handelswijze van Jeltze beoordeeld. Rieme kon zich de woorden van de oude vrouw niet verklaren; had zij wel gehoord, dan lag er in dat dreigend vorderen, van zich zonder wapenen bloot te stellen aan de woede der Friezen, een toezegging voor den graaf opgesloten van levensbehoud; maar dit klonk haar zoo raadselachtig. Wat de dienstmannen betreft, zij bewonderden den moed en de behendigheid, waarmede hunne meesteres den moordenaar van haar zoon op een listige wijze allen wederstand onmogelijk maakte, en hun gejuich verried hunne woeste vreugde; en Juw – Evenmin als Rieme, viel het hem in, dat Jeltze een krijgslist te baat nam; verre van hem de vernederende gedachte, dat zijne grootmoeder hare grijze haren zou willen onteeren door zulk een daad, dat zij tot zoo iets hare toevlucht zou nemen uit wantrouwen op het zegevieren der goede zaak, uit geringstelling van zijn moed. Doch ook hij bedroog zich in haar voornemen, en alles was zoo spoedig voorgevallen, dat hij geen tijd gehad had, om zich te verontrusten over haar leven; toen zij zweeg, toen de wapenen vielen, gaf hij een schreeuw van droefheid en verwondering, en zeide ontevreden: „Moeder! een overwinning zonder strijd kan geen vreugde geven; die trotsche moordenaar weet wel, dat hij den dood verdiend heeft, en dat hij sterven moet; maar hij moet ook overtuigd worden, dat een Fries dapperder is dan een Hollandsche graaf! Hij is mijn! – later hebbe hem…”

„Galama!” riep Floris, vergetende waar hij zich bevond, van welk gewicht elk woord was, en niet achtende, dat het geluid zijner stem in de hoeve voor hem en de zijnen even noodlottig kon worden als het geschal van een hoorn te midden van het gebergte met eeuwigdurende sneeuw bedekt voor den vermetelen jager. Doch Jeltze wenkte met de hand, en de graaf vervolgde niet verder; toen zeide zij langzaam: „Uwe grootmoeder heeft die overtuiging niet noodig; wat bekommert gij u om de overtuiging van een moordenaar, van een Hollander? Zal er later niet genoeg gelegenheid zijn, om, zonder een heilig recht te schenden, bewijs te geven van uw moed, om uw edelen vader bloedig te wreken?”

„Heiligen recht?” riep Juw verbaasd; „mijn vader later, en niet nu wreken? Heb ik het wel gehoord, moeder! of is Juw met doofheid geslagen? Maar neen, ik bedrieg mij; de jaren hebben het gevoel nog niet bij u uitgedoofd; uw hart blijft niet koud, als het vaderland beleedigd, als uwe kinderen vermoord worden. Mijne grootmoeder zal zich niet laten verschrikken door een ijdele bedreiging; hij, die daar staat, dr! schuilende achter een vrouw, hij zal de eerste graaf van Holland niet zijn, die door een Friesche hand gevallen is, en ook de laatste niet, zoo er na hem nog anderen komen, die het durven wagen, zich onzen landsheer te noemen!”

„Mijn kleinzoon zal zijne wapenen niet gebruiken tegen een ongewapend man, zelfs al is die man een graaf van Holland,” zeide Jeltze ernstig, terwijl Floris van toorn sidderde; doch Juw hernam snel en dreigend: „Ik heb hem de wapenen niet ontnomen, moeder! Laat hem ze terugnemen; maar gewapend of niet, die graaf is een moordenaar, en ik, ik zal hem straffen!”

„Hij is een moordenaar!” herhaalde de Friezen morrend met doffe stem; maar Jeltze vervolgde even ernstig en met verheffing van stem: „De Hollanders zijn de gasten van uwe grootmoeder! Ik heb ze ontvangen aan mijn haard en aan mijn disch; zij zullen veilig zijn onder mijn dak, totdat morgen de zon opgaat; want dat heb ik beloofd!”

„Uwe gasten!” riep Juw, wiens stem en houding zijne wanhoop verrieden, terwijl hij lang met donkere blikken naar den grond zag. Een hevige tweestrijd scheen er in zijn binneste plaats te hebben; ten laatste behield de wraakzucht de overhand, en hij zeide met sombere onvergenoegdheid: „Een moordenaar kan geen gast zijn; hij kan niet zitten aan den haard; spijs en drank worden hem geweigerd, en niemand ontvangt hem onder zijn dak!”

„Juw!” riep de oude vrouw, die hem met deernis aanzag, en treurig het hoofd schudde: „Wat gebeurd is, kan niet veranderd worden; gij weet, dat ik hem onder dak genomen heb, en gij zelf hebt hem herwaarts geleid; wat helpt u het klagen? Denkt gij, dat het mij niet meer kost, voor hun leven te waken, dan u om het hun eenige uren te laten? O, het is wreed, niet naar uwe grootmoeder te luisteren! Wilt gij den toorn van God en Zijne heiligen op haar hoofd laden, door de rechten der gastvrijheid te schenden? Wilt gij schande, de verachting op mijne grijze haren doen nederdalen, als geheel Friesland zal weten, dat de deur van mijn huis zich geopend heeft, om gasten te ontvangen, die niet weder zijn uitgegaan, maar die men vermoord heeft?”

Met somber zwijgen hoorde Juw zijne grootmoeder aan. Hij werd niet gewaar,d at Rieme zich naast hem plaatste en de hand op zijn schouder legde; hij zag niet, hoeveel droefheid en medelijden er lag in den blik, dien zij op hem verstigde; doch toen zij beschroomd den mond opende en zeide: „Juw! bezondig u niet; hoor naar de woorden van onze moeder!” toen schudde hij met het hoofd en antwoordde: „Ik kan niet, Rieme!” Vergeefs herhaalde zij hade bede en sloeg hare armen om hem heen, ten einde hem tot andere gedachten te brengen; maar hij stiet haar onzacht ter zijde; en Ruird, die dan tweestrijd van den jongen meester zag, riep onvergenoegd: „Zal het bloed van mijn edeling tevergeefs om wraak roepen, vrouw Jeltze?” Rieme trad weenend ter zijde.

„Neen!” antwoordde Jeltze straf. „Maar die als gasten ontvangen zijn op Kreilingaweerd, zullen er veilig zijn; ik wil…”

„Moeder!” riep Juw woest, „geef hun de wapenen terug, en ik alleen zal hen bevechten; ik wil mijn goeden vader wreken, zijne moordenaars hebben hier geen recht op gastvrijheid. Werp hen uit!”

Het dreigend geschreeuw, dat op Ruird’s voorbeeld door de Firezen werd aangeheven, die allen de laatste woorden van Juw herhaalden, deed den ongelukkigen graaf en zijne lotgenooten sidderen; de voorspraak van Jeltze, hoe machtig ook, scheen toch op den duur niet te zullen baten. Het kwam Floris voor, alsof zij zelve begon in te zien, dat de plicht om een vader te wreken, zwaarder moest wegen, dan die om een gast te ontzien. Het was niet te verwonderen, dat de oude vrouw, ofschoon tegen haar wil, scheen te zullen zwichten voor de eischen van haar kleinzoon, die dan eens met woeste drift dan weder met droevigen ernst, van haar gebeden of gevorderd had, dat zij hem gebruik liet maken van zijn recht als zoon, te meer daar al de overige Friezen, Rieme alleen uitgezonderd, zich aan de zijde van Juw geschaard hadden, en zijn verlangen door hunne kreten en dreigende gebaren ondersteunden. Met smart zag de graaf de aarzeling der oude Friezin, die nu de slagboom was, welke hem scheidde van zijne vijanden; indien zij ter zijde trad, dan was het met hem en de zijnen gedaan; zijne vrouw was een weduwe en zijne kinderen vaderloos; zelfs het zwijgen van Jeltze dreigde hem reeds noodlottig te worden. Slechts als zij sprak, schenen de Friezen hunne woede te matigen, en niet gezind te zijn, de gehoorzaamheid voor hunne meesteres uit het oog te verliezen, wier bevelen zij tot nog toe gewoon geweest waren met slaafsche onderwerping te gehoorzamen.

Doch Jeltze Kreilinga was te sterk doordrongen van de heilige verplichting, die op haar rustte. Met evenveel geestdrift al zij haar leven zou opgeofferd hebbe, om Juw en haar volk aan te zetten of in de gelegenheid te stellen om den graaf te straffen, indien hij nog zwervende in het woud geweest ware, met denzelfden dweepachtigen ijver trotseerde zij allen om den graaf te beschermen, nu hij zich in hare woning bevond, en zij riep plotseling met verheffing van stem: „Wie waagt het, dien moordkreet aan te heffen in mijn huis? Wie is zoo stout, de gasten van de vrouw van Kreilingaweerd te dreigen?” Het geschreeuw verminderde; de Friezen verstomden, en toen zij, twee schreden voorwaarts doende, haar dreigenden blik over haar volk liet gaan, en op straffen toon vervolgde: „Wie zijn leven lief heeft, werpe die wapenen weg, of hij zal ondervinden, welk lot den slaaf wacht, die de gehoorzaamheid aan zij vrouw verzaakt!” toen viel de wapentuig op den grond, en het voorbeeld van Epo volgende, die het naast bij zijne gebiedster stond, knielden de Friezen vol ontzag neder.

De graaf zag met verbazing, hoe zijne woeste vijanden zich vernederden voor de oude vrouw; doch toen hij zijn oog van die mannen en vrouwen aftrok, welke met een trek van domme onderwerping op het gelaat, in slaafsche houding voorovergebogen lagen, en zijn blik op zijne gastvrouwe liet vallen, die dit onweder bezworen had, toen verwonderde hem het tooneel niet meer, dat hem zoo bevreemd had, en de hoop herleefde in zijn hart. Haar fonkelden oog overzag de vrouwen en mannen, die aan hare voeten lagen; zij scheen niet verwonderd te zijn over de uitwerking van hare woorden; zij was harer macht bewust. Haar gelaat verried evenwel minder ongenoegen dan toen zij sprak; de gehoorzaamheid van haar volk scheen haren toorn te doen bedaren.

De mannen die den edeling gedragen hadden, volgden het voorbeeld der dienstmannen; alleen Ruird en zijn meester, en Rieme vernederden zich niet. Juist toen de graaf met bezorgdheid het oog naar den jongen Fries wendde, die met somber ongenoegen en dreigende houding bleef staan, zag ook Jeltze naar haar kleinzoon. Zij scheen gehoopt te hebben, dat ook hij zijn voornemen zou hebben laten varen, nu al de overigen tot gehoorzaamheid waren teruggekeerd; en de uitdrukking van smart, die zich op haar gelaat vertoonde bij het zien zijner verstoktheid, verried hoe sterk het haar griefde, toen zij bespeurde dat hare hoop geheel ijdel geweest was. Het verwonderde den ouden Ruird, dat zij jonge meester zoolang draalde den graaf terneder te stooten; de ruwe Fries beseft niet genoeg, dat de vreemdelingen door een macht beschermd werden, die Juw tevergeefs trachtte te overwinnen; zij waren gasten; hij had met hen gegeten en gedronken; zij waren zonder wapenen, en zijne grootmoeder had hem gelast hen met vrede te laten.

„Juw! zal mijn kleinzoon dan voor niet gesmeekt hebben, dezen ellendelingen het leven te laten, totdat morgen de dag aanbreekt?” vroeg Jeltze ernstig en met nadruk. Het verwijt, dat in deze vraag lag opgesloten, scheen de jongeling te treffen; doch nu hij eens zijn voornemen had te kennen gegeven om zich dadelijk te wreken, kon hij neit besluiten het wapen los te laten, dat hij in de hand had genomen, en hij antwoordde somber: „Juw is geen slaaf; dr ligt mijn vader Galama, en zijn bloed roept om wraak; dr staan de moordenaars! Dit huis is het mijne niet; ik heb geen gasten; morgen kunt gij zeggen, wat Juw gedaan heeft; ik zal het verantwoorden. Maar nu zal ik, zoo waar als is een echte Fries ben…,”

„Juw is geen echte Fries!” riep Jeltze, hem met drift in de rede vallende.

„Moeder!” zeide hij wrevelig, en vervolgde dreigend, terwijl hij den graaf naderde, „ik zal toonen dat ik het ben!”

„Het is genoeg – reeds te veel, vrouw!” zeide de graaf met waardigheid, en ook hij wilde een schrede voorwaarts doen; doch Jeltze kwam hem voor. „Kind!” riep zij treurig, terwijl zij Juw in den weg trad, en zij vervolgde met verheven ernst, den vinger op de borst van den jongeling leggende: „Wie het ontzag weigert aan den ouderdom, en de grijze haren zijner grootmoeder met schande wil overdekken, die is geen Fries! Wie den gast wil vermoorden, met wien hij aangezeten heeft bij den haard, met wien hij drank en spijs genomen heeft van den disch, die is geen Fries! Hij is ontaard van de deugden der vaderen, hij is geen echte Fries, hij is geen Christen! Hij zal geen huisvrouw vinden in Vrij Friesland; met verachting zal men hem weren uit den Raad; niemand zal hem volgen in den strijd, en zijn naam zal in vervloeking zijn bij het nageslacht! Sla de hand aan mij; ik ben maar een oude, zwakke vrouw, en gij zijt jong en sterk; leg de hand op de moeder van uwe moeder, tewijl mij zoon Galama niet meer leeft om mij te beschermen tegen uwe woede, en ik verloochen u als mijn kleinzoon! Vermoord mijne gasten in tegenwoordigheid van het lijk uws vaders; hij, de roem van Friesland, zal zijne stem niet verheffen tegen u, want hij is gevallen; hij zal den onwaardigen Fries nie vloeken, die de rechten der gastvrijheid schendt, maar ik! ik zal doen in zijnen naam…”

„Moeder!” bad Juw angstig en haar met drift in de rede vallende, terwijl de jachtspriet aan zijn vuist ontglipte, en zijn gelaat alle uitdrukking van wraakzucht verloor, en slechts eerbied en diepe droefheid liet bemerken. Toen keerde hij zich om en naderde het lichaam van zijn vader met onzekere schreden; met de linkerhand leunde hij op den schouder van Rieme. Zocht hij troost bij haar, welke hij zoo liefhad, of had de krachtvolle jongeling behoefte aan steun, omdat hij het leven van den graaf moest eerbiedigen?

„Vader! vader! Juw mag – kan u niet wreken!” riep hij droevig, wankelde en viel op den grond neder, ofschoon Rieme getracht had, hem in hare armen op te vangen.

„Ik lach met dien vloek, vrouw Jeltze!” riep Ruird woest, zoodra hij den jongen edeling zag vallen; doch Jeltze hield hem het jachtmes van den graaf voor, en toen hij ofschoon in de borst gewond, de oude vrouw ter zijde wilde stooten, vatte zij hem bij zijn kleed, terwijl zij hare dienstmannen te hulp riep. Terwijl Ruird, niettegenstaande zijn wederstand, door Epo en eenige anderen overmand en gebonden werd, zag Jeltze met droevigen ernst naar haar kleinzoon, naast wien Rieme lag nedergeknield.

De graaf wilde het wagen zijne dankbaarheid te betuigen; doch zij wenkte hem mnet de hand om te zwijgen en zeide op droevigen toon;  „Gij hebt den vader vermoord, en om u het leven te redden, heb ik den zoon moeten vermoorden!”

Toen een flauwe schemering den volgenden morgen gelegenheid gaf, om de gebouwen van Kreilingaweerd te onderscheiden, richtte Jeltze hare schreden naar den ingang van het paalwerk, dat de werf omheinde. De storm was bedaard, ofschoon de wind nog niet geheel was gaan liggen; de oude vrouw scheen ongevoelig voor de vochtige, koude lucht, die door de kleederen heendrong In gedachten verdiept, stond zij met de armen over elkander geslagen; het was alsof zij luisterde naar het eentonig geklots der golven.

Rieme lag geknield naast de legerstede van Juw, die nog geen woord geuit had, sedert hij in hare armen het bewustzijn had verloren; zij bad, het oog steeds gevestigd houdende op zijn bleek gelaat. De kloosterbroeder, die door Epo in zijne nachtrust gestoord was geworden, omdat men op de hoeve iemand noodig had die de geneeskunde beoefende, was van vermoeidheid in slaap gevallen, sedert Jeltze het vertrek verlaten had, en het gesnurk van den ouden monnik vereenigde zich met het bidden van het meisje. Wat Ruird betreft, in een afgesloten gedeelte der hoeve opgesloten, trachtte hij tevergeefs een middel te vinden om te ontsnappen en zijn meester te wreken; de verzekering, die men hem gegeven had, dat de jonge edeling nog leefde, had hem wel verheugd; maar zijne wraakzucht dorstte naar bevrediging.

In het verblijf, waarin de graaf met zijne lotgenooten den nacht had doorgebracht, was het hem niet mogelijk geweest de nadering van den morgenstond gewaar te worden. De tijd viel hem lang, ofschoon hij niet wist welk lot hem verbeidde, en de tegenstrijdige gewaarwordingen schokten zijne ziel, toen Epo hem uit zijne gevangenis kwam verlossen. Met zorgelooze vreugde sprongen de honden den geleider vooruit, en het scheen, dat het den graaf verwonderde, toen hij niemand of de werf gewaar werd; hij had gevreesd er de Friezen te zullen vinden, en de stilte, die er heerschte, zoowel als het uitzicht naar buiten, gaf hem moed. De koude lucht, hoe onaangenaam ook anders, was hem welkom en deed zijne krachten herleven. Toen wees Epo hem naar den ingang der werf, waar Jeltze op hem wachtte, en terwijl de dienstman zich verwijderde, trad Floris naar zijne gastvrouw.

Zij veranderde niet van houding, toen hij haar naderde; doch zoodra hij den mond opende, om haar te bedanken voor de gastvrijheid en de bescherming, die hij genoten had, viel zij hem in de rede, en zeide ernstig: „Jeltze verwacht geen belooning: geen vorst is zoo rijk en zoo machtig, dat hij haar zou kunnen beloonen voor hetgeen zij gedaan heeft! zij verwacht geen dank; want voor hare eigen eer en die van haar geslacht, voor de eer van Friesland heeft zij hare gasten beschermd, niet om het leven te beveiligen van een Hollandschen graaf en zijne knechten, van een moordenaar en zijne helpers!”

De graaf antwoordde haar niet; zonder vrees, maar uit eerbied voor de oude vrouw waagde hij een vraag en zeide: „En uw kleinzoon, vrouw?”

„Juw!” riep zij, terwijl zij hem vorschend aanzag; doch zij vervolgde bedaard, want zij bespeurde dat geen bloote nieuwsgierigheid, veel minder een minder verschoonbare gedachte, die vraag over zijne lippen gebracht had: „O! mijn kleinzoon? hij leeft, en dat is veel. Gij Hollanders! gij zijt gelijk aan het riet, hetwelk ootmoedig het hoofd buigt voor elken wind; de vrije Fries is gelijk aan het geboomte, hetwelk van geen buigen weet; daarom valt het neder, of wordt verpletterd als het zwichten moet voor den storm. Maar de God van Friesland heeft den jeugdigen stam weder opgericht, en Juw Galama zal den Graaf zelf antwoord brengen op zijne vraag; hij zal!…” hier zweeg zij en liet de hand zakken, die zij naar Floris had uitgestrekt; de treurige toestand, waarin Juw nog verkeerde, deed haar vreezen, dat zij te veel beloofd had.

Epo naderde nu en gaf den graaf en zijne metgezellen hunne wapenen terug, doch het duurde nog eenige oogenblikken, voordat Jeltze gewaar werd, dat hare gasten gereed waren om te vertrekken. Noch Floris, noch Epo waagde het, haar te storen in hare overdenking, en de edelman wisselde een veelbetekenende blik met zijn meester, terwijl zij van de hoogte het omliggende land gadesloegen, en met vorschend oog, zoo diep mogelijk in het geboomte rondzagen. De doodsche stilte op de werf en in de hoeve, beloofde hun niet veel goeds; zij twijfelden bijna niet, of de Friezen met Juw, of op zijn minst genomen met den woesten Ruird aan het hoofd, wachtten, hier of daar verborgen, tot dat zij de gastvrije hoev zouden verlaten hebben, om aan hunne wraakzucht te voldoen, zonder dat hun dood een schandvlek voor de bewoners van Kreilingaweerd zou kunnen gerekend worden.

Toen Epo eindelijk, op een wenk van zijne gebiedster, het hek, dat met horden overdekt was, geopend had, zeide Jeltze: „Ik geloof mijn plicht als gastvrouw vervuld te hebben; indien ik mij bedrieg, zoo spreek!” Doch toen de graaf zich boog en het zwijgen bewaarde vervolgde zij: „Het is nu tijd om te gaan; want gij zoudt niet langer veilig zijn op Kreilingaweerd; vertrek dus haastig; want men zou u hier, zoo goed als daar buiten van het leven kunnen berooven, zonder dat ik het zou kunnen of willen verhinderen!”

Hier zweeg zij; doch toen zij zag met hoeveel opmerkzaamheid de graaf naar buiten rondzag, alsof hij aarzelde de vrijplaats, op welke hij zich bevond, te verlaten, toen zeide zij ernstig: „En woord nog! Mijn dienstman Epo zal u vergezellen; hij zal u brengen, werwaarts gij zult willen gaan. Hij zal u niet beschermen, maar hij zal u evenmin moedwillig in gevaar brengen als uw broeder  dit zou doen; dat heeft hij mij bezworen; dat heb ik hem gelast, en ik zou het hoofd van mijn kleinzoon tot borg durven stellen van zijne trouw. Sedert ik u als gast ontvangen heb, heeft niemand dan Epo deze hoeve verlaten, doch niet met het doel om rond te zeggen, dat Gala Iges Galama vermoord was, maar om een man te halen, die verstand heeft van kruiden en planten. Indien het dus ruchtbaar is door het land, dat er Friesch bloed om wraak roept, dan heeft God het zoo gewild; geloof dus niet, dat ik de gasten onder mijn dak bescherm, en hen laat vermoorden, als zij mijn huis verlaten hebben. Wat ook gebeuren moge, zoo wijt het mij niet; want bij de zaligheid mijner ouders en kinderen, ik zal onschuldig zijn aan uw bloed, en het zou een verwijt zijn, onverdiend voor mij, een vermoeden, verachtelijk zelfs voor een Hollander!”

„Voort,Epo!” riep zij en vervolgde driftig, terwijl zij met de hand naar buiten wees: „Geen woord meer, graaf! vertrek! gij zijt geen gast meer; de nacht is lang ten einde. Voort, moordenaar van mijn zoon! wordt eens verjaagd uit het paradijs, gelijk ik u verjaag van Kreilingaweerd!”

Toen de graaf, gevolgd van zijn edelman en zijne gezellen, naar buiten trad, zeide hij niets, en scheen niet verstoord over hare taal doch zoodra zij de werf verlaten hadden, keerde hij zich om en zeide ernstig: „Ik dank u vrouw! wees gezegend!” Jeltze wierp het hek achter de vreemdelingen dicht en zag hen na; toen raapte zij snel een steen op, wierp dien den vertrekkenden achterna en riep luid en dreigend: „Weest verloekt!”

908SR15.gif (1832 bytes)

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)