J.F. Oltmans (1806 – 1854)

GASTON VAN FOIX

Het huis te Heemstede

K.gif (6515 bytes)ent gij Latijn? Hier in de rune van het juis te Heemstede zal nog wel wat voor u te lezen zijn; maar sla liever het oog niet op die tafelen, die nog in de muren zijn overgebleven; wellicht zou het u maar bedroeven en doen denken aan de kortstondigheid van het menschelijke leven en van zijne grootheid. Een ander zou misschien lachen om die opschriften, die zeker weinig passen bij de verwoesting, die u omringt; ik voor mij heb nooit verlangd te weten, wat er te lezen staat, en wellicht zijn er toch reeds twee eeuwen voorbijgegaan, sedert deze letters werden ingehouwen. Maar de kleinzoon van een koopman moge groot zijn, hetzij hij het vaderland dient met zijn raad of het verdedigt ten koste van zijn leven; hij is voor mij klein, wanneer hij zich nederzet in de woning van een oud geslacht; hij moge zijn wapen doen uithouwen boven de poort, en alles nadoen wat de oude bezitters van het huis plachten te verrichten; hij moge zijn knechts met de wapenen in de hand op de valbrug plaatsen, als vorsten en vorstinnen hem bezoeken, – als ik voor zijne woning sta, dan zie ik hem voorbij, en de voorvaders van het verarmde of uitgestorven geslacht der oude heeren van het huis bewonen de groote slotzaal weder.

Ik zal u niet zeggen, hoe dikwijls het huis te Heemstede is verwoest en herbouwd geworden; gij weet het uit de geschiedenis, of kunt het afleiden uit de lotsverwisseling, die andere woonplaatsen van oude adelijke heeren gehad hebben. Gij ziet de overblijfselen van het Hooge Huis, dr te midden van dat water; wil ik die muren weder opbouwen? Ik zal u de torens, de valburg, alles beschrijven, en gij zult dan weten, hoedanig het slot zich kan vertoond hebben, voordat het in 1394 onder den voet werd geworpen; indien ik niet duidelijk genoeg ben, dan schrijf ik u nog genoeg verbeeldingskracht toe, om het u voor den geest te kunnen stellen; maar kortheidshalve wil ik mij liever dadelijk met u in het huis van heer Jan van Heemstede begeven; herinner u slechts al wat gij gelezen hebt over kasteelen en sloten, en ik vertrouw, dat mijne beschrijving ook onnodig zou geweest zijn.

Maar nu doet zich ne zwarigheid op: het is, ik weet niet in welk jaar, in welke maand, en nog veel minder op welken dag ik er u moet binnenleiden, om er het gezelschap aan te treffen, in welks tegenwoordigheid ik u wilde brengen, om er den man te hooren vertellen, naar wien wij met dat gezelschap eens mede willen luisteren. Volgens een Fransch schrijver, dan zouden wij er ons bezoek moeten afleggen in het midden van het jaar 1389, en volgens een Hollandschen schrijver in het volgende jaar; het is nationaal, om den laatsten meer geloof te schenken dan den eerst; volg mij dus. – Wij treden tegen den avond de groote zaal binnen; – ware het nu Juni of Juli, dan vonden wij die heeren en vrouwen vr de geopende ramen; hoe koel het hooge vertrek ook moge zijn, de wind, die over water en land zijn verkwikkende adem laat gaan, is elk welkom; de avond valt, maar de drukkende warmte is nog niet voorbij. Indien er niet zooveel drukte ware in de zaal, gij zoudt het ruischen van den luchtstroom hooren, die zich balsemt aan het welriekende loover, dat langs den wand is opgehangen, terwijl hij de twijgjes nauw hoorbaar in ongekunstelde harmonie tonen laat ontlokken aan die harnassen der heeren vam Heemstede, of de bladeren, als zinnebeelden der overwinning, op hunne stormhoeden drukt. Maar wij hebben afgesproken, om er in het voorjaar heen te gaan; ik sluit dus gauw de glasvensters en verhinder u, een blik te werpen op het Haarlemmer-meer, en te zien hoe de zon de spits der dorpstoren nog verlichtte, toen nog niet omvergerukt door het water, dat nog op zijn luimen lag, reeds denkende aan de verwoestingen, die het zou aanrichten, zijne krachten verzamelde. Ik schuif de logge tafel naar den schoorsteen, zet de stoelen bij den haard en leg een groot vuur aan, plaats aan het hooger einde vier waskaarsen, en, lager op, eenige smeerkaarsen of de tafel, en – wij zijn in den winter – het is wel donker in de zaal, maar bij en om den haard ik het vrij licht; en als die zware brokken en wortelstukken eens goed opbranden, dan zal het wel overal verlicht worden; er zijn genoeg boomen geveld in den Hout, en er is geen gebrek aan hout op het slot. Natuurlijk drinkt men nu geen kouden Rijnschen wijn, zooals in den zomer, meer heete wijnen en heet bier; de boomtakken, die vroeger aan den wand hingen en die wapentuigen gezelschap hielden, hangen er nu niet meer; voor de koelte zou het nu ook niet meer noodig zijn: het is winter, maar de duinhelm, die men op den grond gestrooid heeft, doet denzelfden dienst. Nu zij wij gereed en vinden het gezelschap bij het vuur op den 2den Maart 1390; hoe gemakkelijk hebben wij ons verplaatst van den zomer naar den winter! Geen jaargetijden hielden ons terug; vroeger was het windje welkom, nu de hitte van het vuur: wat is het schrijven toch gemakkelijk!…… „Doch laat ons binnengaan; het is hier koud in de gang,” merkt gij aan, en het is waar; maar evenwel zou het mij liever zijn dat de nieuwsgierigheid, dan dat de koude u zoo haastig maakte.

„Wie is die dikke heer met die rooden japon?” – Het is de graaf Guy van Blois, meester der voetboogschutters, en dus een der hooge bevelhebbers van de achterhoede van het Fransche leger. –Het is dus een Franschman? – Ja en neen; het zou te lang vallen, u dit uit te leggen; ik zal u maar zeggen, dat zijne moeder de nige dochter was van dien heer van Beaumont, met wien gij in de Roos van Dekama hebt kennis gemaakt! hij is heer van der Goude en Schoonhoven, behalve van de andere goederen, die hij in dit land in Henegouwen en in Frankrijk bezit: in n woord men telt hem onder de vorsten van Europa en na den graaf is hij de voornaamste heer van dit land; hij heeft van zijne dapperheid blijken gegeven; –gij meesmuilt; maar moet men dan mager wezen op dapper te zijn? Ik zeg ook niet, dat hij nog in het veld trekt; doch zoowel als hij vroeger eens in een rosbaar het leger volgde, zoowel zou hij nu in het wagentje, waarmee hij ter jacht rijdt, zijne plaats bij de achterhoede kunnen innemen. Hoe vreemd is het fatsoen van die rood lakensche houppelande, die gij een japon genoemd hebt, zonder op het gouden boordsel te letten, noch op de fijne eekhoren-ruggen, waarmede die houppelande gevoerd is; let eens op die half roode, half groende kaproen of muts, op de gouden jonkvrouwenhoofden klaverbladen, die er op geborduurd zijn, en het zal u niet meer verwonderen, dat hij een voornaam heer is; want dat is hij, als heeft hij vele schulden, waaraan, zoo de booze wereld zegt, zijne vrouw veel deel heeft.

„Dan is die dikke vrouw, die tegen hem over den haard zit, zeker de gravin van Blois?” Juist – het viel ook niet moeilijk te gissen, ofschoon het een toeval is, dat zij mij haar heer gemaal schijnt te wedijveren in zwaarlijvigheid; met zegt, dat het veel en lekker eten, vergezeld van het noodige vocht, er de oorzaak van is; nu, zij zijn dan ten minste geen schendekeukens, Mevrouw Marie van Blois, dochter van den graaf van Namen, is, zoo gij ziet, een deftige dame; hare kleeding verraadt hare geneigdheid tot opschik, en het rood, dat op hare wangen ligt, toont dat zij, niettegenstaande hare jaren, en het aantal ponden dat zij weegt, er nog aanspraak op maakt van er goed uit te zien; het blanketten is zeker niet aan te prijzen; maar voor een vrouw van haar rang, en die aan het Fransche hof verschijnen moet, is het te vergeven, dat zij ook op het Huis te Heemstede haar gewoon toilet maakt. De kaproen, die zij draagt, is van dezelfde kleur als die van den graaf; doch behalve het gouden borduursel zij er figuren van paarlen op. Het is een fraai hoofddeksel; maar indien gij de pareer heuke zaagt, die zij draagt, wanneer zij met goed weder in haar wagentje uitrijdt, (want reeds sedert langen tijd gebruikt zij hare hakkeneien niet meer), dan zoudt gij een prachtiger kleedingstuk zien. De lange zijde houppelande van groene kleur is wel niet met gouden boordsel; doch de breede rand hermelijn, die er op ligt, en het fijne grauwe bont waarmede zij gevoerd is, geven er een vorstelijke gedaante aan. Er is niet veel verschil in het fatsoen der opperkleederen van den graaf en gravin, en daar de muts ook vrij gelijk van snede is, zou het u moeilijk vallen, mijnheer van mevrouw te onderscheiden, indien de onderkleederen en de slaapkussens, die de kaproen van de  laatste ondersteunen, u niet op den weg hielpen, bovendien ligt er een groote jachthond aan de voeten van heer Guy, en de gravin is bezig, om aan haar papagaai stukjes bruidsuiker te voeren.

„Is dat de heer van Heemstede, die gij Jan genoemd hebt?” – Neen, die zit naast mevrouw van Blois. gij ziet, hij is niet zoo jong meer; maar de heer, naar wien gij mij vraagt, zit naast zijn oom: het is Jan, de oudste bastaard van Blois, de zoon van de broeder van heer Guy. Vroeger was hij karmeliet, doch na den dood van zijn vader, die veel met kloosters op had, deed hij een reis naar Rome, en verwierf van den paus verlof, om tot den wereldlijken stand over te gaan; zijn vader heeft hem, behalve andere bezittingen, de heerlijkheid Treslong in Henegouwen nagelaten. Het meisje, dat aan zijne zijde zit, is jonkvrouw Marie van Heemsteede; haar vader is, evenals de heer van het slot, een zoon van heer Gerrit van Heemstede. Dr ginds hangen de wapenen, die haar grootvader vr Delft droeg, toen hij maarschalk over het leger was; gij kunt hier duidelijk de roode ruit en de zeven roode meerlen op het veld van goud zien, die op zijn schild zijn afgebeeld. Let maar eens op, hoe vertrouwelijk zij met haar jongen buurman zit te keuvelen, geen wonder! men zegt, dat zij elkander reeds als kinderen liefgehad hebben, en dat Marie de voornaamste oorzaak is, dat hij de pij heeft uitgetrokken. De bastaard zal de jonkvrouw van Heemstede tot vrouw nemen, en hun nageslacht zal den naam van Blois in dit land doen voortleven; want zijn oom Guy zal, evenals zijne twee broeders, ten grave dalen, zonder wettige afstammelingen na te laten. Gij hebt den naam van Blois van Treslong gelezen in de geschiedenis der afschudding van het Spaansche juk: gij herinnert Willem den Zeeuwschen admiraal, en zijn broeder, die het voorstaan van de vrijheid zijns vaderlands, op Alva’s bevel, met het hoofd moest boeten; gij hebt den naam van Blois van Treslong gelezen in de twee laatste zeeslagen, die wij tegen de Engelschen gelezen hebben. De vrouw van het huis zit niet naast den graaf; doch dit zal zeker zijn, om te gemakkelijker met de gravin te kunnen spreken; zij zit tusschen haar echtgenoot en den heer van Montfoort. Het zal wel niet noodig zijn, u al die heeren en vrouwen, jonkvrouwen en knapen op te noemen, noch u opmerkzaam te maken, hoe behalve de nar, Jaket, en de knecht, die er noodig zijn om het gezelschap te bedienen, er nog in die zaal een aantal vrouwelijke en mannelijke bedienden zijn, die zich op eenigen afstand en zonder luid te spreken, met eenig werk onledig houden, terwijl Filips van Malsen, aan de tafel gezeten, bezig is om op te schrijven, hetgeen hij gedurende den dag voor rekening van de graaf heeft uitgegeven. Gij ziet, dat de heeren meest allen het nauwsluitende kleed dragen, hetzij dan meer of minder van waarde, maar vrij gelijk aan de onderkleeding van heer Guy; doch het valt in het oog, dat geen hunner zulk een overkleed of houppelande draagt; ook de dames hebben dit kleedingstuk niet aan. Waarschijnlijk zijn de graaf en de gravin, ofschoon het naast aan het vuur gezeten, nog bang voor de koude, of dragen zij het, om meer aanzien aan hun persoon bij te zetten.

„Maar die edelman, die dr midden in den kring tegenover den schoorsteen zit, draagt toch ook een wijd kleed, al schijnt het dan ook geene houppelande te zijn, zooals gij de kamerrokken noemt, en de zonderlinge kap……” – Met uw verlof: de kap die op zijn rug hangt, had u reeds dadelijk moeten bemerken, dat hij kanunnik is. Bevreemdt u dit? misschien komt u die kleeding een weinige rijk voor, en hebben de laarzen, die hij draagt, u van het spoor geleid. Hij is een geestelijk persoon; maar ook geen gewoon geestelijke, en geloof niet, dat ik u niet van hem zou gesproken hebben, terwijl ik u de namen van sommigen van het gezelschap genoemd heb; heer Jan Froissard te vergeten, dat zou onvergeeflijk zijn; hij is juist de man, om wien wij hier zijn gekomen. Hij is kapellaan van den graaf van Blois, die, na het overlijden van den hertog van Brabant, zijn beschermer geworden is, tevens is hij kanunnik van Chimay; van zijn ouderdom betreft, hij is omstreeks zestig jaren oud; maar gij zoudt hem nauwelijks voor vijftig aanzien. Hij is niet groot van gestalte, maar vlug en sterk, dank zij de lichaamsbeweging, die hij van zijne jeugd af genomen heeft op zijne tochten door Engeland, Schotland, Frankrijk, Itali, Duitschland en deze landen, en hij kan dagen achtereen paard rijden, zonder over vermoeidheid te klagen. Zijn gelaat verraadt zijn vroolijk en opgeruimd gemoed, en zijne wangen, dat hij geen vijand van een goede dronk is; zijn blik is levendig, en een geestige trek omgeeft zijn mond, die nog slechts weinige tanden verloren heeft. Het is goed, dat hij die kap draagt, anders hield iedereen hem met u voor een edelman of aanzienlijk burger; want de omgang der edellieden, zijn verblijf aan de hoven van onderscheidene vorsten, en zijne gewoonte om met krijgslieden te verkeeren, hebben een zekere ongedwongenheid aan zijn houding, en een hoofschen zwier aan zijne wijze van spreken gegeven, die het moeilijk maken den kapellaan in hem te herkennen. Vraagt gij mij hoe het komt, dat wij den man, die zich door het schrijven van zijne kronieken een onsterfelijke naam verworven heeft, hier op het Huis van Heemstede, dat zo afgelegen ligt, ontmoeten, dan zal ik u zeggen, dat hij zijn meester, heer Guy, die den winter in Holland doorbrengt, eens is komen bezoeken. Natuurlijk is hij hem naar Heemstede gevolgd; en als gij mij weet te zeggen, waar, in het laatst der veertiende eeuw, Aernt Janssoen woonde, dan kan ik u in het dorp wellicht het huis aanwijzen waar de Chroniqueur van den graaf van Blois te huis ligt. Doch laat ons een einde maken aan die vervelende beschrijving van personen en kleedingen: laat ons eens luisteren: het is immers drom, dat wij gekomen zijn?

„Die heer is zoo gewoon aan een goede jacht, dat hij met een weinig niet tevreden is, heer van Heemstede!” zeide Jan Froissard gekscherende. – „Welnu, ik hoop den kastelein van Beaumont nog het genoegen te geven, den vos te jagen, vrdat hij vertrekt; de graaf weet wel, dat zij hier niet zeldzaam zijn; maar wat het wild betreft, het edele vermaak der jacht wordt van tijd tot tijd minder; toen mijn vader nog jong was, het geheel anders.” – „De Heer van Heemstede heeft gelijk; maar zoolang als de herten, doynen en zwijnen er nog zijn, met men tevreden wezen; wie vossen, wolven en beeren wil jagen, moet dan maar een andere plaats uitzoeken dan het Haarlemmer-bosch of de Aerdenhout.” – „Het is ook zeker moeilijk, om hier op de wildernissen en bosschen te passen, daar zij in de nabijheid van zooveel groote steden en dorpen liggen; de burgers en boeren, heer Graaf! zullen jaarlijks menig haasje en konijntje knappen, ten minste indien zij er eveneens over denken als uw volkje te Beaumont; want die zien er geen kwaad in, om in de plaats van hun heer te jagen: en toch knaagt het gemeen altijd, dat de edellieden zich het vermaak der jacht veroorloven.”

Een zonderling gelach, dat zich achter den stoel van den graaf liet hooren, verhinderde den kastelein misschien om er nog iets bij te voegen. „Wat is het, Jaket?” vroeg heer Guy; en terwijl de papegaai onrustig den kop terzijde wendde, om den nar in het oog te krijgen en eenige scheldwoorden uitte, zweeg het gelach, en Jaket antwoordde: „Ik lach om de onnozelheid van den boer, Heer!” – „En hoe dat? Ik verzoek u te luisteren naar hetgeen mijn goede zot zeggen zal,” zeide de graaf lachende; en zonderdat de nar opstond, antwoordde hij, terwijl hij met een spaan de uitgedoofde stukjes hout weder naar het vuur scheen te strijken: „Wel niets is gemakkelijker te begrijpen, Heer! als het wild er niet was, dan zou het zijn veldvruchten niet vernielen: iets, dat hij nu getroost moet aanzien; indien het wild er niet was, dan zouden de jagers met hunne honden en paarden zijne veldvruchten niet vertrappen: iets, dat niet meer dan natuurlijk is; en nu klaagt de onnoozele vlegel, en hij is te dom om te bevatten, dat de wilde beesten en de edellieden hem de moeite besparen, den oogst te huis te halen.”– „Wat zeggen de heeren er van?” vroeg de graaf, „is dat wel een wijs antwoord voor een zot!”– „Jaket schijnt te vergeten, dat wie niets te huis haalt, ook niets verkoopt,” zeide Hubert van Montfoort lachende; doch de nar hernam dadelijk: „Het kan wezen, dat Jaket zich bedriegt, want hij is zoo vlegelachtig als de gemeenste dorper; maar wat kan het de koe, die tweemaal daags wordt ledig gemolken, voor genoegen doen, dat zij veel melk geeft; of is het niet een zeker vermaak voor den boer, dit toch gebrek moet lijden, dat de paap, die naar de tienden komt omzien, en de landheer met lange neuzen moeten heengaan……?” – „Genoeg!” riep heer Guy, „wij moeten nog gekker dan Jaket zijn, om langer naar hem te luisteren; hij zou ons wel willen vertellen, dat elkeen recht heeft om te jagen: ware dit zoo, dan zou het spoedig gedaan zijn met dit edele vermaak, dat den edelman gelegenheid geeft, om zijn lichaam te harden tegen de vermoeienissen van den oorlog.” – „Zonder twijfel, Heer!” zeide Froissard, de nige van het gezelschap, in wiens aderen geen adelijk bloed vloeide; doch hij had reeds te lang met groote heeren omgegaan, om zijne afkomst niet te vergeten; „ik heb de edellieden overal naijverig gezien, om hunne rechten in deze zaak in stand te houden; de graaf van Foix is in het bijzonder een liefhebber van de jacht, getuige het boek van jachtvermaak, dat hij gemaakt heeft, en waaruit hij mij dikwijls heeft voorgelezen, en de bijnaam van Phebus, dien men gegeven heeft; ofschoon sommigen willen, dat die naam niet van de jacht afkomstig is, maar van de zon, die de graaf als zinnebeeld heeft aangenomen, of van zijne blonde haren.” – „Eilieve, Sire Jean!” zeide de graaf, „hoe begint de voorafspraak van het boek ook? Gij hebt het mij gezegd, maar herhaal het ten gevalle van deze heeren en vrouwen nog eens.” – „Zeer gaarne, Heer! Hij zegt, dat hij altijd zijn vermaakt gehad heeft in den wapenhandel, in de liefde en in de jacht; dat hij gelooft, dat er ridders zijn geweest, die dapperder waren dan hij, en ook gelukkiger in de liefde, waarom hij zich onthoudt om over deze twee zaken te spreken; maar wat het derde betreft, zoo gelooft hij, dat hij er, ofschoon dit grootspreken schijnt, geen meester in heeft, waarom hij over de jacht zal schrijven.” – „Geen meester!” zeide de heer van Montfoort; doch de gravin nam de verdediging van Gaston Phebus op zich, en zeide lachend: „Verwondert u dit, Heer Hubrecht? Voor een graaf van Foix is het niet te veel gezegd, maar zelfs vrij nederig; misschien zij er hier wel heeren, die zoo gaaf zouden erkennen, bij anderen te moeten achterstaan in den wapenhandel en in de liefde: is mevrouw van Heemstede neit met mij van n gevoelen?” – „Zeer zeker, gravin!” antwoordde deze, „de goede graaf Phebus van Foix is een vorst, die de genegenheid der schoonste jonkvrouwen waard is; hoevelen zouden er in zijn plaats een eer in stellen, de zwakheden der vrouwen, die zij liefgehad hadden, te verraden, terwijl hij slechts de heldendaden beschrijft, die hij op de jacht verricht heeft!” – „Mijne lieve neef van Foix verdient wet, dat de vrouwen zijne zedigheid verdedigen; hij is een edel vorst; jammer maar, dat er na hem geene graven van Foix uit zijn eigen bloed meer zullen komen.” – „Heeft hij geene kinderen?” vroeg de jonkvrouw, die naast Jan van Blois zat. – „Neen, Marie! ten minste niet bij zijne vrouw; de nige zoon, die hij had, is dood; nimmer denk ik aan het kind, of ik word treurig; zoo jong reeds te moeten sterven en zoo ongelukkig! zijn lot is bejammerenswaardig.” – „Dat vermoedde ik wel, Gravin!” zeide de heer van Monfoort; „voor eenige maanden sprak ik een reiziger, en toen wij over Foix en den graaf spraken, vertelde hij mij, dat men hem niets had kunnen of willen zeggen nopens de wijze, waarop de erfgenaam van Foix van het leven tot den dood is overgegaan.” – „Onze Chroniquer heeft er ons goed en zeker bericht van gebracht,” merkte de graaf aan, „en ik ben verzekerd, dat hij volgaarne iets vertellen zal van zijne reis naar Foix. Mijn zoon Dunois had reeds terug moeten zijn; doch nu hij met zijne vrouw en verder gezelschap het land rondloopt en ons wachten laat, weet ik niets beters te verzinnen om den tijd te korten, dan Sire Jean Froissard te verzoeken, aan het verlangen van de vrouw van onzen gastheer te voldoen; want zij is nieuwsgierig om wat van het kind van Foix te vernemen.” – „Indien heer Jan ons dat vermaak wil aandoen, niets zal ons liever zijn; want niettegenstaande de graaf mij alln genoemd heeft, geloof ik, dat er meerderen met mij iets verlangen te vernemen omtrent den dood van den zoon van heer Gaston Phebus,” zeide mevrouw van Heemstede vriendelijk.

„Mijn edele en goede meester heeft slechts te bevelen,” antwoordde Froissard; „het is niet meer dan plicht, dat ik mij haast, aan het verlangen van deze edele heeren en vrouwen te voldoen; het kost u veel geld, om mij gelegenheid te geven, van de eene plaats naar de andere te reizen; al wat ik dus weet en te boek stel, ik ben het aan uwe mildheid verplicht.” – Heer Jan van Heemstede gaf eenige bevelen aan zijn page, en zeide, toen deze naar den Chroniqueur trad: „Het verheugt mij, Sire Froissard! u in mijn huis te zien; het is een eer voor deze zaal, den man ontvangen te hebben, die, gelijk de barden, van wie de oude boeken spraken, de wapenfeiten en voorname gebeurtenissen opteekent en in het geheugen houdt; ledig daarom dien verwarmenden beker met gekruiden wijn, want ook de barden dronken altijd een teug vr zij spraken.” – „Ik ben geen bard, Heer!” hernam Froissard lachend; „ik speel niet in verheven stijl en bespeel de harp niet; ik schrijf slechts op, wat ik gezien en vernomen heb. Ik behoef dus niet te drinken om mij te bezielen; want hetgeen ik zoek en opteeken, is de waarheid, en, zooals men zegt, is de waarheid naakt; evenwel is mij deze beker welkom, en ik ledig hem op uwe gezondheid.”

Na gedronken te hebben, haastte Froissard zich om aan het verlangen van zijn beschermer en weldoener te voldoen, en zeide: „De vrede,, die in Vlaanderen en Picadi heerschte, gaf mij in 1388 weinig hoop, dat er iets gebeuren zou, dat waard was om opgeschreven te worden, ten einde dus te voldoen aan het verlangen van mijn goeden heer, die mij gelast heeft, op zijne kosten de kronieken te schrijven, besloot ik eenige berichten in te winnen nopens hetgeen er in Castili, Portugal en aangrenzende landen was voorgevallen, en de wapenfeiten, die er plaats hadden. Nergens kon ik van dat alles beter onderricht krijgen, dan bij den geduchten vorst, heer Gaston, graaf van Foix en Barn; en mijn goede meester gaf mij, zoodra hij mijn verlangen verstaan had, brieven van aanbeveling voor den graaf van Foix, en vier schoone jachthonden, om die uit zijn naam aan heer Gaston aan te bieden. Zoodra ik afscheid genomen had, haastte ik mij te vertrekken, en maakte zooveel spoed, dat ik op St. Catharina’s dag te Orths aankwam. De laatste tien dagen had ik gereisd met heer Espaing, ridder aan het hof van den graaf van Foix, die mij van vele zaken onderrichtte, doch hoe spraakzaam en vriendelijk hij ook was, mij niets wilde verhalen van den dood van den zoon zijns meesters. Met het ondergaan der zon kwamen wij te Orths aan; de ridder stapte aan zijn huis af, terwijl ik in het huis „In de Maan”, bij Ernauton du Pan, een schildknaap van den graaf, mijn intrek nam, die mij bij uitstek goed ontving, omdat ik een Franschman was. Heer Espaing de Lyon ging dadelijk naar het kasteel, en sprak met den graaf, dien hij in zijne galerij vond; want op dit uur of een weinig te voren had hij gegeten, daar de graaf van Foix gewoon is, om, gelijk hij van zijne jeugd af gedaan heeft, tegen den middag te gaan liggen, en te middernacht het avondmaal te houden. – De ridder zeide hem, dat ik met hem gekomen was, en ik werd terstond geroepen; want hij is de begeerigste heer ter wereld om vreemdelingen te zien, ten einde nieuwstijdingen te vernemen. Zoodra hij mij zag, sprak hij mij vriendelijk toe, en zeide in goed Fransch, dat hij mij zeer goed kende, ofschoon hij mij nooit gezien had, maar zeer dikwijls over mij had hooren spreken; en door de brieven, welke ik medebracht, hield hij mij aan zijn hof, met toezegging, dat ik er zoolang blijven kon, als mij aangenaam was. Gedurende de twaalf weken dat ik gebleven ben, hebben mijne paarden het volop gehad, en heeft het mij aan niets ontbroken.”

„Het eerste, waarover hij mij gemeenzaam onderhield, was een boek dat ik medegebracht had, en vroeger op uitnoodiging en op aanraden van heer Wenceslaus, hertog van Brabant, gemaakt had. Dit boek, dat Mliadus heet, bevat al de liederen, balladen, en gedichten, die de edele hertog in zijn tijd gemaakt heeft; de graaf zag met welgevallen, hoe ik dit boek had ingericht en te zamen gesteld, en elken nacht na het avondmaal las ik er hem uit voor. Terwijl ik las, durfde niemand een woord spreken; want hij wilde, dat ik goed gehoord werd, en hij zelf had groot vermaak, alles goed te verstaan; en als er iets voorkwam, waarover hij wilde twisten, of waarvoor hij nader bewijs begeerde, sprak hij er gaarne met mij over in goed en duidelijk Fransch.”

„En wat spreekt hij anders?” vroeg heer Hubrecht.

„Gasconsch, Heer van Montfoort!” hernam Froissard, en vervolde: „De hofhouding van den graaf van Foix, zoo rijk, en op zulk een breeden voet ingericht ziende, was ik verlangend om te vragen en te weten te komen, wat er van Gaston, den zoon van den graaf, geworden, en door welk toeval hij gestorven was; want heer Espaing de Lyon had het mij niet willen zeggen, en ik vorschte er zoo lang naar, totdat een schildknaap, die die een bejaard en zeer achtenswaardig man was, het mij zeide, en zijn verhaal aldus begon:”

„ „Het is ons bekend, dat de graaf van Foix en mevrouw van Foix, zijne vrouw, niet eensgezind zijn, en reeds lang oneenig leven; deze oneenigheid is veroorzaakt door den koning van Navarra, die een broeder was van de gravin; want de koning van Navarre wilde zich borg stellen voor den heer D’Albret, die door den graaf van Foix gevangen werd gehouden voor eene som van vijftigduizend franken. De graaf van Foix, die den koning van Navarre als listig en kwaadaardig kende, wilde dit vertrouwen niet in hem stellen, waarover de gravin van Foix grootte spijt gevoelde, op haar man verontwaardigd werd, en tot hem zeide: „Heer! gij betoont weinig eer aan mijn heer broeder, als gij hem niet vertrouwt voor vijftigduizend franken. Al ontvingt gij nimmer iets meer van de Armagnacs en de Albrets dan gij reeds gekregen hebt, dan moest het u reeds genoeg zijn; en gij weet, dat gij voor mijne weduwgift vijftigduizend franken moet stellen, en in handen van mijn broeder overgeven; dus kunt gij er niet bij tekort komen.” – „Mevrouw!” antwoordde hij, „gij zegt de waarheid; maar indien ik gelooven kon, dat de koning van Navarre de afbetaling daarmede zou verrekenen, dan zou de heer D’Albret Orths niet verlaten, vrdat ik tot den laatsten penning toe voldaan was; omdat gij het mij verzoekt, zal ik het doen, niet ter lieve van u, maar om mijns zoons wille.”

„En waarom niet ter liefde van haar?” vroeg de jonge buurvrouw van den bastaard van Blois. Deze vraag was haar bijna ontsnapt zonder het te weten; en toen zij die gedaan had, zag zij verlegen voor zich neder, omdat zij den verhaler in de rede was gevallen! „Ja! waarom? aandachtige Jonkvrouw!” antwoordde Froissard glimlachend: „ik moet bekennen, dat ik het niet weet; ik heb verzuimd het aan den vriendelijken schildknaap te vragen en beken schuld; op mijn woord, indien ik edelman en geen klerk was, zou ik u verzoeken mijn geheimschrijver te worden; mijn kronieken zouden er bij winnen, als zij door een vrouw geschreven werden, zoo oplettend als de schoone buurvrouw van den heer van Blois.” Marie bloosde over het antwoord van den Chroniqueur; zij verstond het, ofschoon zij nadacht over hetgeen Jaket achter haar stoel gezegd had; want zij begreep niet, wat de nar bedoelde met haar spottend toe te fluisteren: „Omdat zij zijne vrouwe was.”

„ „Ten gevolge van deze belofte” ” – „aldus vervolgde de schildknaap.” zeide Froissard – „ „en de verbintenis van den koning van Navarre, die zich als schuldenaar jegens den graaf van Foix stelde, werd de losprijs den heer D’Albert kwijtgescholden en hij in vrijheid gesteld. Hij ging naar de Fransche zijde over, trouwde in Frankrijk met de zuster van den hertog van Bourbon, en betaalde zonder moeite, volgens zijne verplichting, vijftigduizend franken aan den koning van Navarre; maar deze zond ze niet aan den graaf van Foix. Toen zeide de graaf tot zijne vrouw: „Mevrouw! gij moet naar Navarre bij uw broeder den koning gaan en hem zeggen, dat ik mij voor onvoldaan houd, indien hij mij niet zendt, hetgeen hij voor mij ontvangen heeft.” Zijne vrouw antwoordde, dat zij volgaarne zou gaan, ging op weg met haar gevolg, en kwam te Pamplona bij haar broeder aan, die haar zeer vriendelijk ontving. De gravin openbaarde dadelijk, en zonder iets te verzwijgen, wat de reden van hare komst was, en toen de koning haar aangehoord had, antwoordde hij: „Lieve zuster! het geld is het uwe; want de graaf van Foix moet het u geven als weduwgift, en nu ik het eenmaal onder mij heb, zal het nimmer het koninkrijk Navarre verlaten.” – „Ach, Heer!” antwoordde de gravin, „op deze wijze verwekt gij te grooten haat tusschen mijn heer en ons, en indien gij uw woord houdt, dan durf ik niet naar het graafschap Foix terugkeeren; want mijn heer zou mij vermoorden en zeggen, dat ik hem misleid heb.” – „Ik weet niet, wat gij doen zult,” zeide de koning van Navarre, die het door hem verschuldigde geld niet wilde afgeven, „of gij blijven of terugkeeren zult; maar ik ben meester over dit geld, en het behoort mij voor u: nimmer zal het dus uit Navarre gaan.” De gravin van Foix kon hem tot geen ander besluit brengen; dus bleef zij in Navarre en durfde niet terugkeeren.

„ „De graaf van Foix, die de arglistigheid van den koning van Navarre inzag, begon zijne vrouw een kwaad hart toe te dragen en zeer ontevreden op haar te zijn; evenwel had zij geen schuld, of had hem geen reden gegeven om onvergenoegd op haar te zijn, dan alleen, dat zij niet teruggekeerd was, zoodra zij hare boodschap gedaan had. Maar de gravin durfde niet, want zij wist, dat haar man zonder mededoogen was, zoodra het een zaak betrof, die zijn toorn had gaande gemaakt.” ”

908SR15.gif (1832 bytes)

De gravin van Blois, die zich nu niet meer met haar geliefden vogel bezighield, maar scherp scheen te luisteren, ofschoon niet naar hetgeen er verteld werd, verhinderde Froissard om te vervolgen; want zij zeide: „Guy! verwondert het u niet, dat de kinderen nog niet terug zijn? het is reeds laat; als hun maar niets overkomen is: de wegen zijn hun vreemd.” – „Hoe kunt gij dit denken? Mevrouw Van Balatre is immers bij hen, zij zal wel voor Maria zorgen,” antwoordde de graaf; toen vroeg hij: „Van Malsen! hoe laat is het?” – „Het zal omstreeks acht uren zijn, Heer!” antwoordde deze, na zich eenige oogenblikken bedacht te hebben, en de graaf vervolgde: „Het is dus zoo laat niet, Maria! evenwel gij hebt gelijk; Louis behoorde reeds terug te zijn, en zij kunnen niet verdwaald wezen; want zij hebben genoeg gezelschap bij zich, dat den weg goed kent.” – „En mevrouw  de gravin behoeft niet ongerust te zijn, want de veiligheid der wegen aanbetreft; als men zoo goed, vergezeld is als mijnheer en mevrouw van Dunois, heeft men in dit land niets te duchten, vooral niet op den weg tusschen Zandvoort en mijn huis.” – „Het is zooals de heer van Heemstede zegt; bovendien is mijn broeder Guy mede, en ik ben verzekerd, dat hij met de andere heeren en knapen wel zal zorgen voor mijn lieven neef en de vrouwen,” zeide de neef van den graaf, en hij vervolgde zacht tegen de dochter van Heemstede, die naast hem zat: „indien er iets gebeurt, dan is het uwe schuld, dat ik er niet bij tegenwoordig ben; want gij hebt mij overgehaald om te huis te blijven.” – „Beklaagt gij u er over?” vroeg het meisje, „het is alsof ik u verhinderd heb, de sporen te verdienen; is het hier niet beter dan daar buiten?” – „O! ik ben zoo blijde dat gij naast mij zit.” – „Het is zeker zoo ver niet,” zeide de vrouw van het huis; „maar mevrouw van Blois heeft reden om ongerust te zijn: hare dochter is nog zoo jong en niet gewoon aan de zeelucht, zooals wij; ik denk nogal, dat zij hier of daar onderweg zijn gebleven.” – De heer en de vrouw van Montfoort, zoowel als de overige heeren en edelvrouwen, zager niet in, dat er eenige reden was om zich ongerust te maken; doch de gravin bleef bij haar gevoelen en zeide: – „Gij zoudt wel doen, Graaf! met hun iemand te gemoet te zenden; dan zijn wij ten minste verzekerd, binnen zekeren tijd te weten, waar zij zijn; het verwondert mij van mevrouw Van Balatre.”

Op dit oogenblik liet zich een zacht gerinkel van eenige bellen achter den stoel van den graaf hooren, en een stem, de van dezelfde plaats kwam zeide: „Ik weet wel, waar zij zijn.” – „Sot,” schreeuwde de papegaai, die op de hooge leuning van den stoel zijner meesteres zat. „Gij Jaket? welnu waar zijn zij dan? laat hooren! Het schijnt dat de zot meer weet dan wij allen,” zeide de graaf, terwijl hij omzag. De nar, die tot nog toe op een laag bankje bj het vuur gezeten had, vertoonde nu zijne zonderlinge muts boven de leuning – het is zeker wel geen vereischte voor een gek, om er goed uit te zien, maar Jaket was afschuwelijk leelijk; – de papegaai schreeuwde nog harder dan te voren: „Fou! Villain!” vooral toen de ongelukkige, die zijn vijand scheen te zijn, hem met zijn klapspaan dreigde, en toen de graaf ongeduldig uitriep: „Welnu, Jaket?” toen antwoordde de nar ernstig: „Zij zijn in hun vel, Heer!” De papegaai gaf door zijn geschreeu van „Robeur!, Vilian!” het eerst zijne verontwaardiging te kennen over het ellendige antwoord van den nar; de arme Jaket had zeker aan het verlangen, om ook eens iets te zeggen, geen weerstand kunnen bieden, en had bewezen, dat een muts met bellen iemand wel in een gek kan herscheppen, zonder daarom van hem een geestigen gek te maken. De graaf scheen onvergenoegd te zijn; misschien nam hij anders de gezegden van zijn nar beter op, of was deze ditmaal al zeer ongelukkig geweest; want hij zeide driftig: „Verdoemde gek! Gij zult u beklagen, dat gij ons deze laffe aardigheid hebt gezegd; hoe zoudt gij er uitzien, als ik u eens het vel over de ooren liet halen?” – „Waarschijnlijk zou ik dan veel gelijken op de duizenden, die jaarlijks door de edele heeren gevild worden,” hernam Jaket gemelijk en ging knorrende weder zitten. Dit antwoord haalde hem echter geen nieuwe bestraffing op den hals; want de graaf riep luid: „Henekyn!” Terstond stond een der knechts, die met de speellieden van het Guy zat te praten, op, nam zijne kap af en naderde om het verlangen van zijn meester te vernemen. „Mevrouw van Blois is ongerust over het uitblijven van mijnheer en mevrouw van Dunois; zadel terstond op……” hier bedacht zich de graaf en vervolgde: „Heer van Heemstede! Henekyn is reeds meermalen te Zandvoort geweest; doch n uwer knechts zal mijn zoon gemakkelijker te kunnen vinden, indien hij somtijds den gewonen weg verlaten heeft; zoudt gij ook……” – „Een mijner knechts kunnen afzenden? dit is juist hetgeen ik u wilde aanbieden, graaf!” zeide heer Jan, terwijl hij opstond, om zijne bevelen te geven. De papegaai, die ondertusschen voortgeaan was met de reeks van scheldwoorden, die hij kende, met kwaadaardigheid op te noemen, begon nu zoo lastig te worden, dat de gravin hem vrij onzacht liet blijken, dat zijne aardigheden op dit oogenblik even te onpas kwamen als die van Jaket. Er was niemand in de zaal, die de ongerustheid van den graaf en de gravin niet natuurlijk vond, ofschoon de meeste, wat hen zelven betrof, het niet vreemd vonden, dat de heer van Dunois en de jongelieden, die hme vergezelden, wat later terugkwamen.

„Ik zeg u dank, Heer!” zeide de gravin, toen de heer van het huis haar, na zijne terugkomst, berichtte, dat hij iemand naar Zandvoort gezonden had, en een ander naar Haarlem, ingeval met soms daarhen gereden was. „Louis is mijn nige zoon, ik heb geen andere kinderen, en zijn zwak gestel maakt mij altijd bevreesd, als hij zich te veel vermoeit……” – „En niets is natuurlijker, Mevrouw!” hernam de heer van Heemstede; „de nige erfgenaam van zulk een machtig heer als zijn vader, en die, door het huwelijk met de dochter van mijnheer van Berry, eens een der voornaamste vorsten van het Christenrijk moet worden, verdient wel, dat men zorg drage voor zijne gezondheid; de goede heiligen zullen hem bewaren, die zoovele graafschappen en heerlijkheden erven moet.” – „De hemel beware mij voor dat ongeluk!” zeide de graaf; „ik zou dan evenzeer te beklagen zijn als mijn neef van Foix. Sire Jean! aan het verlangen van de gravin is nu voldaan; wees dus zoo goed om te vervolgen.”

„Froissard boog zich en vervolgde: „ „Deze staat van zaken duurde zoo voort,” zeide de schildknaap;  „Gaston de zoon van den graaf van Foix, groeide op en werd een zeer schoon kind; hij trouwde met de dochter van den graaf van Armagnac. Deze was een schoone jonkvrouw en zuster van den graaf, die thans leeft, en van heer Bernard van Armagnac; ook door het sluiten van dit huwelijk zou er een goede vrede tusschen Foix en Armagnac heerschen. Het kind was omstreeks vijftien of zestien jaren oud; het was een schoone knaap, en geleek in alle deelen bijzonder om zijn vader. Op zekeren dag kreeg hij lust en verlangen, naar het koninkrijk Navarre te gaan, om zijne moeder en zijn oom te bezoeken, en dit wel ter kwader ure voor hem en voor zijn land. Toen hij in Navarre gekomen was, onthaalde men hem goed, en bleef een tijdlang bij zijne moeder: daarna nam hij zijn afscheid: maar wat hij tegen zijne moeder ook zeide, of hoe hij haar ook smeekte, hij kon haar niet bewegen om met hem naar Foix weder te keeren; want de gravin had hem gevraagd, of de graaf van Foix, zijn vader, hem gelast had, haar mede terug te brengen, en hij had gezegd, dat er bij zijn vertrek niet over gesproken was; daarom durfde de gravin er niet op vertrouwen, maar bleef terug. Het kind ging naar Pamplona, om zijn oom, den Koning van Navarre afscheid te nemen, die hem zeer goed ontving, en meer dan tien dagen bij zich hield, en zoowel aan hem als aan de lieden van zijn gevolg fraaie geschenken gaf. Het laatste geschenk dat de koning van Navarre hem gaf, was de dood van het kind. Ik zal uw zeggen hoe en waarom. Toen het oogenblik dr was, dat het kind vertrekken zou, nam de koning hem heimelijk in zijne kamer ter zijde, en gaf hem een zeer schoon beursje, vol met een zeker kruid; de aard van dit kruid was zoodanig, dat er geen levend wezen was, dat niet dadelijk moest sterven, zonder eenig middel, om dit te voorkomen; zoodra het er van at of aanraakte. „Gaston, lieve neef!” zeide de koning, „gij moet den; wat ik u zeggen zal. Gij ziet, hoe de graaf van Foix, uw vader, ten onrechte uwe moeder, mijne zuster, grooten haat toedraagt; dit mishaagt mij zeer, en dat moet het u ook doen. Maar, om de zaken weder op een goeden voet te brengen, en uwe moeder weder met uw vader te verzoenen, moet gij te gelegener ure een weinig van dit kruid nemen, en het op de vleeschspijzen van uw vader doen; doch let wl op,dat niemand u ziet. En zoodra hij er van gegeten zal hebben, zal hij niet rusten en nergens anders om denken, vr hij zijne vrouw, uwe moeder, weder bij zich heeft; zij zullen elkander altijd liefhebben, z sterk zelfs, dat zij nimmer van elkander zullen willen scheiden, en gij moet zeer verlangend zijn dit te zien gebeuren. Maar let wel op, zooals ik u zeg, dat gij het aan niemand ontdekt, die het uw vader zou kunnen zeggen; want hierdoor zou de geheele zaak mislukken. Het kind, dat alles geloofde wat zijn oom, de koning van Navarre, hem zeide, antwoordde: „Zeer gaarne!” ”

908SR15.gif (1832 bytes)

„Zou dit alles waar zijn?” zeide de kastelein van Beaumont ongeloovig. – „En waarom niet,” hernam de verteller, „het behoeft u niet te verwonderen van Karel van Navarre; hij heeft immer den goeden koning Karel, den vader des konings, die nu in Frankrijk regeert, ook vergif laten ingeven, en Gaston was nog zoo jong, dat hij zijn oom niet wantrouwde.” – „En wie heeft ooit getwijfeld aan de woorden eens konings!” vroeg Jaket, „ik ten minste niet,; de heiligen regeeren de harten der vorsten: is het niet zoo, Heer klerk?” Doch Froissard antwoorde niet, maar vervolgde:

908SR15.gif (1832 bytes)

„ „Hierop,” – zeide de schildknaap verder – „verliet hij zijn oom te Pamplona en keerde naar Orths terug. De graaf van Foix, zijn vader, ontving hem zeer goed, en vroeg hem naar nieuws uit Navarre, en welke geschenken en kostbaarheden men hem dr gegeven had; en hij liet ze allen zien, uitgezonderd het beursje, waarin het kruid was; want hiervan zweeg hij stil en hield het geheim. Nu was het de gewoonte aan het hof van de graaf van Foix, dat Gaston en zijn bastaard-broeder Yvain dikwijls in ne kamer sliepen; zij hielden veel van elkander, zooals kinderen en broeder doen, en droegen gelijke kleederen; want zij waren bijna even groot en van denzelfden leeftijd. Terwijl zij op zekeren dag, zooals kinderen gewoon zijn, bezig waren te spelen en zich te vermaken, toen zij nog te bed lagen, gebeurde het dat zij hunne rokken verwisselden, zoodat de rok van Gaston, waarin het beursje met het kruid was, op het bed van Yvain, den broeder van Gaston kwam te liggen. Yvain die vrij slim was, voelde het beursje en het kruid, en vroeg aan zijn broeder: „Gaston! wat draagt ge toch altijd op uwe borst? ”Gaston was niet verheugd over deze vraag en antwoordde: „Geef mij mijn rok terug, Yvain! gij hebt er niet mee nodig.” Yvain wierp hem zijn rok weder toe, die Gaston aantrok; doch hij bleef den geheelen dag meer in gedachten verdiept dan ooit te vooren. Drie dagen daarna gebeurde het, alsof God den graaf van Foix bewaren wilde, dat Gaston op zijn broeder Yvain, onder het kaatsen, verstoord wordende, hem een oorveeg gaf. Het kind werd er gramstorig over, kwam huilende in de kamer van zijn vader en vond deze, die juist de mis gehoord had. Toen de graaf hem zag huilen, vroeg hij hem: „Yvain! wat scheelt er aan?” – „Zoo waar als God leeft, Heer!” zeide hij hem: „Gaston heeft mij geslagen; maar er is evenwel en meer reden om hem te slaan dan mij.” – „Waarom?” vroeg de graaf, die dadelijk achterdocht had en zeer schrander was. – „Op mijn woord, Heer! sedert hij van Navarre is teruggekomen, draagt hij een beursje vol met fijn kruid op zijne borst; maar ik weet niet, waarvoor het dient, noch wat hij er mee doen wil, behalve dat hij mij ns of tweemaal gezegd heeft, dat mevrouw zijne moeder, weldra en binnen zeer korten tijd meer in uwe gunst zal zijn, dan zij ooit was.” – „Ha!” zeide de graaf, „zwijg stil, en draag zorg, dat gij aan niemand iets ontdekt van hetgeen gij mij gezegd hebt.” – „Zeer gaarne, Heer!” antwoordde het kind.”

Op dit oogenblik werd de deur van de zaal geopend, en Froissard zweeg, toen iemand, zonder moeite te doen om zacht te gaan, de tafel naderde, niettegenstaande de heer van Heemstede hem met de hand beduidde om geen gerucht te maken. Het was de knecht, die naar Haarlem was afgezonden geweest; het was hem niet gelukt eenige berichten omtrent den zoon van den graaf in te winnen, en terwijl mevrouw van Blois hoe langer hoe meer naar de terugkomst van de jongelieden scheen te verlangen, vervolgde Froissard:

„ „De graaf,” zeide mij de schildknaap, „verdiepte zich in gedachten, bewaarde het stilzwijgen tot het uur van het middagmaal; waschtte zich, en ging, evenals op andere dagen, in zijne zaal aan tafel zitten. Zijn zoon Gaston was gewoon hem van alle spijzen voor te dienen en het vleesch te proeven. Zoodra hij het eerste gerecht voor den graaf had neergezet, en gedaan had hetgeen hij doen moest, zag de graaf, die goed onderricht was, scherp toe, en hij ontwaarde de koorden van het beursje aan den rok van zijn zoon. Zijn bloed verstijfde, en hij zeide:  „Gaston! kom hierheen, ik wil u iets aan het oor zeggen.” Het kind naderde de tafel; de graaf maakte hem de borst open, en knoopte zijn rok los, nam een mes, sneed de koorden van het beursje af, zoodat hij het in de hand hield, en zeide toen tot zijn zoon: „Wat is er in dit beursje?” Het kind, dat geheel verbaasd en verlegen stond, uitte geen woord, maar werd bleek van angst, en begon sterk te beven; want het zag in, dat het misdaan had. De graaf van Foix opende het beursje, nam het kruid en leidde er van op een bord met brood van ongezuurd deeg, waarop met het vleesch snijdt, floot toen een windhond, die daar bij hem was, en gaf het dezen te eten. Zoodra de hond het eerste stuk opgegeten had, viel hij om en stierf.” ”

„Wie weet, welk een brave hond het geweest is,” zeide de kastelein van Beaumont; „het is jammer! kon de graaf het kruid niet op iets anders beproeven?” „Waarom niet op een dorper?” vroeg Jaket. „Of op een zot?” riep de graaf, en zeide toen: „Ga voort, Sire Jean!”

„ „Toen de graaf dit zag; ontstak hij in arren moede, en hij had er wel reden voor; hij zou hem zonder twijfel op de plaats vermoord hebben; maar ridders en knapen sprongen toe en riepen: „Heer! om Gods wil, genade! haast u niet, maar doe onderzoek naar de zaak, vrdat gij uw zoon eenig leed toebrengt.” En het eerste woord, dat de graaf uitte, was, dat hij in het Gasconsch uitriep: „O! Gaston, verrader! om uwentwille, en om het erfgoed te vermeerderen, dat u eens te beurt moest vallen, is er oorlog en tweedracht geweest tusschen mij en den koning van Frankrijk, den koning van Engeland, den koning van Spanje, den koning van Navarre en den koning van Arragon, ik heb mij goed jegens hen gedragen, en nu wilt gij mij vermoorden! Uw slechte aard heeft het u ingegeven; maar weet, dat gij voor deze daad zult sterven.” Toen snelde hij met het mes in de hand naar de andere zijde van de tafel en wilde hem vermoorden; doch ridders en knapen wierpen zich weenende voor zijne voeten neder en riepen: „Ach, Heer,! vermoord Gaston om Gods wil niet; want gij hebt geene andere kinderen. Laat hem bewaken, en doe onderzoek naar het geval; wellicht wist hij niet, wat hij bij zich droeg, en heeft hij geen schuld aan dit misdrijf.” – „Op staanden voet dan,” zeide de graaf, „zet hem in den toren, en laat hem z bewaken, dat men mij verantwoordelijk voor hem kan zijn.”

„ „Toen werd het kind in den toren van Orths gezet, en de graaf deed een aantal van degenen, die zijn zoon dienden, gevangennemen; maar hij kreeg ze allen niet; want velen maakten zich uit de voeten, zooals de bisschop van Escala, die ook onder verdenking viel, en thans nog buitenslands is, en zoo zijn er nog velen; toch liet hij er vijftien op een verschrikkelijke wijze ter dood brengen. En de reden, die hij er voor gaf, was, dat het onmogelijk wezen kon, dat zij van het geheim niet geweten hadden, en erhem van hadden moeten onderrichten en zeggen: „Heer! Gaston draagt eene beurs op zijne borst, die er z en z uitziet.” Maar zij deden het niet, en daarom stierven zij een schrikkelijken dood. Het was te bejammeren van eenige knapen, daar er in geheel Gascogne geen knapper, netter of beter gekleede waren; want de graaf van Foix heeft altijd knap en vlug volk in dienst.” ”

„Ongelukkige menschen!” zeide de vrouw van Heemstede, bewogen met de slachtoffers der achterdocht van den graaf van Foix. „Tot nu toe, Heer Jan! heb ik heer Gaston Phebus wel mogen lijden, maar thans niet meer: o! het verwondert mij nu niet meer, dat zijn kind niet meer leeft: het maar zoo in de gevangenis te werpen en het hebben willen vermoorden! een heiden kon niet slimmer doen!” – „En het verwondert mij nu niet meer, dat hij geen nar aan zijn hof heeft: er is geen zot dom genoeg om zulk een heer te dienen,” mompelde Jaket, terwijl heer Guy aanmerkte: „Onze goede gastvrouw vergeet, dat Karel de Slechte de aanlegger van deze schandelijke daad was; de graaf van Foix handelde wel wat overhaast en gestreng, maar het leven der vorsten is gestadig in gevaar: dit maakt hen ergdenkend.” – „En daarom wil ik wel een zot, maar geen koning zijn,” zeide Jaker ernstig.

Froissard antwoordde niet en vervolgde: „ „De graaf van Foix liet wel blijken, dat deze zaak hen na aan het hart lag; want hij deed al de edellieden, de hooge geestelijken van Foix en Barn, en alle aanzienlijkee mannen van deze landen te Orths bijeenroepen. Toen zij gekomen waren, gaf hij hun te kennen, waarom hij hen had laten oproepen, hoe hij zijn zoon op zulk een groot misdrijf betrapt had, en dat het zijn voornemen was, om hem te doen sterven, dewijl hij den dood verdiend had. Het geheele volk antwoordde als met eene stem op deze woorden en zeide: „Heer! verleen hem genade! wij willen niet, dat Gaston sterven zal; het is uw erfgenaam en gij hebt geen ander.”

„ „Zoodra de graaf zijn volk hoorde, dat voor zijn zoon om ontferming bad, zijne gramschap een weinig, en hij nam voor, hem met gevangenhouding te straffen: hij zou hem twee of drie maanden in de gevangenis houden, en hem dan twee of drie jaren op de eene of andere reis zenden, totdat hij zijne reden tot onvergenoegdheid vergeten had, en het kind, in jaren gevorderd zijnde, tot meerder en beter kennis zou gekomen zijn. Hij gaf daarom aan zijn volk verlof om naar hunne haardsteden terug te keeren; maar die van het graafschap van Foix wilden Orths niet verlaten, indien de graaf hun niet verzekerde, dat Gaston niet zou sterven; zveel hielden zij van het kind. Hij beloofde hun dit; maar zeide hun, dat hij hem, om hem te straffen, gedurende zekeren tijd in de gevangenis zou houden. Op deze beloften vertrokken de lieden van alle standen, en Gaston bleeft te Orths gevangen.

„ „Het gerucht van dit alles verspreidde zich overal, en Gregorius de Elfde, die toen paus was te Avignon, zond dadelijk den kardinaal van Amiens als gezant naar Barn, om deze zaak bij te leggen, den graaf terneder te zetten, zijne gramschap tot bedaren te brengen, en het kind uit zijne gevangenis te verlossen. Maar de kardinaal maakte zoo weinig haast met den hem opgedragen last, dat hij niet verder dan tot Beziers kwam, toen hij het bericht ontving, dat er niets meer voor hem in Barn te doen was; want Gaston, de zoon van den graaf van Foix, was overleden! En ik zal u zeggen, hoe hij stierf, omdat ik u reeds zooveel van deze zaak verhaald heb.”

„ „De graaf van Foix liet hem in een vertrek van den toren van Orths gevangen houden, waar zeer weinig licht was, en hij bleef dr tien dagen. Gaston dronk en at weinig, ofschoon men hem dagelijks genoeg te eten en te drinken bracht, dan leide hij het heimelijk terzijde, en raakte het niet aan; en sommigen willen zeggen, dat men al het vleesch, dat men hem gebracht had, in zijn geheel heeft gevonden op den dag van zijn dood, en dat hij er niets afgenomen had; het was te verwonderen, hoe hij zoolang had kunnen leven. Om meer dan ne reden hield de graaf hem daar opgesloten, zonder dat er een oppasser met hem in het vertrek was, die hem raad geven of vertroosten kon. Het kind bleef altijd in zijne kleeren, zooals het er was ingebracht; het gevoelde hierover groot verdriet; want het was dit niet gewoon, en verwenschte het uur, waarin het geboren was om zoo te moeten eindigen.” ”

„Hij heeft zich dus van honger laten sterven!” riepen de vrouwen, en Froissard zweeg. Hoe eenvoudig hij het verhaal van den schildknaap voordroeg, zoo hadden zij evenwel zeer goed gevat, wat er in zijne woorden lag opgesloten; zij verplaatsten zich geheel in den toestand van het kind, en hare tranen vloeiden; het scheen, dat deze uitwerkerking van het medelijden den kanunnik trof, want hij zeide aangedaan: „De arme Gaston heeft recht op uw beklag en uwe tranen, edele Vrouwen en Jonkvrouwen! want een bitter lot was hij zijne; ware er iemand bij hem geweest, die eenigen invloed op hem had gehad, wellicht zou hij anders gehandeld hebben, en zich hebben laten troosten; maar hij was alleen. Het was niet de vrees voor den dood, die hem voedsel deed weigeren, maar droefheid over de verdenking, die op hem rustte. Hij was jong, maar toch was hij Gaston van Foix, en hij werd beschuldigd zijn vader te hebben willen vergeven, – en die beschuldiger was zijn vader. Deze eischte zijn dood, en hij, erfgenaam van Foix en Barn, had het alleen aan het medelijden van die lieden, die eens zijne onderdanen moesten worden, te danken, dat zijn vader hem niet vermoord had: dit alles deed hem den dood zoeken. O! hoe sterk moet de wanhoop, de weerzin in het leven geweest zijn in het hart van het kind, om zelfs den laatsten dag nog het vleesch, den wijn en de vruchten te weigeren, die den verzorger hem geknield aanbood en bad te nuttigen. Wat moet hem toen de honger gefolterd hebben! – en toch was hij onschuldig, jong, en even schoon als zijn vader in diens jeugd; hij had een schoone vrouw van zijne jaren kunnen nemen, en hij was erfgenaam van schoone landen!”

„ „Op den dag van zijn overlijden brachten degenen, die hem zijn eten toedienden, het vleesch, en zeiden tot hem: „Gaston! hier is het vleesch tot u.” Gaston sloeg er nauwelijks acht op, en zeide: „Zet het dr neer.” Hij, die hem bracht hetgeen ik u gezegd heb, zag om zich heen, en ontwaarde in de gevangenis al het vleesch, dat hij de vorige dagen gebracht had. Toen sloot hij de kamer weder toe, kwam bij den graaf van Foix en zeide tot hem: „Heer! geef om Gods wil acht op uw zoon; want hij hongert zioch uit de gevangenis, waar hij ligt. Ik geloof dat hij niets gegeten heeft, sedert hij er in gekomen is; want ik heb al de spijzen, die men hem gebracht heeft, onaangeraakt ter zijde zien staan.” De graaf, verstoord over hetgeen hij vernam, verliet zijne kamer zonder een woord te zeggen, ging naar de gevangenis van zijn zoon, en hield ter kwader ure een smal, lang mesje in de hand, waarmede hij zijne nagels sneed en schoonmaakte. Hij liet de deur van de gevangenis openen, trad naar zijn zoon, en hield het lemmer van zijn mes bij de punt, en zoo nabij het einde, dat het niet langer buiten zijne vingers uitstak dan de dikte van een Tourschen groot. Bij ongeluk dit gedeelte van de punt in den hals van zijn zoon stekende, trof hij hem, ik weet niet welke ader, en zeide tot hem: „Ha verrader! waarom eet gij niet?” Dadelijk daarop ging de graaf heen, en keerde naar zijne kamer terug, zonder iets verder te doen of te zeggen.

Toen het kind, ontsteld en verschrikt over de komst van zijn vader en verzwakt van het vasten, de punt van het mes voelde, dat zijne keel raakte; – want hoe licht de wond ook was, het was een ader, – toen keerde hij zich ter zijde en stierf.” ”

„Arme Gaston!” riepen de vrouwen snikkende. „Ik geloof, dat hij als een heilige martelaar gestorven is,,” zeide de vrouw van Heemstede, tranen stortende; „het kind, dat door zijn wreeden vader vermoord is, is zeker dadelijk in het paradijs opgenomen.” – „Wie zou er aan kunnen twijfelen!” zeide de heer van Montfoort; en Jaket antwoordde: „Ik niet, ten minste; die graaf van Foix schijnt de slechte gewoonte te hebben met messen te spelen waarom gebruikt hij niet een houten zwaard, evenals ik en elke andere nar? Gaston met de messen ware een beter naam voor hem, dan Gaston Phebus, want……” – „Zwijg, Jaket!” riep de graaf, „wilt gij uwe tong wagen, door z te spreken over een groot Vorst, die nog leeft? Vervolg, Sire Jean, en stoor u niet aan onzen zot.” De stem van Jaket had den papegaai gewekt; doch vrdat hij een aanvang maakte met schelden, vervolgde de klerk van den heer Guy:

„ „Nauwelijks was de graaf zijne kamer binnen getreden, toen hij van de zaak bericht kreeg door dengene, dit het kind het vleesch toegediend had, en tot hem zeide: „Heer! Gaston is dood!” – „Dood?” riep de graaf. – „God helpe mij, Heer! het is zoo.” De graaf wilde niet gelooven, dat het waarheid was, en hij zond er een ridder heen, die daar bij hem was. De ridder ging er heen, en berichtte, dat hij inderdaad dood was. De graaf van Foix was uitermate verstoord, en zeide: „Ha, Gaston! welk een beklagenswaardig lot hebt gij hier gehad! Ter kwade ure voor u, en voor mij, zijt gij in Navarre uwe moeder gaan zien. Nimmer zal ik zoo volmaakte vreugde genieten als te voren.” Toen liet hij zijn barbier komen en zich geheel scheren, betoonde grooten rouw, en kleedde zich, zoowel als al de lieden van zijn hof, in het zwart. Het lijk van het kind werd met geween en geklag naar de minderbroeders te Orths gebracht en aldaar begraven. Zoo ging het met den dood van Gaston van Foix: het ist waar, zijn vader vermoordde hem; maar de koning van Navarre, Karel de Slechte, bracht hem den doodsteek toe; en met noemt den armen Gaston, omdat hij nog zoo jong, zoo beklagenswaardig gestorven is, den Engel van Foix.”

Hier zweeg Froissard. Niettegenstaande men hooren kon, dat hij gewoon was Fransch te spreken en in die taal te schrijven, had men hem met veel genoegen aangehoord; doch juist toen heer Guy en de heer van Heemstede hem wilden bedanken voor de moeite, welke hij genomen had, en het genoegen, dat hij het gezelschap had verschaft, sprong de jachthond, die tot nog toe stil gelegen had, op, en snelde naar de deur. Er ontstond een groote beweging op het voorplein van het slot; het was een verward gerucht van paardengetrappel, menschenstemmen en geblaf van honden. „Daar zijn zij!” riep de gravin verheugd, die misschien de nige in de zaal geweest was, welke niet geluisterd had naar het verhaal van Sire Jean, den klerk. De terugkomst der jongelieden beroofde Froissard van het inoogsten van eenigen lof over zijne vertelling; maar zij droogde als door een tooverslag de tranen der vrouwen, en bewaarde den graaf van Foix voor het uitspreken van een streng vonnis over zijne onmededoogendheid, dat zij reeds hadden opgemaakt. Het droevige lot van den armen Gaston had haar sterk getroffen; de lof, dien Froissard zijn vader had toegezwaaid, kwam haar onrechtvaardig toe; het Hollandsch vrouwenhart beoordeelde hem geheel anders, dan de Croniqueur, en de laatste was zeker de bevoegdste om den graaf te beoordeelen. Een graaf van Foix was geen Hollandsche graaf, en Karel, koning van Navarre, was zijn zwager.

De graaf van Dunois trad, zijn vrouw bij de hand houdende, weldra in de zaal, en de vroolijke stoet van Jonkvrouwen, heeren en knapen volgde hen. Zoo stil als het eenige oogenblikken te voren geweest was, zoo druk was het nu: men hoorde thans twintig stemmen voor ne. De gravin, die haar ongeduld niet bedwingen kon, was opgestaan, en de jonge graaf trad snel naar haar toe en zeide: „Mevrouw moeder! hier zijn wij reeds terug; het doet mij leed, dat gij ongerust geweest zijt.” Zijne moeder kuste hem, en daarna hare dochter en zeide: „Gij hebt bij beangst gemaakt, Louis! het is niet wl, kind! hier zoolang in de zeelucht te blijven, en uwe jonge vrouw is ook niet gewoon aan dit land.” – „O! Mevrouw moeder!” riep de jonge graaf, die niet ouder dan dertien jaren en zeer teer van gestel was, terwijl hij lachend om zich heen zag: „Zij is dezen dag een Hollandsche vrouw geworden, is het niet zoo, Maria liefste? anders kunnen deze heeren en jonkvrouwen het getuigen; en zelfs mevrouw van Balatre: ik heb haar in zee gedragen en goed ingezouten. Ik verzeker het u; zij weet, dat zij te Zandvoort geweest is.” – „Foei, Louis!” zeide de gravin, „en dat met zulk een koud water, denkt gij niet om uwe gezondheid? Arme Marie! kom hier; vertel mij eens of het waar is, en hoe heeft mevrouw van Balatre dit toegelaten?” Terwijl de gravin zitten ging en hare dochter nevens haar deed plaats nemen, zeide deze opgeruimd: „O! het is niets, Mevrouw! Louis heeft het niet erg gemaakt; het is immers een landsgebruik. Had ik het niet gewild, dan zou men maar gezegd hebben, dat alle Fransche vrouwen en jonkvrouwen bang voor water zijn; er waren er genoeg, die gilden en jammerden, toen die heeren en knapen haar in zee droegen.”

Niettegenstaande dit alles berispte de gravin mevrouw van Balatre, die het laatst was binnengekomen, omdat zij den jongen graaf niet verhinderd had, zijne vrouw in zee te dragen. Heer Guy, die onderwijl den groet der binnengetredenen en ook van den heer van Brederode, die medegekomen was, ontvangen had, scheen zoo ontevreden over het  gedrag van zijn zoon, want hij ontving hem vriendelijk en zeide vroolijk: „Op mijn woord; Louis! indien gij mij uw voornemen gezegd hadt, dan zou ik ook naar Zandvoort zijn gereden om de grap te zien, maar hoe hebben uwe vrouw en hare jonkvrouwen zich gehouden?” – „O! Maria was niet bang, Heer vader! en evenwel heb ik haar goed nat gemaakt, ik verzeker het u.” – „Zij schijnt er dan beter te kunnen dan uwe moeder,” hernam de graaf lachend; „want deze heeft wel acht dagen zuur gezien, toen ik haar in zee gedragen had.” – „En ik was eerst bevreesd, dat de Fransche jonkvrouwen het ons nooti zouden vergeven, Heer oom!” zeide Guy de bastaard, „want zij gilden en klaagden luid, toen wij haar, evenals mijn neef Dunois zijne vrouw, in het water droegen; maar de vrede is reeds weer gemaakt en met een kus bezegeld.” – „O! zijn niet haatdragend,” riep de heer van Heenvliet en vervolgde zacht: „Ik wilde wel, Heer Graaf! dat gij mevrouw van Balatre eens gezien hadt; zij vluchtte langs het strand als een gejaagd hert, en toch was er niemand die haar vervolgde, of het wagen durfde, haar in zee te dragen, met gevaar om met zijn last te zinken.” Een algemeen gelach der heeren, die den graaf omringden, maakte de vrouwen, die zich met den gravin onderhielden, nieuwsgierig, en deze vroeg: „Wat wordt daar toch verteld?” – „Niets, Mevrouw! dat belangrijk genoeg is om u te zeggen,” antwoordde heer Guy lachend. – „Of, dat waard is om te lachen,” zeide Jaket, „een zot zou niet gek genoeg zijn, zich zoo vroeg in het jaar uit vermaak in de zee te laten dragen, maar liever als mevrouw van Balatre als een hert de vlucht nemen.” – „Behoudens den eerbied voor mevrouw van Balatre, is het hert zelfs een te edel dier, Jaket!” zeide de graaf lachend, „dan dat een zot zich er bij kan vergelijken.” – „Vergeef de verwaandheid van Jaket, Heer!” antwoordde deze, „ik weet wel, behoudens den eerbied voor de vrouwen, die hier zijn, dat de edellieden meer gelijken op een edel hert, dan uw arme zot.” – „Onze Jaket begint boos te worden, Heeren!” zeide de graaf en vervolgde: „Gij hebt evenwel niet wel gedaan, Louis! ons niets van uw voornemen te zeggen; en bovendien behoefdet gij, om eenige natte kleeren, zoo laat niet terug te komen.” De graaf van Dunois wilde antwoorden; doch de Heer van Brederode kwam hem voor en zeide: „Dat is mijne schuld, Heer Graaf! ik ontmoette uw zoon met zijn gezelschap te Zandvoort, en haalde hen over, om met mij mee te gaan; zij hebben in mijn huis gegeten; ik had u dit moeten laten zeggen, maar ik heb er niet aan gedacht. De straf over mijn verzuim is echter niet achtergebleven, en had ik geweten, ik had mijnheer van Dunois niet uitgenoodigd om met mij te gaan; want ik heb ondankbare gasten gehad: gij ziet in mij een gevangen man! Toen het oogenblik dr was, dat zij Brederode zouden verlaten, noodigden zij mij uit, om hen een eind weegs te brengen, en ik, goede man, gaf onnoozel toe en liet opzadelen. Ik vermoedde niets van het verraad, dat er broeide; toen ik bij Hooge Woerd afscheid wilde nemen en terugkeeren, nam men mij gevangen en voerde mij hierheen.” – „Ik verzoek onzen gastheer den gevangene streng te bewaken,” riep heer Guy lachend, „morgen zullen wij het losgeld bepalen; voor hedenavand blijft gij de gevangene van mijnheer van Dunois, die zorgen zal, dat u op staanden voet een beker warme wijn geworde, om het leed over uw ongeluk weg te drinken.” Heer Jan van Heemstede had reeds gezorgd, dat zijne te huis gekomen gasten bediend zouden worden; men dronk den eerste beker staande uit, en ging toen zitten. „Sire Jean Froissard,” zeide de graaf, „heeft ons, terwijl wij u wachten, een fraaie geschiedenis verteld, die de vrouwen heeft doen schreien. Gij moet u beklagen, dat gij deze gelegenheid verzuimd hebt, om een gedeelte der schoone kronieken te hooren, die hij schrijft; het is een rechtvaardige straf voor de ongerustheid, waarin gij ons verlaten hebt: maar er is vergiffenis voor elke zonde, en wij veroordeelden elkeen, die heden naar Zandvoort geweest is, mevrouw van Balatre niet uitgezonderd, om een beker te ledigen op de gezondheid van onzen Chroniqueuer.” Niemand verzette zich tegen dit vonnis, en terwijl heer Guy zijne dochter riep, en haar lachend ondervroeg naat hetgeen haar echtgenoot verricht had, maakte het geheele gezelschap zich gereed om den avond vroolijk door te brengen. Jan Froissard, opgewonden door de geestdrift, waarmede men hem gezondheid toedronk, beloofde nog niets te vertellen, om hen schadeloos te stellen voor het verhaal, dat zij niet gehoord hadden, en op verzoek van de gravin droeg hij de pastourelle voor, die hij op het huwelijk van mijnheer van Dunois met Marie van Berry gemaakt had.

908SR15.gif (1832 bytes)

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)