J.F. Oltmans (1806 – 1854)

GEDACHTENIS VAN EEN KLOEKMOEDIG UITGEVOERD BEVEL

De schrijftafel van prins Willem van Oranje

D.gif (7003 bytes)at is de laatste!” zeide een man, die in het midden der maand Mei van het jaar 1581, in het gewezen St. Aagten-klooster te Delft, aan een groote tafel zat, over welk een groen lakensch kleed tot op den grond nederhing. Het groot aantal brieven en papieren, welke geopend vr hem lagen, verried dat hij zich een geruimen tijd had moeten bezighouden met die stukken te lezen, en de toon zijner stem gaf te kennn, dat hij verheugd was, eindelijk de zegels van het laatste geschrift te kunnen losbreken.

Een man, in eenvoudig, doch deftig gewaad, en die aan de overzijde der tafel zich met stipte aandacht met het opstellen van eene of andere instructie of memorie bezighield, zag even op, toen de heldere stem van zijn overbuurman zijn ooren trof; doch toen hij dezen bezig zag met den nu geopenden brief te lezen, vervolgde hij ook, zonder iets te zeggen, zijne vorige bezigheid.

De man die las, en omstreeks vijftig jaren oud scheen te zijn, en van een meer dan middelbare lengte, zat in een ruimen armstoel; zijn lange tabbaard van zwart grein, met breeden rand van gepluisd fluweel van dezelfde kleur, liet op de borst de kleine gouddraden knoopjes onbedekt, welke zijne onderkleeding van donkerbruin laken gesloten hielden; de baard liep in een kleine, spitse punt te zamen, en sloot op den smallen, geplooiden witten halskraag; en een rond kapje van zwart fluweel, met kleine vlokjes, rustte op de grijze lokken. Het was prins Willem van Oranje, en de man, die tegenover hem zat, was zijn geheimschrijver.

Het scheen, dat de inhodu van het papier diepen indruk maakte op het gemoed van den vorst; want terwijl zijn voorhoofd rimpelde, drukte zijn levendig oog en zijn bruin gelaat de sterkste belangstelling uit, en misschien zonder het te weten, riep hij luid: „Huyghens!”

„Uwe Doorluchtigheid?” zeide de geheimschriver, de pen latende rusten; doch prins Willem sloeg geen acht op diens vragend gelaat, waarop schranderheid en mannelijke ernst te lezen stonden; waarom hij, na vergeefs naar een of ander woord van zijn meester gewacht te hebben, weder met schrijven voort ging, nu en dan echter met eenige bezorgdheid naar het papier ziende, hetwelk deze scheen te herlezen.

Eindelijk liet de prins de hand zakken, legde den brief vr zich neder zat een oogenblik in gedachten verdiept, doch riep plotseling luid en met drift: „Huyghens, een vader verlangt van mij zijn kind terug, en…… ik kan het hem niet wedergeven.”

„Zijn kind – van Uwe Doorluchtigheid! – hoe kan dat zijn? Indien de ramspoeden van den oorlog het hem hebben doen verliezen, hoe kan hij het van u terugvragen? het is een ongeluk……”

„Dat ons zelven getroffen heeft; o! ik weet het wel; mijn hart herinnert mij nog dagelijks mijn oudsten zoon, die men van mijne zijde heeft weggerukt, en wien men thans leert zijn vader te miskennen; maar God zij dank! wij roofden nooit een kind uit de armen van zijn vader, en toch heeft hij gelijk! Het verlangen om onze vijanden te vernederen, en de zaak der vrijheid in deze landen te doen zegevieren, voerde ons te ver; wij hebben meer beloofd dan wij houden kunnen, en ons hart treurt er om.”

„Uwe doorluchtigheid heeft misschien meer beloofd dan er nagekomen kan worden; maar nooit meer dan uw verlangen is om te doen, en onder Gods bijstand, kan er door u en door uwe vrienden veel verricht worden, vooral voor een onnoozel kind,” zeide Christiaan Huyghens, terwijl hij de pen nederlegde, en met deelneming zijn blik op het gelaat van den grooten staatsman vestigde, die thans voor een oogenblik de zorgen der regeering scheen ter zijde gezet te hebben, om zijn schrander brein alleen aan te wenden tot het beramen van een middel om een kind te redden.

„Indien uwe Doorluchtigheid het kon goedvinden, mij den schrijver van den brief te noemen,” zeide de geheimschrijver een oogenblik daarna, nieuwsgierig om de toedracht der zaak te weten, welke den vorst zoozeer ter harte ging, en of hij misschien een middel kon bedenken, om aadn diens verlegenheid een einde te maken.

„Zeker!” riep de prins, en gaf hem den brief over: „Ik vergat, mijn vriend! dat ik alln onderricht was, en evenwel ondervond ik meermalen de goede gevolgen van uw raad; lees maar.”

Toen Christiaan Huyghens het papier, na een aandachtige lezing, nederlegde, en zich aan zijne gedachten overgaf, vervolgde de prins met drift: „Hij heeft volkomen gelijk, die Willem Janszoon van Hoorn! Toen hij mij berichtte, dat de Spaansche gezant bij het Engelsche hof hem van ter zijde had doen te kennen geven, dat er veel geld te verdienen was, indien hij de Spaanschen behulpzaam wilde zijn in het bemachtigen van de eene of andere stad der gewesten, en in het bijzonder Vlissingen, gaf ik hem, zoowel als een Leenhouder, last, om in schijn het oor te leenen aan dezen verradelijken voorslag. Ik had hoop de vijanden met hunne eigen wapenen te vernielen, en te maken dat Don Bernardijn de Mendoza, door VAn Hoorn afgewezen wordende, misschien niet bij een ander, tot ongeluk van de brave burgerij dezer stad, voor zijn goud een beter gehoor zou vinden. Hij toch zou de eerste verrader niet geweest zijn, die onverzadlijk in het geldvragen was, en daarom vorderde hij van tijd tot tijd eenig voorschot, om geene achterdocht te geven, en den vijand zooveel mogelijk te schaden. Eindelijk zeide hij, verscheidene duizenden kronen noodig te hebben, om eenige lieden te Vlissingen om te koopen; doch De Mendoza maakte zwarigheid deze aanzienlijke som af te geven, tenzij Van Hoorn zijn oudste zoontje, dat bij hem op het schip was, in pand voor de oprechtheid zijner handelingen. De vader aarzelde natuurlijk, en berichtte mij het geval; de hoop om de vijand te Vlissingen ion zijn eigen net te lokken, ging verloren, indien er van den aanslag niets kwam. De ijver voor de goede zaak dreef mij te ver: ik trachtte Van Hoorn te bewegen aan dit verlangen van De Mendoza te voldoen, en beloofde hem, het kind, door bemiddeling van de koningin, te zullen verlossen, zelfs als de vijand reeds had ingezien, dat hij bedrogen was, en zijn geld, schepen en soldaten verloren had, en…… het kind werd overgeleverd. Doch nu het oogenblik nadert, dat tot den aanslag bestemd is, wordt de vader ongerust; hij ziet in de schriftelijke belofte van De Mendoza, om zijn zoontje niet buiten Engeland te voeren, een zwakke geruststelling voor zijne vrees; zijn vaderhart verwijt hem nu, meer voor den dienst van zijn vaderland gedaan te hebben dan hij schuldig was of vermocht; hij vraagt zijn kind terug, en durft niet meer vertrouwen, dat ik intijds bij de koningin de vrijstelling van het kind zal kunnen verkrijgen. „De Mendoza voedt,” zegt hij, „reeds eenigen argwaan,” en wie zal het kind terugvinden, als men het vervoert, of den Spanjaard dwingen om het weder te voorschijn te brengen?”

„Het komt mij voor, dat Van Hoorn bedaard den loop der gebeurtenissen moest afwachten,,” zeide Huyghens, toen de prins zweeg: „het gevaar, dat hij loopt om zijn kind te verliezen, had hij te voren in overweging moeten nemen, en hij overdrijft het: de voorspraak van Uwe Doorluchtigheid zal wel zooveel op het vrouwelijk gemoed van Engeland’s koningin vermogen, dat het jongetje geen leed geschieden zal.”

„De vader is bevreesd van neen,” hernam de prins, „en ik reken zelf zooveel niet meer op mijn invloed, als in den tijd toen ik Van Hoorn geruststelde. Als de Spanjaard zich bedrogen ziet, zal hij het onderpand niet zoo gewillig afgeven, en Elisabeth, om geen schijn te geven van de hand in deze misleiding gehad te hebben, zal hem er niet toe willen dwingen.”

„Maar als uwe Doorluchtigheid de koningin reeds nu verzocht om het kind aan den vader weder te geven? De Mendoza zal nu minder grond kunnen vinden, om een verzoek der vorstin van de hand te wijzen, en het is in veiligheid, als de Spanjaard bemerkt, dat men hem om den tuin geleid heeft.”

„Alsof het terugvorderen van den jongen hem de oogen niet zou openen!” riep de prins. „Neen, Huyghens! als ik dien stap doe, beneem ik mij zelven de gelegenheid om Parma een gevoelige neep toe te brengen; van hun aanslag komt dan niets, en het voorschot moet zelfs worden teruggeven.”

„En indien de koningin verzocht werd om op denzelfden dag, dat zij Vlissingen denken te vermeesteren, de invrijheidstelling van het kind te vorderen?”

„Dan ware het gered, en de Spanjaarden zouden tevergeefs moeite doen, om zich op het ongelukkig in pand gestelde jongetje te wreken,” zeide de prins, waarna hij eenige oogenblikken zweeg, en toen, met het hoofd schuddende, vervolgde: „Maar het Engelsche hof zou zeker te weinig belang stellen in deze zaak; het zou niet zoo terstond aan mijn verlangen voldoen. om op denzelfden dag nog de Mendoza te dwingen zijn onderpand af te geven. Gij begrijpt licht, dat, als ik nu reeds schrijf, of iemand naar Engeland zend, met last om vr den bestemden dag de bescherming van Hare Majesteit in te roepen, de Spanjaard er van verwittigd zal worden „want het goud levert hem gemakkelijk den sleutel tot het geheim dezer onderhandeling. Nu iets te doen, is te vroeg; wij zouden de geheele onderneming op niets doen uitloopen: en, als het oogenblik dr is, is het misschien te laat om het kind te behouden.”

Een geruimen tijd bewaarden beiden het stilzwijgen. Tevergeefs zocht de prins, die het belang van het vaderland met de wenschen van den vader en die van zijn eigen hart zocht te paren, naar een middel, om aan beiden te voldoen; ook de heer Huyghens zocht tevergeefs naar een uitweg in deze moeielijke zaak. Eindelijk zeide hij: „Waarlijk, Uwe Doorluchtigheid! ik zie niet, hoe gij den vader met zekerheid zult kunnen geruststellen, of iets doen voor het kind, zonder den aanslag te doen opgeven.”

De prins bracht de hand aan het voorhoofd, en liet den elleboog op de tafel rusten; hij antwoordde niet op het gezegde van den geheimschrijver, die de pen weder opnam, en niet durfde hopen, dat zijn meester een middel zou weten uit te denken, om den kleinen Niklaas te redden, niettegenstaande het hem zeer goed bekend was, was het doordringend brein van de prins vermocht.

„Huyghens! ik heb het gevonden,” riep prins Willem plotseling, terwijl zijn gelaat grootte blijdschap uitdrukte.

„En dat is?” vroeg de geheimschrijver, de pen weder nederleggende, met belangstelling.

„Denzelfden dag, dat de Spaansche schepen Vlissingen binnenloopen, wordt de jongen te Londen aan De Mendoza ontroofd…… Gelooft gij dat dit onuitvoerbaar is, wat denkt gij er van?”

„Ik vrees, dat de Spanjaard op zijne hoed zal zijn; en geweld tegen den gazant te gebruiken – bedenk, Uwe Doorluchtigheid!”

„Geweld! zeg liever list, mijn vriend! Het eerste, neen! dat zou de koningin niet kunnen goedvinden; maar zij zal niets zeggen, als men den Spanjaard behendig het kind ontneemt. Het gevaarlijkste zal zijn om iemand te vinden, die zich wil en kan belasten met de uitvoering; het vereischt een grooten graad van stoutheid en vernuft; het moet iemand zijn……”

„Die, als het nood is, niet terugwijkt voor het blinken van een Spaansch rapier, bedoelt Uwe Doorluchtigheid?”

„Juist! en die ook, zoo het noodig was, in staat is, om in mijn naam bij de koningin voor het kind te spreken, en hem met woorden te verdedigen tegen De Mendoze, verstaat gij, Huyghens? Doch, waar vind ik zoo iemand? Wie heeft bekwaamheid genoeg om mij te kunnen dienen; wie weet op rechten prijs te stellen, hoe groot een dienst hij mij in het bijzonder bewijzen zal?”

„Het is zoo……” zeide de geheimschrijver, toen de prins zweeg, en zijne vorige opgeruimdheid weder van zijn gelaat verdween, en voor bezorgdheid plaats maakte; doch eensklaps riep Huyghens met luide stem: „Ik zie niet in, wien Uwe Doorluchtigheid beter zou kunnen belasten met deze taak dan mij!”

„Dan u, Huyghens!” riep de Prins verwonderd; „maar bedenk, mijne trouwe vriend! het gevaar, dat er aan verbonden is. De Spanjaards zijn wraakzuchtig; de wetten van het Engelsche volk, die gij niet kunt inroepen om het kind te schaken, zouden u dus ook niet kunnen beschermen op het oogenblik van de daad zelve, en ik mag uw leven, dat voor anderen zoo nuttig is, niet wagen, om een kind van een gevaar, dat nog niet dadelijk bestaat, te bevrijden. Heb ik of heeft de vader misdaan, gij moogt daarvoor uw leven niet wagen.”

„O ja, mijn vorst!” zeide Huyghens met geestdrift, „ik mag mijn leven wagen voor mijn vaderland. Door te zorgen, dat de vijand neit te vroeg gestoord worde in zijn goed vertrouwen om Vlissingen te vermeesteren, zal ik het meer dienst doen dan door het, met het musket in de hand, in het veld te dienen: en waarom zou ik dit niet mogen doen? Zal het niet een streelende gewaarwording voor mij zijn, als ik het knaapje gered heb, als de dankbare vader mij zijn vreugd te danken heeft? Is het mij niet geoorloofd Uwe Doorluchtigheid een bewijs te geven van mijne verknochtheid, een van die vele zorgen, die u drukken, op mijne schouders te laden? ziet mijn goede meester dan niet in, hoezeer het mij grieven zou, mij goeden wil door u niet te zien tellen; een ander te zien belasten met een dienst, welken ik zoo gaarne zelf bewijzen wilde?”

„En waarvoor niemand beter geschikt is, ik weet het, mijn vriend! maar het kan niet; ik dank u, Huyghens! want uw bijstand is mij hier noodiger dan……”

„O! ik kom spoedig terug!” riep de geheimschrijver; „Bruynings kan in mijn afzijn immers gemakkelijk mijne plaats vervullen……”

„Huyghens!” zeide de prins; doch deze vervolgde zonder op het hoofdschudden van den vorst acht te geven: „Indien Uwe Doorluchtigheid mij niet bedroeven wil, indien mijne pogingen om uw trouw en ijverig te dienen, niet geheel onvoldoende geweest zijn, en ik niet onwaardig gekeurd word, dat uwe keuze op mij valt, dat zult gij mij niet verhinderen om te gaan.”

De prins zweeg; doch toen Huyghens nogmaals sprak en zeide: „Ik dacht Uwe Doorluchtigheid goed gediend te hebben; doch ik bedroog mij, en uwe weigering bewijst het mij helaas!” toen stak zijn meester hem de hand toe, drukte de zijne hartelijk en riep met geesdrift, terwijl het gelaat van den geheimschrijver van geluk schitterde: „Neen, mijn trouwe vriend! ik weiger niet langer, en sta u toe om te gaan.”

Eenige dagen later nam Huyghens zijn afscheid van den prins, en ontving toen de brieven voor den gezagvoerder van ’s lands vloot in Zeeland en voor eenige voorname heeren in Engeland. Op het oogenblik dat hij, bij het uitgaan, zich voor den vorst boog, stiet hij tegen het koord van het gewicht, dat tot het toehalen der kamerdeur diende.

„Huyghens! Huyghens!” zeide de prins lachend, „dat is een waarschuwend voorteeken, dat gij u deze zaak voor de koortd moet wachten.”

„Dat kan niet zijn, Doorluchtigheid!” hernam Huyghens vroolijk: „de Spanjaard krijft mij niet levend. Uw geheimschrijver draagt niet tevergeefs een degen, en de koningin zou mij toch de bijl wel gunnen, want ik ben een edelman; maar,” vervolgde hij lachend en trok aan de lijn, „wellicht schenkt zij mij wel een koord van zijde en goud, en hangt er haar afbeeldsel aan, en dan wil ik het voorteeken wel aannemen.” Dit zeggende boog hij zich nogmaals, terwijl de prins hem met de hand groette, en de deur viel achter hem toe.

908SR15.gif (1832 bytes)

De herberg „de Admiraal” was in de laatste helft der zestiende eeuw de gewone verzamelplaats der Franschen, die om deze of gene reden hun vaderland verlaten hadden, en zich in Londen ophielden. Sommigen namen er hun intrek; want men gaf ook nachtverblijf in deze in het middelste gedeelte der stad gelegen herberg, waar de uitgewekenen gewoon waren naar de wijze huns lands te leven.

De bewoner van een klein vertrek, dat het licht door een raam in den voorgevel ontving, zat nog eenige oogenblikken in gedachten verzonken aan de tafel, nadat degene, die hem zoo even verlaten had, reeds de trap was afgeklommen, en door het voorhuis de herberg verlaten had; doch nu stond hij plotseling op, en riep, terwijl hij met verhaasten tred het vertrek op en neder stapte: „Welnu! als niemand iets voor mij doen kan of durft ondernemen, dan zult gij mij bijstaan!”

Hij hoorde niet, dat iemand de deur opende, terwijl hij deze woorden uitte; doch hij zag snel om, toen de binnentredende, verwonderd, in het Fransch uitriep: „Bravo!, bravo La Chapelle! maar, wat duivel! pruttelt gij toch? met wien hebt gij het te kwaad?”

„Ha! zijt gij het, Mijnheer De La Brette?” klonk het antwoord, in denzelfden tongval van den verraste, die tevergeefs zijn misnoegen zocht te verbergen, en de greep van zijn degen losliet, die hij omvat had, toen hij nog alleen was.

„Gelijk gij ziet, Mijnheer La Chapelle!” zeide deze, op het woord Mijnheer drukkende, wierp de deur dicht, en ging zonder eenige plichtplegingen, op zijn gemak in een wijden armstoel zitten. Zijne kleeding was eenigzins haveloos, en zijn halskraag scheen meer dan een dag gedragen te zijn; doch de stalen greep van zijn degen en het heft van den kleinen dolk, dien hij droeg, schitterden als een geslepen diamant; de hoed met lange vederen stond scheef op zijne haarlokken, en hij riep lachend, terwijl hij den langen knevel opstreek: „Nog eens, bravo! neem de hand maar niet van het gevest; ik ben niet bang voor een goed wapen; waarlijk, ik bewonderde uwe houding! maar tegen wien hebt gij het? Is het uur bepaald, wanneer? zeg! ik ga mede, het spreekt vanzelf; hoeveel getuigen moet gij hebben? Een half dozijn hoop ik, anders is het niet de moeite waard, laat het maar aan mij over; ik zal flinke jongens uitzoeken, nu……?”

„Niets van dat alles,” viel La Chapelle hem eindelijk verstoord in de rede, „ik vecht niet, heb geen getuigen noodig, en bedank u voor het aanbod van uw gezelschap.”

„Gij vecht niet? Sang Dieu! ik zie het wel!” zeide de jonge man geraakt die al het uiterlijke van een vechter van beroep had; „maar gij zegt niet, dat gij niet zult moeten vechten. Mijnheer La Chapelle! het is mij ook onverschillig, of ik haast iemand of tegenover hem sta, als alles maar naar den regel gaat; ik dacht dat mijn aanbod welkom zou wezen; maar……”

„Maar ik denk, Mijnheer! dat gij geen recht hebt om den voet in dit vertrek te zetten, als het mij niet gelegen kom, en verzoek……”

„Is dat een uitdaging, Mijnheer?” vroeg de andere, terwijl hij opstond en zijn hoed vast op het hoofd drukte: „bepaal tijd en plaats, en……”

„Ja, – het is goed – het scheelt mij weinig,” riep La Chapelle, wiens stem of gelaat niet de minste drift meer verried, en hij wierp zich op een stoel neder en liet het hoofd neerslachtig op de borst hangen.

Een oogenblik beschouwde De La Brette hem aandachtig, en zette zich weer neder vriendelijk zeggende: „Vervloekt! hoe kan ik zoo mal zijn, niet waar, La Chapelle! gij denkt er niet meer aan om mij de deur te wijzen? Ik dacht, ik kon immers niet minder doen, dan u mijne hulp aanbieden. Gij kondt slechter kiezen; maar gij zijt niet uitgedaagd, wat ik zoo spoedig niet begreep; nu, zeg mij, wat scheelt er aan?” vroeg hij goedaardig, wachtte tevergeefs een antwoord, en riep toen: „Ha! vader La Fontaine is weder hier geweest; wat bemoeit gij u toch met dien goeden sukkel? is dat een goed gezelschap voor iemand, die in Frankrijk zijn man heeft nedergelegd; ga met andere jongens om……”

„De goede leeraar bracht mij een onaangename tijding, De La Brette!” zeide La Chapelle, het hoofd oplichtende.

„Bracht hij er ooit een goede aan iemand, die niets liever ziet dan een gevuld glas, een ontbloote kling en een paar schoone oogen? want die drie dingen beloven geluk, ha! ha!”

La Chapelle schudde moedeloos het hoofd; tevergeefs trachtte De La Brette diens gelaat te doen opklaren. Toen zeide hij: „Tte Dieu! dat moet wel een nare tijding geweest zijn; maar, zeg eens, vriend! hapert het u hier ook?” en hij haalde een lange beurs te voorschijn, die hij verstoord op de tafel, wierp, zonder dat zulks meer klank gaf, dan het vallen van de sneeuw op het veld: „Van even weinig waarde als het vel van een afgestroope aal! ware zij langer, een ongeloovige zou ze nog als een zijden strop gebruiken kunnen, doch nu niet; het is een schede zonder lemmer er in, ik kan u niet bijspringen: als geldgebrek…… Gij schudt het hoofd? ha! dan is het niets, als de beurs gevuld is. Maar, verduiveld! kunt gij niet meer spreken? komaan! een goede dronk maakt de tong los, en mijne keel is droog; onder uw goedvinden dus……”

„Heidaar! een kan bier met twee bekers, voor mijnheer La Chapelle,” riep hij, de deur opgengedaan hebbende; „best bier!” schreewde hij nog na, en vervolgde zacht, terwijl hij de deur dicht deed: „Niet waar, dat was immers uwe bedoeling?” Hij scheen vergeten te hebben, dat zijn vriend geen teeken van goed- of afkeuring gegeven had.

Indien men niet gehoord had, dat hij uit naam van La Chapelle den drank geischt had, zou men aan zijne bestellingen, toen de meid met het gevraagde bovenkwam, gedacht hebben, dat hij het gelag zou betalen, en hij riep haar nog na: „Als die luiaard te huis komt, zeg hem dan, dat hij zijn meester en mij terstond komt bedienen.”

„Dat moest best heeten; nu! wat zal op het laatst slecht zijn? Jammer dat de wijn hier zoo duur is, en evenwel had ik maar beter gedaan…… Drink toch eens, La Chapelle!…… Zoo! maar zeg, wat scheelt er aan? heeft men u beleedigd……? Neen? kan een goede degen u helpen? hier heb ik er een, met een goede en krachtige vuist; beschik er maar over. Nu? Niet! dat ook niet? En evenwel streeldet gij toch straks dat zwarte gevest, dit ik liever glad zou dragen; weet gij waarom……? doch gij hoort niet, drink dan ten minste, ik zelf……”

„Ha! zijt gij daar, Toon de luiaard!” riep hij, zich moeite gevende, om Fransch met een Duitsch accent te spreken, nadat hij omgezien had: want hij had zijn rede gestaakt, toen de deur openging. Een breedgeschouderd man, die groot was, en sterk scheen te zijn, sloot nu onvergenoegd mompelend het vertrek; „zie eens aan! wat praat hij toch? Ik geloof waarlijk, dat mijnheer Antonie het kwalijk neemt, als men met zijn spreken den gek steekt.”

„Het is daarom, Mijnheer! dat ik, verleden week, den knecht van den graaf de Morbeuf, die mij in de keuken bespotte, eens wakker afgerost heb,” zeide de knecht gemelijk in slecht Fransch.

Sang-Dieu!” wat meent gij daarmede? riep De La Brette, opstuivende.

„Dat ik niet bespot wil worden,” was het stroeve antwoord.

„Gemeene kerel! Gij verstout u dus om……”

„Om de knechts in de keuken te slaan, en……” hier zag La Chapelle op, en hij vervolgde beleefd naar de tafel trendende, terwijl hij zijne stem als door een tooverslag veranderde, „en ik kom hier, om mijn meester, en mijnheer De La Brette te bedienen.”

„Ha! dat is wat anders,” zeide deze, de kan nederzettende, die hij hoog opgeheven had, om ze den lompen knecht naar het hoofd te werpen; ook zijn gelaat en zijne houding veranderden even snel als die van den hond, welke in den naderenden persoon eindelijk een vriend ontdekt. „Schenk maar, jongen, dat is te zeggen, mij; want mijn vriend…… Maar zeg, weet gij wel, dat ik u bewonderd heb; Gij stondt goed; alleen was uwe borst te veel bloot, dat is gevaarlijk, ik ben wt, als ik niet dacht een oud piekenier vr mij  te zien; zoo schenk maar vol, mijn jongen! en let op; tracht de vloeken te onthouden, die ik gewoonlijk gebruik, en het zal u veel gemakkelijker vallen, u in het Fransch uit te drukken.”

„Seor Sevdra verlangt mijnheer De La Brette te spreken,” zeide de meid, de deur openende.

„Savedra? Dat behoeft hij niet te zien, hij zou denken……” mompelde deze, terwijl hij de beurs wegstak, en riep weder luid: „Laat maar bovenkomen.”

„Hier niet!” zeide La Chapelle snel.

„Niet?” vroeg de andere, „en waarom niet? Mort-Dieu! gij ontvangt gaarne gezelschap, mij……”

„Het is immers de kamerdienaar van Don Bernardijn, dien wij laatst voor het huis op de plaats zagen zitten, en die u groette,” viel La Chapelle hem in de rede.

„Juist! een meester met de kling, en een speler……”

„Ik wil hem hier niet zien,” zeide La Chapelle kortaf; „ik ben er niet op gesteld zijne kennis te maken.”

„Jammer genoeg! hij had mij deze kan bier kunnen helpen uitdrinken; maar het is wl; gij zijt hier op uw grondgebied; tot straks dan!” en hij volgde de meid, die reeds de trap afging.

Een oogenblik daarna kwam hij terug, juist toen Antonie scheen geantwoord te hebben op iets, dat zijn meester gevraagd had. Hij zette zich weder neder, zag beiden aan, en zeide toen: „Is het gedaan? want ziet, gij kunt gerust spreken, waar ik bij ben, vooral als de heer de taal van den knecht spreekt. Nu, nu, La Chapelle! kijk maar niet verstoord; ik ben in een goede luim, en kan veel verdragen van u. Ho, ho! het is goed, dat ik op honderd passen afstands zien kan, hoe iemand zich gedragen zal, als er geroepen wordt: „Vooruit, mijne heeren!” evenals een goede jachthond, die op dien afstand het wild kan ruiken; want, waarlijk! anders zou ik moeten denken, dat gij den Spanjaard ontweekt, omdatik u zoo iets van zijne handigheid met den degen gezegd had.”

„De La Brette!” zeide La Chapelle.

„Ik zeg immers, dat ik u voor een dapper edelman houd, ofschoon ik nooit…… Maar ik praat weer voort, en ik hinder u,” riep hij, plotseling van toon verandernde, terwijl hij haastig opstond, naar La Chapelle trad, en dezen hartelijk de hand schuddende, zeide: „Ik heb niets voor u dan dezen arm en dezen degen, en zij zijn beide tot uw dienst: waarlijk, dat zijn zij! ik verdien uw vertrouwen niet, zooals gij denkt; en echter…… maar ik dring mij niet op, en ga heen: hebt gij mij noodig, waar of wanneer het ook zij, zeg dan maar: „De La Brette! dit of dat, en ik zal er wezen” ”

La Chapelle hield de hand van den jongeling vast; zijn vorschend oog beschouwde een oogenblik het vriendelijk gelaat van dezen, dat zich meenstentijds vergeefsche moeite gaf, om de norsche trekken van een voorvechter naar te bootsen; en hij zeide ernstig: „Ene vraag, De La Brette! en laat deze u niet beledigen: het geldt mijn leven, meer dan mij het leven waard is: gij zijt nog jong en onbezonnen; kunt gij zwijgen?”

„Ja!” was het korte, doch vaste antwoord. Toen vervolgde La Chapelle: „en gij wilt dus op den bijbel zweren, dat al wat ik u zeggen zal……”

„Geheim zal blijven! dat zweer ik om mijn woord van eer, en bij mijn degen,” riep de andere, en vervolgde: „Dat is mijn gewone eede, ik ken er geen sterker; want, ziet gij, mijne kling ken ik, er is niet ne fout aan; en den bijbel heb ik nooit gelezen, dus……”

„Het is mij genoeg; zet u neder,” zeide La Chapelle haastig, en toen hij zag, dat De La Brette in de bierkan zag, vervolgde hij: „Ik zal wijn laten bovenkomen.” En Anthonie vertrok op een wenk van zijn meester.

„Zoodat mijnheer La Chapelle dan niemand anders is, dan mijnheer Huyghens,” zeide De La Brette eindelijk, na met belangstelling naar het verhaal van dezen geluisterd te hebben; „aan de eende zijde spiht het mij; want zie, gij gaaft voor, Frankrijk verlaten te hebben om het geloof, doch ook nog om een andere reden. Daar het nu juist trof, dat ik den aftocht geblazen heb, omdat de spelbrekers van het gerecht mij te lijf wilden, omdat ik in ne week twee snaken had nedergelegd, die de zotheid hadden mijn degen met de borst te pareeren, zoo deelden wij in n lot; het spijt mij, maar het is niet anders; en ik zal u toonen, dat gij mijne hulp niet vergeefs hebt ingeroepen. Doch zeg mij nu ook, Heer Geheimschrijver! Wie die man is, die dr staat, alsof hij aan de deur van de Koningin stond.”

„Het is Antonie Vermeeren, n der hellebaardiers van den Prins, die hem mij heeft aanbevolen als een man van groooten moed en vertrouwen, en die schier even goed Spaansch en Engelsch als Fransch spreekt.”

„Ho! mijn dappere hellebaardier! het verheugd mij kennis met u te maken; zet u, komaan! geen plichtplegingen, niet waar, La Chapelle! ik wil zeggen Huyghens!…… par une dague! wat is dat moeilijk? Neem een stoel, jongen! zoo, geef mij de hand; ha, ha! ik twijfelde er al aan, ik ben niet trotsch: gij moet een stevige hand hebben, en straks…… Doch laat ons eerst drinken; laat mij eens schenken! dat is de beker voor mijn vriend, „Weg met het bier, dat moet met wijn gedronken worden: Mijnheer Huyghens! Mijnheer Ver…… Ver…… de hellebaardier! dat is beter! ik drink op de gezondheid van den Prins; lang moge hij leven!” ”

Hoog hief hij den beker op, even zoo deden Huyghens en de hellebaardier. „En nu verder!” zeide De La Brette, nadat zij gedronken hadden.

„Gij weet, hoe ik hier gekomen ben,” zeide Huyghens, „ik had met Zijne Doorluchtigheid afgesproken, mij voor een Franschman, en hem voor mijn knecht uit te geven; dit kwam ons het voorzichtigste voor. Ik nam dadelijk La Fontaine, dien ik hier bij een ieder hoorde prijzen, in den arm, en ondekte hem, wie ik was.”

„Een dom stuk; waarom mij niet?” zeide De La Brette; „gij hebt wel gezien, dat ik, dewijl ik hier het langst te huis gelegen heb, en de gewoonte heb om alle geschil dadelijk met de kling af te doen, als het ware de eerste persoon ben; ook stelde ik u aan mijne vrienden en landgenooten voor; dus……”

„Het is waar; maar ik kende u toen nog zoo weinig, en……”

„Spreek vrij op; gij hebt immers beloofd niets te verzwijgen! dat was de afspraak.”

„Later misschien!” zeide Huyghens ernstig, „als wij alleen zijn; nu niet.”

„O, de hellebaardier is niet te veel, zeg maar op!”

„Nu, gij wilt het: ik kende u nog niet, en…… ik hield u voor een van die pesten der maatschappij, die, om een enkel woord of enkelen blik, het bloed van hun evenmensch vergieten; die gevaarlijker zijn dan de booswicht, die zijn wapen veil heeft voor geld……”

„Verdoemd!”

„Een oogenblik, De La Brette! gij hebt gewild; die, het eene bij het andere parende, al spoedig een handwerk of een broodwinning maken van hunne ongelukkige bekwaamheid……”

„Huyghens!” zeide de jongeling, geheel ontmoedigd het hoofd latende hangen; de drift bezielde zijn oog niet meer, dat neergeslagen was; voor het eerst zag het misschien de greep aan zijn rapier, zonder er met welgevallen op te staren.

„Doch ik deed u onrecht,” vervolgde Huyghens snel; „ik zag spoedig dat de goede eigenschappen van uw hart nog leefden onder de ondeugden, welke het in slecht gezelschap had aangenomen; ik leerde u achten en beklagen; bewijst het mijn omgang niet met u? is het vertrouwen, dat ik in u stel, er niet het beste bewijs van……? De La Brette! wilt gij mijn vriend zijn?”

„Ik hoop het te worden,” antwoordde deze, na eenige oogenblikken zwijgens, en drukte Huyghens de hand, waarna deze vervolgde: „La Fontaine bracht mij al spoedig bericht, dat het kind zich nog hier bevindt, en bezorgde mij een mondgesprek met den geheimschrijver van de Koningin. Doch nadat Walsingham den brief, welken de Prins mij had medegegeven, gelezen had, zeide hij mij al dadelijk, dat hij mij moest raden, geen geweld te gebruiken, dat zijne gebiedster dit niet zou kunnen gedoogen; dat het volstrekt onraadzaam was, hare bemiddeling te verzoeken: doch dat hij evenwel zorg zou dragen, dat het kind niet heimelijk vervoerd werd, daar hij van alles wat er bij den gezant gebeurt, onderricht wordt. Hierbij, en bij de belofte om mij te beschermen, als het mij gelukte om den jongen uit het huis van Don Bernardijn de Mendoza te verlossen, is de hoop van die zijde ook gebleven. Het bericht dat het gevaarlijk zou zijn om te trachten een der bedienden om te koopen was schier onnoodig; en de toegang, welken zijn bevel mij tot een kerkje in de nabuurschap van het huis des gezants gegeven heeft, heeft mij slechts overtuigd, dat er geen middel is, dan het kind langs den gewonen weg te redden. De tijd nadert: aanstaanden Vrijdag komen de Spanjaarden te Vlissingen; het kind kan niet vroeger in het belang van des Prinsen bedoelingen, en niet later voor zijne eigene veiligheid verlost worden, en het is reeds Woensdag. De tijd nadert, ik ben nog niets gevorderd; ik ben zonder hoop, en zal mijne toevlucht tot geweld nemen.”

Sang-Dieu! dat is een verstandig besluit!” zeide De La Brette, „er is niets beters; wij zijn zoo bang niet voor den gezant, als mijnheer Walsingham; gold het een weddenschap, dan nam ik aan om Don Bernardijn, als hij uit de koets treedt, eenige haren uit zijn baard te trekken, ha! ha!”

„Maar het geldt het kind! en ofschoon ik er dikwijls kinderen op de plaats vr het huis heb zien spelen, heb ik het nog nooit gezien; zij behooren aan den gezant of zijne bedienden; hunne donkere haaren en oogen komen weinig overeen met de blonde haren en blauwe oogen van onzen kleinen Niklaas Willemszoon, die volgens Walsingham, door dien Savedra verzorgd en bewaakt wordt.”

„Ha! door Seor Savedra? steelt die kinderen ook? ik dacht dat hij alleen maar de menschen uitplunderde; ha! nu weet ik, waarom gij hem hier niet wildet zien. Maar, ja! ik geloof, dat hij mij wel eens geklaagd heeft over de zorg, welke hem een knaap baarde, dien Don Bernardijn tot zich had genomen.”

„Dat is het kind, dat ik zoek, en voor hetwelk ik uw bijstand verzoek. Indien gij het mij helpt redden, zal ik er u eeuwig dankbaar voor zijn.”

„Ik zal er mijn vermaakt in stellen, en indien de staat mijner geldmiddelen het toe liet om met Savedra……”

„Maar het spreekt immers vanzelf, dat dit mij aangaat; Zijne Doorluchtigheid……”

„Doet de dingen op een nobelen voet, wilt gij zeggen; welnu! daar is mijne arme beurs; vul ze, en ik zal den Spanjaard…… Maar ik geloof, dat het tijd is om te gaan eten, Mijnheer Huyghens!…… ik wil zeggen: La Chapelle! Dezen avond spreken wij nader. Komaan, mijn brave hellebaardier! volg ons!”

908SR15.gif (1832 bytes)

De dag, waarop de Spanjaarden te Vlissingen verwacht werden, was eindelijk dr, en reeds vroeg in den morgen zaten Huyghens met De La Brette en Antonie weder bij elkander; hunne houding en hun gelaat verrieden, dat zij iets gingen ondernemen, dat moeielijk en gevaarlijk was; zelfs De La Brette was deftiger dan anders, en Huyghens, die het laatst was binnengekomen, zeide: „De goede leeraar was verwonderd, mij vroeger te zien dan hij verwachtte, doch niet meer, toen ik hem zeide, dat gij gisteren van Savedra hadt vernomen, dat hij morgen vroeg uit de stad moet, om den knaap naar elders te brengen; doch dat gij ook niet meer van hem hebt kunnen vernemen, zonder onvoorzichtig te zijn.”

„Die duivelsche Spanjaard wil wel drinken als een ander betaalt; maar hij weegt elk woord, vrdat hij spreekt; indien hij even langzaam was in een gevecht dan……”

„La Fontaine zal er den heer Walsingham bericht van geven,” zeide Huyghens, om deze uitweiding af te breken, „en hem aan het paspoort en de bescherming van het vaartuig herinneren, welk een en ander hij mij beloofd heeft. Hebt gij ook het uur bepaald, wanneer gij terug zoudt komen, Antonie! Toen gij gisteren dat speelgoed aan de kinderen van Don Bernardijn en de overigen verkocht?”

„Neen, Mijnheer, maar wel, dat ik na den middag zou komen; zij verwachtten nog veel meer en fraaier aardigheden te zien, en  zelfs de Spaansche lakeien en knechts hielden mij voor een reizenden Duitschen koopman.”

„Het kan niet beter! misschien gelukt het u nog wel om het kind aan de deur te lokken, en zoo dat niet kan……”

„Dan neem ik maar een van die kleine Spaansche Dons mede; ofschoon de oudste zoon van den gezant nogal van gewicht is, Mijnheer!”

„Komaan! dat zal wel gaan,” zeide De La Brette; „waarlijk, Huyghens! het is het beste: de Koningin zelve zal er om lachen, als het gelukt; wie kan het helpen, dat de hellebaardier het verkeerde kind neemt?”

„Als het gelukt, dan…… Doch het is reeds bepaald; ik zie zelf in, dat het niet anders kan, en wat mij zelven betreft, ben ik op alles voorbereid; maar Zijne Doorluchtigheid zou niet gaarne zien, dat hier iets gebeurde, waarover men zich onvergenoegd zoud kunnen toonen.”

„Wilt gij dan liever met mij bij Seor Savedra een bezoek afleggen, als wij hem hedenavond te huis brengen, hem binden en den mond stoppen, als wij op zijne kamer zijn, en dan het kind verlossen?”

„Neen, beste De La Brette! gij weet, dit middel, waarmede gij zooveel op hebt, bevalt mij niet; het huis is te sterk bewoond: ik wanhoop nog niet, of Antonie zal met het speelgoed meer uitrichten, dan wij door geweld; ja, ik weet reeds, wat gij zeggen wilt. Zoodra gij dan het kind, welk dan ook, in handen hebt, Antonie! zet gij het op een loopen, terwijl ik zal zorgen in uwe nabijheid te zijn; dan loopt gij zoo snel mogelijk naar het huis, waarvan de gang, die in de achterstraat uitkomt, zal openstaan, en hier bergen wij ons in het huis, hetwelk La Fontaine ons heeft aangewezen als een veilige wijkplaats, gereed om ons te ontvangen.”

„Ja, dat zal alles gemakkelijk gaan,” zeide de hellebaardier, toen De La Brette uitriep: „Nu moet ik nog de les opzeggen: Ha! gij behoeft niet bezorgd te zijn, wat er in die straat gebeuren zal, want de Spanjaarden zullen niet eens den voet in de gang zetten: de zes vrienden, die ik heden op het middagmaal genoodigd heb in de herberg, waar onze hellebaardier zoo dikwijls op het huis van den gezant heeft zitten loeren, zullen dit wel beletten. Zij weten van niets, dan dat er wat voor het mes en te drinken zal zijn: maar het zijn allen jongens, die ofschoon wij goed gedaan hebben hun niets te zeggen, nimmer een ontblooten kling kunnen zien, zonder ook van leer te trekken. Maar ik zal zorgen, dat alles uiterst vreedzaam toegaat; het is jammer, maar het is nu eenmaal uw verlangen.”

„O, ja!” zeide Huyghens, „en ik hoop, dat Savedra, die hedenmiddag in „de Arend” zal komen om met u te spelen, maar niet ongeduldig wordt als gij niet komt; en evenwel is uwe tegenwoordigheid in onze nabijheid zoo noodzakelijk.”

„Wel zeker! wie zou mijne tafelvrienden anders op het juiste oogenblik aanvoeren? En bovendien, ik zal het genoegen, bij de grap tegenwoordig te zijn, niet laten loopen, om dien mageren geldwolf zooveel vroeger zijne winst te laten na zich sleepen. Als ik een weinig vr zijne komst naar „de Arend” ga, en zeg, dat ik wat later zal komen, en gelast, Seor Savedra intusschen een flesch goede wijn voor te zetten, dan wacht hij, op hoop van een goeden buit, tot in den nacht.”

„Ik wil het hoopen, en dat de gezant bij zijn voornemen blijft, om uit eten te gaan; anders blijft Savedra stellig te huis, en het kind durft dan zeker niet aan de deur te komen.”

„Geen zorg, Huyghens! de gezant rijdt stellig uit,” zeide De La Brette, die voor het raam zat, waarna hij uitriep: „Maar daar komt vade La Fontaine aan, die, op mijne eer! op de gedaante gelijkt, die dr op dat uithangbord den dapperen Coligny verbeelden moet, en dus, Mijnheer! snel het tweede geheime punt van ons besluit nog eens doorloopen, voordat onze leeraar komt, die zelfs niet zou willen hooren van een der edelmannetjes te rooven. Als de brave hellebaardier ook ongelukkig genoeg was, geen kind van den gezant meester te kunnen worden, zal ik voorgeven Seor Savedra te komen bezoeken. Men kent mij in huis; ik ben er voorheen nu en dan, zelfs gisteren nog, geweest; ik breng het kind beneden, terwijl gij mij wacht en Antonie zijne goederen blijft uitstallen en verkoopen, en mijne vrienden zullen zich, zoodra ik het hun verzoek, er een genoegen uit maken, die Spanjaarden te woord te staan, zoo zij onbeleefd genoeg waren, de rechten der gastvrijheid te schenden.”

„Het is veel gewaagd, maar evenwel kan het gelukken; ik hoop echter, dat wij niet genoodzaakt zullen worden, om er onze toevlucht toe te nemen.”

„Wat mij betreft, Mijnheer De La Brette! het wil mij nog niet aanstaan,” zeide Antonie Vermeeren.

„En mij zooveel te meer, mijn dappere hellebaardier! doch……”

„Stil! dat is La Fontaine,” zeide Huyghens, terwijl hij opstond en naar de deur trad, die juist door een man van een waardig voorkomen geopend werd, en de leeraar der Fransche gemeente te Londen trad binnen.


Het was Huyghens wonderlijk te moede, toen hij voor de herberg trad, waar hij in de voorkamer het gejuich van De La Brette’s tafelvrienden hoorde. Hij berekende, dat deze zich zeker nu reeds hier in hun midden zou bevinden, en dat Saverda, onder het drinken van den wijn, welke de Franschman in „de Arend” op tafel had laten zetten, geduldig zou wachten, totdat deze, ofschoon dan wat later dan de eerste afspraak was, komen zou om zijn geld te verliezen. Het geweld, dat zij maakten, deed hem met eenige ongerustheid het oogenblik te gemoet zien, als zij hem tot bijstand  zouden toesnellen met De La Brette aan hunne spits, en voornamelijk, indien men er toe moest overgaan, om den voet in het huis des gezants te zetten. Doch Christiaan Huyghens was zelf te moedig van aard, om voor een gevaarlijken stap terug te deinzen; alleen gevoelde hij weerzin om er toe te besluiten; want hij vermoedde, dat de Prins er geen genoegen in zou nemen, vooral als het doel niet bereikt werd. Zoo naderde hij het huis van De Mendoza, en wel op het oogenblik dat de hellebaardier, die een geruimen tijd vr hem was op weg gegaan, hem voorbijtrad en toefluisterde, dat de gezant reeds een uur geleden, en Savedra ruim een half uur daarna, waren uitgegaan.

Tot zijne vreugde werd Huyghens gewaar, dat er niet veel drukte was op de plaats vr het huis; slechts twee knechts stonden, tegen het hek geleund, bij de opening, naar de voorbijgangers te zien, en lieten den hellebaardier opgemoeid door het hek op de plaats komen, en naar het hui gaan Er waren nog geene kinderen te zien, doch zoodra naderde Antonie het huis niet, of een luid gejuich verhief zich in het voorportaal, en de kinderen kwamen te voorschijn, zoodra zij den koopman in het oog kregen, Huyghens vond het raadzaam te wachten, en niet verder te gaan, om de knechts in het oog te houden, en hield zich, alsof de strik van zijn schoen losgegaan was, en hij dien opnieuw vaststrikte, terwijl hij De La Brette in de verte reeds vr de herberg zag staan, en Anthonie steeds in het oog hield.

De looze hellebaardier maakte een bijzonder goed gebruik van de nieuwsgierigheid en koopzucht der kinderen: hij liet hun speelgoed zijn, dat hij hun in gebroken Spaansch hoog opvijzelde. Ook twee zoontjes van den gezant vertoonden zich weldra in de deur, met een paar mannelijke en eenige vrouwelijke bedienden, die om de vreugde der kinderen lachten. De jonge edellieden traden buiten, om hun gemak in de mand te zien, waarin de koopman de goederen had; doch evenals den vorigen keer werd de hellebaardier den kleinen Niklaas niet gewaar. Voordat hij er toe overging om een kind des gezants aan te vatten, vroeg hij aan de kleinen, of geene kinderen meer in huis waren om van hem te koopen.

„Neen!” antwoordde een der dienstboden. – Misnoegd trok de gewaande koopman de schouders op.

„Ja wel!” riep het oudste zoontje van Don Bernardijn. „Niklaas is achter; maar koopen kan hij toch niet; hij heeft geen geld en kan niet spreken dan Vlaamsch.”

Toen verhaalde Antonie hem, dat hij hem het fraaiste spel, dat hij bij zich had, zou laten zien en goedkoop verkoopen, als hij het knaapje halen wilde, omdat hij dien zou kunnen beduiden, hoet het gespeeld moest worden, want dat hij dit in het Spaansch niet zeggen kon, noch aanwijzen, waar het te lezen stond. Een oogenblik stond de kleine Spanjaard in beraad: hij wist wel, dat Niklaas niet aan de deur mocht komen; maar de begeerte om het spel te zien, deed hem besluiten, het vertrek waarin deze opgesloten was, te gaan openen, en hij liep het huis in, terwijl de knechts en meiden dachten dat hij geld ging halen.

Huyghens zag, tusschen hoop en vrees dobberende, naar de vrienden van De La Brette, die, de herberg reeds gedeeltelijk verlaten hebbende, op de straat heen en weder stapten, zoowel als naar de onderhandeling van den gewaanden koopman, en hij stoorde zich niet aan de spotternij van een der knechts over zijne onhandigheid in het strikken. Plotseling zag hij twee kinderen met drift de huisdeur komen uitloopen; en hij richtte zich op, toen hij het blonde haar van een der knaapjes zag. De koopman zette de mand neder terwijl de bedienden verwonderd schenen te zijn, toen de vreemde knaap langs hen heendrong.

Er was een merkbaar onderscheid tusschen de knapen; de jonge edelman, die in fluweel gekleed was, was langer dan het kind, dat bruin grein droeg, en hij voerde het met een zekere drift met zich, het bij de hand vasthoudende. Misschien was het knaapje, dat gevangen werd gehouden, bang om bestraft te worden; althans de zoon van Don Bernardijn trok het met geweld naar den koopman, terwijl zijne bruine oogen en trotsche houding zijne verstoordheid verrieden. Zoodra echter zag de blonde knaap het speelgoed niet, of hij scheen zelf niets liever te verlangen dan den schat te zien, dien de koopman medebracht, en knielde naast de mand neder; hij lachte toen hij dat speelgoed zag, doch liet het dra uit zijne handen vallen, toen de koopman in het Hollandsch zeide: „Evenveel speelgoed, als hier is zult gij hebben, als gij met mij medegaat; uw vader wacht u, jongenlief!” Die woorden schenen den knaap liever te zijn dan het speelgoed; de klank van de taal, die zijne moeder hem geleerd had, deed hem opspringen, en juichende de handen uitsteken naar den man, die hem over zijn vader sprak.

Vermeeren zag de verwonderde blikken der knechts; zelfs de oogen der kinderen verlieten voor een oogenblik het veelkleurige verlangen van hun hart. Langer wachten was gevaarlijker; hij achtte den kleinen Niklaas genoeg onderricht, doch hij bedroog zich: op hetzelfde oogenblik klonk het angstgeschreeuw van een kind over de plaats, waarmede andere kinderstemmen instemden, begeleid door dir van de dienstboden van beider kunne. De hellbaardier had het knaapje opgevat en liep er mede weg; vruchteloos noemde hij Niklaas bij zijn naam, zeide dat zijn vader hem wachtte, of beloofde hem speelgoed; het kind was hevig verschrikt en luisterde niet: en evenwel zou het den koopman gerust gevolgd zijn, indien deze den tijd had gehad, het aan de hand mede te nemen.

Terstond schoot Huyghens op een der knechts toe, die, het gerucht vernemende, de opening in het dek zocht te sluiten, vatte hem aan, en wierp hem op den grond. De tweede trad Antonie in den weg, en zoch hem te grijpen; doch een hevige vuistslag, welke deze hem op de borst gaf, deed hem terugtreden. Toen naderden de overige knechts, die uit het huis en de stal kwamen toesnellen; het spartelen van het knaapje verhinderde den hellebaardier om den man af te keeren, die hem weder naderde; maar Huyghens aarzelde niet lang, trok zijn degen en noodzaakte den aanvalle om terug te treden, en Vermeeren snelde met zijn last de straat op.

Er was geen tijd om naar De La Brette te wachten, die tevergeefs moeite gedaan had, om zijne vrienden bijtijds de tafel te doen verlaten; het geschreeuw van het kind en de bedienden van den gezant deed de voorbijgangers stilstaan. Ware Huyghens, die volgens zijn stand gekleed was, den hellebaardier niet op den voet gevolgd, misschien hadden sommigen den schaker van het kind wel tegengehouden; doch de moedige en edele houding van den man, die den ontblooten degen in de hand hield, benam hun allen den lust, om den Spanjaarden hulp te bieden.

De doorgang in het huis, waarheen Antonie zijne schreden richtte, was volgens afspraak, open, en zij geraakten vrdat de Spanjaarden hen achterhaalden, in de achterstraat, waar nog niemand iets van het geval gehoord had; doch op het oogenblik, dat zij daar het huis bereiken zouden, hetwelk hen vooreerst in veiligheid moest stellen, werden zij door de Spanjaarden, die hen op den voet gevolgd waren, ingehaald. Slechts Huyghens was gewapend, doch trad hen moedig tegen, terwijl de hellebaardier in beraad stond, of hij blijven zou, dan of hij dezen alleen zou laten kampen tegen de overmacht, en het kind maar eerst redden; maar Huyghens, die even vlug den degen als de pen voerde, zijn eersten aanvaller een breede wonde in den arm had toegebracht, vatte Antonie het gevallen staal van den Spanjaar op, en stoorde zich niet aan het geroep van Huyghens, dat hij het kind redden zou, en hem alleen laten.

De Spanjaarden zochten hem in den beginne te omvleugelen, en wilden, daar zij op hun meerder aantal steunden, die twee mannen dwingen om zich over te geven; doch de wederstand maakte hen verwoed. Negen ontbloote klingen bedreigden de edelmoedige beschermers van het kind, dat, uit vrees, niet ophield met schreeuwen, en zich tevergeefs uit den linkerarm van den hellebaardier trachtte los te maken. Weinig tijds nadat de eene Spanjaard zijn wapen had laten vallen, kwam De La Brette uit de gang te voorschijn en riep luid en gebiedend: „Steekt de degens op, Heeren!” hetgeen zij, die hem volgden, met kracht herhaalden. De Spanjaarden stoorden zich hier niet aan, maar toen De La Brette hen naderde, en de hand op de greep van zijn degen leggende, nog eens hetzelfde, en met verheffing van stem, uitriep, wendde zich een Spanjaard naar zijne zijde, en gelastte hem zijns weegs te gaan. Zonder verder antwoord, ontblootte de Franschman zijne kling; zijne makkers volgden zijn voorbeeld en nog dreigender herhaalde hij aan de Spanjaarden het bevel: „Steekt op de degens!”

De Spanjaarden waren verbaasd over dezen onverwachten aanval, en toen De La Brette, de vruchteloosheid zijner vermaning ingezien hebbende, vooruittrad, en na weinige oogenblikken den Spanjaard ternederstiet, die met hem gesproken had, waren zij genoodzaakt den Franschman en en zijnen zes vrienden het hoofd te bieden. Van dit oogenblik maakte Huyghens gebruik om met het kind te ontsnappen, terwijl hij De La Brette nog met een vredenlievendheid, waarop hij, over dit geval sprekende, altijd in het vervolg nog gewoon was zich te beroemen, hoorde vermanen om de wapens te laten rusten.

Zoodra de deur van het huis gesloten was, stelde Huyghens den verschrikten knaap gerust, en zeide, dat zijn vader hem liet halen, waarna zij door den tuin vertrokken, en door La Fontaine werden verwelkomd in de woning, waar de kleederen gereed waren, welke zij voor hunne vermomming noodig geoordeeld hadden te kiezen, terwijl Huyghens met ongeduld wachtte naar het paspoort, dat Walsingham hem zenden zou, en naar het vallen van den nacht, als het geschiktste oogenblik om zich scheep te begeven.

Wat De La Brette betreft, zijne zaak begon een weinig van gedaante te veranderen, daar de gezant, die vroeger te huis kwam dan men verwacht had, gevolgd door de bedienden, die hem vergezeld hadden, op de plaats van het gevecht verscheen, en het volk diets maakte, dat men hem zijn zoon ontroofd had. Toen echter de Franschman, en op zijn zeggen af ook zijne vrienden, dit een helsche list noemden van den Spaanschen kinderdief, zag Don Bernardijn geen kans, om iets met goed gevolg te ondernemen; te minder daar het volk begon te dreigen en partij te kiezen tegen de Spanjaarden. Hij gaf den zijnen last op terug te keeren, en De La Brette, die van zijne vrienden afscheid nam, en hen voor hun bijstand bedankte, had daardoor gelegenheid om, volgens zijne belofte, met Seor Savedra een paar uren te gaan doorbrengen, die weinig vermoedde, waarom de vogel, dien hij zeker was te zullen plukken, zoolang wegbleef.

Vruchteloos reed Don Bernardijn terstond naar de Koningin. Hij kon geen gehoor verwerven, en Walsingham, die zijne hevige klachten met onverschillige bedaardheid aanhoorde, ried hem, om zijne bezwaren schriftelijk in te dienen, en gerust te vertrouwen op de rechtvaardigheid zijner koninklijke gebiedster. Met somberen ernst zeide de Spanjaard dit te zullen doen, terwijl hij vertrok; maar bij zich zelven besloot hij zich recht te verschaffen, de schakers van het kind op te sporen, hun hunnen buit te ontnemen, en zich vreeselijk te wreken over hunne stoutheid en de ontvangen beleediging.

Hetzij Parma eenige achterdocht gekregen had, toen er, op last van den Prins, eenige schepen naar Walcheren gezonden waren, om de Spanjaarden in het oog te houden, of dat een ander toeval de uitvoering van den aanslag verhinderde, van het geheele ontwerp om Vlissingen te vermeesteren, kwam niets. Vier dagen na den bewusten Vrijdag zat prins Willem na den middag weder aan de tafel, waaraan hij gewoon was te schrijven, en juist dacht hij weder, te midden van zijne drukke bezigheden, aan zijnen geheimschrijver en den gevaarlijken last, welken deze op zich genomen had, en wiens lot hem hoe langer hoe meer begon te verontrusten, toen Huyghens de deur opende, in het vertrek trad, en met luider stem uitriep: „God zij gedankt, de jongen is gered! en ik heb de eer Uwe Doorluchtigheid te groeten!”

De Prins stond op en zeide verheugd, terwijl hij den geheimschrijver tegemoet trad en aan zijne borst drukte: „En wij danken Hem ook, dat Hij u behouden heeft; en u ook, mijn vriend! want gij hebt ons hart van een last ontheven, die ons zwaar drukte. De tranen van den vader en zijne gesmoorde jammerklachten nepen ons den boezem in; daartegen helpt geen harnas of staatkunde: men blijft altijd mensch, en ik ben zelf vader. Ik ben ook bevreesd geweest voor u; maar het heeft zich geschikt.”

„En de knaap wacht met den trouwen hellebaardier beneden aan de trap,” zeide de geheimschrijver, die moeite had om te spreken, z hadden hem de woorden en de stem van zijn meester getroffen.

De Prins trad zelf naar de deur, en riep luid: „Antonie!” en toen deze met het jongentje aan de hand bovenkwam, nam de Prins het in zijn armen en kuste het welkom in zijn vaderland. Ook Anthonie Vermeeren ontving de betuiging van ’s Vorsten tevredenheid en ging, op zijn last, heen, om den vader van het kind, die zich in de stad ophield, de blijde tijding de redding van den kleinen Niklaas Willemszoon te gaan mededeelen.

Gedurende dezen tijd voldeed de Heer Huyghens aan de nieuwsgierigheid van den Vorst, en juist toen hij hem per slot mededeelde, dat zij alleen door de bescherming van Walsingham ontkomen waren aan de vervolging van Don Bernardijn, die hun vaartuig met een boot met gewapend volk had doen nazetten, trad de vader binnen.

Wij willen de vreugde van vader en kind niet beschrijven, noch het geluk dat prins Willem smaakte, van deze hereeniging getuige te zijn, doch alleen zeggen, dat, toen Van Hoorn, in overmaat van gevoel, aan de voeten van den vorst wilde nederknielen en hem danken, deze hem daarin verhinderde, en zeide dat de heer Christiaan Huyghens en de trouwe hellebaardier, naast God, alleen dank verdienden.

De prins schonk zijn geheimschrijver sedert, als een duurzaam aandenken aan dit oogenblik, een gouden penning, prijkende met de borstbeelden van den vorst en diens gemalin, die ook in deze edele daad het levendigste aandeel nam, terwijl als omschrift van den penning deze woorden stonden:

908SR15.gif (1832 bytes)

MANDATI STRENUE EXECUTI MONUM.;

dat is:

Gedachtenis van een kloekmoedig uitgevoerd bevel;

908SR15.gif (1832 bytes)

en Antoni Vermeeren had ook reden, om over de erkentelijkheid van den Prins en de Prinses dubbel tevreden te zijn.

Zoo was het dan eindelijk aan den kloekmoedigen geheimschrijver gelukt, om zijn voornemen uit te voeren, hoe weinig hoop zich in den aanvang ook liet bemerken op een gelukkigen uitslag. Omstreeks een week na zijne terugkomst ontving Huyghens, tot zijne verwondering, een bezoek van zijn ouden vriend De La Brette, die hem den groet van La Fontaine en andere bekenden bracht.

Savedra droeg, zoo hij zeide, de grootste schuld dat deze Engeland verlaten had; want hij had zich gebelgd getoond, omdat men hem bedrogen had, en een paar stokslagen hadden den Spanjaard niet overtuigd, dat De La Brette hem niet bedrogen, maar eerlijk zijn geld verloren had. Eenparig had men geoordeeld, dat Seor Sevadra de beleedigde partij was; een tweegevecht was toen onvermijdelijk, en de kamerdienaar was zoo dwaas geweest, zich te laten nederstooten.

Dankte Niklaas Willemszoon, die bij gevorderde jaren in den zeedienst trad, altijd zijn behoudenis aan Christiaan Huyghens; trachtten de Engelschen zijn edel lijf te vereeuwigen in een schilderij, welke langen tijd bewaard werd in het huis van den graaf van Arundel; De La Brette dankte hem op rijperen leeftijd de eervolle betrekking, die hij in het Staten-leger bekleedde, en de achting en onderscheiding, welke hij genoot. De welgemeende raad van zijn vriend leerde hem zijne onwaardige wijze van leven inzien, en zijn moed, welke veeltijds tot roekeloosheid oversloeg, aanwenden tot een edel doel, tot de bevrijding dezer gewesten van de Spaansche dwingelandij.

908SR15.gif (1832 bytes)

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)