J.F. Oltmans (1806 – 1854)

GERTRUDE

Gertrude

G.gif (6718 bytes)ij denkt immers voor den nacht terug te komen?”

„Ja! maar liever had ik deze zaak wat laten wachten; ik ben niet gaarne van huis, als er soldaten bij ons ingelegerd zijn; doch ofschoon zij, zoo ik hoop, spoedig zullen aftrekken, moet ik er heden op uit.”

„Gij maakt u waarlijk te ongerust, vader! de arme bewoners van ons dorp lijden zeker veel last van de gemeene soldaten; doch wij, die een der aanvoerders huisvesten, staan zooveel gevaar niet uit; Señor Osorio gedraagt zich zooals het een edelman betaamt, en ik zie……”

„Ik zie! dat mije Gertrude reeds te veel geluisterd heeft naar de vriendelijke toespraak van onzen Spaanschen gasten, en……” viel de advocaat Bellant zijne dochter met drift in de rede. Doch hij zweeg, toen de deur van het huisvertrek snel geopend werd, en de Capitan gelaard en gespoord binnentrad, zeggende:

„De goed San Jago zij geprezen, dat hij u heeft ingegeven, om dezen morgen zoo vroeg het bed te ruimen; want hierdoor heb ik het geluk u nog te kunne vaarwel zeggen……”

„Breekt het krijgsvolk dan nu reeds op, Señor” vroeg de rechtsgeleerde haastig.

„Neen, mijn waarde heeer!” hernam de Spanjaard glimlachend, en hij vervolgde vroolijk: „Wij soldaten doen gewoonlijk veel overlast aan onzen gastheer, en op het land gaat het meestal minder ordelijk toe dan in de steden; het doet mij evenwel genoegen te ontwaren, dat mijn verblijf hier u niet tot last geweest is, om de gedachte van mij te moeten scheiden u reeds onaangenaam is.”

„Het is zoo,…… ” zeide de advocaat, eenigzins verlegen over den toon, op welken hij zijne vraag gedaan had; doch zijn gast scheen niets bemerkt te hebben van den aangename indruk, welken de verwachting, dat de musketiers zouden opbreken, om den ouden man gemaakt had; want hij vervolgde vriendelijk: „Stel u geurst, het is nog zoo ver niet; wij blijven nog een eenigen tijd, en, zoo ik hoop, lang; maar gisteren avond laat ontving ik bevel om bij den prins Van Parma te komen; hoeveel dagen ik afwezend zal blijven, weet ik niet; inden Zijn Excellentie – maar ik heb haast; Alvar wacht mij reeds, en ik vertrek, mij vleiende, dat de schoone dochter van mijn braven gastheer mij met evenveel genoegen zal zien terugkeeren, als haar vader. Vergeef het mij Gertrude! als ik te vrijpostig en te verwaand ben; gij weet, wij Spanjaarden en soldaten gaan kwalijk aan dat euvel, Mijnheer Bellant! tot wederziens! Gertrude! me pongo a los pies de Vm. volgens het gebruik van mijn vaderland.”

„Hij is vertrokken,” zeide het meisje, dat voor het raam staande, den Capitan had nageoogd, die door zijne knecht vergezeld, den weg naar Rijssel opreed.

„De Heer zij geloofd, en ik wenschtte wel, dat hij nimmer weer terugkwame; nu! zie maar zoo verbaasd niet; ik wensch den Spanjaard geen kwaad; integendeel, het zal mij verheugen, als het den man wel gaat, die zoolang onder mijn dak vertoefd heeft. Maar nog meer zou ik mij verheugen, indien mijne dochter wat minder belang stelde in dien edelman; die grootte heeren hun naam niet aan burgerdochters, en het ware te wenschen, dat zij die hoofsche taal, welke zij gewoon zijn in hun land tegen hunna Dona’s en Señorita’s te spreken, ook voor deze bespaarden, of dat onze vrouwen er niet naar luisterden!”

„Vader!” zeide Gertrude, min of meer geraakt, en een blos kleurde hare wangen, „waarom mag een edelman niet spreken zooals het zijn stand voegt; een booer spreekt immers ook zooals hem geleerd is.”

„Ja!” hernam haar vader, „maar uwe vraag bewijst mij juist, dat ik mij niet voor niets verheug, dat Osorio van huis is, nu ik uit moet. Kindlief! geloof uw vader: ge gemeene soldaat ontrooft aan de vrouw hare eer met geweld; de aanvoerder, wien het adelijk bloed door de aderen vloeit, doen het met mooi te praten. Gij hebt geene moeder meer, die u kan waarschuwen, luister dus naar mij: Osorio is bevallig en geen kwaad mensch, zooals ik gaarne geloof; doch het is geen echtgenoot voor mijne Gertrude. Kus uw vader vaarwel, kind! want ik moet heen.”

Zij voldeed aan het verlangen van haar vader, en hij zeide, haar tegen zijne borst drukkende: „Mijn vaderhart mag zich nu en dan verontrust hebben over mijn kind, nooit heb ik mij over mijne lieve Gertrude behoeven te beklagen; draag zorg, dat het altijd zou blijven moge!”

„Denkt gij dan, dat uwe dochter niet weet, wat zij aan u en zich zelve verplicht is? O vader! ik dank u voor uwe zorg; maar de verleiding zal mij nummer doen wankelen.”

„Zelfs in weerwil van uw hart niet?” vroeg de vader zorgvol; doch zij antwoordde volmondig en met geestdrift: „Ook in weerwel van mijn hart nietl het kan beminnen, maar niet zwak zijn!”

„De Heer geve het, kind,” zeide de vader; „maar gij zijt nog zoo jong; gij kent de driften nog niet; o! mocht…… doch op een anderen tijd zal ik met mijne Gertrude nog wel eens spreken; ik ga nu ten minste gerust van hier, en zoo er iets bijzonders voorvalt, laat gij er mij dadelijk van verwittigen.”

Zoodra de vader een eind weegs voortgereden was, trad zijne dochter met de oude meid, die het paard opgezadeld had, in huis, en spoedde zich naar hare kamer, om den vrijen loop aan hare tranen te geven. Een uur later was die plotselinge droefheid, welke de vermaningen van haar vader hadden doen onstaan, voorbij, en zij trad met haastige schreden naar de kamer, die de Spaansche hopman bewoonde. Aan de deur gekomen, stond zij stil om uit te rusten; want het driftig opklimmen der trappen en de aandoening, die haar beheerschte, hadden haar vermoeid; toen deed zij de deur open, en zag nieuwsgierig en tevens schroomvallig in het vertrek rond. De zon scheen weinig in de kamer; de hooge boomen, die een natuurlijke gordijn voor de vensters spreidden, benamen wel het gezicht op den tuin, maar deden hier ook een aangename koelte heerschen. Alle schoomvalligheid had het jonge meisje nu verlaten; de zelfde zielskracht, welke haar beheerscht had, toen zij met haar vader sprak, was teruggekeerd, en zij trad bedaard naar de tafel. Haar vader en de Spanjaard waren uit, de meid was in de keuken werkzaam; nooit had zij zulk een gunstig oogenblik gehad, om hier ongestoord te vertoeven. Evenwel was het geene gewone nieuwsgierigheid, die haar herwaarts voerde; dat gewone zwak hare kunne kende zij niet; het zou niet gestrookt hebben met haar verheven geest, en evenwel bezag zij alles nauwkeurig; maar het waren ook kleederen, wapenen van Osorio! Al, wat hier lag, behoorde hem of het was zoo goed alsof het hem toekwam; hij bewoonde dit vertrek, en van de muren, van het huisraad scheen haar de beeltenis des bewoners tegen te kaatsen, ofschoon slechts haar eigen schoon beeld zich spiegelde in het glad gewreven hout der groote stoelen en der hooge kleerkast. Zij gevoelde wel, dat zij den vreemden soldaat beminde, maar zij verzweeg het voor haar vader; zij wist hoe het hem bedroefd zou hebben dit te vernemenl evenwel had de vader een blik in haart hart geworpen, en daarom had zij geweend; zij geloofde, dat de edelman opgetogen zou geweest zijn, als hij zoveel geweten had als de vader; maar de man, wien zij het leven verschuldigd was, las gemakkelijker in haar hart dan de Spanjaard, voor wiens blikken het altijd gesloten bleef. De edelman moest niet weten dat zij hem liefhad, dat zij zich diep ongelukkig zou gevoelen, zoodra hij hunne woning verliet; zij vertrouwde niet genoeg op de macht harer bekoorlijkheden, om den edelman daardoor over te halen, haar zijne hand te schenken, en als zij op dien invloed had durven hopen, dan zou zij evenwel te trotsch geweest zijn om daarvan gebruik te maken.

Onopgemerkt te verwijlen in dit vertrek, waar alles haar den naam van Osorio scheen toe te fluisteren, maakte haar gelukkig; het was een geluk, gevaarlijk voor hare rust; maar zij dronk het doodelijke, doch zoete gif met lange teugen; haar vader noch de beminde man zagen hare zwakheid. Zij stond voor zijne wapenrusting: het staal, dat door een kunstenaar van Milaan zoo fraai bewerkt was, vertoonde op sommige plaatsen, in weerwil van de zorg, met welke men het onderhield, de sporen van het lood en het ijzer, waaraan het wederstand had moeten bieden. Gertrude telde die geheele breuken: zij waren even zoovele bewijzen van Osorio’s dapperheid. Dankbaar rustte haar oog op het getrouwe staal, dat den geliefden man beveiligd had voor zoo menigen doodelijken stoot; de gepolijste borstplaat vertoonde Gertrude haar eigen gelaat, en dit perste haar een weemoedigen lach af. „Zou men niet zeggen, dat mijn afbeeldsel in het harde metaal voor altijd gegriffeld? en evenwel, zoodra ik ter zijde treed, vertoont deze koude plaat mijn beeld niet meer. Osorio! waarom zijt gij gelijk aan uwe wapenrusting? Waarom maakt de trots uwer geboorte uw hart even koud als dit staal? Helaas? Waarom is het even veranderlijk als deze spiegel, ofschoon het geveinsdere is dan dit zielloos ijzer?” zeide zij, het hoofd schuddende.

Het gezicht van een sluier, die op een stoel lag, brak die treurige gedachten af, en zij nam hem in hare handen; hij was van roode zijde met gouden franje, en in het midden stonden eenige letters met gouddraad geborduurd; zij las: Siempre doch zij kende den zin van dit woord niet; haar hart zeide haar echter, dat ’t een geschenk van een vrouw was.

„Wellicht heeft een schoone en rijke jonkvrouw die voor hem vervaardigd,” zeide zij, terwijl haar hart door minnenijd gekweld werd. „Gelukkige, die Osorio kunt en moogt beminnen; die door hem naar het altaar geleid kunt worden! en evenwel,” vervolgde zij, terwijl hare oogen fonkelden, „ik heb geen reden, om u te benijden; nimmer zullen hem mijne handen iets geven, waarmede hij zou kunnen pronken als met een veroverde banier; de edelman is aan de jonkvrouw ontrouw voor een burgermeisje. Indien ik het toestond, dan zij hij aan mijne voeten liggen, ik weet het; en indien ik er hem om verzocht, dan zou hij dit schoone veldteeken aan mij wegschenken, of het vernietigen; zeker zou hij het doen, indien een vriendelijke blik hem er voor beloonde. O! Hij zou niet aarzelen, indien een kus……” Hier zweeg zij, bloosde en zeide, den sluier nederwerpende, of fieren toon: „Dat nimmer!” Een oogenblik daarna nam zij den sluier echter weder op en de lust bekroop haar, om de wapenrusting daarmede te omhangen; zij kon zich dan verbeelden, dat Osorio, voordat hij ten strijde ging, door haar met een soortgelijk veldteeken van hard hand werd omhuld. Ofschoon zij rijzig van gestalte was, moest zij op hare teenen gaan staan, om den sluier achter om den helm heen te doen, terwijl de armstukken verschoven en kraakten; en toen zij, verschrikt door dit geluid, of uit vrees dat de gepluimde stormhoed zou vallen, achteruit trad, haalde zij het harnas vóórover. Op hetzelfde oogenblik echter lachte zij om hare kinderachtige vrees, omvatte de wapenrusting met beide armen en hield haar staande. „Wat is dat koud!” zeide zij, toen het ijzer tegen hare borst rustte: „o! het is geen wonder, dat het hart van Osorio zoo koud geworden is onder dit ijzer en dat het slechts liefde huichelt!”

Toen zij de plooien van den sluier naar haar genoegen geschikt had, zette zij zich bij de tafel neder. Verdiept in de beschouwing der voorwerpen die haar omringden, zat zij in een ongedwongen houding in den leuningstoel; het keurslijf paste zeer goed bij hare slanke gestalte, en de schoone vorm van hare schouders en heupen benam aan dit stijve kleedingstuk, hetwelk het lichaam als in een harnas klemde, bijna al zijne onbevalligheid. Boven het eenvoudige bruine sargiekleed verrees de hooge witte halskraag, in het midden van welken zich het hoofd op den slanken hals vrij bewoog: het zwarte haar was boven op het hoofd vereenigd en met twee zilveren spelden vastgestoken. De blankheid van haar vel deed het bejammeren, dat de kleur der rozen niet doorgaans op hare wangen lag: echter duidde noch haar gelaat noch hare houding ziekelijkheid aan; integendeel, het schoone hoofd rustte zoo edel op den hals, het flonkerend zwarte oog drukte zooveel geestkracht uit, dat men aan hare gezondheid niet twijfelen kon. Nu echter waren hare oogen half gesloten. In gedachten verzonken, zag zij door hare lange oogharen om zich heen; indien de sargie karmozijn, fluweel, of een aderen kostbare stof geweest was, zou men haar voor een keizerin gehouden habben, die haar middagslaap deed.

908SR15.gif (1832 bytes)

Het openen der deur stoorde Gertrude en deed haar plotseling opstaan. Bij het zien binnentreden van Osorio, die,
door Alvar ondersteund, zich met moeite staande hield, vergat zij de verlegenheid van hier verrast te worden, en vol bezorgdheid snelde zij naar hem toen en riep: „Jezus! Maria! zijt gij……” Doch zij bleef staan, en vervolgde wel met bewogen stem, maar op anderen toon: „Is Uwe Edelheid gevallen?” Alvar schudde met het hoofd, en zijn meester, die even opgezien had, toen zij hem zoo naderde, liet het hoofd meer dan ooit op de borst zinken, en zeide zacht en langzaam: „Neen, Gertrude! maar ik ben ziek, zeer ziek; het is met mij gedaan.” – „Gedaan!” riep Gertrude, die nu, op een wenk van Alvar, den hopman, die dreigde te vallen, naar den stoel hielp leiden; doch Osorio scheen haar niet gehoord te hebben, en de knecht zeide: „Indien er geen spoedige hulp verleend wordt, is mijn meester verloren; wees zoo goed om de meid naar onzen chirurgijn te zenden, maar spoedig!”

Gertrude voldeed dadelijk aan dit verzoek, doch keerde niet terug naar de kamer waar de zieke was; zij kon hem toch niet van dienst zijn; Osorio was nu, zwak en ziek, gevaarlijker voor haar dan toen hij gezond en sterk was; zij vertrouwde zich zelve niet bij den man, dien zij liefhad: hoe zou zij toch, nu hij leed, hebben kunnen verbergen, wat haar hart gevoelde? Zij bad voor hem; alleen hare ongerustheid over het lang wegblijven van de meid deed haar nu en dan hare gebeden staken: eindelijk keurde zij het raadzaam haar vader te laten verwittigen, dat Osorio zeer ziek was teruggekomen. Zij was nauwelijks van haar naburige huis wedergekeerd, of Alvar kwam haar met hevige onrust vragen, of de oude meid nog niet terug was: hij vreesde het ergste, en bad haar zoolang bij den Capitan te gaan, terwijl hij zelf zich spoedde om hulp te halen.

Toen Gertrude in de kamer trad, beefde zij; en Osorio, die het glas water met moeite aannam, dat zij hem, op verzoek van den knecht, bracht, zeide zacht, toen hij gedronken had: „Bedroef u niet, Gertrude! ik sterf wel jong, en niet zooals ik gehoopt had: maar ik laat niemand na, die om mij treuren zal.” – „Niemand Señor?” zeide zij, zonder het te weten; toen vervolgde zij: „Ik hoop, dat de goede God het anders zal beschikken; het zal wel overgaan!” Osorio schudde met het hoofd, doch bewaarde het stilzwijgen. Het rapier van den Capitan lag achteloos op den grond geworpen; zijne zwart fluweelen casak was losgeknoopt; doch het bruine gelaat van den Spanjaard verschilde weinig van kleur bij anders, en dit gaf het meisje nog hoop op zijn behoud.

„Gertrude!” zeide hij, terwijl zij vol medelijden naast hem stond, „laat mij nog eens drinken.” Zij voldeed aan zijn verlangen en hij vervolgde, wijzende op zijne borst: „Hier zit mijne kwaal!” – „Gevoelt gij daar pijn, Señor?” – „Ja! leg slechts uwe hand er op: voelt gij niet?” – „Ja! het is uw hart……” – „Juist dat zal mij doen sterven, indien zich niemand over mij ontfermt.” Nu vatte hij hare hand, die zij teruggetrokken had, legde die nogmaals tegen zijne zijde, drukte haar er vast tegen en vervolgde: „Voelt gij wel?…… hoe klopt het! o!…… weet gij wel waarvan dat is?” – „Neen! wellicht van de warmte, van het snelle rijden, Señor!” – „Neen Gertrude!” zeide Osorio,het hoofd schuddende; en hij vervolgde, zijne oogen op de hare vestigende: „Het is van liefde voor u! ik sterf van liefde voor mijne Gertrude!” – „Señor!” riep het meisje verschrikt; want uit de kracht, waarmede hij haar vasthield, begreep zij dat hij niet zwak was; de uitdrukking van zijn vurig oog, van zijn lachend gelaat, zijne stem, bewezen haar, dat hij haar misleid had. Doch eer zij meer kon zeggen, sloeg hij zijn rechterarm om haar heen, en zeide: „Waarom verwondert u dit? zijt gij niet schoon, schooner dan de Señoritas uit mijn vaderland? Moet ik dan blind, ongevoelig zijn voor zooveel bekoorlijkheden?”

„Osorio!” riep Gertrude treurig, en zij staarde hem aan. Hij was zoo schoon; zijn gelaat was zoo edel; het drukte zooveel geestdrift uit; zij kon nu niet meer gelooven, dat hij haar bedrogen had; haar haart zeide haar, dat hij ziek geweest ws, dat zijne liefde voor haar die ongesteldheid had overwonnen. De Spanjaard zag die opvolgende gewaarwordingen van schrik en droefheid; hij zag haar in gedachten verzonken, en vroeg, vergheugd over de uitdrukking van haar blik: „Kunt gij nog twijfelen aan mijne liefde?” Zijne stem stoorde Gertrude, en zij vroeg, terwijl zij zich uit zijne armen trachtte los te wikkelen, in welke zij tot nog toe zonder schroom gerust had: „Gij zijt dus niet ziek geweest, Señor!” – „Neen, Gertrude!” antwoordde hij lachend, „slechts de liefde voor u maakte mij ziek; docht gij zult medelijden met mij hebben.” – „Dus was het alles bedrog?” vroeg zij langzaam, terwijl haar gelaat zoo wit werd als haar halskraag. „Bedrog? neen, allerliefste! O! ik zie wel, dat gij de liefde niet kent! de liefde zoekt list; maar waarom beeft gij?……” – „Laat mij los!” viel Gertrude hem in de rede; „o, Señor! het is dus, zooals ik vreesde: de edelman heeft zich niet geschaamd een arm meisje te misleiden; die ziekte…… dat alles was bedrog; laat mij los, edelman zonder eer!” – „Gertrude!” smeekte Osorio, haar, in weerwil harer woorden en inspanning van krachten, omvat houdende, „uwe hardheid maakt mij ongelukkig; schenk mij uw liefde!” – „Liefde!” riep zij, en sloeg hare oogen in welke tranen blonken, ten hemel, waarna zij met drift vervolgde: „Gij wilt mijne liefde? Denkt gij, dat elke laaghartig bedrieger die zoo licht verwerven kan? Maar uwe list zal u toch wat opbrengen: Don Osorio! ik schenk u mijne verachting!” Het bruine gelaat van den Spanjaard werd voor een oogenblik beroofd van de kleur welke het aan de driften, die hem beheerschten, te danken had; zijn mond vertrok zich tot een spottende lach, en hij zeide: „Mijn degen bezorgt mij de achting der mannen, trotsch meisje! ik vroeg u slechts om liefde; hedenavond kunt gij een ieder zeggen, waarom gij mij veracht; ik heb er vrede mede; uwe vriendinnen zullen mij benijden.” – „Señor!” riep Gertrude angstig; want hij klemde haar tegen zijn borst, en tevergeefs trachtte zij zich uit zijne armen los te scheuren, „de Koning zendt u immers herwaarts om het oproer te bedwingen, niet om zijne getrouwe onderdanen te beledigen?” – „Juist! maar denkt gij dan, mijn schoonste! dat ik u beleedigen wil? Zijne Majesteit zendt ons, om zijn gezag te doen eerbiedigen, en de liefde der jonge meisjes moet zijne Capitanes beloonen voor hunne gevaren en zorgen.”

Vergeefs trachtte zij den Spanjaard door dreigen of smeeken te vermurven; vergeefs trachtte zij zich te ontworstelen aan zijne armen. Hij was reusachtig sterk en zonder genade; alle gevoel van deuegd en eer scheen in zijn borst verstikt; zijne krachten verminderden niet, en Gertrude had de macht niet meer, hem van zich af te stooten. Hij klemde haar tegen zijn borst, kuste hare wang, die koud en wit was als marmer, en was verwonderd over de plotselinge verandering van haar gedrag; hare handen schenen alle kracht verloren te hebben; en terwijl hare tranen vloeiden, zag zij hem niet verstoord meer, maar treurig, zelfs vriendelijk aan, en zij zeide aangedaan: „Osorio! gij zijt rijk, een edelman en dapper; hedenmorgen geloofde ik ook aan uwe eer, helaas!…… Gij hebt slechts te kiezen, indien een vrouw u slechts voor een oogenblik kan behagen, indien gij heden de eene, morgen de andere beminnen wilt, welnu, er zullen er nog genoeg zijn, die u hare liefde willen schenken. Heb medelijden met mij, met mijn vader; schend de rechten der gastvrijheid niet, Osorio! laat mij gaan!” Hij luisterde naar haar woorden, en drukte haar tegen zijne borst: „Gij wilt, dat ik anderen beminnen zal? en ik heb alleen u lief; o! ik ben zoo verheugd, dat gij u niet langer uit mijne armen zoekt los te rukken; waarvoor zoudt gij ook bevreesd zijn? ben ik niet uw vriend, uw dienaar? Maar waarom is uw schoon gelaat zoo bleek? waarom weent mijne Gertrude?” Zij scheen het niet te bemerken, dat hij haar kuste en met hare lokken speelde: de teedere genegenheid, welke zij voor Osorio gevoelde, gaf een betooverend vermogen aan zijne woorden, vooral als hij onderdanig smeekte om wederliefde; evenwel antwoordde zij, en de tederheid van haar blik vervulde zijn hart met blijd hoop: „Ik ween over u; o! ik bid u, laat mij gaan, Osorio! het kost mij veel u te moeten verachten; in den naam van de Heilige Moeder Maria, maak mij, maak u zelven niet ongelukkig; laat mij gaan!” Doch hij was door voor haar smeeken; het oogenblik was te schoon, en zijne list was te goed gelukt, de bekoorlijke maagd, die tot heden niet geluisterd had naar zijne verliefde taal, was in zijne macht; want dat was zij: alle geestkracht had haar verlaten; zij had slechts tranen en kon slechts smeeken om zich te beschermen: de fiere Gertrude was weerloos, nu hare trotschheid gebroken was.

De dartele woorden, waarmede hij hare bede beantwoordde, verbraken de gevaarlijke betoovering, welke haar in het verderf dreigde te storten, en maakten haar wanhopig. Zij achtte zich verloren; doch plotseling gaf zij een gil, en toen de Spanjaard vruchteloos trachtte te raden, waarom hare oogen hem zoo fier aanzagen, waarom haar gelaat zoo geheel van uitdrukking veranderde, daar hij ziet wist, dat hare hand bij toeval den dolk aangeraakt had, die achter in zijn gordel stak, zeide zij: „Osorio! uw vloekwaardige daad zal mij het leven kosten en mijn ouden vader doen sterven van verdriet; uw bloed zal vloeien! laat af, ik bid het u! en ik zal u alles vergeven!” Zijn gelach stoorde haar, en hij zeide: „Mijne kussen zullen het beste antwoord zijn.” Toen schudde zij weemoedig het hoofd, wendde het gelaat af en riep: „Heilige Moeder Gods! wees mij en hem genadig! vergeef het mij!…… Osorio! Osorio!……” doch zijne lippen legden haar het zwijgen op. Nu gleed hare hand langs zijne zijde; hare witte vingers klemden zich om het ivoren hecht van den scherpen ponjaard. „Gertrude! het is te vergeefs, dat…… Jezus Maria! gij vermoordt mij!” riep de Spanjaard. De krachtige stoot met het wapen brak zijne woorden af, vaagde de dartele vreugde van zijn gelaat en deed hem hem nedervallen; maar Gertrude bleef als wezenloos staan, de hand uitgestrekt houdende op dezelfde plaats, waar zij het wapen had losgelaten „Dood!” zeide zij, terwijl zij op den ponjaard zag, die tot aan het hecht in des Spanjaards zijde stak. „Dood!” herhaalde zij nog eens op smartelijken toon en zij sloeg de oogen ten hemel, vouwde hare handen, en liet het hoofd op de borst zinken. Doch snel veranderde zij van gedachten, knielde naast Osorio neder, hare hand op zijn gelaat, nam zijne handen in de hare, en snelde toen het vertrek uit. Hij leefde nog! en moest gered worden.

908SR15.gif (1832 bytes)

„Gertrude!” zeide haar vader, „hij verlangt u te zien.” – „Wie?” vroeg zij, langzaam het hoofd oprichtende, geknield voor het beeld des Verlossers. Haar vader stoorde haar in het gebed. „Osorio, mijn kind!” – „Hij? Osorio, dien ik vermoord heb? o, vader! dat kan niet zijn; ik kan hem niet zien, ik mag niet.” – „Waarom niet, Gertrude?” vroeg de vader aangedaan, en hij sloot het wanhopige meisje in zijne armen; „hij zelf vraagt naar u…… kent gij mij niet meer? Gij stoot mij terug, Gertrude! ik ben uw vader; zijn uwe zinnen……?” – „O! Gij zijt mijn vader wel! mijn goede vader! maar ik!…… zie, uwe dochter is niet zwak geweest, zij is deugdzaam; maar hare handen druipen vna het bloed; raak haar niet aan, het is bloed van Osorio!” riep zij jammerend. De oude man drukte haar tegen zijne borst, kuste haar en sprak haar vriendelijk toe; de woorden, de liekoozingen van den man, wien  zij het leven te danken had, bedwongen de wanhoop, de vertwijfeling, en zij vroeg eindelijk gelaten: „Ik kan het hem dus niet weigeeren, vader?” – „Neen, Gertrude! want het is het verzoek eens stervenden, van iemand……” – „Dien ik vermoord heb, niet waar, vader? welnu ik zal gaanl maar ondersteun mij!”

O! de Spanjaard behoefde nu niet te veizen om den zieke te spelen; indien die monnik, die heelmeester, de sombere blikken van die twee Capitanes op hun vriend, de droefheid van den knecht, niet even zoo vele bewijzen geweest waren, dat de dood in dit vertrek een nieuwe prooi op het spoor was, dan zou dat doodelijk bleeke gelaat, de zwakke uitdrukking van die zwarte oogen, bewezen hebben, dat de onverbiddelijke zijne koude hand in de borst van den oorlogsman geslagen had, dat zijne ontvleesde vingers het hart trachtten te verkillen, dat eenige uren vroeger zoo vol wellustig verlangen onder de drukking der hand van het schoone meisje joeg, en dat ofschoon licht, toch evenwel sterker begon te kloppen, zoodra zij, door haar vader geleid, de kamer binnentrad. De monnik prevelde zijne gebeden, en zag onvergenoegd op haar, die den stervende kwam aftrekken van den hemel; de heelmeester zag slechts even op en beloofde zich niets goeds van hare verschijng; slechts een vroegere dood was al wat dat onrustig slaan van den pols hem verried. De Spaansche edellieden, die haar met een norschen blik ontvangen hadden, werden door den eerbied en de bewondering, welke hare schoonheid en diepe droefheid hun afdwong, geheel anders gestemd: zij bogen zich. Alleen Osorio scheen blij verrast, toen hij hare schreden hoorde: zijn gelaat helderde op, en hij wendde het hoofd om: die beweging veroorzaakte hem smart, en een zachte uitroep was er het gevolg van deze kreet van den man, welken zij gedood had, was haar welkomstgroet; zij wierp een vluchtigen blik om zich heen en beschouwde het altijd nog schoone gelaat van den man, dien zij had liefgehad, dien zij nog liefhad, en zij zonk naast zijne legerstede op hare knieën neder, en smeekte: „Vergeef het mij!”

„Ik kan het u  niet vergeven, nog niet; gij veracht mij; wat zou ik u vergeven? ik verdien uwe verachting, o! ik……” – „Vergeef het mij, om Gods wil!” bad Gertrude angstig, en vouwde de handen. Toen stak hij haar de hand toe, en vervolgde langzaam en vriendelijk: „Onmogelijk! ik kan u niet vergeven, voordaat gij mij mijne misdaad, mijn laaghartig gedrag vergeven hebt.” – „O, Señor! denkt gij, dat ik aan het bed van een stervende zou verschijnen, zonder reeds alles vergeven, vergeten te hebben? Op hetzelfde oogenblik dat ik u griefde, vergaf ik u reeds alles!” – „En denkt Gertrude dan , dat ik alleen haatdragend ben? haatdragend tegen haar? Heb ik u iets te vergeven, ik doe het; maar gij hebt geen schuld; o! gij wilt dien stoot met mijn ponjaard u als misdaad opleggen; ik ben immers edelman en Capitan in dienst van mijn meester; wij wenschen door het staal te sneven, en van uwe hand is de dood mij welkom; want hij bezorgt mij uwe vergeving endie van uw braven vader. Gij veracht mij niet meer; uwe handen ontsluit mij den hemel, zooals deze vrome vader mij gezegd heeft; ik verlaat met vreugde deze aarde, en evewel zijn gij goddelijk schoon!……” De monnik scheen niet tevreden over hetgeen Osorio zeide; doch deze vervolgde: „Vader! ik heb immers gebiecht? ik ben gereed; laat mij mijne misdaden hier zooveel mogelijk trachten goed te maken; het zal mij daarboven meer helpen, dan een gebed…… Ween zoo niet, Gertrude! gij waart altijd zoo fier, zoo moedig, daarom beminde ik u; want op mijne eer! ik had u lief, maar……; daarom wees niet bedroefd, ook niet, als ik er niet meer zijn zal; ik heb u nog één verzoek te doen; bedenk dat ik stervende ben; hier de heelmeester kan het u verzekeren; maar het is een groot verzoek; kunt gij het mij toestaan zonder het te kennen?” – „Señor!” zeide Gertrude; maar de Spanjaard bad: „O! Zeg Osorio!” – „Indien mijn vader denkt……” zeide zij omziende. – „Ik vraag, wat Gertrude denkt, wat zij denkt die mij vergeven heeft, die mij niet meer veracht; zeg, o! zeg, zult gij mij verblijden door het te beloven, of niet? maar heb geen vrees; het mag mij bedroeven, als gij mijne bede weigert; evenwel zal ik u er niet minder om liefhebben.” Toen blikte zij hem vol vertrouwen aan, en zeide: „Ik wil u gelooven; o! gij zult mij niet meer misleiden. Wat gij mij verzoekt, zal ik doen, Osorio!” – „Ha! de Heilige Moeder Gods zij gedankt; neen, Gertrude! ik zal u niet langer misleiden; had ik het nimmer gedaan! dan…… maar waarom zou ik het verhelen? ik sterf, dit geeft mij het voorrecht openhartig te spreken; indien ik u niet misleid had, dan zou ik nog vol kracht zijn, maar ook niet zoo gelaten naar den hemel opzien als thans; uwe hand zou niet gedoogen, dat de mijne gerust op haar lag, die hand……! Slechts bid ik u, wees zoo treurig niet, en laat mij spreken.”

Toen zag hij naar zijne vrienden, die op eenigen afstand stonden, naar den monnik en den vader van Gertrude, en zeide ernstig en vrij luid: „Gij, die mij ziet sterven, gij kent mijn misdrijf; gij weet, hoe ik, een edelman onwaardig, getracht heb, de eer van dit meisje te vernielen, zonder medelijden met den vader, die mij als een vriend in zijn huis ontvangen had, zonder medelijden met hare tranen en haar smeeken om ontferming. Heeft hare hand mij met mijn eigen pook gegriefd, de hemel heeft die hand bestuurd; ik eerbiedig dat rechtvaardig vonnis, en geloof niet beter te kunnen bewijzen, hoezeer ik het slachtoffer van mijn snooden aanslag vereer en hoogacht, dan door haar te smeeken datgene aan te nemen, wat ik haar vroeger had moeten aanbieden, als ik niet blind en doof geweest was voor al wat goed en braaf is. Gertrude! ik heb uw woord; o! gij zult mij het geluk niet ontzeggen, als uw echtgenoot te sterven! Voor eeuwig zal mijn vloek rusten op hem, die haar rekenschap zou durven vragen van mijn dood; voor de heiligste zaak heeft zij gestreden. En gij, Señores! de vriendschap die ons verbond, zal u, zoo het nood was, haar doen beschermen; de gemalin van Osorio, van uw wapenbroeder, zal nimmer een vergeefsch beroep doen oo uwen arm; gij zult haar doen eerbiediegen! Waarom vloeien die tranen, Gertrude? Heb ik te veel gehoopt van uwe goedheid? Welnu, kunt gij niet besluiten, mij uwe hand te schenken, dan……” – „Osorio!” riep zij, en trok hare hand terug, „hem dien ik vermoord heb, te huwen!……” – „Wien gij vergeven en dien gij bekeerd hebt, wilt gij zeggen; die door u op de hemelsche zaligheid durft hopen; ik eisch geen wederliefde, die onmogelijk is; ik sterf ook; neem mij, niet omdat gij mij liefhebt, niet omdat gij mij hoogacht; ik bid u, neem mij uit medelijden!” – „Ach! kon ik u het leven wedergeven met mijne hand! maar het is een ijdele wensch; gij zijt mij niets verschuldigd: eer, rijkdom, een grooten naam; ik begeer niets! ik dank u.” Hier zuchtte de Spanjaard zwaar, en zij vervolgde: „Helaas, Osorio! er kleeft bloed aan die hand, en het is uw bloed!” – „Ach! daarom had ik gehoopt haar te verwerven; maar het kan niet zijn; ik heb dat geluk niet verdiend!” De smart, die op zijn gelaat te lezen stond, die diepe rouw, welken zijne woorden uitdrukten, deden Gertrude het hoofd omwenden, en zij zeide snikkend tot haar vader: „O! geef gij mij raad; zal de wereld niet zeggen, dat de grootheid, de rijkdom mij hebben overgehaald? en evenwel gij weet, vader!……” – „Hoe mijne Gertrude denkt; maar zij vergeet, wat zij beloofd heeft, en dat de oogenblikken, welke haar bruidegom nog te leven heeft, getels zijn; denk niet aan de wereld; verwerp voor haar de bede van een stervende niet; volg de inspraak van uw hart, dan geef ik mijne toestemming gaarne, en mijn zegen zal zich niet doen wachten!” – „Hoort gij?” riep de Spanjaard, en terwijl Gertrude hem de hand reikte, en de ziijne tegen haar hart drukte, zeide zij: „Osorio! hier is mijne hand; o! niet uit medelijden schenk ik haar u; ik zal uw echtgenoot worden. Helaas! waarom zal ik weldra weduwe zijn!”

Toen de monnik het paar vereenigd, en de vader zijne kinderen gezegend had, zeide Osorio, die nauwelijks spreken kon an afgematheid, terwijl zijn oog met treurig welgevalen op zijn vrouw staarde, welke zijne hand in de hare klemde, en hare oogen ten hemel sloeg: „Ik heb niet verdiend, zulk een schoone en deugdzame echtgenoot te verwerven; ik dank u voor uwe goedheid, Gertrude! het maakt mij zoo gelukkig.” – „En mij ook, Osorio! o! nu ik uwe echtgenoot ben, nu ik zeggen mag wat dit hart gevoelt, dan jammert om hetgeen deze hand bedreef, dat juicht over hetgene het aan deze hande te danken heeft – nu kan ik zeggen, dat geen medelijden, geen goedheid alleen mij tot uwe vrouw gemaakt heeft; verneeem het Osorio! ik zeg het luide, dat ieder het hoore, want ik mag mijn echtgenoot, liefhebben: ik bemin u, Osorio! o! reeds lang bezat gij mijne liefde!” – „Ik, Gertrude!” riep hij met verrukking; doch hij vervolgde droevig: „En waarom wist ik het niet? Maar het is waar, ik was dat geluk niet waardig; toen nog niet; en evenwel ja nu doorzie ik het; heden morgen hebt gij u verraden: vermoedde ik, dat een teederer gevoel…… en ik gaf mijn boos voornemen niet op; integendeel, ik zag er met vreugde een voorteeken in van mijne overwinning.”

„O! denk niet meer daaraan, Osorio!” riep Gertrude, „dat is voorbij; gij wilt, dat ik niet treurig zal zijn, en gij herinnert mij dat oogenblik, waaraan ik nimmer zou willen denken. De Osorio van heden morgen is mijn gemaal Osorio niet; de eenen vreesde ik en vermoordde hem, den anderen heb ik lief; ik zou mijn leven geven om het zijne één uur te rekken” – „Ha! hoe zoet klinkt die taal, en ach! ik moet sterven; Gertrude! die koude, dat is de dood; Heilig Moeder! wees mij genadig! deze engel zal voor mij bidden. Gertrude! Ik kan u niet meer zien; waar zijt gij? En dit is toch uwe hand; o! laat uw echtgenoot eenmaal zijne lippen drukken op uw rein voorhoofd! spoedig toch! toef niet, Gertrude!”

Zij boog zich voorover; en toen hij het blanke voorhoofd kuste, gaf een zachte uitroep zijne vreugde te kennen. Hij had nog de kracht zijn arm om haar heen te slaan en fluisterde haar naam, doch nauwelijks hadden hare lippen die van haar echtgenoot aangeraakt, of zij richtte zich snel op, en riep jammerend: „Osorio!” Haar vader nam haar in zijne armen, en de heelmeester die van het bed trad, zeide, zich buigende tot de Spaansche hoofdlieden: „Señores! Don Osorio is dood!”

908SR15.gif (1832 bytes)

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)