J.F. Oltmans (1806 – 1854)

LUCIE

Lucie liggend in een stoel.

N.gif (6800 bytes)iettegenstaande het reeds veel jaren geleden is, dat in met de Condor naar Noord-Amerika vertrok, zoo herinner ik mij echter dikwijls, en steeds met genoegen, den gullen kapitein en de passagiers, die met mij op zijn bodem de oude wereld verlieten. Het waren twee Duitschers en n Fransman; de eersten zullen zeker, indien zij nog in de Vereenigde Staten zijn, wel met wat minder enthousiasme over dat land spreken dan toen; misschien zijn zij ook, zoo zij al niet vergeten hebben, dat hun weerzin tegen het despotisme de oorzaak was, dat zij hun vaderland, en de herinneringen aan den geboortegrond verbonden, hadden opgeofferd, reeds gewoon geworden om in een vrij land, en zelfs een Christenland, de slavernij te zien instand houden, 1) en het gemeen recht doen over diegenen, welke zoo edel of zoo dwaas zijn om hunne stemmen te verheffen tegen dit barbaarsche en onwettig gebruik, dat zich alleen kan doen verontschuldigen door het eigenbelang der bezitters van de slaven. Maar wat wil dit zeggen? het bewijst niets. Want waarom zou het aan een vorst niet vrijstaan om millioenen onderdanen te regeeren naar zijn welbehagen, als het een enkele ingezetene van een vrijen staat geoorloofd is een honderdtal zijner natuurgenooten als slaven te gebruiken? En, wij beminnen immers de vrijheid, geven er goed en bloed voor. Onze voorouders hebben er tachtig jaar voor gestreden. Daarom…… doch ik raak geheel van de wijs; ik zou u daar, op mijn woord, gaan bezighouden met de hersenschimmen van mijne goede reismakkers, en ik wilde u niet van hen vertellen, ofschoon zij de goedheid en vriendelijkheid zelve waren, en niets mij eer zou verheugen, dan nog eenige dagen met hen door te brengen, al ware het dan ook weder in de kajuit van een koopvaardijschip, ja zelfs in die van een trekschuit; neen, ik wilde u iets verhalen van den derden passagier.

De heer Perville was zoo beleefd en voorkomend als zijne landgenooten gewoonlijk zijn, doch niet zoo spraakzaam. Ik schreef dit niet zoozeer aan zijne jaren, dan wel aan tegenspoeden toe, die hem wellicht getroffen hadden; zelfs de kapitein wist ons niets naders van hem te vertellen dan wij reeds zelven van den Franschman, bij toeval, vernomen hadden, namelijk, dat hij planter geweest was. Niemand van ons was onkiesch genoeg, om door onbescheiden vragen een wetenschap te verkrijgen, welke naar ons gevoelen had moeten uitgelokt worden door de openhartigheid, waarmede wij onzen levensloop en onze vooruitzichten in de toekomst hadden verhaald. Het liefst sprak hij over de landhuishoudkunde; gewoonlijk had hij het zeer druk met den ouden Duitscher over de ontginning van woeste gronden, en over het geheel gaf zijn onderhoud de bewijzen van een goede opvoeding en van veel ondervinding.

Wanneer het gesprek over de vrouwen liep, dat nogal veeltijds plaats vond, en dat vooral nog al luidruchtig kon worden, als onze opperstuurman, die een vroolijke snaak was, zijne voeten in de kajuit gezet had, dan liet Monsieur Perville het meestentijds aan ons, jongelieden over, om het gesprek aan den gang te houden. Meermalen meende ik dan een treurige herinnering bij hem te zien opwellen, en als de vertellingen van onzen stuurman ons deden schateren van lachen, en ook zelfs hem een glimlach afpersten, dan was er evenwel iets pijnlijks in dien lach, en ik besloot bij mij zelven, dat een ongelukkige liefde, of de droefheid van een ongelukkigen echt hiervan oorzaak was; want ik wist niet, of hij getrouwd was of niet.

Op zekeren dag, ja, indien ik mijn reisjournaal wilde opslaan, zou ik u den juisten datum kunnen zeggen, en uit welke streek de wind woei; maar dat doet er niet toe; genoeg, het regende als in den kwaden mousson, en dit veroorzaakte zeker, dat de opperstuurman eens in de kajuit kwam kijken, hoe de heeren het alzoo hadden, en – want men dronk in dien tijd nog op alle schepen sterken drank – het aanbod van een glas cognac niet afsloeg, maar het als heilzaam voor de nattigheid, op onze gezondheid uitdronk. Hetzij hij nu hierdoor spraakzaam werd, of dat hij, nu den smaak er van weg hebbende, besloot te wachten, of men hem ook misschien nog eens zou inschenken, ten minste hij ging zitten zondr verlof te vragen; hetgeen ook niet noodig was, omdat hij lang gevaren had met onzen kapitein, en wij hem gaarne hoorden vertellen van ouden en jongen Jan, zooals hij gewoon was te zeggen. In ’t kort, hij ving al dadelijk aan met een krachtige lofrede op den cognac van Mr. Perville en op de heilzame uitwerkselen van dien drank in het algemeen, en verhaalde ons, hoe hij eens met een maat gevaren had, die d…… landziekig geworden was, omdat zijne vrouw met een gepasporteerd sergeant van de mariniers was doorgegaan, en hoe die maat enkel en alleen door het dagelijks gebruik van cognac weer een vroolijke jongen was geworden.

Waarschijnlijk vreesde de stuurman, dat men vergeten zou zijn glas nog eens te vullen; misschien deed hij het ook uit gewoonte en zonder te weten; hoe het zij, hij schoof zijn glas naar de flesch, stond op, zag door de lantaarn, zoo het scheen, naar de lucht, en wreef zich de handen. De beleefdheid vorderde zeker van hem, om niet terstond heen te gaan, toen Perville, zonder verder verzoek af te wachten, zijn glas nog eens gevuld had; hij bleef ten minste staan en dronk tegen zijn vaste gewoonte aan, met kleine teugen, hetzij ons gesprek hem boeide, of omdat hij wanhoopte, dat hem nog eens ingeschonken zou worden.

Een onzer merkte lachend aan, dat de zeelieden vooral dikwerf het geluk hebben, dat hunne kinderen vanzelf komen; onze kapitein hernam, dat hij, ofschoon ongetrouwd, en dus geene partij behoevende te kiezen voor de vrouwen der zeelieden, echter van oordeel was, dat alles van de keuze eener echtgenoot afhing, en dat het er weinig toe deed, of men een landkrab of een zeerob was alsk men slechts een brave vrouw had. Voor het overige gaf hij te kennen, dat zijne vrouw het nimmer zou moeten wagen hem te bedriegen; want dat hij op dat punt geen gekscheren verstond. Het zal u niet verwonderen, dat wij met hem instemden om de ontrouwe vrouw te verwenschen; de jongste onder ons zeide, dat hij zijne vrouw vermoorden zou, indien hij van hare ontrouw overtuigd was, en evenwel had ik hem den vorigen dag zien lezen in Shakespeare’s Othello. De stuurman oordeelde, dat het sop de kool niet waard was, en dat een stevige oorlam de beste medicijn was voor ontrouw en liefdepijn. Wij lachten om de philosophie van onzen stuurman, en hij, die vr hem gesproken had, riep: „Dan schijnt ge er net over te denken, beste jongen, als die Franschman, die placht te zeggen: „Quand on ne le sait pas, c’est……” ” maar hij vervolgde niet, want nu eerst viel zijn oog op Perville, die, zonder zich in het gesprek te mengen, zoo het scheen, aandachtig zat te lezen; de dodelijke bleekheid van diens gelaat trof ons, toen wij de richting van den blik volgden van hem, die zweeg uit vrees iets te zeggen, dat Perville onaangenaam kon zijn. Slechts de stuurman sloeg er geen acht op, en zeide: „Welnu, die Franschman?……” en vervolgde, toen hij geen antwoord bekwam: „Maar wat zegt mijnheer Perville er van?”

„Wat ik zeg?” uitte Perville, opspringende, toen het woord zoo plotseling tot hem gericht werd; daarop vervolgde hij bedaard, terwijl hij langzaam het hoofd oprichtte en het boek voor zich nederleide: „Wat zal ik zeggen tegen jongelieden, die, zonder ondervinding of nadenken, schertsende spreken over iets, dat den echtgenoot, die zijne vrouw bemint en hoogacht, meer ter harte gaat dan het leven, meer misschien dan het verlies van zijne eer; want hij heeft geene toevlucht meer in de armen eener vrouw, die hem liefheeft, wier liefde aanwint in kracht en zelfverloochening, naarmate hij er meer behoefte aan heeft. Zij kan niet zeggen: „Laat de geheele wereld u verachten, ik, ik zal u voor allen liefhebben!” want hij veracht zijne vrouw, de moeder zijner kinderen, zoo hij er heeft; zij is het, die hem zijne eer ontnomen heeft, en zijne kinderen, welke hij als zegen des Hemels beschouwde, worden hem een vloek; zij kluisteren hem aan de echtbreekster, die alle wetten vertreden heeft!” Zijne stem verhief zich, naarmate hij in zijne rede vorderde, en hij vervolgde, geheel medegesleept door het gevoel, dat hem beheerschte: „Ongelukkigen of liever gelukkigen! die spreken kunt over ontrouwe vrouwen en u voorneemt haar te dooden, en dit al lachende; helaas! gij zoudt het niet doen, indien gij, evenals ik, met het ontbloote moordtuig vr het bed uwer vrouw gestaan hadt. Gelooft mij, en waarom zoudt gij aan mijne grijze haren geen geloof schenken? zeven en dertig jaren zijn er verloopen, sedert ik haar, met wie ik gehuwd was, en het kind, dat zij mij geschonken had, in hun bloed drijvende, aan zijne voeten zag liggen, en telkens als ik dat oogenblik herdenk, – en er gaat geen dag om, dat ik er niet aan denk? – dan rijzen mijne haren te berge, en de hand, die ik eenmaal dreigend en gewapend tegen de moeder van mijn kind verhief, siddert, alsof en vloek haar getroffen had!”

Het was nu onze beurt om verbaasd te zijn. Hij die daar zat, gaf niet onduidelijk te kennen, dat hij ten uitvoer gebracht had, hetgeen wij zooeven gezegd hadden zelven te willen doen: hij had een mensch, ee vrouw, zijne echtgenoote vermoord, en evenwel gevoelden wij geen afgrijzen voor hem: de uitdrukking zijner stem, het berouw, de droefheid, die op zijn gelaat te lezen stond, gevoegd bij ons gevoel van eigen schuld, maakten hem ten voorwerp van ons medelijden, en gaven hem een heilig recht op ons vergeten van hetgeen hij gezegd had. Wij bewaarden een diep stilzwijgen.

Plotseling klonk er een luid: „Pouah!” door de kajuit; het was het gewone geluid, waarmede onze stuurman steeds zijn glas leegdronk; doch nu was het bijzonder sterk: waarschijnlijk was het tevens de eerste uitbarsting van zijn gevoel over hetgeen hij gehoord had. Toen zeide hij, en er lag niet weinig verwaandheid en afkeuring in zijne woorden:  „Ik geloof, dat me maat in zijn dom verstand het beter gelapt heeft; want nooit heb ik hem hooren klagen, dat de haren van zijn pruik onder zijn zuidwester overeind gingen staan, en zijne handen hadden nooit de beverasie, dan wanneer hij nuchter was, en dat gebeurde zelden; dus houd ik het met den cognac, met je welnemen.”

Een kleine beweging, welke de kapitein met de hand maakte, terwijl hij zijn voorhoofd rimpelde, was zeker een sein voor onzen stuurman, dat zijne tegenwoordigheid op het dek noodig or in de kajuit geheel overtollig was; tenminste hij vertrok zonder verder iets te zeggen, en het is mij nog niet zeker, of de teleurstelling, welke hij liet blijken, en zijne buiging, het gevolg waren van onvoldane nieuwsgierigheid en beleefdheid, of dat beide alleen betrekking hadden op de flesch.

Perville scheen niets bemerkt te hebben van het gezegde of het vertrek van den man, die door zijne bepaalde vraag hem den mond had doen openen, en ons bekend maken met een schrikwekkend oogenblik zijns levens; hij was opgestaan en volgde den stuurman werktuigelijk; doch de stilte, die er bleef heerschen, – want geen onzer had nog gesproken, – en die zoo afstak met het gelach, dat hij had doen verstommen, maakte zeker een einde aan de overdenkingen, waarin hij zich verloren had. Snel zich omkeerende, trad hij weder naar de tafel, hield de hand een oogenblik voor zijn gelaat, zette zich weder neder op de plaats, welke hij zoo even verlaten had, en zeide langzaam, terwijl hij zijne hand liet zakken en zijn blik op ons vestigde”„Mijne Heeren! ik heb te veel gezegd, om niet alles te zeggen; het aaneengeschakeld herdenken aan de dagen van vreugde en verdriet, die ik beleefd heb, zal mij smartelijk vallen; maar ik stel prijs op uwe achting en vereer uwe bescheidenheid, welke u tot heden en zelfs nu nog weerhoudt, om te vragen naar hetgeen mij het leven vergald heeft.Gij hebt mijne stilzwijgendheid geerbiedigd; ik zeg er u dank voor; maar hetgeen mij gebeurd is, kan u tot een nuttige les verstrekken. Zooals ik zeg, het zal mij moeite kosten om te spreken; maar eenmaal bekend met hetgeen mij zoo neerslachtig maakt, zult gij voortaan vermijden, om in mijne tegenwoordigheid te spreken over iets, dat mijne wonden, die nimmer heelen zullen, wederom zou kunnen doen bloeden.” Als uit n mond gaven wij te kennen, dat wij met de uiterste belangstelling zouden luisteren, en hij zeide naar een oogenblik bedacht te hebben:

„Gij weet, dat ik Louis Perville heet en een Franschman ben, en waarschijnlijk miet veel meer; het doet er weinig toe of ik aan de noordelijke of zuidelijke grenzen geboren werd: het is genoeg gezegd, dat ik mijne beide ouders verloren had, toen het oogenblik dr was, dat ik mij vestigen moest. Mijn vader, die de laatste twintig jaren op het land had geleefd, had zich bezig gehouden met de bebouwing van het landgoed, dat hij mij naliet; doch ofschoon ik zelf geen vijand was van al hetgeen de landhuishoudkunde betrof, gevoelde ik echter weinig genegenheid, om dit op zulk een kleine schaal te doen, als mijne middelen mij dit vergunden. Het strookte weinig met mijn driftigen aard; het streelde mijne eerzucht niet, om mij op mijne jaren op het land te begraven, en ik stond in beraad, of ik mij zou toeleggen om een of ander rechterlijk ambt te verkrijgen of in dienst te treden. Een paar oude vrienden van mij vader, die nog leefden en nogal invloed hadden aan het hof, gaven mij het vooruitzicht, dat mijne wenschen, door hen ondersteund, niet moeilijk zouden te vervullen zijn; ook behoefde het mij misschien niet veel geld of moeite te kosten om te bewijzen, dat ik van adel was, en dat deed veel af in dien tijd, zooals thans wederom het geval is; gij weet het zoo goed als ik, de guillotine heeft vergeefsch gewerkt; er is nog geene gelijkheid onder de menschen.

„Een brief, dien ik uit St. Domingo ontving, deed mij echter, zoo niet van die voornemens geheel afzien, ze ten minste verschuiven. Een oom, dien ik daar had, berichtte mij den dood van zijn zoon en nig kind, en noodigde mij uit, om, zoo mijn vader het toestond, de plats van den overledene te komen vervullen en zijn erfgenaam te worden. Ik had geen vader meer, toen mij de brief in handen kwam; niets noopte mij in Frankrijk te blijven, of weerhiedl mij on eens een reis over zee te doen; het verzoek van mijn oom strookte te wel met mijn belang, en de behoefte, welke ik gevoelde om mij te verplaatsen; het eentoonige leven vooral, sedert ik alleen was, verdroot mij, en mijn besluit was spoedig genomen; ik vertrok.

„Mijn reis was voorspoedig; doch het eerste bericht, dat ik aan de Kaap inwon, zoodra ik mijne voeten aan land zette, had mij reeds moeten waarschuwen, dat mij weinig heils op dat eiland wachtte. Ik ontving de droevige tijding van het afsterven van den goeden ouden man die mijne komst met ongeduld verbeid had; ik kwam te laat, en slechts juist van pas om in mijne rechten van erfgenaam te treden. Ik was weder alleeen; maar nu in een vreemd land, en ofschoon het vermogen, dat nu het mijne was geworden, zeer aanzienlijk was, zoo kon ik mij echter daar niet over verheugen, nu hij, die het mij geschonken had, mijne zorgen niet meer behoefde, noch mijne dankzegging kon aannemen.

„De uitgestrekte plantage, die nu mijn eigendom was, lag in de nabijheid van St. Louis du Morin, en door een zonderling toeval heette zij la Succession. Natuurlijk ging er een geruime tijd voorbij, voordat de bemoeiingen waren afgeloopen, met welke de inbezitneming van een erfenis van dat belang gewoonlijk gepaard gaat; ook duurde het lang, voordat ik kon zeggen eenigszins bekend te zijn met den eigendom, die kortelings de mijne geworden was. Gelukkig was mijn oom een man van orde geweest, en tot mijne niet geringe vreugde ontwaarde ik al spoedig, dat zijn verstandig gedrag een heilzamen invloed op den geest der negers had gehad, waarom ik niet naliet, evenals ik vernam dat zijne gewoonte was geweest, zachtheid met gepaste strengheid te paren. Helaas waarom hebben alle planters niet evenzoo gehandeld?

„Eens toen ik mij naar een plantage begeven had, welke iets meer landwaarts inlag dan die, welke mij behoorde, met het voornemen om met den eigenaar te spreken over hetgeen ik nog had te vorderen wegens een verruiling vna negers die nog tijdens het leven van mijn oom had plaats gehad, ontwaarde ik bij het naderen vna het huis een blank meisje, dat, door een afdak van groen geschilderd linnen tegen de stralen der zon beschut, op een stoel zat. Ik groette haar in het voorbijrijden; doch het scheen, dat zij mij niet gewaar werd, ofschoon ik kort langs haar heenreed, en de stappen van mijn paard haar reeds op mijne komst hadden moeten opmerkzaam maken. De mij onbegrijpelijke strakheid van haar gelaat en de onbeweeglijkheid harer gansche houding zouden het mij er voor hebben doen houden, dat ik een beeld en geen bezield wezen voor mij zag; doch zij was te schoon: het kwam mij onbegrijpelijk voor, dat het mogelijk zou zijn de natuur zoo na te bootsen, en een vrouw te beeldhouwen schooner dan ik er ooit eene in werkelijkheid gezien had, – de schoonste schepping der natuur te overtreffen. Dit alles boeide mij op de plek, en deed mij zoo onbeleefd zijn mijn paard te doen stilstaan, om dat gelaat, die oogen, die schoon gevormde gestalte ongestoord te beschouwen; doch het was geene onbeleefdheid, daar zij geen acht op mij sloeg; maar wel was het een vrouw, de schoonste der vrouwen. Zij beefde; want ik zag, hoe zij eindelijk een bloem ophier, welke zij in de hand hield, en die ik nog niet bemerkt had, immers hoe kom ik er ook het oog op laten vallen, ik, die geene oogen genoeg had, om de onbekende te beschouwen! toen wierp zij de bloem ver van zich af, die bijna mijn paard raakte; maar zij scheen het niet te zien. Toen ik, eenige oogenblikken later, om den hoek van het huis heen, naar den ingang reed, zat zij weder onbeweeglijk als vrdat zij de bloem wegwierp, die door mij was opgeraapt, en die ik nu reeds als een stuk van groote waarde beschouwde. Ik zag nog eens naar het meisje, dat met haar wit kleed niet beter kon vergeleken worden dan met het schoonste beeld, dat ooit uit het zuiverste marmer door de hand van den kundigsten de Grieksche beeldhouwers gevormd was; toen zag ik haar niet meer.

„Ik trof het, dat de eigenaar der plantage juist te huis was, zoodat de zaak, waarover ik kwam spreken, spoedig was afgedaan. De heer Berton was niet jong meer, en ook niet zoo vroolijk van aard, als ik tot nu toe de planters en zelfs de bejaarde hunner over het algemeen gevonden had; doch hij was vriendelijk en voorkomend. Het verheugdehem, zoo zeide hij, kennis met mij te maken, sprak mij met warme deelneming over het verlies van mijn oom, en noodigde mij uit, om hem, zoo dikwijls het mij aanstond, hetzij voor korten of voor langen tijd, te komen bezoeken. Bescheidenheid, of liever schroomvalligheid weerhielden mij om eenige vragen te doen, welke op zijn huisgezin betrekking hadden, en onder belofte van hem binnenkort een bezoek te brengen, nam ik afscheid, met het voornemen om langs denzelfden weg terug te keeren, in de hoop van de zonderlinge, doch schoone onbekende, die ik giste zijne dochter te zijn, nog eens te zien; doch de goede heer Berton benam mij deze hoop, door mij naar een nieuwe inrichting te leiden welke hij onlangs op zijne plantage had doen bouwen, zoodat ik langs een anderen weg dan den vroeger door mij gevolgden, zijne bezitting verliet.

„Indien ik niet tot de jongelieden sprak, dan zou ik het misschien noodig keuren om iets te zeggen ter verdediging van het gevoel, dat zich van mij had meester gemaakt; voor u, mijne Heeren! zal het, zoo ik vertrouw, genoeg zijn, dat gij weet dat ik nog jong was, en gij zult u niet verwonderen of het vreemd vinden, dat een Franschman zich overgaf aan de inspraak van zijn hart en niet aan die der rede: in n woord, ik was verliefd. Hoe ik echter mijn verstand pijnigde om mij zelven reden te geven van haar doen of liever van haar niets doen, het hielp mij niet; men zegt dat de liefde vindingrijk maakt; maar hare tooverkracht lichtte mij niet voor. Ik trachtte aan blindheid toe te schrijven, dat zij mij niet bemerkt had; doch hoe konden die oogen hun leven verloren hebben en zoo schoon zijn? en had niet zelfs haar gehoor haar moeten opmerkzaam maken, tenzij het bekoorlijk schepsel ook dit zintuig derven moest!

„Binnen weinige dagen was echter niets voor mij een raadsel meer; een edeler drift dan de nieuwsgierigheid dreef mij een raadsel meer; een edeler drift dan de nieuwsgierigheid dreef mij aan om den sleutel van dit raadsel te vinden; ik dacht niet eens na, of het  wellicht onbescheiden was, datgene te weten te komen, wat de Heer Berton mij nog niet gezegd had, en ik hem niet had durven vragen. Helaas! geeft de kennis van hetgeen voor ’s menschen oog verborgen is, zelden veel geluk, ook ik werd niet gelukkig, toen mij niets meer te raden, te gissen, ja te hopen overbleef.

„De Heer Berton was weduwenaar en had twee dochters; de jongste, Marie, bevond zich in Frankrijk, alwaar zij hare opvoeding ontving; de oudste, Lucie, woonde bij haar vader, maar hare verstandelijke vermogens waren gekrenkt! – zij was het, die ik gezien had. Die weinige woorden redden mij plotseling uit den doolhof van gissingen: alles was mij nu duidelijk; ik bevroedde alles; ik zag mij met ne schrede verplaatst uit den donkersten nacht in het helderste licht der zon; maar mijn hart kromp ineen; ik doorzag mijn ongeluk: het was Lucie, die ik beminde, en – zij was krankzinnig.

„Ook de oorzaak, waardoor deze lelie geknakt was, bleef mij niet verborgen. Hij die mij deze inlichtingen gaf, vroeg mij, of ik ook in Parijs den luitenant Juan Marie Du Teillade gekend had? Daar ik ontkennende antwoordde deelde hij mij nagenoeg het volgende mede: Du Teillade was met de grenadiers medegekomen, welke de Koning naar St. Domingo gezonden had; hij was van goede geboorte, niet onbemiddeld, en de gaven, welke de natuur hem geschonken had, gaven hem de middelen aan de hand om te behagen. Het viel hem niet moeilijk zich door de vrouw, welke hij wilde bekoren, te doen beminnen; zijne vleitaal scheen de waarheid in zijn mond. Te laat werd zij echter gewaar, dat al die woorden, al die betuigingen van liefde en achting, gehuicheld waren, en ofschoon zulks niet lang verborgen bleef, en hij er zelfs een eer in stelde om te praten met de overwinningen, welke hij behaald had, en de bewijzen van gunst, die zoo veelen hem gegeven hadden, zoo rekenden zich evenwel de meeste vrouwen gelukkig, om door hem ten dans geleid te worden. Zijne hulde en beleefdheden waren haar aangenaam; elkeen wilde den roem behalen dezen Lovelace gekluisterd te hebben. Lucie deed niet alzoo: nooit geleidde haar vader naar de Kaap, of naar de plantages in de nabuurschap om de partijen bij te wonen; – zij kende Jean Marie niet, zelfs niet bij naam; een ongelukkig toeval voerde den wolf binnen de woning van het onschuldig lam. De Teillade was, zooals ik gezegd heb, schoon en bevallig; Lucie beviel hem, hij spaarde geen moeite om haar te behagen; behoeft het u te verwonderen, dat het meisje geloof sloeg aan zijne logentaal, dat zij hem beminde?

„Waarschijnlijk had Du Teillade, door zijne schoonschijnende woorden en beloften, ook der heer Berton overtuigd van de oprechtheid zijner bedoelingen; ten minste ook de vader liet zich in slaap wiegen en verleende hem den toegang tot het huis, niettegenstaande het hem nu niet meer onbekend kon zijn, wie de man was, welke om de hand zijner dochter gevraagd had. Plotseling staakte De Teillade echter zijn bezoeken, en men weet nog niet of dit veroorzaakt werd, omdat hij vreesde, door een langer voorzetten van deze liefdehandel, de genegenheid van een vrouw van rang te verliezen, welke achter het geheim zijner gedurige afwezigheid was, en op wir verovering hij misschien meer prijs stelde dan op die van het eenvoudige meisje, of dat hij wanhoopte, om binnen korten tijd te zegevieren op de deugd van Lucie, en hij toen reeds voornemens was St. Domingo te verlaten. In n woord, nauwelijks had zijn wegblijven haar verraden, dat hij haar bedrogen had, of de tijding van zijn vertrek benam haar de laatste hoop op het terugkeeren van den ongetrouwe; doch de vader kon zich niet verheugen, dat zijn kind als door een wonder uit de handen van den verleider gered was; want – zij werd krankzinning.

„Als ware dit alles nog niet genoeg, om mijn hart met medelijden te vervullen, zoo vernam ik dat sommige lieden, als door een inblazing van den boozen geest gedreven, verspreid hadden, dat Du Teillade de man niet was, om het beleg op te breken, vrdat de sterkte zich overgegeven had; dat de tijden voorbij waren, dat men stierf of krankzinnig werd om de ontrouw van een minnaar, wien men nog geene meerdere rechten gegeven had. Zij vergeleken het hart van de onschuldige Lucie bij hunne eigen bedorven harten, waarin geen enkele en ware hartstocht meer ontgloeien kon; en die vrouwen, welke het lot van het ongelukkige slachtoffer schenen te beklagen, en dit slechts deden, om er een reden in te vinden om over de ontrouw der mannen wraak te roepen, schiepen er een boosaardig vermaak in, om, door haar ongeluk te vergrooten, zich te wreken, dat Lucie haar zoolang de hulde en de genegenheid van Du Teillade had doen derven. Gevoelde de arme krankzinnige nu al niets van dit alles; was zij reeds zoo rampzalig, dat zij zelfs voor de aantijgingen van den laster ongevoelig was; wist missschien zelfs haar vader niets van de geruchten welke er liepen, mij waren zij bekend, mij bedroefden ze en vervulden mij met razernij. Het verzwaarde in mijn oogen de verachtelijke handelswijzen van dien krijgsman zonder eer, en een vreeselijk verlangen om hem op te zoeken en terneder te stooten, rees in mijn hart.

„Ik gevoelde misschien een weinig minder liefde voor Lucie, nadat mij niets meer te weten overbleef; maar daarentegen veel, zeer veel medelijden, en dat ik ook liefde. Ik wist wel, dat ik haar nog beminde, maar nam mij voor, deze genegenheid zonder hoop te overwinnen en haar niet weder te zien; doch het gelukte mij niet haar beeld uit mijn hart te rukken! Vijf dagen nadat haar ongeluk voor mij geen geheim meer was, zait ik te paard en begaf mij op weg naar de woning haars vaders.

„De heer Berton toonde zich verheugd over mijne komst, en liet mij, met een der planter algemeen eigen gastvrijheid, dadelijk datgene aanbieden, wat mij aangenaam kon zijn om mij te verkwikken.

„Terwijl ik van zijne uitnoodiging gebruik maakte, en hij mij vriendschappelijk verweet, zooveel dagen te hebben laten voorbijgaan, zonder hem te bezoeken, verscheen Lucie plotseling in het vertrek. Een oogenblik begaf mij mijn bewustzijn; en toen ik mij haasten wilde om op te staan en en haar te groeten, legde haar vader de hand op mijn arm en zeide met een bewogen stem: „Blijf zitten, vriend! het is mijne dochter, maar zij slaat geen acht op u; hondermaal zoudt gij voorbij haar kunnen gaan of haar aanspreken, zij zou u niet gewaar worden; zij heeft haar verstand verloren, en van al de gaven der natuur, welke mijn arme Lucie eens bezat, blijf haar niets over dan hare schoonheid; en juist moest het dat geschenk zijn…… Zie, daar zit zij, op diezelfde plaats vertoeft zij uren achtereen, en altijd even onbeweeglijk; somtijds zit zij buitenshuis, en haar nige bezigheid bestaat in het plukken of ontbladeren van eenige bloemen. Zij is de zachtheid zelve; elkeen beklaagt mijn ongelukkig kind, en de negers vereeren haar als een hoger wezen.”

„Terwijl hij sprak, gelukte het mij mijne aandoening gedeeltelijk te overwinnen, en mijne oogen afwendende van het doodelijk bleek gelaat, hetwelk ook de onbeweeglijkheid des grafs had, betuigde ik mijne deelneming in haar ongelukkig lot, en bad hem mij te zeggen, of er geen hoop meer overbleef om haar weder hersteld te zien, hetzij door haar van luchtsgestel te doen veranderen, of haar door de voornaamste geneesheeren van Parijs te doen verplegen.

„ „Mijn waarde Heer”! antwoordde hij, „dit is hetgeen ik mij reeds meermalen heb voorgesteld; maar het zou haar dood veroozaken, ten minste haar leven in groot gevaar stellen, zonder dat eenige hoop op haar herstel dezen gevaarlijken stap zou kunnen doen aanraden; en ik heb mijne Lucie te lief, om haar leven in de waagschaal te stellen, tegen het gevoelen van de geneesheeren die hier zijn, en dat door den raad van de voornaamste professoren van Frankrijk ondersteund wordt. Was dit het geval niet, ik zou niets liever wenschen dan St. Dominog te verlaten; niets noopt mij meer hier te blijven, en mij hart trekt mij naar mijne jongste dochter, die bij een zuster harer moeder in het moederland is grootgebracht, en die ik in zoovele jaren niet gezien heb.”

„Sedert dezen dag bezocht ik den heer Berton vlijtig, en naarmate ik meer met hem bekend werd, leerde ik hem hoe langer hoe meer achten. Ook ik scheen hem te bevallen, en toen hij zag, dat ik meer voor hem geworden was dan een gewone kennis, deelde hij mij mede wat het ongeluk zijner dochter veroorzaakt had. Ofschoon ik reeds bekend was met het gebeurde, en het mij verheugde te bemerken, dat de geruchten der kwaadsprekendheid den vader gespaard gebleven waren, zoo welden evenwel de tranen in mijn oogen op, toen ik opnieuw en no zoo van nabij hoorde verhalen, met hoeveel overleg Du Teillade was te werk gegaan in de aanknooping van zijn liefdehandel, en van de smart van Lucie over de ontrouw van haar minnaar, totdat zij ongevoelig werd voor alle leed. „O!” zeide de vader, terwijl hij zich de oogen afdroogde, „had ik ooit kunnen denken, dat ik had moeten vloeken in plaats van te zegenen, als ik den jongeling uit den grond van mijn hart en met al mijn vaderlijk gevoel dankbaar was voor zijne liefde voor mijn kind, voor het geluk van bemind te worden en te beminnen, hetwelk hij haar deed kennen; o! had ik het geweten, ik zou n dezer geweren van den wand gerukt en den booswich ternedergelegd hebben. Als mijn Lucie haren Jean Marie of Marie zooals zij hem meestentijds noemde, bij de hand houdende, mij met snelle vaart door gindsche laan van citroen- en oranjeboomen te gemoet kwam, na de wandeling die zij gewoonlijk deden, om onder het dichte loof van het bosch, dat zich dr verheft, des morgens den frisschen zeewind in te ademen, dan dankte ik hem voor het geluk, dat op het schoone gelaat van mijn kind te lezen stond – en hij bedroog haar! Nog klinken mij de woorden in de ooren, welke zij zeide, voordat het zwarte kleed nederviel, dat nu haar geest overstelpt heeft; driemaal riep zij den ongetrouwe, en toen zij voor de laatste maal „Marie!” geroepen had, had ik mijne dochter verloren, die mij liefhad en mijne vreugde was; van mijne Lucie was niets over dan dat schoone beeld; en ofschoon sedert dat oogenblik mijn naam uit haar geheugen schijnt uitgewischt, beklaag ik er mij niet over, omdat ook die van den ellendeling haar vreemd geworden is. Het is mij genoeg, dat zij mij schijnt te kennen en mijne liefkoozingen niet afwijst; ik dank God dagelijks, dat Hij mij het leed bespaard heeft, mijn arm kind te hooren zuchten om den ongetrouwe, of zijn naam vol liefde te herhalen.”

„Ook ik achtte het een groot geluk; want Lucie den naam van den man te hooren noemen, dien ik verachtte en wien ik een onverzoenlijken haat toedroeg, zou mij diep gegriefd hebben. Ik zette mijne bezoeken voort, ofschoon ik mij overtuigd hield, dat er voor haar geene herstelling te hopen overbleef, en mijne liefde zonder doel was; ook dacht ik dat gevoel, hetwelk haar eerste aanblik had doen ontstaan, overwonnen te hebben: indien ik het huis haars vaders bezocht, was het uit vriendschap voor den heer Berton en uit medelijden voor zijne dochter. Er verliep een geruime tijd, voordat Lucie mij eenige meerdere opmerkzaamheid schonk; in het begin had ik haar vruchteloos toegesproken; zij gaf geen acht op mijn komen en gaan; zelfs liet zij geen spoor van tevredenheid bemerken, als ik bloemen voor haar plukte en ze haar overgaf. Nu echter scheen zij mij te kennen; mijn komst scheen haar te verheugen, ofschoon zij nooit mijn naam noemde; maar ik kon niet hopen op een geluk, dat haar vader zelfs niet te beurt viel, en ik was reeds zoo verheugd dat ik ten minste ook aandeel had in die kleine vonk van gevoel, welke nog in hare borst scheen te sluimeren. Somtijds vleide ik mij met de hoop, dat mijne wenschen zouden vervuld worden en het mij gelukken zou, door mijne zorg voor haar, dat overblijfsel van haar verstand, hoe zwak ook, tot een weldoenden gloed te doen aanwakkeren. Haar vader zag met vreugde, hoe ik in hare gunst deelde, hoe zij eerst zonder weerzin, doch ook zonder verlangen, met mij dagelijks ging wandelen in het woud van eiken en mahonieboomen, dat aan de bebouwde gronden zijner bezittingen grensde, en hoe zij van lieverlede met zekere drift naar het oogenblik begon te verlangen, dat ik haar mijn arm zou aanbieden, om boschwaarts te gaan. Had zij vroeger, als ik hare hand in de mijne nam, dit, zoo het scheen, niet bemerkt, nu ontwaarde ik, dat, wanneer ik hare hand aanvatte, haar gelaat niet mer zoo volstrekt onbeweeglijk bleef, en zij zeer goed wist, dat ik het was, – dat het haar verheugde; en ik merkte diezelfde uitdrukking op in hare oogen en op haar gelaat, als wanneer haar vader haar bij de hand nam of kuste. Eens zelfs reikte zij mij hare hand; ik was opgetogen en bracht ze aan mijne lippen; doch toen ik weder opzag en reeds droomde van een verbetering van haar lot, zeiden mij de trekken van haar wezen of hare oogen niet meer.

„Doch ik vermoei uwe aandacht, mijn Heeren! door zoolang te olijven stilstaan bij oogenblikken des levens, welke alleen voor mij van belang en onvergetelijk zijn. Ik zal u dus slechts zeggen, dat ik omstreeks een half jaar aldus doorbracht, en daarvan den meesten tijd ten huize van den heer Berton. Toen begon ik te bespeuren dat mijne herhaalde afwezigheid van la Succession en de schaarschheid mijner bezoeken bij mijne overige bekenden opzien begonnen te baren. Een hunner, die mij onbewimpeld te kennen gaf, dat de spraak ging, dat ik op Lucie verliefd was, en ik haar ten huwelijk gevraagd had, opende mij de oogen, en ik mag het wel zeggen, nu ik oud en grijs ben, ik was jong en zag er vrij wel uit; bovendien was mijn vermogen voor niemand een geheim. De moeders waren verstoord op de arme Lucie, die de oorzaak was, da ik hare dochters het hof niet maakte, en de vrouwen, die behaagziek waren, wreekten zich door het verspreiden van dit gerucht op de ongelukkige krankzinnige, die haar nu wel de hulde van geen luitenant Du Teillade, maar toch die van een jongen man onthield, die rijk was, en wellicht een goede echtgenoot kon worden. Ik was radeloos, en wist niet wat te doen; wat mij zelven betrof, ik lachte met het oordeel der wereld; maar was ik niet verschuldigd aan den heer Berton en aan zijne dochter, mijne bezoeken te staken? En toch, wat zou er van Lucie worden? wie zou met haar wandelen en de bloemen plukken, welke zij het liefste had? Moest zij niet nog ongelukkiger worden, als ik, die thans elken morgen kwam, zou wegblijven; als zij tevergeefs mij zou te gemoet gaan; want dat deed zij reeds, en het had mij zoo vervreugd; zou ik dat geluk opofferen, haar laten wachten, en dat om de kwaadsprekendheid der wereld? Wie zou mij dank weten voor mijne opoffering, mij schadeloos stellen voor mijn verlies? Doch het was noch niet om mijn geluk of mijne vreugde, welke ik zoo gaarne voor Lucie zou opgeofferd hebben; maar wat zou de wereld de arme krankzinnige aanbieden in vergelding van mijne zorgen? immers niet! Zij kon dus zoo wreed niet zijn; zij had het recht niet mijne verwijdering te vorderen; Lucie moest mij meer waard zijn dan al het overige; ik beminde haar niet, en zij had een heilig recht op mijne vriendschap en mijn medelijden. Ik zette mijne bezoeken voort; maar, helaas! weldra kon ik mij zelve niet langer misleiden; mijne medelijden was nog liefde; mijne gezondheid en krachten verlieten mij; ik beminde een krankzinnige…… o! meermalen vreesde ik, dat diezelfde kwaal mij zou treffen, en ik bad den Hemel, er voor te bewaren, en in andere oogenblikken beschouwde ik, dat het verlies van mijn verstand een weldaad zou zijn; nauwlijks had ik krachten genoeg meer om Lucie op hare wandelingen te vergezellen, dikwijls als ik haar een bloem aanbood, dacht ik: misschien is dit de laatste, die gij van mij ontvangen zult, of ik bad, dat het z mocht wezen.

„Een middel van redding was er misschien nog over: het was mijne gronden te verkoopen en naar Frankrijk terug te keeren. Maar Lucie? wat zou haar lot zijn? wat zou haar vader denken, als ik zoo plotseling het eiland verliet? Moest ik even handelen als Du Teillade, de vriend evenals de lage minnaar? De heer Berton redde mij uit deze besluiteloosheid. Op zekeren dat zeide hij, terwijl zijne dochter ter ruste lag: „Perville! waarde vriend! gij zijt ongesteld; gij kwijnt weg; dat kan niet langer zoo blijven; tevergeefs tracht gij het te verbergen, of hetgeen uw hart gevoelt te onderdrukken: gij bemint Lucie!” Hij zweeg, terwijl ik mijn voorhoofd op mijne hand nederboog; toen vatte hij mijne andere hand en vervolgde bewogen: „Gij treurt, ik beklaag u; ik vraag niet, hoe ik zelf haar bemin, en zij is zoo ongelukkig! nu ik u zie lijden, verwensch ik dubbel hare schoonheid; eens kostte zij mij mijne dochter; nu zal zij mij een vriend uit de armen rukken! Had hij, die ik nu niet noemen wil, hier nooit zijne voeten gezet; had hij het ongeluk niet gebracht over mijn huis, dan zou zij u hare wederliefde geschonken hebben; ik ben er zeker van, en ik zou zoo gaarne mijn zoon genoemd hebben; maar nu! – zie, mijn arme Lucie is minder dan die neger, die zich dr in de schaduw heeft nedergevleid; dan het slechtste paard, dat dr voor dien wagen trekt; minder dan het stuk steen, dat ginds onbeweeglijk ligt en geheel zielloos is; want ik kan haar niet wegschenken. Gij moet ons niet meer bezoeken; het kan niet anders; gij zijt nog jong: tijd en verstrooiing zullen u haar doen vergeten. Geloof mij, ik acht u hoog, ik waardeer uwe vriendschap; maar gij sterft, gij moet ons verlaten.”

„ „En Lucie?” vroeg ik met drift.

„ „Zij!” zeide haar vader langzaam; en ik zag, dat hij zocht naar hetgeen hij zeggen zou, „zij zal u niet missen: n, twee dagen misschien zal zij u wachten; dan zal zij het reeds gewoon zijn u niet meer te zien.”

„ „Dan reeds,” riep ik, „geloof dat niet; met wien zal zij willen gaan wandelen, als ik er niet meer wezen zal? uwe krachten beletten u immers, haar te vergezellen op die wandelingen welke haar zoo heilzaam zijn, en die zij in het gezelschap van niemand anders doen wil? Wie weet, welke bloemen zij het liefst heeft? gij weet het zelf, geachte vriend! en zla ik niet ondanks mij zelven, mijne schreden naar de plaats richten, waar zij woon?”

„ „Perville!” zeide de heer Berton, na zich bedacht te hebben, „indien ik u niet kende, indien gij niet geheel mijne achting en mijn vertrouwen genoot, dan had ik u reeds vroeger gebeden niet zoo dikwijls meer hier te komen; ik zou u nu verzoeken uwe bezoeken te staken, desnoods als vader u mijn huis verbieden. Doch ik ken u; zooals ik zeg, gij bezit mijn vertrouwen; daarom liet ik, ofschoon ik uwe liefde vermoedde en uw hartstocht mij nu zeker bekend is, mijn dochter gerust aan uwe zorg over. Niettegenstaande ik eens schrikkelijk bedrogen ben, vertrouwde ik u mijne Lucie; ik stelde de deugd van de arme zinnelooze onder uwe hoede, en zal dat gerust blijven doen, als den nigen schat, welken zij bezit, behalve het leven; ik weet het, die deugd zal u heilig zijn. Maar voor u zelven wat moet het einde wezen? Geloof mij, het kost mij veel; maar luister naar mijn raad: ik bezweer u bij alles wat heilig is, bij onze vriendschap, in naam van Lucie zelve, verlaat St. Domingo; toon u een man, een verstandig man; geloof mij, het moet zoo zijn; gij sterft, en wie zal haar dn vergezellen? zal zij ook dn niet naar u wachten en tevergeefs uitzien? Ga! bespaar mij het verdriet u te moeten verliezen, zonder hoop om u weder te zien, dan daarboven, waar wij Lucie eens gelukkig zullen zien!”

„ „Ik zal vertrekken,” antwoordde ik verslagen; „ik zal het eiland verlaten, mijn vriend! maar niet terstond; langzamerhand zal ik mijne bezoeken verminderen, en ditmaal zal uw vertrouwen niet teleur worden gesteld, dat ik altijd waard zal blijven en vergelden wil door uw raad te volgen.

„Moet ik u mijne zwakheid bekennen, mijn Heeren? later verwenschte ik het oogenblik, verwenschte ik deze belofte had afgelegd. Ene zaak was er echter, die mij moed gaf: ik had er, als het ware, bij bedongen, dat mijn vertrek niet terstond zou plaats hebbe, en, gelooft mij, ik was zoo slecht of zoo dwaas om te hopen, dat Lucie reeds te zeer gewoon zou zijn aan mijne tegenwoordigheid, om die te kunnen ontberen, zonder dat het hare gezondheid schaadde; ik streelde mij met de gedachte, dat haar vader in dat geval niet zou aandringen op mijn vertrek. Het was alsof een geheime macht mij op het eiland boeide; mijn leven was, dacht mij, verbonden aan mijn blijven, en een flauwe schemerigen van hoop verrukte mijn hart van geluk, als ik nadacht, of het soms aan de liefde ook vergund zou zijn, datgene aan Lucie terug te geven, wat zij haar ontnomen had.

„Maar mijne hoop was ijdel, dagelijks zag ik het in; ik zou Lucie moeten verlaten, en haar vader herinnerde mij, evenals een geneesheer, die zijn plicht behartigt, hetgene mij redden moest. De dwaasheid van mijne droomerijen werd mij dagelijks duidelijker: ik wan niet op de kwaal die Lucie beheerschte, mijne liefde was onmachtig haar het verstand terug te geven; zij kon niet herstellen, wat Du Teillade’s ontrouw verbroken had! Vruchteloos week ik niet van hare zijde, beschreef haar met geestdrift, schier met de drift der wanhoop, wat zich voor ons oog opdeed: boomen, planten en bloemen, vogels en insekten of de schakeringen van licht en bruin; even vergeefs beproefde ik door het geliod van de muziek of den zang de toovermacht te verbreken, die haar gelaat beneveld had. Dit alles, dat haar zoo sprekend moest doen gevoelen, dat ik haar beminde, wekte maar zelden, en dan nog maar voor een oogenblik, hare aandacht op. Slechts wanneer, ik, geheel ontmoedigd, veeltijds haar niet volgen kon, en moest gaan zitten of, door zwakte en aandoening overmand, naast haar nederviel, dan bevreemdde haar, zoo het scheen, mijne traagheid; maar de tranen die mij uit de oogen sprongen, troffen haar niet, en niettegenstaande zij somtijds op hare hand vielen, als ik die aan mijne borst drukte, zoo was het alsof zij op een steenrots nedervielen.

„Tot op heden heb ik u niet onderhouden dan over het verdriet, dat mij trof; nu zal ik u verhalen, wat mijne treurigheid in vreugde deed verkeeren. Ik volgde met haar op zekeren morgen een smal voetpad, hetwelk in zijn loop de kronkelingen volgde van een bergkloof, langs welker linkerzijde het heenliep. Nu en dan slechts, wanneer de heesters en boomen ontbraken, welke aan de helling groeiden en over de diepte zweefden, en het pad het vergunde om den zoom der diepte te naderen, dan zagen wij het water, da aan onze voeten zeewaarts spoedde, en welks gedruisch de diepe stilte, welke hier heerschte, afbrak. Reeds meermalen had ik dezen weg met Lucie betreden tot aan een brug, welke naar de overzijde voerde, en evenals vroeger had ik nu en dan stilgestaan en, haar bij de hand houdende, getracht om haar opmerkzaam te maken op de schoonheden, die ons omringden. Getracht zeg ik, want ook nu sprak ik tevergeefs over de terugkaatsing der zonnestralen op de kruin van een palmboom, die zich aan de overzijde van den oever verhief, en de boomen en heesters, die zich in zijne nabijheid vertoonden, had doen versterven. Vruchteloos maakte ik haar opmerkzaam, toen ik haar deed nederzitten, op de bloemen der platanen en andere boomen, op de lianen, die aan de helling, tot in de diepte, veeltijds den geheelen rots- en bergwand bedekten met een groen gordijn bezaaid met blauwe, roode en gele bloemen, of van boom tot boom, of tusschen de heesters, die in de rotsspleten groeiden, in sierlijk loofwerk afhingen, of bloemkransen vormden, als of een vorst of bruid daar voorbij moest trekken; maar ijdel was mijn taal! Van tijd tot tijd ontsnapte haar slechts een enkel woord zonder bedoeling of samenhang, zooals zij gewoon was te uiten; en evenwel was zij weltevreden en ademde met genoegen den koelen zeewind in, die, vermengd met den geur van citroenbloesem en duizend andere planten en bloemen, over de vlakte tot ons drdrong en zijn weldoende kracht gevoelen deed.

„Wij vervolgden onzen weg, welke voortdurend, ofschoon ongemerkt, opwaarts liep, tot aan de brug, waar het pad met meer spoed begon te rijzen en zich al zeer schielijk tot een aanmerkelijke hoogte boven het water verhief. Op de plaats waar wij ons nu bevonden, had de toenadering der beide oevers gelegenheid gegeven tot het overwerpen van een brug, die uit twee boomstammen bestond, welke met ruwe planken gedekt waren; honderd malen had ik er gebruik van gemaakt, ook met Lucie, en hield er veel van, om, op het midden staande, naar de rivier te zien, welke gedurende de zware regens veranderde in een breeden stroom, die de boomen en planten van den berg, welke hem in een eng bed terugdrong, in zijne vaart medesleepte. Doch nu boden de begroeide bergwanden een vroolijk gezichtspunt aan, en eenige negers, die waarschijnlijk langs een hun bekend pad naar de diepte afgedaald, zich met visschen bezighielden, zetten eenig leven aan dit natuurtooneel bij. Wij gingen voort; doch eensklaps gleed mijn linkervoet uit over een rond voorwerp, dat op de brug lag; misschien was het een zaadkorrel, welken een vogel had laten vallen; een rilling ging mij door de leden. „Sta stil, Lucie!” riep ik, terwijl ik haar losliet, om haar niet te doen vallen; doch juist door mijne overgroote bezorgheid voor haar, en omdat ik slechts naar haar zag, verwaarloosde ik alle zorg voor mijn behoud, toen ik viel; het mislukte mij, om mij aan de ranke leuning of aan de brug zelve te grijpen, en met het oog gericht op haar, welke ik dacht voor het laatst te zien, riep ik nog eens: „Lucie!” en stortte in de diepte. Waarom was ik zoo onvoorzichtig om haar te roepen, niettegenstaande ik volmaakt besefte, wat mijn lot moest zijn, en dat zij mij geene hulp bieden kon; of liever gelukkig, dat mijn hart een laatst vaarwel deed toeroepen? Ik hoorde een luid geschreeuw, en had nog den tijd om te beseffen, dat het de negers waren, vrdat ik in het water viel; ik meende dezelfde kreten, hoezeer dan ook flauw, nogmaals te vernemen, terwijl ik, onder water zijnde, al mijne krachten inspande, om de oppervlakte weder te bereiken. Op het oogenblik dat mij dit gelukte, viel er iets met een doffen slag in de vloeistof, welke mij droeg, maar wier stroom mij medesleepte; ik kwam nog even tijds genoeg boven, om een stuk witte stof te zien, welke nog een oogenblik op het water dreef. Was het Lucie? die gedachte was vreeselijk. Vergeefs sloeg ik het oog omhoog; ik bevond mij juist onder de brug; maar er was geen tijd te verliezen; ik lette niet op het vergeroep en geschreeuw, dat zich aan den oever verhief, ik dook onder water. Wat er toen gebeurd is, weet ik zelf niet: de kracht die ik heb moeten gebruiken om, hoe weinig dan ook, tegen den stroom op te zwemmen, is mij altijd verwonderlijk voorgekomen; want ik was wel jong, maar het verdriet had mijne krachten ondermijnd. Ik weet niets dan dat ik mij wanhopig kantte tegen den stroom, in wiens ingewanden ik mij vrijwillig gestort had; dat ik het voorwerp vatte, hetwelk ik had zien vallen; dat ik Lucie herkende, en dat ik toen naar boven wilde zwemmen.

„Toen ik tot mij zelven kwam, lag ik aan den oever; de oude huisneger mijns ooms, Houba, die mij gewoonlijk vergezelde, als ik naar den heer Berton ging, lag op zijne knien naast mij en klapte in zijne handen, toen hij mij de oogen zag openen. „Lucie? Houba! Lucie?” riep ik; meer kon ik niet uitbrengen en zag tevergeefs naar haar om. „Naar huis, levend, met meester papa!” was het antwoord; en terwijl ik God dankte voor haar behoud, verhaalde Houba mij, dat de negers mij gered hadden, ofschoon niet dan met moeite, toen ik mij met Lucie, die mij nagesprongen was, op de oppervlakte des waters vertoonde, en op het punt stond weder met haar te zinken. En der negers had de tijding van het gebeurde aan haar vader gebracht, die zelf gekomen was om zijn kind te halen, dat vroeger dan ik eenige teekens van leven gegeven had; elk oogenblik verwachtte Houbba eenige negers met een draagbaar om mij te vervoeren.

„Ik beproefde, door Houba ondersteund, te gaan; doch ik was genoodzaakt te wachten, totdat de draagbaar kwam. Terwijl de zachte schommeling, welke de tred der negers veroorzaakte, en mijne zwakte mij bijna in slaap wiegden, herhaalde ik bij mij zelven: „Gode Lucie! meester nagesprongen,” zijnde het antwoord, dat Houba mij bij herhaling op mijn gestadig vragen gegeven had. Ik wist, dat mij val haar zelfs niet had doen wankelen; dat het dus haar eigen wil geweest was, den doodelijken sprong te doen; mijn verstand zeide mij, dat hare kwaal de oorzaak was, dat zij mij gevolgd was; mijn hart herhaalde telkens: „Lucie deed het uit liefde.”

„Zachtjes aan sluimerde ik in, en toen ik de oogen opende, zag ik den heer Berton, en den geneesheer van Dondon vr het rustbed staan, waarop men mij had neergelegd. Mijn eerste vraag was naar Lucie, en toen men mij zeide, dat deze leefde en sliep, wilde ik mij haasten om op te staan, ten einde mij zelven te overtuigen, dat ik haar niet verloren had; doch de geneesheer verzocht mij dit na te laten, en toen ik hem zeide, dat ik mij sterk genoeg gevoelde, om, door hem ondersteund, te gaan, en het geluk om haar te zien, desnoods met mijn leven zou willen koopen, toonde haar vader zich reeds half overreed; doch de geneesheer gelastte mij, zulks ter wille van Lucie na te laten, daar de minste stoornis van hare rust doodelijk kon zijn en vreeselijke gevolgen hebben; die verantwoording wilde hij niet op zich laden. In alle geval moest ik geduld hebben, totdat de heer Duval, de eerste geneesheer van het geheele eiland zou gekomen zijn. Ik onderwierp mij aan zijn wil, doch hoopte dat Duval, die ik zeer goed kende, minder streng zou wezen.

„Tegen den avond kwam Duval. Met angst en verlangen wachtte ik naar hetgeen hij zeggen zou; doch toen hij mij bezocht, en ik hem mijn verlangen voordroeg, weigerde hij even stellig als zijn ambtgenoot zijne toestemming te geven. In het breede ontvouwde hij mij zijne gedachten, en hetgeen er te hopen en te vreezen was: zij kon wellicht uit den diepen slaap, waarin zij gevallen was, ontwaken, verlost van de wezenloosheid, die haar tot nog toe beheerscht had; maar in dat geval kon hare krankzinnigheid ook tot razernij overslaan. Lucie, de ongelukkige, die de zachtheid zelve was, door mijn toedoen vervallen tor razernij! dit maakte mij wanhopig, en de goede Duval voegde er, om mij tot bedaren te brengen, bij, dat hij gezegd had wat mogelijk was, omdat ik het hem verzocht had; niet wat er gebeuren zou; want dat hij dit niet voorzien kon, en dat hij, evenals hij  haar vader gedaan had, ook mij tot troost kon zeggen, dat het ontwaken uit die sluimering misschien een einde kon maken aan haar ongelukkig leven met een zachten dood; ja! dat er, hoewel dan flauw, nog eenige hoop was, om haar verstand te zien wederkeeren. Hij vertrok, en ik zoowel als de vader, hielden ons vast aan deze laatste schemering van hoop.

„De geneesheer van Dondon bleef; tusschen hoop en vrees dobberende wachtte ik naar berichten van Lucie. Van tijd tot tijd kwam haar vader mij zeggen, dat zij voortdurend bleef slapen. Ik had mij voorgenomen mijne oogen niet te sluiten, teneinde er niets zonder mijn medeweten zou kunnen gebeuren; doch mijn wil moest zwichten voor mijne uitgeputheid, en Houba, wien ik gelast had mij telkens te wekken, als ik dreigde in te sluimeren, kwam mijne bevelen niet na; de herhaalde last van den Heer Berton en den geneesheer maakte hem ongehoorzaam.

„Het was dag, toen ik met schrik ontwaakte. De heer Berton sloot mij in zijne armen en stamelde de naam zijner dochter. Hij kon niet spreken van aandoening, en toen ik zijne tranen op mijn aangezicht voelde vloeien, riep ik wanhoopig: „Lucie is dood, en ik heb geslapen!” Doch liefelijk klonken mij de woorden van haar vader in de ooren, toen hij, zijn spraakvermogen terugbekomende, zeide: „Neen! neen! zij is niet dood; maar zij heeft mij herkend!”

„U te beschrijven, mijne Heeren! wat ik toen gevoelde, zou niet mogelijk zijn. Ik wilde haar zien; helaas! het werd mij verboden. Eerst twee dagen later werd het mij vergund, in tegenwoordigheid van Duval, die mij op mijn woord van eer had laten belooven, de voorschriften te volgen, welke hij mij gegeven had. Niets van hetgeen gebeurd was, mocht haar worden herinnerd; tot nog toe had zij niet laten blijken, dat haar vroeger ongelukkige toestand haar bekend was; alleen had zij bij herhaling tot haar vader gezegd: „Ik ben lang ziek geweest, is ’t niet zoo?” Ik moest mijne liefde in mijn hart terugdringen en mij slechts voordoen als een vriend haars vaders.

„Eindelijk was het oogenblik dr, waar ik zoolang naar verlangd had: ik zou Lucie zien, en mijne beenen bogen onder mijn lichaam. Ik trad hare kamer binnen; Duval gaf mij zijn arm. Ik werd haar gewaar! even schoon als altijd lag zij daar; haar arm rustte op de witte bedsprei, en de warmte veroorzaakte, dat zij geene muts droeg. Ik had gewenscht op haar toe te snellen en haar aan mijne borst te drukken; doch Duval drong mij, een buiging te maken, en de heer Berton, die aan het hoofdeinde zat, zeide: „Lucie! daar is mijn goede vriend Louis Perville, die u komt bezoeken.” Het kostte hem moeite om dat op een vroolike toon te zeggen: zijne stem beefde. Ik zelf was ontsteld, en Duval die voor de kranke scheen te vreezen, zal haar met ernstige blik aan; dit deed mij geheel mijne tegenwoordigheid van geest terugbekomen; ik naderde, boog mij nogmaals en zeide toen beleefd: „Mijheer uw vader, Mejuffrouw! is zoo vriendelijk geweest mij te zeggen, dat gij de goedheid gehad hebt mijn verzoek om u te mogen bezoeken, toe te staan; ik dank u voor deze gunst en indien de wenschen van mij en van al de vrienden uws vaders vervuld worden, dan zult gij spoedig geheel hersteld zijn.”

„De zwaarmoedige uitdrukking van haar gelaat, toen ik in de kamer trad, verminderde een weinig; doch zonder dat zij door eenig teeken of de geringste beweging verried, dat zij mij herkende (hetgeen mij geruststelde, maar toch smartte), antwoordde zij zacht en vriendelijk, terwijl zij met haar hoofd knikte: „Ik dank u, Mijnheer! uw bezoek is mij welkom; o! ik ben zeer ziek geweest, doch nu weer beter.”

„Zij stak mij hare hand toe, en toen ik die in de mijne nam en kuste, zag zij mij aan en scheen zich iets te willen herinneren. Toen zeide zij vragend, terwijl wij allen een diepe stilte bewaarden, haar vader verbleekte, Duval met zijn ambtgenoot een bezorgden blik wisselde, en ik zoo koud werd als een doode: „Louis Perville is immers uw naam? ik herinner mij niet…… en evenwel het is mij als had ik u meer gezien; maar, waar……” Hier zweeg zij en bedacht zich.

„Wellicht……” zeide ik; doch Duval fronste het voorhoofd; toen vervolgde ik „Louis Perville is mijn naam, Mejuffrouw!”

„ „Het is mogelijk,” sprak zij steeds in gedachten verloren; toen wendde zij hare oogen van mij af, en het hoofd naar haar vader buigende, vroeg zij: „Is het niet, die gevallen is, lieve vader? mijn hart zegt mij, dat hij mij gered heeft; antwoord toch!”

„ „Lucie!” zeide de heer Berton, – maar hij kon niets meer zeggen, en wederom zag zij mij aan: toen zeide Duval snel: „uw hart bedriegt u niet, Mejuffrouw! hij is het.”

„ „O! ik wist het wel; eeuwig zal ik u dankbaar zijn: aan u zeg ik dank, dat ik mijn vader wederzie; maar dan is mijnheer ook diegene, die mij die schoone bloemen bracht!” zeide zij, en toen ik hare hand losliet, en zitten ging (want het geluk overstelpte mijn hart) kon ik slechts stamelen: „Ik had dat geluk, Mejuffrouw!” Zij vervolgde vriendelijk: „O! Mijnheer Perville! wees dan zoo goed er eenige te gaan plukken; sedert twee dagen vergeet gij mij: ga bid ik u; gij alleen kent die, waaraan ik de voorkeur geef.”

„Ik stond op; Duval gaf lachend voor, mij te willen helpen, doch deed dit slechts om mij  zijn arm weder te kunnen aanbieden, maar vrdat ik het vertrek verliet, deed hare stem ons stilstaan. „Mijnheer Perville!” riep zij, en zeide tot hare vader: „Maar indien mijn hart en mijnheer Duval mij niet misleiden, indien hij het is, waarom is hij dan nu reeds hersteld en ik niet?”

„ „Maakt mijne Lucie er dan aanspraak op, om even sterk te zijn als een man?” vroeg haar vader lachend, en zij zeide beschroomd: „Neen, maar ik dacht……” en vervolgde toen luider: „Ga dan, Mijnheer Perville! indien gij u w; gevoelt, anders……”

„ „O! ik ben wl!” haastte ik mij te zeggen, en gin leunende op Duval de kamer uit, zittende op de draagbaar, op welke de negers mij reeds eens gedragen hadden, koos ik de bloemen uit, terwijl Duval ze plukte, in ik zorgde wel, er geene aan te wijzen van die soort, welke zij weggeworpen had, toen ik haar de eerste maal zag, en staad had ik haar zoo zien handelen. Eenige oogenblikken later was ik zoo gelukkig haar te hooren bedanken voor den bloemruiker, welken ik haar bracht; het was voor de eerste maal, en die dag was de gelukkigste mijns levens.

„Ik behoef u niet te zeggen, met welk een blij gejuich ik het aanbreken van elken dag begroette; hoeveel geluk elke dag mij beloofde en deed genieten; dat ik Duval mijn geheele vermogen zou geschonken hebben, indien hij er mij om gevraagd had, toen hij de verzekering gaf, dat Lucie gered was, dat hij, zoo haar geen nieuwe rampen troffen, voor het behoud van haar verstand instond. Ik was opgetogen, zelfs schier zinneloos van vreugde; niet was er in zijne woorden, dat mij verontrusten kon, zelfs niet voor het vervolg; welke rampen konden haar ook treffen? immers geene, daar mijn liefde haar die besparen zou: z dwaas is de jeugd. Nu vergezelde zij mij niet meer als een levenlooze, als een beeld! ik sprak niet meer tevergeefs, en met mijne woorden drong het gevoel van mijn hart in het hare door; ik won hare liefde, of veeleer ik bespeurde, dat zij mij beminde, misschien reeds lang bemind had; de genegenheid, welke de arme krankzinnige mij betoond had, was toen zeker het gevoel, dat haar hart koesteren kon.

„Een jaar na Lucie’s gevaarlijken sprong in de rivier, stond zij, haar blozend gelaat aan mijne borst verbergende, mij toe, om haar vader te verzoeken den dag onzer verloving te bepalen; en om u slechts een gering denkbeeld te geven van het geluk, dat mij te beurt viel, van de vreugde van mijn hart, welke ik tevergeefs zou trachten u zelfs met flauwe kleuren af te malen, toen de zegen des priesters mij met haar verbonden had, zal ik u haar afbeeldsel laten zien.”

Dit zeggende haalde Perville zijn portefeuille uit den zak, opende een geheime sluiting, nam er een portret uit, en het ons overgevende, vervolde hij, terwijl hij zijn hoofd op zijne handen liet rusten: „Z was mijne Lucie! Weinige dagen vr ons huwelijk schonk zij mij dit afbeeldsel; maar zij was nog schooner dan die mengeling van verven op dat ivoor; en gij ziet dr slechts haar gelaat: hare ziel, hare deugden; dt alles kan alleen het hart gevoelen en bewaren; dt is der kunst ontzegd.”

Wij moesten erkennen, dat het een bekoorlijk voorbeeld van vrouwelijke schoonheid was; maar evenals Perville, zou ik er u moeilijk een denkbeeld van kunnen geven: de schoonheid, vooral die eener vrouw, laat zich gevoelen, bewonderen, – maar niet beschrijven. De droefheid van den Franschman bevreemdde ons nu niet meer, en ik vergaf het hem, dat hij ons zijn levensloop verhaalde in de taal van een verliefde in de vorige eeuw, en die der helden van Mad. De Genlis, nu zaliger gedachtenis.

Terwijl wij, na de beschouwing van het portret, in gepaste bewoordingen onze bewondering over de schoonheid van Lucie te kennen gaven, stond onze kapitein op en verliet de kajuit om, volgens zijn zeggen, even op dek te gaan kijken, of de Condor goeden gang hield. Beviel de vrouw van Perville hem wellicht minder dan ons, zeker had hem het lange verhaal van die liefdesgeschiedenis een weinig verveeld; echter keerde hij weldra terug, en ik bewonderde den moed van onzen stouten zeeman, toen hij, zijn verzoek bij het onze voegende, Perville verzocht, om met zijn verhaal voort te gaan. Dat was nu, dacht mij, te sentimenteel, of overdreven beleefdheid van de kapitein van den Condor; doch toen ik nadacht aan de belabberde redenaties (vergeeft mij deze uitdrukking!) met welke men op een lange zeereis of in een wachtkamer zich dikwijls nog gelukkig rekent den tijd te hooren dooden, en ik onzen Sindbad een groot glas met couragewater zag vullen, toen verminderde mijne verwondering, Wij staken den brand in onze Duitsche pijpen, zonder vrees, dat het onze reisgenoot zou hinderen; hetgeen u niet verwonderen zal, als gij in het oog houdt, dat de Franschman en ex-planter was, en ik zag, dat de heer Perville, die zijne brieftasch nu in den zak stak, vrij goed Hollandsch sprak, en zelf een liefhebber van rooken was.

„Mijen Heeren!” zeide Perville, „tot heden toe heb ik u, ofschoon dan niet dag voor dag, echter in het breede verhaald, wat mijn huwelijk voorafging. Het waren dagen van verdriet en angst, waarvoor ik nog woorden heb kunnen vinden, om ze u te schetsen; maar u het huiselijk geluk, dt nu mijn deel was, te beschrijven, zou mij onmogelijk zijn; dat geluk, die zalige tevredenheid, welke ik gevoelde en met mijne Lucie deelde, kunne geene koude woorden uitdrukken; het ware geluk laat zich niet beschrijven. Wellicht heeft men in de groote wereld van St. Domingo wel gespot met de herstelling van Lucie, met mijn liefde voor een krankzinnige, en heeft de eene of andere uitvinder van geestige of laffe aardigheden er wel het onderwerp in gevonden voor een opera of ballet, en tevens doen opmerken, hoeveel effect die brug en die bergwanden, die visschende negers en die rivier op het tooneel zouden kunnen maken, om nog niet te spreken van mijn val en den sprong van Lucie. Ik zeg wellicht, mijne Heeren! want ik veram niets van het oordeel der wereld. Zoo ik al aan hare afgunst geen voedsel gaf, noch haar trachtte te vernederen, – want nooit geleidde ik mijne echtgenoote naar de feesten of partijen, op welke ik haar had kunnen brengen, schitterende van jeugd en schoonheid, gelukkig door mijn liefde, en omhangen met de kostbaarste versierselen, – ten minste spaarde zij mij hare aanmerkingen: zij drongen niet dr tot binnen onzen huiselijken kring, en zij, die zo onmeedoogend geweest waren, om de oorzaak van Lucie’s krankzinnigheid ver verzinnen, zullen dit uit mijn geluk en mijne liefde voor mijne vrouw wel ontwaard hebben, dat zij de onschuld laaghartig hadden gelasterd. Wanneer het hart geheel vervuld is met liefde, dan blijt er geen plaats over voor den haat; daarom vergaf ik het der wereld; om die reden gevoelde ik geen haat tegen Du Teillade, dien ik bleef verachten, doch ik dorstte niet meer naar zijn bloed; ware liefde veredelt den mensch, maatk hem deugdzamer, en dot hem het geluk zijner medemenschen meer ter harte nemen.

„ De gehechtheid van den heer Berton aan zijne dochter was oorzaak, dat hij thans even veel tijd doorbracht op la Sucsession, als ik weleer op zijn plantage; ik had er wel eens aan gedacht, om mijne woonplaats bij mijn schoonvader te vestigen, en hem daardoor de moeite te besparen van zich te verplaatsen om zijne dochter te zien. De heer Berton zou niets liever gezien hebben; doch Duval ontried ons om Lucie op den duur op dezelfde plaats te laten, waar zij Du Teillade gekend, en haar verstand dien droevige schok ontvangen had. Het verlangen van den heer Berton, om ons dagelijks te zien, en de wensch, die hij reeds lang gevoed had, om eens een reis te doen naar Frankrijk, ten einde zijne dochterr en zuster te bezoeken, deed hem het besluit opvatten zijne plantage te verkoopen; het beheer er van begon hem hoe langer hoe zwaarder te vallen, en het vertrek van iemand van vertrouwen en van vele bekwaamheden, die hem tot heden had bijgestaan, doch voor wiens zich nu elders een voordeeliger werkkring had aangeboden, bespoedigde er de uitvoering van.

„Zoowel de tijd, welken deze verkooping vorderde, als een heugelijke gebeurtenis, die ons allen met vreugde vervulde, veroorzaakte dat mijn schoonvader niet vroeger dan anderhalf jaar na ons huwelijk der reis aannam. Hij had het geluk, vr zijn vertrek een kind zijner Lucie aan het hart te drukken, moeder en dochter in volmaakte gezondheid achter te laten, en Duval te hooren verzekeren, dat, Lucie ook deze beproeving gelukkig had doorstaan, wij nimmer behoefden te vreezen, hare kwaal te zien wederkeeren, maar haar als in den grond genezen konden beschouwen.

„Het was ons stil, toen de heer Berton vertrokken was; de gevaren, welke den zeereiziger steeds boven het hoofd zweven, gevoegd bij zijne gevorderde jaren, maakten ons bezorgd. Vr zijn vertrek stelde de vroolijke oude man ons altijd gerust, of verdreef onze vrees door zijne scherts; nu moesten wij ons zelven trachten op te beuren. Wel hadden wij hem deze reis afgeraden, doch er ons niet met nadruk tegen kunnen verzetten; de wensch, zijne zuster en zijn vaderland nog eens weder te zien, was reeds zeer natuurlijk, en, nu de laatste brieven het bericht behelsd hadden, dat zijne dochter het voornemen had om in een klooster te gaan, bestond er wel geene hoop meer om haar nog eens te zien dan door zijne overkomst. Vreemd kwam ons dit besluit van het meisje voor, over wier dartelheid en zorgeloosheid de zuster van den heer Berton zoo vaak geklaagd had; en wij moesten dus toegeven, dat er nu geene hoop voor den vader meer overbleef, om zijne dochter naar St. Domingo te laten komen.

„De moederlijke tederheid, waarmede Lucie haar kind verpleegde, die zorg van dag en nacht, van elk oogenblik, voor het hopelooze wicht, dat haar het leven te danken had, deden   mij in mijne vrouw nieuwe deugden kennen. Nimmer vertrouwde zij haar kind aan de zorg van een slavin of andere dienstbode; mijn dochtertje was slechts zelden buiten het wakend oog harer moeder; schreide het, hare moeder was steeds daar, om het in hare armen te nemen; voor geen schat zou zij aan een ander het geluk willen afstaan, om haar kind de borst te reiken. Zij dankte den Hemel, dat ook zij het voorrecht genoot dezen plicht te kunnen vervullen, en zou het een misdaad gerekend hebben, er zich van te verschoonen; hare wijze van handelen maakte mij gelukkig, en voorkwam mijne wenschen; nooit behoefde ik mijn kind aan een vreemde borst te zoeken, als ik het wilde liefkoozen.

„Een brief van den heer Berton, die ons zijne behouden aankomst berichtte, kwam ons geruststellen omtrent de gevaren der zee. Eenigen tijd later ontvingen wij nogmaals tijding van hem, benevens den groet van zijne zuster en dochter, welke hij den vorigen dag in gezondheid had aangetroffen. Sedert dien tijd echter wachtten wij tevergeefs op een naderen brief, en ik trachtte de ongerustheid van mijne vrouw te doen verdrijven, door haar te doen opmerken, hoe gemakkelijk een brief op zulk een afstand zoek kon raken, zoo haar vader al niet door een spoedige terugkomst het schrijven onnoodig had geoordeeld.

„Ons kind was sterk en gezond, en ruim een jaar oud, toen ik mij genoodzaakt vond voor eenige dagen mijn huisgezin te verlaten, belangrijke zaken riepen mij naar Gonaves, op de westkust des eilands. Het was voor de eerste maal sedert ons huwelijk, dat ik zoolang van mijne vrouw zou verwijderd zijn, die weende toen ik vertrok, en ofschoon het mij zelve moeite kostte te gaan, vroeg ik haar gekscherend, of zij aan mijne trouw of aan de tooverkracht harer liefde twijfelde, en beval haar lachend om gedurende mijne afwezigheid geen vreemde heeren te ontvangen.

„De zaken, welke ik te Gonaves te verrichten had, liepen ongelukkig af, wat betreft de geldzaken; n troost was er echter voor mij, namelijk, dat mijne tegenwoordigheid daar nu ook niet langer noodzakelijk was. Ik was verheugd, dat ik vertrekken kon, en evenwel wat dit een geluk, dat ik naderhand verwenschte: alsof alles te zamen moest loopen om mij, veel spoediger dan ik verwacht had, naar mijne vrouw en mijn kind terug te voeren, werd mijn plan, om in het terugkeeren ook te Doudon eenige zaken af te doen, door de afwezigheid van den man, dien ik spreken moest, verijdeld, zoodat ik mij, ook in deze plaats, niet langer ophield dan noodzakelijk was.

„De gedachte om Lucie door mijne komst te verrassen, streelde mij, en de verte van den weg, of de onmogelijkheid, om vr het vallen van den nacht la Succession te bereiken, schrikte mij niet af; een blanke knecht, die in mijn dienst was, vergezelde mij, en meer uit gewoonte, dan uit noodzakelijkheid, droegen wij  hartsvanger en pistolen, in de holsters onzer zadels. Niets is verrukkelijk dan zulk een tocht bergafwaarts op dit schoone eiland; zoolang de nacht duurde, woei een frissche zeewind ons te gemoet, versterkte onze krachten, en had zelfs een heilzamen invloed op onze paarden. Bevonden wij ons niet te midden van eenig hoog geboomte, zooals nu en dan het geval was, verlieten ons de reusachtige eiken, mahonie- of iepenboomen, en die, welke het kostbare verfhout verschaffen, dan breidden zich ter wederzijde de bebouwde gronden over de ongelijke helling uit; het suikerriet, de cacaoboom, die, welke de koffie, den indigo en de boomwol opleveren, wisselden elkander onderling af, naar gelang van de vochtigheid of den aard van den grond; de onderscheidenen soorten van groen der bladeren en het verschil der bloesems boeide het oog; aan onze voeten zagen wij over bosschen en bebouwde gronden; van tijd tot tijd vertoonden zich de witte gebouwen der plantages: het was een verrukkelijk panorama, dat omgeven werd door de zee. De blauwe, onbewolkte hemel, de schoone hemel van St. Domingo rustte, gelijk een heerlijk koepeldak , op dit aardsche paradijs, en als wij stilstonden en terugzagen naar het oord, vanwaar wij kwamen, verrezen de toppen van het gebergte, achter welk de onmetelijke vallei van Goaves verborgen ligt, boven de uitgestrekte wouden welke hoog uitstaken boven de schoone helling, die de nijverheid der menschen in een bekoorlijken tuin herschapen had.

„Toen de avond viel, en de zeewind onmachtig was om de bladeren te bewegen, om het aardrijk te verkoelen, toen verhief zich de landwind, en bracht verfrissching aan; hij ruischte weldra door de heggen van citroenboomen, ter wederzijde van de schoone en breede wegen, die door het eiland loopen, en verkondigde ons, dat wij weldra onze mantels zouden moeten ontgespen, om ons voor de koude, welke des nachts bijzonder sterk kan zijn, te beschutten.

„Het was reeds laat, toen ik den uitersten grenspaal mijner plantage bereikte. Twee wegen voerden nu naar mijne woning: de naaste, doch slechtste, liep door mijne gronden: de langste, doch gemakkelijkste en zekerste, was de algemeene weg, op welken wij ons bevonden, en de vermoeidheid onzer paarden deed mij den laatsten verkiezen. Op het oogenblik dat mijn besluit genomen was, en onze paarden reeds eenige stappen gedaan hadden, kwam het mij voor, als hoorde ik een paard op den steenachtigen weg, welke door mijn land liep. Het geluid der hoefslagen, dat de wind tot ons overbracht, zoodra het den weg insloeg, welke wij kort te voren waren langs gekomen, overtuigde mij, dat mijn gehoor mij niet bedrogen had. In het eerst hechtte ik weinig belang aan deze zoo onbeduidende gebeurtenis, doch ze verontrustte mij naderhand; het was echter nu te laat om te onderzoeken, wie er op dit uur, zoo het scheen, mijne woning verlaten of zich op mijn grond bevonden had. Zonder het te willen, verhaastte ik den stap van mijn paard, en vreemd is het, dat ik deze gebeurtenis reeds toen in verband beschouwde met het bericht van de aankomst aan de Kaap van een transport militairen, dat ik te Dondon ontvangen had en dat mij tot heden niet belangrijker was voorgekomen dan elk ander gewoon nieuws.

„Eindelijk kwamen wij aan de lange laan, welke recht op mijne woning aanliep, en nu aan den knecht, die mij vergezelde, gelastende mij op zijn gemak te volgen, gaf ik slechts gehoor aan mijn ongeduld, en liet mijn paard de sporen voelen. Alles scheen in diepe rust te zijn, toen ik de gebouwen naderde: ik steeg af voor den stal, in welken een neger sliep, die de paarden verzorgde, en klopte op de deur. Doch was ik reeds verwonderd, toen mij onmiddelijk geopend werd, en ik den neger met een brandend kaarshout vr mij zag, nog meer verbaasde het mij, dat hij nog niet scheen geslapen te hebben, en niet verwonderd scheen over mijne plotselinge verschijning, maar, het stuk brandende citroenhout boven het hoofd houdende, rondzag en vroeg: „Is Grand-Pierre niet met meester medegekomen?”

„Grand-Pierre was een jachtneger; en toen ik vroeg wat hij bedoelde, kon ik niet anders uit hem krijgen, dan dat Houba dezen, ruim een uur geleden, afgezonden had, met last, om mij te Gonaves op te zoeken. Ik wist nu, wien ik bijna op weg ontmoet had, en zag in, dat de neger mijne terugkomst als een gevolg van dezen renbode beschouwde. Ik verschrikte hevig, en vroeg hem, of mijne vrouw of mijn kind ongesteld waren; doch ofschoon zijn: „Alles wl! alles wl!” mij moest gerustgesteld hebben, beangste mij de achterhoudendheid van den neger, die meer scheen te weten dan hij zeide. Vergeefs beval ik hem toornig den mond te openen: hij riep gestadig terwijl hij de schouders ophaalde: „Houba alles weten moet! Houba meester wachten moet!

„Er bleef mij niets over dan mij tot den ouden neger te wenden, op wien ik volmaakt vertrouwen kon, en van wien ik betere inlichtingen te wachten had. Terwijl ik vloekte van ongeduld, en de noodzakelijkheid verwenschte, die mij verhinderde, om mij terstond naar mijne vrouw en mijn kind te begeven, ging de stalneger vr mij uit, en klopte zacht aan een deur van mijn huis, welke toegang gaf tot de kamer, die Houba bewoonde; ook hier werd terstond geopend, en terwijl hij, die mij vrgelicht had, in allerijl de vlucht nam, ontving mij Houba met een blij gejuich, dat echter weldra plaats maakte voor een volstrekt stilzwijgen. Het gelaat van den oude neger, wien ik bij mijn huwelijk de vrijheid geschonken had, doch die, uit gehechtheid aan mij en de plantage, nog altijd in mijn dienst was, verried verwarring en diep nadenken; en waarlijk, het verwonderde mij, toen ik ook van hem op mijne vraag het antwoord ontving, dat mijne vrouw en haar kind zich wl bevonden. Hij antwooordde echter niet, toen ik hem de reden vroeg van de afzending van Grand-Pierre; doch toen ik een ontblooten houwer in het oog kreeg, die bij de lamp op de tafel lag, riep ik plotseling. „Zijn mijne negers oproerig, Houba?”

„Hij schudde met het hoofd, en besloot eindelijk den mond te openen, toen ik, alle geduld verliezende, op het toetrad, en hem dreigend beval, mij terstond alles te zeggen, wilde hij niet den volgende dag van de plantage weggejaagd worden. Ziet hier in korte woorden, mijne Heeren! Wat hij mij op zijne wijze mededeelde:

„ „Omstreeks een uur vr het vallen van den avond had er een licht rijtuig vr het huis stilgehouden; een officier, dien Houba nog nooit gezien had, doch die er jong en schoon uitzag, was uit het rijtuig gestegen, en had hem gevraagd, of mijnheer Perville te huis was, en na zich een oogenblik bedacht te hebben, toen hij mijne afwezigheid vernam, verlangd, dat men dan aan mevrouw Perville zou zeggen, dat de kapitein De Teillade haar verlangde te spreken. Dit had Houba natuurlijk bevreemd; doch een herhaling van hetzelfde verzoek, dat nu als een bevel klonk, had hem doen gehoorzamen. Hij had zelf de boodschap overgebracht, en mijne vouw was hevig ontsteld, toen zij het verzoek vernam. Zooals Houba reeds verwacht had, ontving hij het hem welkome bevel, om den kapitein te zeggen, dat zij hem niet kon afwachten, en zij hem liet verzoeken om nimmer weder een voet op la Succession te zetten. Het had den neger toegeschenen, of de kapitein dit antwoord verwacht had, ten minste hij had het lachend aangehoord, en toen meesmuilend gezegd: „Ga nog eens naar mevrouw Perville, en zeg haar, dat ik niet zal vertrekken, vrdat ik haar gezien heb; geef haar dezen ring, en zoo zij al niet kan besluiten om den kapitein De Teillade te ontvangen, zoo zal zij zeker zoo wreed niet zijn, om dengenen terug te wijzen, aan wien zij dezen eens ter hand stelde.” Houba werd weder gedwongen om aan dit verlangen te voldoen, en mijne vrouw had hem tot zijne groote verwondering nu den last gegeven om Du Teillade bij haar te brengen. De kapitein was Houba op den voet gevolgd, en mijne vrouw was dezen bij de intrede van de kamer te gemoet gekomen. „Hoe komt mijne Lucie zoo bespottelijk ingetogen, dat zij Du Teillade wilde wegjagen, zelfs nu haar echtgenoot afwezig is? Gelukkig, dat de ring mijne rechten op uwe liefde bewijzen kan!” had de kapitein lachend uitgeroepen, terwijl hij haar in zijne armen sloot. Houba had door zijne verbazing niet kunnen verstaan, wat Lucie geantwoord of gezegd had, doch evenwel gezien, dat zij Du Teillade’s omarming beantwoord had, en toen had zij aan den verstomd staanden neder gezegd, dat hij vertrekken kon.

„ „Gij liegt, ellendeling! gij liegt!” waren de eerste woorden, die ik uitten kon, toen Houba zweeg; het angstzweet druppelde mij langs het voorhoofd, en ik vatte den sidderenden neger in de borst. Wat hem er toe gebracht had, om deze helsche logen te verzinnen, kon ik niet beseffen; want dat Du Teillade op mijn plantage gekomen was, dat mijne vrouw, dat mijne Lucie den laaghartigen verleider ontvangen en omarmd had, dat kon ik niet gelooven. In mijne drift schudde ik den neger, die van schrik niet op de beenen staan kon, heen en weder en sloeg de hand aan mijn hartsvanger; de doodsangst gaf den ouden man het spraak vermogen weder. „Goede meester! Houba spreekt de waarheid!” riep hij jammerend: ik liet hem los, en hij viel aan mijne voeten, hetzelfde herhalende. De getrouwe negel loog niet; ik zelf viel bijna naast hem neder ne klemde mij aan de tafel vast: de toon zijner stem benam mij het wantrouwen, maar tevens mijn geluk: niet hij, niet Houba, de zwart gekleurde slaaf, bedroog mij, maar Lucie, de schoone Lucie, die engel in menschengedaante, mijne echtgenoot, de moeder van mijn kind; ik kon niet meer twijfelen. de geruchten, die ik weleer als de laaghartigste lastertaal, als verachtelijk en nietswaardig beschouwd had, drongen zich nu in mijn geest op den voorgrond; hetgeen vr dezen in mijn oog gelijk was geweest aan een nietig en broze korrel van leem, welkeik met den pink kon tot puin drukken, werd nu plotseling een onmetelijke berg van graniet, en – er waren nieuwe troepen aangekomen…… ik stond als verpletterd.

„ „En toen, Houba! – is hij lang gebleven?” vroeg ik, naar mijn adem hijgende; die vraag kostte mij veel en vernederde mij ten aanzien van den neger: die oude, arme man, welke niets bezat dan het leven en zijne vrijheid, was meer dan de rijke planter, de echtgenoot van Lucie: ik benijdde den grijsaard zijn geluk. „De kapitein is nog hier!” was het antwoord. Toen verhaalde hij mij verder, dat Du Teillade met mijne vrouw het avondmaal gehouden had; dat hij tevergeefs getracht had, van den knecht, die met den kapitein gekomen was, iets naders te vernemen; doch dat hij noodig geoordeeld had Grand-Pierre af te zenden, om mij te verzoeken zoo spoedig mogelijk terug te komen. Hier hield Houba wederom stil: hij scheen te vreezen om voort te gaan en mijne vragen af te wachten, en met de beradenheid der wanhoop vroeg ik: „Waar bevindt zich de ellendeling op dit oogenblik?” Ik dacht, op alles voorbereid, dat mijn ongeluk, mijne vernedering niet groter zou kunnen worden; toen zeide Houba aarzelend: „Hij is in de…… hij is in uwe kamer……” meer hoorde ik niet: ik weet ook niet, of hij nog meer zeide; want ik viel geheel vernietigd op een bank neder.

„Hoe lang of hoe kort deze staat van verdooving duurde, weet ik niet; de stem van Houba deed mij tot mij zelven komen. Ik had gewenscht te sterven. De neger trachtte mij te troosten; hij wilde mij bemoedigen door mij  te zeggen, dat mijne vrouw geen schuld had, dat zij altijd zoo goed geweest was, zelfs voor hem; dat zij mij zeker nog liefhebben en mij niet verlaten zou. Had een ander mij dit gezegd, ik had hem vermoord; maar Houba dacht niet anders dan hij sprak; ik was er van verzekerd.

„ „Wat zal ik doen?” riep ik halfluid, zonder daarom aan Houba raad te vragen, die toen tot mij zeide, op den houwe wijzende: „Houba zou den kapitein gedood hebben; maar hij wist niet wat meester zeggen zou; wil Houba……?” doch ik viel hem in de rede, sprong op en riep woedend: „Ik zal hem straffen, door mijne handen zal hij vallen!”

„In het eerst was ik voornemens den knecht van Du Teillade op te zoeken, en hem te dwingen op mijne vragen te antwoorden; doch ik verwierp die gedachte: Houba sprak immer de waarheid! Waarom zou ik mij voor den knecht van den ellendeling vernederen? Als de misleide echtgenoot zijne schande in het bloed van den verleider had afgewasschen, dan behoefde hij minder te vreezen voor den spottenden lacht van een gemeenen knecht.

„Hem, die mij op mijne reis vergezeld had, had ik voorbij hooren gaan naar de plaats waar hij sliep; er heerschte een diepe stilte in huis, toen ik, gevolgd door Houba, en voorzien van een lantaren, mijne schreden naar het vertrek mijner vrouw richtte. De hemel bespare u allen zulk een gang! de voetstappen, die naar het schavot leiden, kunnen zoo zwaar niet vallen. Mijne kamer grensde aan die mijner vrouw, en had een afzonderlijken ingang; toen ik ze wilde openen, bevond ik dat zij gesloten was. Dat bevreemdde mij echter niet; want ik herinnerde mij, dat de sleutel gewoonlijk daar bezijden aan een spijker hing; ik had nog een dergelijken sleutel, in de lade op de kamer, waar mijn boeken en papieren, mijne zaken betreffende, lagen; doch het kwam mij gemakkelijker voor, regelrecht naar de kamer mijner vrouw te gaan.

„In een klein vrvertrek sliep gewoonlijk de kamenier van mijne vrouw, ten einde bij de hand te zijn, als zij des nachts iets voor haar of haar kind noodog had, en de deur van dit vertrek was niet gesloten. De ongesteldheid van de kamenier was oorzaak, dat een jonge negerin nu hare plaats vervulde, en deze ontwaakte, zoodra ik binnentrad. Zij  schen verwonderd mij te zien, doch schrikte niet, dewijl zij mij dadelijk herkende, en ik haar zacht toeriep zich stil te houden; ik trad toen, terwijl Houba bleef staan, naar de deur van het slaapvertrek, doch vond ze gesloten. Dit stelde mij teleur; doch ik bedacht met koele beradenheid, wat mij te doen stond, toen de negerin zacht, doch lachend riep: „Meester kan er niet in, de deur gesloten!” Ik keerde mij om, maar wendde het gelaat af; die slavin spotte met mij, en kende mijn schande. Dat oogenblik was grievend! dat half gesmoorde, doch helsche gelach zeide mij genoeg, te veel: ik schaamde mij aan de verachtelijke slavin een enkele vraag te doen, en toch wilde ik het zoo gaarne gedaan hebben. De vreeselijke bedreiging, welke ik uitte, deed de negerin verstommen en aan mijne voeten vallen; nog nooit had zij mij toornig gezien. Op mijne bevel verliet zij het vertrek met mij en Houba; ik sloot het, stak den sleutel bij mij, en gelastte den neger, de negerin op een verzekerde plaats te brengen.

„Ik bevond mij op de kamer, waar ik gewoonlijk zat te schrijven; toen ik er eens was, wist ik niet, hoe of waarom ik er gekomen was; ik zette mijne lantaren op een tafel en viel in mijn armstoel neder. De spanning, die mij tot nog toe krachten gegeven had, was gebroken, en mijne verslagenheid keerde terug; ik was diezelfde mensch niet meer, die tot bij het slaapvertrek van mijne vrouw was drgedrongen, en met vreeselijke bedaardheid mij den ingang had trachten te verschaffen. Niemand zag mij; ik was alleen; geen menschelijk oog bespiedde mijne zwakheid; mijn hart was van droefheid gebroken; ik zuchtte en was afgemat: mijne tranen vloeiden…… ik had mijne Lucie verloren, en zij was gezond; o! had eene ziekte of ongeluk mij mijne echtgenoot ontroofd, ik zou zoo diep ongelukkig niet geweest zijn, – want zij was mij ontrouw geworden! Hoe vaak had zij mij hier bezocht met mijn kind, dat nu het hare niet langer meer blijven kon, dat ik aan de armen der echtbreektster ontrukken moest: mijn arm kind! zoo jong nog, en reeds geen moeder meer hebben, slechts een misdadige moeder te bezitten!

„Houba’s komst wekte mij uit deze overdenkingen op en deed mij gedeeltelijk mijn bewustzijn wederkrijgen. Ik kon den sleutel, welke mijn schrijftafel moest openen, niet vinden, noch bedenken waar hij was; alles draaide mij voor de oogen; ik wees op de schrijftafel en gelastte Houba die zoo zacht mogelijk open te breken; hij zette zijne lantaren neder en volvoerde mijn bevel met zijn houwer. Doch tevergeefs in de onderscheidene laden zoekende, vond ik een koppel pistolen; ik nam ze uit de lade en terwijl Houba op mijne last voortging met zoeken, liet ik het kruit in de gegroefde buizen loopen; ik stampte er de kogels op, en toen die fraaie wapens, welke de heer Berton mij   vereerd had, geladen waren, had Houba den sleutel van mijne kamer gevonden. De behandeling van die pistolen en het gezicht van dien sleutel deden den vorigen dorst naar wraak weder in mijn hart de overhand nemen; ik was weder sterk en kalm, ofschoon het de bedaardheid der wanhoop was.

„Eenige minuten later stond ik vr de deur, en een oogenblik aarzelde ik; doch toen Houba zijn dienst aanbood, vermande ik mij, en opende de deur behoedzaam en met vaste hand. Ik verlangde niet, dat iemand, zelfs Houba niet, getuige zou zijn van mijne schande, en beval hem achter te blijven. Toen bad de oude neger mij mijn vrouw geen kwaad te doen en die bede ontroerde mij; ik had nog niet gedacht, wat ik met mijne schuldige echtgenoot zou doen; ik durfde er nog niet aan denken, en antwoordde Houba niet, doch ik gaf hem de pistolen over: hoe schuldig Lucie ook mocht zijn, de wapenen van den vader mochten het bloed van de dochter niet doen stroomen. Een oogenblik dacht ik zelfs weder, dat Houba zich bedrogen had, dat Lucie nog altijd getrouw was; ik klampte mij vast aan die flauwe hoop, evenal de ongelukkige, welke, medegesleept door een bergstroom, de hand slaaat aan het drijvend riet, dat door dezelfde kracht als hij naar den afgrond gesleept wordt.

„Ik haalde de deur, zonder ze te sluiten, achter mij dicht; het eerste voorwerp, dat mij in het oog viel, deed den straal van hoop geheel verdwijnen. Als ware het een verpestend lijk, een afschuwelijk monster of een dreigende spookgestalte geweest, z staarde ik, de lantaarn vooruithoudende, op een mantel, die over een stoel hing; ik kende dat kleedingstuk niet, had het nimmer gezien, doch herkende het: het was een officiersmantel. Bleef er nu nog wel te twijfelen over? en toch, het lachte mij zoo toe, mijne Lucie niet misdadig te vinden, dat het mij in het einde verheugde den mantel hier te vinden; ik was reeds zoo rampzalig, dat, hetgeen genoegzaam was om van de schuld mijner vrouw te getuigen, nu hare onschuld bewijzen moest. Ik dacht Du Teillade hier, in mijne kamer, in mijn bed te vinden.

„Behoedzaam naderde ik, sloeg de hand aan de gordijn, opende ze, en zag – niets. Het was alsof een bliksemstraal voorbij mijn oog schoot; ik stond als versteend, met de gordijn in de hand en onderdrukte met moeite een stuiptrekkend gelach, dat mij had kunnen verraden, en toen dat voorbij was, openden zich mijne lippen, gereed om een couplet van een vroolijk drinklied aan te heffen. Waarschijnlijk vernam Houba iets van dat alles: want ik hoorde de deur bewegen en zag om: nu viel mijn oog op een spiegel, en ik deinsde verschrikt terug, toen ik mij zelven zag; mijn gelaat had niets menschelijks meer: z moeten er de verdoemden uitzien in het eeuwige vuur!

„Ik verzamelde mijne krachten weder; ik kon weer denken. Mijn goede engel fluisterde mij in: „Keer terug!” ook stond ik in beraad; maar die mantel…… ik zwoer nogmaals mij te wreken en zonder mededoogen te zijn, en gin verder. De deur van het slaapvertrek mijner vrouw stond aan; ik opende die behoedzaam: er brandde een flauw nachtlicht in de kamer; er heerschte een diepe rust. Ik stond stil om te luisteren, of mijne komst wellicht eenig gerucht deed ontstaan; doch alles bleef rustig. Had ik er ooit aan gedacht, met zulke voornemens, getroffen door zulk eene ramp, onteerd deze deur te zullen doorgaan! Alles wat mij hier omringde, al hetgeen door het licht mijner lantaren of door de flikkering van de kleine lamp beschenen werd, herinnerde mij mijne liefde, mijn geluk als echtgenoot en vader. Had ik immer kunnen denken, zelfs nog vr eenige uren, dat juist de herinnering aan die zalige oogenblikken van liefde en hemelsch genot mij zou opwinden en dwingen, om de vrouw te vermoorden, die met mij in dat geluk gedeeld had, aan wie ik die anders zoo zoete herinneringen te danken had? En die vrouw, mijne vrouw Lucie! zij rustte hier, hier! aan de zijde van den verachtelijken Du Teillade!

„Langzaam en met afgemeten stappen trad ik vooruit, doch hield mijn blik afgewend van het bed, waarop de vrouw rustte, welke ik het meest bemind, ja de nige, welke ik bemind had; waarop de nige mensch lag, dien ik haatte, maar ook onverzoenlijk haatte. Het was geen besluiteloosheid, die mij zoo deed handelen; het was niet, omdat ik vreesde hen te ontwaren; neen! want ik was reeds met de gedachte van Lucie’s ontrouw vertrouwd geworden. Neen! ik zoch mijn kind; had ik anders veeltijds mij naar dat kind gewend en het gekust, voordat ik de moeder in mijne armen sloot, dan was het bij toeval geschied; het was omdat ik mijne liefde en genegenheid tusschen deze twee beminde wezens gelijkelijk verdeelde; het was omdat ik mij verbeeldde, dat Lucie mij toelachte, als mijn kind mij lachend aanzag; dat de moeder, als ik het liefkoosde, in mijne gedachte evenveel deel had in die bewijzen van genegenheid als haar kind.

„Doch nu vereenigde zich mijne liefde alleen op het onschuldige wicht, waren mijne liefde en genegenheid er voor verdubbeld, het was om dat Lucie mijen liefde en achting verbeurd had. Al was de moeder nu trouweloos, mijn kind bleef mij even dierbaar; het moest in mij een treurige, doch tevens aangename herinnering opwekken aan dien gelukkigen droom, welke voorbij was, aan die dagen van vreugde, toen Lucie mij getrouw was en ik aan hare duurzame liefde niet twijfelde.

„Ik sloeg het gazen kleed open, dat de wieg overdekte; het kind was wakker en opende de oogen, het herkende mij. Waarschijnlijk had de vaderliefde die trekken doen verdwijnen, welke mij zelven vroeger verschrikt hadden; mijn dochtertje zou zeker in den van zijne eer beroofden man, in hem, die het bloed harer moeder vergieten wilde, immers haar vader niet herkend hebben! Zij stak de handjes naar mij uit, als wilde zij om ontferming voor hare moeder smeeken; ik nam haar op, kuste haar en legde haar toen weder neder. Het drukken van mijn kind aan mijne borst, het gevoel van die zachte kleine handen, die over mijn ijskoud gelaat streken, deed mijne tranen vloeien; mijn verslagenheid keerde terug en daarmede mijn verlangen om Lucie onschuldig te vinden; doch hoe was dat mogelijk!

„Wekte mijne schandelijk bedrogene liefde mijne wraakzucht op, er was slechts weinig noodig, om door mijne liefde voor de vrouw, die mij zoo waard geweest was, dien dorst naar wraak te beteugelen: wat kon die zalige betrekking mij beter voor den geest halen dan mijn kind, en het lag naast mij! O! die beurtelingsche verandering van gedachten was zoo pijnigend; zij schokte mij zoozeer! Nam ik mij voor om genade te oefenen, dan was het alsof een heelende balsem de wond van mijn hart kwam zalven; maar het was van korten duur, en verwierp ik het met verontwaardiging zulk een lafhartig mededoogen, dan wat het, alsof kokend lood op de wonde werd uitgegoten.

„Ik was eindelijk z ver, dat ik besloot de kamer te verlaten; het waa alsof ik gemakkelijker adem haalde, toen dat besluit vast stond; doch eerst wilde ik mij nog beraden. Toen viel mijn oog op dien rooden rok met goud opgelegd, welke op een stoel was nedergeworpen, en weg waren mijne goede voornemens. Ik stond verbaasd over mijne laaghartigheid, die mij kon doen besluiten deze vernedering, dit helsch verraad met geduld te gedoogen. Ik nam de wieg op, en zette ze ver, zeer ver, weg; ik vreesde, dat de ellendeling, die mij de liefde mijner vrouw reeds ontnomen had, in zijne woede zijn wapen tegen het kind zou keeren on zich te wreken, of dat het door eenig ongeluk zou getroffen worden gedurende het vreeselijke treurspel, dat stond aan te vangen. De lantaarn nam ik op en plaatste ze op een meubel. Dezelfde koele beradenheid had ik teruggekregen; die kleedingstukken, die degen, werkte op mij evensals een versterkende drank, en ik naderde het bed; weldra zou mijne stem de echtbreektster wekken uit dien zondigen slaap, den verleider opvorderen tot den doodelijken strijd: het strijdperk was gereed!

„Nog eens zag ik naar mijn kind; maar te laat berouwde het mij, want het was mij nu onmogelijk om voort te gaan. Plotseling viel het mij in, dat het onmogelijk was, dat Lucie schuldig was, omdat haar kind hier was; dat het onmogelijk was, dat een moeder de heiligste verbintenis met voeten zou kunnen vertreden in tegenwoordigheid van haar kind, dat haar hare plichten zoo sterk herinneren moest. „En evenwel is het zoo,” zeide ik zacht tot mij zelven. Ik dacht na, of er nog geen middel was, om mijne eer, om het leven van Lucie te redden; ik zocht er met drift naar, doch vond er geen. Al vernederde ik mij, om Du Teillade te verzoeken om te vertrekken, al dwong ik er hem toe, zou zijn verblijf in mijn huis een geheim kunnen blijven? zouden zij, die hem hadden zien komen, het als een hersenschim beschouwen, als hij des morgens verdwenen was? ja, al gelukte mij dat, al stopten belooning en bedreiging mijnen bedienden den mond, was Du Teillade dan niet zelf de man om mijne schande en mijne bespottelijke goedheid overal te gaan rondzeggen?

„Het was de laatste weifeling geweest. Al zou mijne dochter mij eenmaal verwijten, dat ik hare moeder vermoord had, ik wilde mij wreken! Nogmaals deed dat schitterende kleedingstuk, die fraaie degen mijn toorn opwellen, en ik stond naast het bed. Het licht dat eenigzins achter mij stond, scheen genoegzaam door de gazen gordijnen, om mij, toen ik de eene geopend had, te doen zien – dat Houba niet gelogen had! Als een steenen beeld stond ik dr, en staarde met vertwijfeling vr mij uit. Had ik gedacht mijne Lucie immer z te zien sluimeren, haar immer met zulk een oog te moeten zien? wat was zij schoon! ik dacht, dat het misdrijf hare schoone trekken zou hebben doen verdwijnen; doch het was zoo niet! haar arm, die het witte linnen beschaamde, lag op het bedsprei; nimmer zou ik die hand, dat gelaat, meer kussen; die hand, welke zij mij eens voor het altaar geschonken had, was meineedig; dat schoone gelaat verborg een zwarte ziel; in haar linker arm rustte de ellendeling. Hij kwam mij jong voor; slechts gedeeltelijk zag ik zijn gelaat; het was alsof mijne vrouw hem tegen zich aandrukte, alsof zij vreesde, dat hij haar verlaten zou; een geruite zijden doek was om zijn hoofd geknoopt; ik verbeeldde mij een zijner handen op den schouder van de schuldige echtgenoot te zien rusten; ten minste ik zag iets flauw schitteren: het was zeker de helsche talisman, waarmede hij mijn geluk had doen instorten.

„Ik bracht de hand aan de greep van mijn hartsvanger, doch liet ze weder zakken: zij waren beiden in mijne macht, de schuldigen! n stoot, en – het wat met hen gedaan. Maar twee moorden te begaan, dat kon ik niet; ik wist, dat Lucie zich niet tegen mij zou kunnen verdedigen; het gevaarlijkste wapen zou zelfs ongevaarlijk zijn in hare hand: de vrouw kan niet kampen tegen den man, tegen den man, die reusachtig sterk is door de wraakzucht, welke hem bezielt. Ik wist, dat de schuldige echtgenoot niets zou hebben om haar leven te beschermen dan tranen en het smeeken om ontferming, enik was bevreesd voor die tranen, voor dat angstig bidden om genade. Voor haar, voor mijne Lucie, kon ik niets zijn dan een moordenaar; maar voor hem kon ik meer wezen. Hij, hij kon zich verdedigen, zijn leven tot den laatsten ademtocht beschermen met dien degen; ik dacht er niet aan, welk gevaar mij dreigde, zoo ik hem wekte; ik dacht niet aan mijne zeker mindere bedrevenheid in den wapenhandel; maar ik twijfelde niet aan de overwinning; en als hij dan aan mijne voeten zou liggen, wellicht smeekende om genade; als die schuldige vrouw geknield naast mij zou liggen, en mij bidden zou hem te vergeven, dan zou ik zeggen: „Neen!” en den ellendeling het hart doorboren.

„Plotseling luisterde ik aandachtig; mijne vrouw stamelde eenige woorden. Wonderlijk was het mij te moede, toen ik die klanken hoorde; ik luisterde, of mijn naam ook over hare lippen zou komen; mijn hart joeg onstuimig; maar de naam, dien zij uitte, was die van den man, welke in hare armen rustte. Toen bewaarde ik niet langer het stilzwijgen, maar riep met een donderende stem: „Staat op! en siddert!”

„Beiden ontwaakten tegelijk en openden met schrik de oogen. Zooals zij mij gewaar werden, ontsnapte hun een luide kreet, doch om mijn woede ten top te voeren, verborg de lafhartige zich aan de borst mijner vrouw: hij zoch er een schuilplaats tegen den rechtmatigen toorn van den beleedigden echtgenoot. Met de snelheid des bliksems keerde ik mij om, en den degen van Du Teillade opnemende, wierp ik dien met drift op de bedsprei neder en schreeuwde: „sta op, verachtelijke lafaard! verdedig uw leven! of……!”

„ „Louis!” gilde mijne vrouw, die mij nu herkende, op een toon die ontzetting, angst en droefheid verried; zij scheen mij om ontferming voor haar minnaar te smeeken, die zich hoe langer hoe meer aan mijn oog onttrok. Dat was te veel lafheid, te veel misdadige liefde, en ik trok mijn hartsvanger uit de scheede; mijn bloed kookte in mijne aderen: „Marie! Marie!” riep mijne vrouw, en sloeg hare beide armen om den verleider heen, om hem voor mij te beveiligen, om hem met haar lichaam tegen mij te beschermen.

„ „Sterf dan, ellendelingen!” schreeuwde ik, met woedende drift, en hief het wapen op; toen wierp zij hem, die bij haar een toevlucht gezocht had, van zich af, waardoor de zijden doek van zijn hoofd viel. Weelderige en lange haarlokken vielen op den nu ontblooten boezem, welke zij ten deele voor mijn oog bedekte, – het was een vrouw, die naast mijn echtgenoot lag. Zij scheen geheel gevoelloos te zijn; hare oogen waren gesloten, en Lucie had eindelijk kracht genoeg, om mij toe te roepen: „Louis! het is mijne zuster, het is Marie!” Mijn harstvanger viel mij van verbazing uit de hand; ik stond als van den donder getroffen; die woorden gaven mij mijn geluk, die liefde van Lucie weder; een kreet van blijdschap ontsnapte aan mijne borst, en ik zeide treurig: „Gij zijt onschuldig, Lucie! ik ben het nu, die schuldig, vreeselijk schuldig ben; want ik bemin u, en kon aan uwe liefde en getrouwheid twijfelen, twijfelen aan de deugd van de moeder van mijn kind!” Het berouw sloeg mij terneder en vervulde nu de plaats van de wraakzucht, welke vervlogen was; het verteerde mijn hart met een bitter nadenken aan mijn onwaardig wantrouwen: ik was de liefde van mijne echtgenoot niet meer waard.

„ „Louis!” zeide mijn vrouw bewogen, en het was alsof een engel tot mij sprak, „Louis! mijn beste Louis! gij kunt geen schuld hebben, zoolang gij mij blijft liefhebben; maar, ik bid u, laat ons nu een oogenblik alleen; die arme Marie! zij is van zich zelve gevallen.” Zonder te kunnen antwoorden,– mijn gemoed was te vol, – drukte ik de hand, die zij mij toestak; mijn zwakte veroorzaakte, dat ik niet dadelijk aan haar verlangen kon voldoen, en zij vervolgde liefdevol: „Die reis heeft u vermoeid; ga wat liggen, Louis! de rust zal u goed doen, straks zal ik naar u komen zien;” zij wenkte mij met de hand en ik ging heen.

„Toen ik in mijne kamer gekomen was, bleef ik staan, om mijne krachten te verzamelen en mijne gedachten te regelen. Ik had mijnleven, alles willen geven, om mijne vrouw onschuldig te vinden, vrdat ik in haar slaapvertrek trad. Nu was ik zoo gelukkig; de Hemel had mijne wenschen, het dierbaarste verlangen van mijn hart, verhoord: Lucie had het pad der deugd niet verlaten. En evenwel was ik niet opgetogen van vreugde: er was een kloof tusschen ons beiden: het was niet mijne echtgenoot, die haar, door het vergeten harer trouw, had doen ontstaan; neen ik had door mijne verachtelijke jalouzie die klove tusschen ons gemaakt. Hoe zou ik door berouw dien afgrond immer kunnen vullen, indien Lucie dien niet dempte met liefde van de vergevensgezinde vrouw! Ik bewtwijfelde niet aan mijn berouw, maar aan mijne aanspraak op vergeving; ik vreesde hare liefde verbeurd te hebben, en evenwel had zij mij gezegd, dat ik geen schuld kon hebben, zoolang ik haar liefhad. Dat deer mij weder hopen, vertrouwen op de liefde zonder einde van de vrouw, die den vader van haar kind geene vergiffenis kan weigeren; doch ras verdween die flauwe hoop weder; het leven was mij tot last.

„Wellicht werd Houba ongerust over mijn lang wegblijven, of had hij mij hooren naderen; althans hij stiet de deur open; het licht zijner lantaarn verving de duisternis, en toen hij mij daar zag staan, scheen hij verheugd, dat ik nog leefde, en vroeg: „Is het gedaan, meester?” Zijn stem, de uitdrukking van zijn gelaat herinnerde mij, dat ik op het punt geweest was een laaghartigen moord te begaan; ik vergat mijn eigen schuld, en weet het leed, dat mij drukte aan den ouden man, die niets gedaan had dan hetgeen hem zijne bezorgdheid voor mij had ingegeven, en toen hij, op mijn ongeduldig hoofdschudden, mij de pistolen aanbood en zeide: „Houba met meester meegaan, Houba niet bang is!” toen rukte ik hem die geladen wapens uit de hand, en riep met woede: „Gij zijt het, die den dood verdient; ellendeling gij hebt mij bedrogen!” De oude neger viel, van schrik overmand, voor mij neder en trachtte zich niet te verontschuldigen of zich te verzetten; zijn gelaat kenschetste slechts stomme verbazing; ik spande den haan van het pistool, terwijl ik nadacht, wie eerder den dood verdiend had, Houba of ik.

„De vreugde, welke zich echter plotseling op dat zwarte gerimpelde gelaat vertoonde, verbaasde mij; dit redde n van ons beiden het leven; want een zachte en witte hand, die de ijkoude hand raakte, in welke het pistool geklemd zat, deed mij omzien, en Lucie vroeg mij: „Waarom wilt gij Houba kwaad doen; ik wed, gij zult ze fraaier vinden, als Lucie dat zilver en die loopen gewreven heeft.” Ik liet mij die geladen wapens uit de handen nemen, en zeide: „Zij zijn geladen Lucie!”

„ „Ik ben er niet bang voor,” antwoordde zij, zich geweld aandoende om mij toe te lachen en zij vervolgde aangedaan: „Heb geene vrees. Louis! ik zal voorzichtig zijn; het leven is zoet, en belooft nog zooveel geluk, wanneer men een kind en echtgenoot bezit, die ons met hart en ziel liefheeft; is het niet zoo?” Ik kuste de hand, die zij mij reikte, en zij vervolgde verheugd toen zij mijne tranen vlieten zag: „Tot straks dan; want mijne zuster wacht mij; Laat Houba toch die deur ontsluiten, welke die negerin heeft gesloten, toen zij het in haar hoofd heeft gekregen om weg te gaan.” Toen Lucie vertrok, gaf ik den sleutel over aan Houba; die opgestaan was, en zette mij neder; weldadige tranen bevochtigden mijn gelaat; de liefde mijner vrouw had mij getroost, mijne sombere wanhoop doen verdwijnen.

„Een half uur later liet mijne vrouw mij roepen. Ik zag met een oogopslag, dat mijne schoonzuster nu de uniform niet had aangeschoten, die ik nergens zag; ook zocht mijn blik slechts mijne vrouw, en zij kwam mij te gemoet. Ik wilde iets zeggen, om haar vergiffenis te vragen voor mijne misdaad; doch zij kwam mij voor en zeide: „Ik ben verheugd, Louis! dat ge zoo spoedig zijt wedergekeerd; ik dank u voor het verlangen om mij te zien, dat u nog zoo laat op weg heeft doen blijven.” Ze sloeg haar rechterarm om mijn hals, kuste mij en vervolgde, terwijl zij het kleine hoofd van mijn kind, dat zij op haar linkerarm droeg, mijn gelaat naderbij bracht: „De kleine wil u ook welkom heeten!” Ik drukte moeder en dochter aan mijn hart, terwijl Lucie snel tot mij zeide: „Louis! ik stel u hier mijne zuster Marie voor; zij brengt tijding van onzen goeden vader!” Doch ik gevoelde mij te schuldig, dan dat ik om iets anders denken kon dat om mijne vergiffenis, en ik zeide langzaam: „Lucie! gij hebt mij nog niet gezegd, dat gij mij vergeven hebt.”

„En wat zou ik u vergeven?” vroeg zij, „dat gij mij te sterk bemint, dat gij……? maar gij had recht om z te handelen; doch als gij het zoo wilt, ik vergeef het u. Maar, Louis! heet mijn zuster toch welkom!” Ik hield nog mijne armen om mijne vrouw en om mijn kind geslagen; ik las de vermoeidheid, de afmatting op dat bleeke gelaat; het was mijn werk, en evenwel zweefde er een lach over die trekken. O! ik dacht nu, aan welk gevaar ik mijne Lucie had blootgesteld door haar z te verschrikken; ik kon haast nog niet gelooven, dat haar verstand dezen schok had wederstand geboden; zij wist wat ik gevoelen moest; zij twijfelde niet aan de ontstuimige kracht mijner liefde. Drom koesterde zij mij door haar blik, drom verdreven hare kussen dat bittere berouw, hetwelk aan wanhoop grensde; zij wist, dat ik zwak was, dat zij mij moest oprichten. Met een droevig gevoel liet ik eindelijk mijne armen zakken, en keerde mij met eenigen weerzin naar mijne schoonzuster, de oorzaak van het leed, dat mij drukte, van dat vreeselijke oogenblik, dat voorbij was: het was de Hemel, niet haar, dien ik danken moest, dat mijne handen nog rein waren van bloed.

„Ik nadederde haar, Zij was schoon bij het licht der waskaarsen en had zich weder nedergezet; in een achtelooze houding lag zij half zittende in de bergre. Ik wilde haar aanspreken; doch zij riep op een spijtigen toon, welke haar nog bevalliger maakte: „Het schijnt, dat Mijnheer vergeten heeft, hoe onbeleefd hij is zijne vrouw te omhelzen, in tegenwoordigheid van een vreemde dame, zonder deze eerst behoorlijk gegroet te hebben; en deze dame is een onbekende zuster, die een gevaarlijke reis gemaakt heeft……”

„ „Niet zoo geheel onbekend……” viel ik haar lachend in de rede; doch zij vervolgde op denzelfden toon als vroeger, en ongeduldig met haar voet stampende: „Mijn God! Mijnheer! het is nogal fraai voor een wellevend man, om twee arme vrouwen te komen verschrikken; indien mijn zuster mij niet verhinderd had om de uniform aan te trekken, dan zou ik voldoening vragen,” dit zeggende, stond zij op en bracht hare rechterhand naar de linkerzijde, alsof zij een degen droeg.

„ „Die ongelukkige uniform zou mij niet meer bedriegen,” antwoordde ik op vrolijken toon; hare bevallige verbolgenheid had mij geheel met haar verzoend. „Ik weet nu, dat gij mijne schoonzuster zijt, en dat ik een schoone zuster heb: er blijft mij geen de minste twijfel over; toen Lucie……”

„ „Toen Lucie!” viel zij mij in de rede, en een lichte blos kleurde hare wangen: „in n woord, Mijnheer! ik blijf er bij, het is onbeleefd, om de dames te verrassen, als zij slapen; foei! maar de kapitein Marchand moet weten, wat hem te doen staat.”

„ „Hij zal toch zoo gevaarlijk niet zijn als de zwarte oogen van mijne schoone zuster,” zeide ik; „indien ik iets misdaan heb, vergeef het mij.”

„ „Indien ik mijne zuster was, ik zou het u nimmer vergeven. Weet gij wel, Mijnheer! dat een wellevend man niet jaloersch mag zijn! In Frankrijk zou men u uitlachen; foei! maar wij, vrouwen, zullen voor ditmaal uw vergrijp door de vingers zien, is het niet zoo, Lucie? Mijn heer, mijn schoonbroeder! uwe schoonzuster geeft uw verlof om haar te omhelzen, en het zij u vergeven!”

„Toen de vrede gesloten was, en wij ons nedergezet hadden, vernam ik, dat Marie, om aan de lastige heerschappij van hare tante te ontkomen en om deze genoegen te geven, besloten had om in een klooster te gaan, welk besluit echter door haar geheel was opgegeven, toen zekere jonge kapitein haar op een morgen met veel waarheid verzekerde, dat hij haar liefhad, en zonder haar niet leven kon. Een schoon en dapper officier te laten omkomen door den sluier aan te nemen, dat was barbaarsch; het was een liefdadig werk hem te huwen, en niet meer aan het klooster te denken. De liefdadigheid is een schoone vrouwelijke deugd, en de heer Berton, kwam juist van pas om de jonge nieuweling het klooster te doen verlaten, en den kapitein van een schaking te besparen, die hem eenige jaren vroeger wellicht het leven had kunnen kosten. De brieven, welke dit alles behelsden, moesten ons ter hand gesteld worden door iemand, die over Martinique naar St. Domingo zou vertrekken; een jaar later zond deze nauwgezette brievenbesteller, ze ons uit Boston toe, met bericht, dat hij dit alleen deed, om ons van zijne nauwgezetheid in het vervullen van zijne belofte te overtuigen, dewijl de brieven nu wel niets nieuws meer zouden behelzen: een verandering van reisplan was de oorzaak van het een of ander. De bestemming van den kapitein Marchand naar St. Domingo had het huwelijk verhaast; een lichte ongesteldheid had den heer Berton verhinderd, met de jongetrouwden over te komen; maar zijne komst kon elk oogenblik verwacht worden. Hare lichtzinnigheid had Marie niet eens doen nadenken, welk gevaar er in gelegen was om zich als Du Teillade bij hare zuster aan te melden; doch hare goedheid, schalkschheid en onbezonnenheid waren oorzaak, dat ik het haar nimmer ten kwade rekende, dat zij ons door hare dwaasheid bijna diep rampzalig gemaakt had. Een maand later kwam mijn schoonvader onze ongerustheid omtrent zijn toestand zelf verdrijven: hij vond zijne kinderen welvarend en gelukkig.

„Gij kunt hieruit leeren, mijne Heeren hoe ik op het punt geweest ben, een moordenaar te worden, en zulks zou geworden zijn, had de hemel mij niet bewaard, ware de liefde voor mijne vrouw niet zoo sterk geweest, om haar door mijn weifelen den tijd te geven, den blinddoek van mijn oogen weg te rukken. Wanneer de jaloerschheid u dus ooit mocht toeroepen: „Mijne vrouw is mij ontrouw!” wanneer het u mocht schijnen, als had uwe echtgenoot, de moeder uwer kinderen, hare plichten verzaakt, denkt dan aan Louis Perville; geeft alleen gehoor aan de liefde, aan de genegenheid voor uwe vrouw; verwerp de zucht naar wraak, welke de booze geest omhult en zoekt te veredelen door het denkbeeld van door een moord zijne eer te redden: waar is de moordenaar, die zijn eer niet verloren heeft? Of is de eer afscheidelijk van de deugd? God beware u allen, waarde vrienden! voor een beproeving als de mijne; en moest het zijn, dan schenke hij u het geluk, uwe echtgenoot even onschuldig te vinden als ik mijne Lucie?”

Hier zweeg Perville. Ik had meenen te bespeuren, dat de kapitein van de Condor met meer genoegen naar dit gedeelte van het verhaal des Franschmans geluisterd had. Evenals ons, had het hem verwonderd, dien Du Teillade plotseling te zien veranderen in een lichtzinnige, jonge Franaise; doch ofschoon ik er onzen kapitein niet van verdenken wil, dat het hem speet, dat Lucie onschuldig was, dat Perville niemand vond om te straffen, zoo bemerkte ik duidelijk, dat deze uitkomst zijne verwachting teleurstelde. Terwijl wij nu met gerustheid en geduld voortgingen naar Perville te luisteren, bedwong hij met moeite zijn ongeduld, en toen deze ophield met spreken, en er een oogenblik stilte heerschte, riep onze goede zeeman: „Maar hebt gij uwe vrouw dan niet gedood? en gij spraakt van haar en haar kind……”

„Mijn vrouw, mijn kind vermoord? ik!” riep Perville, „o! hoe kunt gij dat nu nog denken? Gelooft gij, dat deze les, deze wenk des Hemels voor mij vergeefs is geweest? maar gij hebt gelijk, mijne woorden hebben het u misschien doen gelooven. Wat mij nu en dan doet ijzen, is niet de gedachte aan een misdaad, welke ik begaan heb, maar aan die, welke ik op het punt ben geweest om te begaan, is de herinnering van mijn wantrouwen aan de deugd mijner vrouw.”

Toen haalde Perville diep adem, boog zijn hoofd op zijne hand voorover, en zeide met een gedempte stem, welke vol droefheid was; „ik ga dagen, maanden, jaren van geluk voorbij. De 22ste Augustus van het jaar 1791, een dag, die al mijn geluk voor dit leven heeft vernietigd, brak aan; kapitein Marchand, die in de Kaap in bezettin lang, had ons allen uitgenoodigd, om hem dien dag te bezoeken: Marie was voor de eerste maal moeder geworden; het zou een klein en hartelijk familie-feest zijn. Een lichte ongesteldheid van mijn dochtertje deed mijne vrouw besluiten, om ons niet te vergezellen. Vergeefs trachtte haar vader of ik haar te bepraten om met ons mede te gaan: het was slechts om n dag te doen, den volgenden morgen zouden wij terug zijn; doch mijne vrouw liet zich niet bewegen, en wij gingen alleen. Niets noopte ons om thuis te blijven, om Marie en haar echtgenoot door een weigering te bedroeven. De ongesteldheid van het kind kon geen zorg baren, en niettegenstaande er reeds vroeger hier en daar oproerige beweging hadden gehad onder de negers, zoo vreesde ik van die zijde niets: ik kende den goeden geest mijner negers, en Houba had mij nog den vorigen dag verzekerd, dat ik niets van hen te duchten had.

„Wij waren vroolijk bijeen: niets ontbrak er dan de tegenwoordigheid van Lucie; Duval, en een paar goede vrienden van mijn schoonbroeder bevonden zich in ons midden. Omstreeks middernacht stoorde de alarmtrom onze vreugde, en weldra hoorden wij het bulderen van het kanon. Marchand en zijne vrienden verlieten ons op staanden voet; Marie liet ik over aan de zorgen van haar vader, en volgde hen met Duval, om te zien wat er te doen was. Half bewusteloos ging ik naast hem: Lucie en mijn kind! Ik dacht nergens anders om. De geheele stad was in opschudding; soldaten en burgers snelden elkander voorbij. Weldra was de oorzaak dezer opschudding ons bekend: de negers waren overal opgestaan. Als wezenloos stond ik naast Duval, toen wij van den wal die zee van vuur zagen, welke achter de baai het geheele landschap overdekte, en die rechts van ons al nader en nader kwam; dr heerschte de verwoesting; dr stichtte een geheele bevolking van woeste en door slavernij nog meer verharde en verbitterde slaven den brand in woningen en plantages; dr was alles weerloos tegen hun moordlust, en dr lag la Succession: dr was mijn ongelukkige vrouw, mijn arm kind!

„Het was een heillooze nacht van wanhoop en vertwijfeling. Duval waakte voor mijn leven. Ik wilde de soldaten vermoorden, die mij weigerden de poorten te openen, daar ik in een wis verderf zou loopen. Ik wist, dat ik niets doen kon voor Lucie, voor haar kind, maar ik wilde ten minste voor hen sterven; het mocht niet, ik kon niet! Duval voerde mij naar het huis van mijn schoonbroeder terug; de vader zag wel, dat hij niets meer te hopen had, toen ik mij in zijne armen wierp, en wij behoefden hem niets te zeggen: de tranen van Duval, van dien man, die aan den dood en aan alle ellende gewoon was, en mijne vertwijfeling zeide meer dan eenige woorden.

„Hoe is die nacht voorbijgegaan! ik weet het niet. Ik liet mij eindelijk niet meer bedwingen. Ik kende den gouverneur, mijnheer De Blanchade, zeer goed; ik drong tot hem door, om mij te laten gaan. Zijne voorzichtigheid en menschlievendheid weerhielden hem om mijn zinneloos verzoek toe te staan; want hij had verstand genoeg, om mij mijne ongepaste woorden te vergeven, toen ik met geweld vorderde, waarom ik eerst gebeden had: hij zag, dat de wanhoop mij het ontzag deed vergeten. Diezelfde gevoelens, welke hem mijn verzoek deden weigeren, bewogen hem echter wellicht, om, zoodra de dag aanbrak, een afdeeling soldaten en militie een verkenning te laten doen naar de zijde van Sant-Louis du Morin en Dondon. Marchand maakte mij zijne grenadiers er een gedeelte van uit, en aan mij en Duval, dien trouwen vriend, werd verlof gegeven, om het krijgsvolk te vergezellen. Welke tooneelen van verwoesting ons ook weldra omringden, ik sloeg er geen acht op, zelfs niet toen ik mijn eigen bezittingen brandende, rookende of smeulende zag; ik dacht alleen aan den dubbelen schat, die ik zocht; wat gaf ik ik de vernieling van het grootste gedeelte mijner rijkdommen? Ik kan u niet zeggen, wat ik gevoelde, toen ik eindelijk mijne woningen in het oog kreeg en bespeurde, dat zij niet door de vlammen verwoest waren: Duval zelf, Duval, die zich niet gemakkelijk door een ijdele hoop liet medeslepen, gaf mij goeden moed. Hij wist, zoomin als ik, dat de negers, die op onze verschijning terug waren getrokken, het voornemen hadden er hun hoofdkwartier op te richten; ik dacht dat mijne negers mijn huis en hunne meesteres beschermd hadden; helaas! het was zoo niet: ze hadden wel de handen niet aan mijne bezittingen geslagen, maar ook niets meer gedaan! Bewust van het voornemen hunner makkers, had zij den dag geheim gehouden, waarop de opstand zou aanvangen; zij wisten het, en lieten mij gaan; alleen Houba wist niets van het verraad dat er broeide. In het eerst vervloekte ik hen, later deed ik het niet meer: hoe vele blanken hebben de trouw aan hun meester verzaakt, om een overweldiger te dienen, en zich beijverd om zijne goedkeuring te verwerven, door hunne landgenooten te helpen onderdrukken en van hunne vrijheid te berooven! en deze ongelukkige negers deden niets dan een geheim bewaren, dat hunnen broeders de vrijheid moest bezorgen. Het kostte mij mijn geluk; maar ik had geen recht om van hen te vorderen, dat zij duizenden hunner broeders zouden verraden, door hun meesters twee levens te laten redden, welk hem zoo dierbaar waren.

„Het eerst dat mij in het oog viel, toen ik in het vertrek trad, hetwelk vr de slaapkamer mijner vrouw was, waren drie lichamen; twee waren vreemd aangekleed, zij waren mij onbekend, het derde was van Houba! Ik begreep, dat hij den doodgevonden had in de verdediging mijner vrouw; de oude neger die ik eens had willen nederschieten, omdat hij zich bedrogen had, omdat hij zijne meesteres verdacht hield van mij ontrouw te zijn, was nu vermoord, omdat hij haar had willen beschermen! Duval en mijn schoonbroeder wilden mij verhinderen om verder te gaan, maar ik ging evenwel, en ik vond mijne vrouw en mijn kind vermoord! mijne Lucie! mijne dochtertje vreeselijk vermoord!

„Zeven en dertig jaren zijn er voobijgegaan, en ng zie ik die geliefde wezens vr mij, drijvende in hun bloed, verminkt door de vreeselijkste moordtuigen, en dan denk ik aan dat oogenblik, toen ik zelf met bloedige voornemens, met het ontbloote staal naast het bed mijner echtgenoot stond, en ik ijs op de gedachte, wat er van mij zou geworden zijn, als God mij toen had verlaten. Dan durf ik de wreedaards niet vloeken, die mij al mijne vreugde ontroofden; dan durf ik hen niet dagen voor het oordeel daarboven; want ik ben mij mijner schuld bewust. Ik ben schuldiger dan die verwoede negers, die mijne vrouw en hare deugden niet kenden; wan tik kende haar, toen ik twijfelde en wraak zwoer! ik beminde Lucie, en zij was de moeder van mijn kind!”

Hier hield Perville op; zijne stem begaf hem, en hij verborg zijn gelaat in zijn zakdoek; wij hoorden hem zuchten; de grijsaar weende. Door hetzelfde gevoel gedreven, stonden wij op, toen hij langzaam de kajuit verliet; het was een hulde aan de smart die hem vervulde, en welke de bevrediging onzer nieuwsgierigheid opnieuw had opgewekt.

908SR15.gif (1832 bytes)

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)