J.F. Oltmans (1806 – 1854)

DOCTOR RIMINI

Doctor Rimini

B.gif (6731 bytes)ij den aanvang van het jaar 1749 was het juist vijf jaren geleden, dat het wijnhuis La ville de Beauvais, in de rue Daphine te Parijs, zich tot koffiehuis verheven had. Dat deze verandering niet onvoordeelig voor den eigenaar geweest was, bleek duidelijk, toen deze op het einde van het vorige jaar aan   zijne begunstigers te kennen gaf, dat hij zijn stand had overgedaan en voornemens was te Cluny in Bourgondië, de plaats zijner geboorte, te gaan wonen, ten einde er gerust zijne dagen te eindigen op een landhoeve, die hij gekocht had en met zekeren trots zijn klein kasteel noemde.

Het wekte geene verwondering, dat men iemand had gevonden om La ville de Beauvais, of liever Café Beauvais, over te nemen, zonder dat er iets van de zaak was bekend geworden; en men benijdde den gelukkige, wien deze geldwinning was te beurt gevallen. Men herinnerde zich, dat de man, die nu gereed stond als een edelman op zijn landgoed te gaan leven, vóór vijf jaren diep in de schulden stak; en evenzoo geneigd als men was, om zich de boerenwoning in Bourgondië als een landgoed met wandeldreven en vijvers voor te stellen, evenzeer twijfelde men niet, of de nieuwe eigenaar zou binnen weinig jaren een rijk man zijn. Het Café Beauvais was een goudmijn: dit was uitgemaakt, wat de oude Notaris, die sedert meer dan dertig jaren dagelijks het wijnhuis had bezocht, vóórdat het de gedaante van een koffiehuis had aangenomen, ook praten mocht van een erfenis, en van een ouden pastoor, die voor een paar jaren te Arnai-le-Duc overleden was.

De verfraaiingen, welke het Café Beauvais ondergaan had, sedert het van eigenaar veranderd was, waren niet geschied, zonder dat elke er zijn gevoelen over gezegd had; maar nooit waren de stemmen meer verdeeld, en de ontevredenheid van sommigen sterker geweest, dan toen het ruchtbaar werd, dat er verlof gevraagd was om een biljart te houden; want waren, de koffiehuizen niet zoo talrijk in Parijs als thans, de biljarts waren er nog veel schaarser.

Zou het te lang zijn, de redenen op te geven, waarom sommigen meenden, dat de nieuwe koffieschenker dwaas deed met een biljart te willen zetten, of waarom anderen zijn voornemen goedkeurden; geheel overtollig zou het wezen, te zeggen, hoe velen beoogden, dat het verlof nimmer zou worden verleend; want sedert den eersten dag der maand Maart was deze tafel des aanstoots reeds in de zaal geplaatst.

In de eerste dagen waren velen van de oudste bezoekers van het Café Beauvais weggebleven, met het voornemen om voortaan elders den avond te gaan doorbrengen; doch van tijd tot tijd zag men een hunner terugkeeren. De gewoonte om des avonds naar de rue Dauphine te gaan, overwon den weerzin tegen het blijart, en de eigenaar van het koffiehuis had weldra het genoegen te bespeuren, dat het hem gelukt was zijne voorgenomen verbeteringen tot stand te brengen zonder één zijner vaste begunstigers verloren te hebben.

Het behoeft dus den lezer niet te verwonderen, dat er op een guren avond van een der laatste dagen der maand Maart op het biljart gespeeld kon worden, zonder dat eenige oude heeren genoodzaakt werden de vlucht te nemen. Slechts wanneer de officier der dragonders, die met een heer speelde, met nadruk zijne ontevredenheid over zijn verlies te kennen gaf, of de twee jongelieden, die het spel aanzagen, wat luidruchtig werden, den bleek het, dat zoo meest allen reeds gewoon waren aan het eentoonig tellen van den markeur en het geklots der ballen, menigeen evewel nog niet genoeg was gewend aan het verwenschte biljart om met evenveel aandacht te lezen, met evenveel genoegen een gesprek te voeren, als vroeger; ja zelfs, dat het misschien niet ten onrechte was, sommigen hun verlies met het kaartspel op rekening stelden van het duivelsche geweld der biljartspelers.

De kapitein, die speelde, was de markies Du Coudray; de blauwe rok met witte opslagen, en het roode vest, behoorden tot de monteering van het regiment Dragons de Roi. De jonge edelman, die zoo omstreeks twintig jaren oude scheen te zijn, droeg een rooden rok naar den laatsten smaak en een vest van witte zijde, dat rijk met zilver geborduurd was; zijn naam was Henri Masers de Latude, en bevond zich slechts sedert eenige dagen te Parijs. De kapitein was eenige jaren ouder; maar de twee die niet speelden, waren nog jonger dan De Latude: de grootste, met den blauwen rok, het roode vest, en opgeslagen broek en kousen van dezelfde kleur, was Louis Charles Vogue, luitenant der Gardes Françaises; de kleinste, die ook de jongste scheen te zijn, droeg de rood scharlaken monteering met goud de Mousquetaires gris: het wat Frédéric de Verac.

Toen de markeur voor de vijfde maal, sedert het spel begonnen was, aan elk die het hooren wilde, bekend maakte, dat er weder een partij ten einde was, legde de kapitein de keu zoo onzacht op de groene tafel neder, dat de lezers alle opzagen, de kaartspelers hun spel vergaten, en de vier oude heren, die de gewoonte hadden een gedeelte van den avond slapend bij den haard door te brengen, plotseling ontwaakten. Slechts twee lieden, die schaak speelden, schenen niets gehoord te hebben, dat hunne aandacht kon afleiden; want terwijl er een stuk verzet werd, vernam men een stem, die op deftigen toon te kennen gaf, in welk gevaar de Koning verkeerde.

„Vijf, was de afspraak; maar daar d’Auteuil er nog niet is, zullen wij er tien spelen,” zeide de edelman in burgerkleeding die aan het biljart was blijven staan, terwijl hij zijn bal heen en weder rolde.

„Neen,” hernam de markies.

„Willen wij zijn, of gij er tien verliezen zult of geen één?” vroeg De Lutade, „een partij is spoedig afgespeeld;” en zijn bal, die driemaal gehoorzaam naar de plaats was teruggekeerd, vanwaar hij was verdreven, verdween in een der openingen van de biljarttafel, toen de markies zich verwijderde en zijne weigering om te spelen herhaalde. De twee jongelieden, die zich tot nog toe vroolijk hadden gemaakt, over de kwade luim van den verliezer, lachten nu over de mislukking der laatste poging om den kapitein over te halen het spel voort te zetten.

„Hoe kunt gij dat aanzien, mijn waarde?” vroeg de luitenant de Gardes Françaises; „ziet gij nietl dat De Latude slecht begingt te spelen, en in de laatste partij hebt gij nog oogenblikken gehad, dat wij uw spel bewonderd hebben; is het niet zoo, Frédéric?”

„Zeer zeker! maar hij is er zelf van van overtuigd. Kom, Du Coudray! houd goeden moed! een partij is spoedig gewonnen, en……”

„Ik sppel niet langer,” zeide de Markies gemelijk; „en ofschoon ik met genoegen gezien heb, dat gij en De Vogue er zooveel vermaak in gevonden hebt mij te zien verliezen, zoo verzoek ik u mijn naam niet zoo dikwijls en zoo luid in deze ellendige herberg te noemen; want ik zou wel lust gevoelen, om die keu op de ruggen van die lieden stuk te slaan; die ons aangapen, als hadden zij nog nooit een monteering of een edelman gezien.”

De Latude had mede het biljart verlaten, en haald een snuifdoos uit de wijde zakken van zijn vest te voorschijn, terwijl De Vogue lachend zeide: „Dat zou niet wèl gehandeld zijn: die goede lieden zijn hier op hun grondgebied; gij hebt hen wakker gemaakt en in hun spel gestoord; zou het bovendien niet ondankbaar zijn het arme hout stuk te slaan, dat u zoo goed gediend heeft?”

De kapitein antwoordde niet, en De Latude, de snuif van zijne kanten das afschuddende zeide beleefd, terwijl hij een buiging maakte: „Gij ziet, Markies! dat ik het ook op dit biljart van u gewoonen heb, evenals op alle andere, waarop wij tot nog toe gepeeld hebben; gij zult moeten erkennen, dat ik de sterkste ben.”

„Dat doet hij nimmer,” merkte de Mousquetaire aan, en De Latude vervolgde: „Gij zult ten minste toestemmen, mijn waarde De Coudray! dat de wis- en meetkunde, waaraan ik een juist oog te danken heb, mij niet verhinderen het van u te winnen!”

„Het ongeluk vervolgt mij,” riep de markies, „en ik moet mij de spotternij laten welgevallen, zelfs van die heeren, die nog nooit een partij met roem hebben gewonnen. Gij zijt gelukkiger dan ik, waarde vriend! laat dàt genoeg zijn, en verschoon mij van de toepassing der meet- en wiskunde op het biljartspell wan gij maakt mij moeilijk.”

De luidruchtige vroolijkheid zijner vrienden verhinderde hem te vervolgen, en De Latude zeide lachend: „Op mijn woord van eer, indien mijnheer de markis de moeite wilde nemen de boeken van Euclides nog eens door te werken, dan geloof ik, dat hij spoedig een groot meester in het biljartspelen zou worden.”

„Ik wenschte, dat gij in de Bastille waart, in gezelschap van uwen Euclides, om den heer Masers de Latude het vraagstuk te zien oplossen, hoe er uit te komen zonder voorkennis van Mijnheer den gouverneur.”

„Waarlijk, gij zijt al te goed,” hernam De Latude vroolijk; „doch uw bal is meest altijd gemaakt geweest, en dit doet u aan gevangenissen denken; het arme biljart met zijn voet herinnert u de Bastille met hare acht torens! Maar van mijn vriend Euclides gesproken; zijn de heeren het niet met mij eens, dat ik het moeilijkste vraagstuk opgelost heb, door vijf partijen te winnen van mijnheer de markies Du Coudray, die er op gerekend had mij er vijf te doen verliezen?”

„Welnu, markies!” vroeg De Verac lachend, en deze, die zijn degen opnam, welke met zijn hoed op een stoel lag, zeide vroolijk: „Welnu, gij ziet, dat ik welgemoed ben; ik heb genoeg partijen gewonnen om er vijf te kunnen verliezen! Maar de ridder komt niet; waar zullen wij den avond verder gaan doorbrengen?”

„Waarheen zullen wij gaan?” riepen de anderen, en De Verac, zoowel als de luitenant, stonden driftig op en grepen naar hunne hoeden. De markies had wijselijk ingezien, dat hij, door zijne gevoeligheid over zijn verlies te toonen, slechts voedsel gaf aan de spotzucht zijner vrienden, en dat er niets beters was dan in omvraag te brengen, wat men doen zou om den tijd door te brengen.

De stemmen waren verdeeld, en de woordenwisseling, die met een halfluide stem gevoerd werd, verhinderde de overige bezoekers van het koffiehuis niet langer om met lezen of spelen voort te gaan. De uitgelaten vroolijkheid der twee jongelieden, die opzettelijk verzocht waren om getuigen te zijn van de overwinning van den markies en de geraaktheid van dezen over zijn verlies, had voor een oogenblik zich wat luidruchtig lucht gegeven; doch zij waren allen van te goeden huize, om zich niet te gedragen, zooals men van lieden van adel verwachten kon, ofschoon drie hunner de monteering droegen, en zij zich op een plaats bevonden, waar zij oordeelden te kunnen doen wat hun goed dacht.

„Indien wij niet tot een vast besluit kunnen komen, dan heb ik voor niet verlof gevraagd: bedankt, mijne Heeren! dat ik morgen in de Rue de Bac moet zijn, en niet weet, wanneer ik weder zal kunnen uitgaan. Dat D’Auteuil er nu ook niet is! de avond gaat om, zonder dat wij ons vermaken.”

„De markies heeft toch al het mogelijke gedaan,” hernam Louis de Vogue lachend, toen de Mousquetaire zijne klaagredenen geuit had: „Frédéric! gij handelt onrecht, en vergeet, hoe wij gelachen hebben.”

„Du Coudray komt alleen de eer niet toe,” merkte De Latude met gemaakten ernst aan; „wees toch rechtvaardig, en erken dat gij u niet zoo vermaakt zoudt hebben, indien ik niet zoo goed gespeeld hed!”

„Loop naar den duivel met de vijf partijen, en zie het hem ook af te winnen!” riep de markies driftig. „Het is vervelend altijd op hetzelfde terug te komen: indien mijnheer De Verac zich niet vermaakt heeft, wiens schuld is het? Ik geloof dat hij genoeg gelachen heeft, en hij is meester om te gaan of te blijven; mevrouw de barones is wellicht nog te huis, of……”

„Of niet te huis, wilt gij zeggen?” viel De Vogue hem in de rede; hij wist, hoe onaangenaam de wending, die het gesprek genomen had, voor zijn vriend was. „Frédéric heeft geen woord gezegd, waarde Markies! dat gij behoeft aan te trekken; ik en De Latude hebben schuld; maar……”

„Daar is de ridder!” riep de officier der dragonders, terwijl de glazen deur met drift werd toegehaald; en De Vougue, zoowel als de twee anderen, herhaalde met vreugde den uitroep van den Markies. De officier, die binnengetreden was, droeg de monteering van kapitein van het regiment Gardes Françaises. Het ordeteeken van St. Louis, dat aan het knoopsgat van zijn rok hing, was oorzaak dat men hem den ridder D’Auteuil noemde, ofschoon hij niet van adel was. Het gemis van deze aanspraak op bevordering was voor hem vergoed door de bescherming, die de hertogin De Châteauroux hem bij haar leven verleend had, en het geluk dat hem te beurt was gevallen van in de markiezin De Pompadour een nieuwe beschermster te vinden. Had de machtige invloed deze twee vrouwen voor hem opgewogen tegen hetgeen er aan zijne geboorte ontbrak, elkeen was overtuigd, dat de rang, dien hij bekleedde, zoowel als de orde, die hij droeg, met eer op het slagveld verdiend waren, en deze overtuiging, gevoegd bij het genoegen dat zijn gezelschap aanbood, veroorzaakte dat elkeen hem gaarne onder zijn vrienden telde. vooral de jongelieden; want de ridder D’Auteuil had zijns gelijke niet in het in orde brengen of het ontwerpen eener vroolijke partij.

De kapitein ging het voorste gedeelte der zaal door, zonder naar de lieden te zien, die hij door het driftig toehalen der deur gestoord had; doch op eenigen afstand van zijne vrienden gekomen, stond hij stil, maakte eenige bewegingen met zijn wandelstok van Oost-Indisch riet, alsof hij met den sponton groette, en bracht, bij het vierde tempo de linkerhand aan zijn hoed, nam hem af en maakte een buiging; toen verliet hij de stijve houding, trad naderbij en zeide lachend, terwijl hij losweg groette: „Ik heb de eer den heeren een goeden avond te wenschen!”

Toen de ridder bleef staan, alsof hij zich voor het front van zijne kompagnie bevond, hadden zijne vrienden zijn groet met deftigheid beantwoord; nu echter traden zij hem voorlijk te gemoet en riepen: „Goeden avond, Mijnheer de ridder! waar zijt gij toch zoolang geweest?”

„Waar? Dat zal ik u op een anderen tijd vertellen; ik dacht nog bijtijds te komen; maar ik zie, het is te laat. Ik bemerk, Markies! dat gij het mij kwalijk neemt; maar gij moet niet haatdragend wezen, indien ik te laat kom om van uwe overwinning getuige te zijn; gij ziet, ik ben er wanhopig over; maar ik kom nog bijtijds om u geluk te wenschen!”

„Du Coudray heeft verloren,” zeide De Vogue, toen de ridder hem vragend aanzag; want de kapitein der dragonders sprak geen woord, maar neuriede de wijs van een nieuwen marsch.

„Verloren!” riep de ridder, „en ik, die een glas wijn dacht te drinken om hem geluk te wenschen! Mijn waarde Markies! ik neem zeer veel deel in uw verlies; eindelijk zullen wij wel moeten gelooven, dat de wiskunde……”

„D’Auteuil!” viel De Latude hem in de rede, „de kapitein heeft mij reeds naar de Bastille willen zenden om datgene, waarover gij wilt uitweiden; wees voorzichtig!”

„Welnu! als de markies een lettre de cachet in zijn zak heeft dan zeg ik geen woord meer.”

„Ik heb er reeds genoeg overgehoord,” zeide de markies; „maar wij waren juist gereed om heen te gaan, juist toen gij gekomen zijt; weest zoo goed ons den weg te wijzen; want onze goede De Verac beklaagt zich, dat hij zich niet vermaakt, zooals hij gedacht had.”

Op uitnoodiging van den ridder D’Auteuil, die zeide vermoeid te zijn, nam men plaats om bedaard te overleggen, wat er gedaan zou worden; op zijn last waren er twee flesschen van den besten wijn op tafel gezet, en toen het eerste glas gedronken was, zeide hij vroolijk: „Op mijn woord van eer, mijne Heeren! ik ben zeer gevoelig over hetgeen gij mij wegens uw leedwezen over mijne afwezigheid gezegd hebt, en ik zal al het mogelijke in het werkstellen om een goed voorstel te doen, en” vervolgde hij, terwijl hij de glazen vulde, „indien mijnheer de markies niet gehuwd was, dan zou ik niet weten, wat een Mouquetaire den tijd aangenamer zou kunnen doen voortbrengen dan……”

„Mijn waarde D’Auteuil!” zeide de markies haastig, „ik geef u verlof te vergeten, dat ik gehuwd ben; maar ik verzoek u niet te vergeten, dat mevrouw de barones het recht zou hebben jaloersch te zijn.”

„Welnu, De Verac?” vroeg de ridder.

„Ik zeg niets, dan dat mevrouw de markiezin geen recht ter wereld heeft om jaloersch te zijn!” antwoordde De Verac onverschillig.

„Mijne Heeren! ik stel de gezondheid in van mevrouw de markiezin; een vrouw, die niet jaloersch mag zijn, is schattten waard, Markies!”

„Zeer verplicht, D’Auteuil! Gij zijt al te goed, mijne Heeren!” zeide de kapitein der dragonders, even vroolijk als zijne vrienden, en hij vervolgde, het glas nederzettende: „Het is waarachtig of De Varac wat nieuws vertelt; waarlijk, hetgeen ik u honderdmaal gezegd heb, behoeft u niet te verwonderen op mijne eer! ik had nooit gedacht heden avond op de gezondheid van mijne vrouw te drinken!”

„Genoeg!” riep D’Auteuil lachend, „het is onmogelijk, dat een gehuwd man, zelfs een kolonel der dragonders, er verstandiger over kan spreken; ik geloof, dat gij liever de markiezin dan een partij biljart zoudt verliezen. Maar het is waar, op dat punt denkt gij zoo wijsgeerig niet, en die lettre de cachet……! Om dan te vervolgen, Mijne Heeren! Du Condray heeft mij wel verlof gegeven, om te vergeten dat hij gehuwd is; maar ik wil liever een ander voorstel doen, en dat een Mousquetaire zeker bevallen moet. Laat ons spelen, mijn Heeren!”

„Du Coudray wil niet meer spelen,” zeide De Latude.

„Maar ik spreek niet van het biljart! Willen wij naar mevrouw Tarville of naar de gravin De L’Espac gaan? of……”

„Vermoei u niet, mijn waarde!” riep de markies; „onze vriend De Latude heeft gezegd, dat ik niet spelen wil – en hij wil wel; maar hij wacht altijd nog geld van Montagnac; dus kan er niets van dat voorstel komen.”

„En waarom niet?” vroeg deze spijtig. „Waarom zou een edelman niet kunnen spelen zonder geld? Mijnheer de markies is kapitein; maar mijn vader is luitenant-kolonel bij de dragonders……”

„En mijnheer zijn zoon is mijn vriend!” viel de ridder hem in de rede, „en daarom kan hij niet spelen zonder geld; want onder goede vrienden mag de een nimmer naar geld wachten, zoolang de anderen er nog van voorzien zijn. Maar ik wel niet langer voorstellen om te spelen; Du Coudray draagt zooals ik haar, een steekbrief in den zak, en De Latude is gereed om een uitdagingsbrief te voorschijn te brengen; bovendien vergat ik, dat De Vogue geen liefhebber van het spel is; ik moet dus iets anders uitvinden,” vervolgde hij vroolijk, waarna hij de hand aan zijn voorhoofd bracht en zich scheen te bedenken.

„Ik geloof, dat mijn vriend Frédéric niet gewonnen heeft bij de komst van den kapitein,” zeide De Vogue, toen deze nog met zijn nieuw voorstel achterwege bleef. „Mijnheer de ridder is deze avond niet vindingrijk, en……”

„En,” viel D’Auteuil hem in de rede, „om mijnheer den luitenant te logenstraffen, zal ik dadelijk een nieuwen voorslag doen. Maar,” vervolgde hij ernstig, „gij moet mij beloven, dat hetgeen ik u zeggen zal, en hetgeen wij doen zullen, indien mijn voorstel u bevalt, altijd een geheim zal blijven.”

„Wij geven ons woord, is het niet zoo, mijne Heeren?” zeide de markies. „Een geheim? maar zeer zeker!” riepen de drie overigen, die met hunne stoelen nader bij de tafel schoven. „Spoedig! laat hooren, D’Auteuil!” zeide De Verac ongeduldig.

De kapitein der Gardes Françaises lichtte zijn wandelstok dreigend op, terwijl hij den markeur, die in hunne nabijheid stond, op een gebiedenden toon: „Voort!” toeriep, en toen deze zich verwijderd had, zeide de ridder op driftigen toon: „Mijne Heeren! wij kunnen morgen gaan spelen, of overmorgen, en Parijs zal altijd wel rijk blijven aan schoone en bevallige vrouwen; maar ik weet iets dat zeldzamer is; wij hebben het geluk, een vreemden doctor in onze stad te bezitten die……”

„Een dokter!” riep de markies: „maar, beste D’Auteuil! gij vergeet dat wij allen gezond zijn; wat zullen wij met een dokter aanvangen?”

„Mijnheer Du Coudray!” riep de riddeer meesmuilende, „indien ik een priesterrok droeg, in plaats van de monteering, dat zou ik zeggen, dat er gezonden zijn naar het lichaam, die ziek zijn naar de ziel. Maar ernstig gesproken,” vervolgde hij deftig: „de man, van wien ik spreek, is meer dan een dokter!”

„Maar zijn naam?” zeide De Verac haastig.

„Doctor Rimini.”

„Het is dus een gifmenger!”

„Luitenant De Vogue! het is een Italiaan.”

„Die erfenispoeder verkoopt,” zeide de markies lachend. „Maar, waarde Ridder! hoe onvoorzichtig! indien de markiezin u hoorde, dan behoefdet gij niet lang op hare bescherming te rekenen.”

„Welke markiezin?” vroeg De Latude.

„De Pompadour,” antwoordde de markies, en De Vogue, die zag, dat dit antwoord den jongen edelman verwonderde, en vroeg met eenige bevreemding: „Mijn hemel! De Latude! hoort gij hedenavond voor het eerst, dat mevrouw De Pompadour voor niets meer vreest dan voor gergif?”

„Laat de markiezinnen in Godsnaam met rust, Heeren!” riep D’Auteuil, met den knop van zijn rotting op de tafel tikkende, „is het niet genoeg, dat wij reeds op de gezondheid van ééne harer gedronken hebben?” En hij vervolgde ernstig: „Indien de Italiaan het poeder verkoopt, waarvan de markies gesproken heeft, hetgeen nog niet bewezen is, dan is het evenwel zeker, dat wij er hem niet naar vragen zullen. Ik wilde u slechts voorstellen een bezoek bij hem af te leggen, en wel omdat men mij verzekerd heeft, dat hij de toekomst weet te voorzeggen; in één woord, hij roept geesten op; het is ee waarzegger, een toovenaar, een bedrieger, alles wat gij wilt, maar het zla ons niet meer kosten dan één louis d’or; wij die nog ongetrouwd zijn, zulle weten, of wij in den echtstaat gelukkig zullen zijn, en de markies, die dit reeds weet, of hij De Latude de meester zal worden op het biljart.”

Ditmaal had de ridder D’Auteuil het genoegen zijn voorstel te zien aannemen, en na een korte afspraak omtrent de plaats, waar men elkander zou vinden, verliet men het koffiehuis zoo spoedig mogelijk om zich te gaan verkleeden.

De deur was nauwelijks dichtgevallen, of een oud man met een groote pruik zeide op bitsen toon, terwijl hij het laatste nommer van het Journal des Savants in zijn rechter rokzak stak:„ Indien de heeren officieren hier voortaan goedvinden te komen, dan zal er voor ons niets overblijven, dan hun onze plaats af te staan en niet meer terug te keeren.”

„Het is het éénige middel, mijn waarde Heer! indien men verstaan wil hetgeen men leest,” merkte zijn buurman aan, die de Gazette de France nederlegde om naar het antwoord van den markeur te luisteren. Deze vervolgde, na zoo goed mogelijk de namen der vijf rustverstoorders te hebben opgenoemd: „In alle geval geloof ik niet, Heeren! dat zij zullen wederkomen; mijn meester zou het althans niet gaarne zien; de kapitein der dragonders heeft hier gisteren voor den regen geschuild, en toen gelukkig gespeeld; maar daar hij nu verloren heeft, denk ik niet, dat wij hem weder zullen zien.”

908SR15.gif (1832 bytes)

„Een nare buurt voor een voornaam dokter,” merkte De Vogue aan, toen de ridder hen verzocht hem in de rue de la Poterie te volgen

„Gij vergeet, dat hij meer dan dokter is!” zeide de markies lachende; „zoo het mij voorkomt, is het een geschikte woonplaats voor een waarzegger.”

„Nu rechtsom!” verzocht D’Auteuil, terwijl hij hen voorging, en zijne vrienden bevonden zich op een klein, donker plein, dat niemand hunner zich herinnerde ooit bezocht te hebben. Hij telde de huizen nauwkeurig, sedert hij de straat verlaten had, en toen hij voor het tiende huis stilhield, zeide hij: „Indien ik mij niet bedrieg, dan is het hier, en met uw goedvinden zal ik aankloppen en het woord doen.”

Op de vraag, of de doctor te huis was, antwoordde de oude vrouw, die de deur geopend had, eerst „Neen!” Dat D’Auteuil door vier anderen vergezeld was, scheen haar te verschrikken; doch het was haar onmogelijk met dit antwoord te volstaan; want de ridder had reeds den voet in het voorhuis gezet, en terwijl zij haar licht achterliet, zeide zij: „Ik geloofhet ten minste niet, maar zal gaan zien,” en verwijderde zich. De Verac nam de lantaarn in de hand, en liet het licht beurtelings op een zijner vrienden vallen; het was hun onmogelijk hun lachlust over de vreemdheid hunner kleeding te bedwingen, en de markies zeide: „Het verwondert mijn niet, dat het oude wijf bevreesd was; onze aanvoerder gelijkt sprekend op een zendeling van den heer Berryer, en wij zijn gevolg.”

„Het is alsof ik rattenkruit ruik: wat zegt gij er van, De La……?” hier verhinderde de ridder den Mousquetaire om voor te gaan, want hij zeide: „Stil welk een dwaasheid! gij weet, wat de afspraak is, geen namen te noemen, en dáár hoor ik het geslof van onze boodschapster.”

„De dokter is wel te huis, Mijnheer!” zeide de oude vrouw, „maar des avonds spreekt hij geen zieken; morgen gedurende den ochtend……”

„Hebben wij geen tijd om terug te komen,” viel D’Auteuil haar in de rede; „zeg aan den dokter Signor Rimini, zoo is zijn naam immers? dat vijf zieken ook vijfmaal betalen, en dat wij niet vertrekken vóórdat wij genezen zijn.”

De oude vrouw verwijderde zich weder, en D’Auteuil vervolgde: „Het kost moeite om gehoor te krijgen; maar ik zal niet loslaten: Indien hij slechts één tegelijk te woord wil staan, zal ik, zoo gij het goed vindt, mij het eerst in het vuur begenven, en gaan zien wat de dokter te zeggen heeft.”

De Vogue, zoowel; als De Latude en De Verac, brachten er niets tegen in; doch de markies hernam vroolijk: „Gij hebt wel eens hooren verhalen van een wolf in de schaapskooi; maar wij zijn vier schapen in de verblijfplaats van een wolf; zullen wij nu een wolf op verkenning uitzenden?”

„Indien gij mij voor een wolf houdt,” zeide de ridder lachend, „dan bewijst gij mij te veel eer, en ik zal het laatst gaan, als gij het goedvindt. Mijne Heeren! ik stel dus voor, om dit schaap met de verkenning te belasten,” dit zeggende, wees hij op de markies, en toen deze te kennen gaf, dat hij met groot genoegen dezen last op zich nam, vervolgde D’Auteuil: „Wij kunnen ons geluk wenschen met onze keus; want onze vriend is een goede ram, en zoo de duivel horens heeft, hij is er niet kwalijk van voorzien, en kan aan Satan zelven het hoofd bieden.”

De oude vrouw kwam nu juist terug, met verzoek, of één der heeren haar volgen wilde; en toen de markies zich met haar verwijderde, liet hij zijne vrienden, nog lachtend over het gezegde van den ridder, achter.

Zou Du Condray teruggekeerd was, fluisterde hij zijnen vrienden toe: „Ofschoon ik geen duivel gezien heb, heb ik evenwel een duivelschen doctor gezien; hij heeft geen horens, en evenwel…… in één woord, hetgeen ik vernomen heb, was mij geen louis d’or waard; mar dat moet u niet verhinderen hem te gaan raadplegen.”

Ditmaal was het de beurt van De Vogue, om den doctor te bezoeken. Toen hij de gordijn liet vallen, die voor de deur van de kamer hing, waar men hem verwachttte, kwam hem een sterke lucht van wierook te gemoet. Aan het einde van het vertrek, dat vrij groot was, kwam een roodachtig licht uit een soor van altaar te voorschijn, en op die plaats was de zolder het sterkst verlicht; voor het overige was er kaars noch lamp, en dit, gevoegd bij den damp, dier er heerschte, en het zwarte laken, waarmede de muren behangen waren, veroorzaakte, dat de luitenant een oogenblik bleef staan, en den doctor niet gewaar werd, voordat deze hem verzocht naderbij te komen. Signor Rimini zat aan een groote tafel, midden in het vertrek, en ofschoon De Vogue toen hij naderend was, langzamerhand, hetgeen er op tafel stond of lag, begon te kunnen onderscheiden, zoo was het hem onmogelijk, te zien, hoe oud de doctor was; want hij zat met den rug naar het altaar gekeerd, en zijne zonderlinge zwarte muts teekende zich scherp tegen het roode licht, dat zich daaruit opwaarts verspreidde, en het onderste gedeelte van de kamer geheel in het duister liet.

De doctor sprak slecht Fransch, met een vreemden tongval, die het land zijner geboorte verried. De Vogue was blijven staan, niettegenstaande de uitnoodiging om den éénigen stoel, dien hij gewaar werd, plaats te nemen, en hij antwoordde losweg op de vraag naar den dag en uur zijner geboorte. De markies had hem eenigzins doen gevoelen, dat hij zich bedriegen zou, indien hij iets van aanbelang dacht te zien of te hooren; en toen hij eens gewend was aan den vreemden dampkring, zag hij niet dat hem behoefde te verwonderen: het bevestigde hem in zijn gevoelen, dat Signor Rimini niets meer was dan een gewoon bedrieger. De Italiaan scheen aandachtig te zien naar een aantal vreemde figuren, die zich van tijd tot tijd vóór hem op de tafel vertoonden, en door het licht, dat an deze zonderlinge teekens terugkaatste, ontwaarde De Vogue, dat ze te voorschijn kwamen, als de doctor zijn zilveren tooverstok op de zwarte bladen van een groot boek drukte. Nu en dan was het alsof de oogen van den doctor den vurigen gloed der toovertekens terugkaatsten, en De Vogue, die meende te bespeuren, dat de vorschende blikken van den Italiaan gestadig op hem gericht waren, had moeite, toen er aan de berekening en het teekenen van figuren geen einde kwam, zijn lachlust te bedwingen over nuttelooze pogingen, die de bedrieger aanwendde om zijn vermomming te doorzien en een redelijke toezegging uit te brengen.

Het scheen dat de doctor iets gewaar werd van het ongeduld, of iets vermoedde van de gedachten zijns bezoekers; want hij legde den stok neder  en zeide ernstig: „Gij hebt daar vele teekens gezien, Mijnheer! elk van deze, heeft mij jarenlang met de grootste inspanning beziggehouden, en nog durf ik niet zeggen, dat ik er één volmaakt van begrijp.”

„Ik geloof het wel, geleerde dokter!” zeide De Vogue lachend; doch deze scheen noch verstoord noch verlegen over dit gezegde, maar vervolgde bedaard: „Maar ofschoon men alles niet weet, kan men veel weten: véél, dat ruim vergoedt, wat het gekost heeft, dat het werk van jaren dubbel beloont. Gij hebt vele teekens gezien; maar er is menig gelukkig of ongelukkig oogenblik in het leven van een mensch, van zijne geboorte af tot aan het graf; en ofschoon de meeste wellicht nimmer door mij kunnen opgelost worden, zoo zou ik er misschien veel kunnen begrijpen; doch heden……”

„Kunt gij het niet,” zeide De Vogue lachend; „gij zijt tenminste een waarzegger, die de waarheid spreekt; dat bevalt mij; maar die kunst versta ik ook: gij zult mij niet wederzien, geleerde doctor! en ziedaar den éénigen louis d’or, dien gij aan mij verdienen zult.” Hij wierp het goudstuk op de tafel en keerde zich om ten einde heen te gaan.

„Gij liegt!” riep de Italiaan, en toen De Vogue bleef staan en naar hem omzag, vervolgde hij: „Zóó zou ik recht hebben tot den oningewijde te spreken, die de openhartige bekentenis van een grijsaard gelijkstelt met de kunstgreep van een lagen bedrieger. Maar dit teeken zegt mij, dat gij in het vervolg recht zult doen aan mijne kunde; en aan den officier des Konings moet ik zeggen, dat hij mij niet voor het laatst raad komt vragen, en dat dit het laatste niet is, dat hij mij geven zal.” Dit zeggende, raakte hij den louis d’or met den tooverstok aan, en het goudstuk scheen van vuur te zijn.

Het bevreemdde De Vogue niet, dat de Italiaan zijn stand geraden had; doch hij verwonderde zich over de geslepenheid, waarmede deze hem door zijn onbeschoften uitroep eerst had doen stilstaan, en vervolgens, door een bedaarde verklaring, de ongepastheid van zijne uitdrukking trachtte te doen vergeten. De doctor wachtte niet af, dat De Vogue zijn voornemen om heen te gaan ten uitvoer bracht, maar vervolgde schielijk: „Wees verzekerd, Mijnheer! dat indien de edellieden, die mij bezoeken, zoo goed of zoo verstandig waren, mij door hunne openhartigheid van de moeite te ontslaan om alles te berekenen en te overwegen, zij niet alleen veel spoediger zouden weten, wat ik hun te zeggen heb, maar ook veel meer; want elk teeken is een schalm van dezelfde keten, en het eene verklaart zich door het andere. Hier zie ik, bij voorbeeld, dat gij een blauwen rok moet dragen, en dat uwe kleedig voor het overige rood is. Zeer zelden is het mij vergund een naam te ontcijferen; doch ik zie, dat gij de eer geniet een machtig vorst te bewaken. gij zult evenwel niet altijd dezelfde kleeding dragen; de kleuren zijn veranderd; in plaats van het weinige zilver, zie ik véél goud; uw vader was juist zoo gekleed, Mijnheer! toen hij stierf. – Ik bedrieg niet, ik zeg niets of ik ben er zeker van,” vervolgde de doctor, toen De Vogue met aandacht luisterde: „Gij zijt op een gelukkig oogenblik geboren; rijkdom en aanzien is uw deel; maar gij bezit ook een moeder, die u van harte liefheeft; het zal haar verheugen, als haar éénige zoon een gelukkig huwelijk doet, en mevrouw uw moeder, Mijheer! zal die vreugde genieten; gij zult gelukkig zijn in uwe liefde……”

„Gelukkig!” zeide De Vogue onwillekeurig, ofschoon hij tot nog toe niets had laten bemerken van zijne verwondering over de woorden van den Italiaan, en deze vervolgde: „Gij zult gelukkig zijn in uwe liefde; bestaan er beletselen, die voor eenigen tijd de volvoering van uwe wenschen in den weg staan, liefde en getrouwheid, en vooral goede raad, zijn alvermogend……”

„Zeker de raad van Signor Rimini?” vroeg De Vogue lachend, ontevreden op zich zelven over de inlichting, welke hij door zijn uitroep en verandering van houding aan den doctor gegeven had; en toen deze door een beweging met het hoofd te kennen gaf, dat hij zich niet bedroog, vervolgde de luitenant: „Geloof niet, dat ik zoo dwaas zal zijn; gij hebt het eenige goedstuk niet eens verdiend, en gij zult er geen tweede hebben.”

„Mijnheer!” hernam de Italiaan haastig, „heb ik niet gezegd, dat ik u nog ééns hier zou zien, en dat ik dan niet voor één enkel goudstuk in de toekomst zou lezen? Zie! daar verdwijnen de teekens, die ik voor u geschreven heb; maar dit ééne wil ik door mijne macht dwingen, om zichbaar te blijven.” Dit zeggende, raakte hij de figuur met zijn tooverstok aan; zij schitterde vurig, terwijl de andere reeeds allen verdwenen waren, en hij vervolgde ernstig: „met dit teken kan ik ééne vraag beantwoorden, en vandat antwoord hangt uw welzijn af; hebt gij nu het geluk juist die vraag te doen, dan heb ik eerder tien goudstukken verdiend dan dat ééne.”

„Het teeken begint te verdooven; haast u, of het is te laat!” zeide de Italiaan waarschuwend, toen de luitenant besluiteloos heen een weder ging. De Vogue achttte het beneden zich om aan den vreemden bedrieger een vraag te doen; deze scheen hem evenwel te kenen, ofschoon hij zijn naam niet genoemd had, en toen de doctor naar het teeken wees, naderde hij met drift de tafel en vroeg haastig: „Waarom werd zij vroeger Tarsia genoemd en nu niet meer?”

„Tarsia?” herhaalde de Italiaan, terwijl hij den tooverstok nederlegde, „Tarsia?” en hij boog het hoofd voorover en scheen vergeefsche moeite doen om de oplossing van de vraag in het teeken te vinden, dat geheel onzichtbaar was geworden.

„Ja, Tarsia!” riep De Vogue, met zijne hand op de tafel slaande, om den doctor, die in slaap gevallen scheen te zijn, wakker te doen worden, en hij vervolgde lachend: „Maar dit is de vraag niet, die door dat teeken kon opgelost worden; is het niet zoo, doctor?”

„Nee!” hernam de Italiaan, juist toen de luitenant wilde heengaan. „Zij werd vroeger Tarsia genoemd, omdat haar naam Tarsia is,” en hij vervolgde ernstig, toen zijn ondervrager lachend naar de deur trad: „Zoodra mijnheer Louis Charles de Vogue te middernacht hier zal teruggekomen zijn, dan zal ik hem zeggen, waarom Paula Tarsia nu Paula Valarasco genoemd wordt!”

„Zeg het mij nu!” riep De Vogue snel terugkeerende, „zeg het mij nu! spreek!…… Daar!” riep hij, en wierp zijne beurs op de tafel; doch de Italiaan schoof haar verachtelijk met zijn stok van zich af en zeide koel: „Te middernacht; ik heb u immers gezegd, dat ik een tweede bezoek te wachten had, en vergeet niet, dat Paual Tarsia voor u verloren is!”

908SR15.gif (1832 bytes)

„Gij kent D’Auteuil langer dan ik,” zeide De Latude, die met De Vogue en De Varac door de rue St. Honoré ging; de ridder en de markies waren op de Place du Palais Royal van hem afgegaan: „maar daar ik hem geen oogenblik uit het oog verloren heb, van het Café Beauvais af, totdat wij bij elkander gekomen zijn, zoo is het onmogelijk, dat hij Signor Rimini van onze komst heeft kunnen verwittigen.”

„Dat verandert de zaak,” zeide De Verac, „of het moet een voorbedachte fopperij zijn, en D’Auteuil is er wel toe in staat; hoe het zij, die Italiaan scheen ons te kennen; het is mogelijk, dat hij in Rhodus het huis bezocht heeft, dat een mijner voorouders, die ridder van de orde was, heeft laten bouwen, en dat hij er ons wapen op de muren gezien heeft; maar dat hij er vijftig jaar in gewoond heeft, zal wel gelogen zijn.”

„En onze goede markies!” riep De Latude vroolijk; „ik geloof, hij zou er niets bij verloren hebben, als ware D’Auteuil het eerst gegaan. Maar weet gij wel, dat ik gelukkig geweest ben? ik ben de eenige, wien hij iets goeds voorzegd heeft. De alvermogende vrouw, die zooveel invloed zal uitoefenen om mijn volgdend lat, dat ik het grootste gedeelte van mijn leven in koninklijke kasteelen zal doorbrengen; ziedaar een voorzegging, die wel duister, maar evenwel verontrusten is.”

„Ik zie er niets duisters in,” hernam de Verac, „en reken er op, dat gij binnenkort uwe woning op het kasteel van Versailles zult betrekken. Ik wenschte wel, dat aan De Vogue geen slimmer voorzegging wat te beurt gevallen; maar aan de woorden van een bedrieger met men zooveel gewicht niet hechten.”

„Het is geen voorzegging,” zeide De Vogue ernstig, en De Latude die staan bleef, zeide opgeruimd: „in één woord; ik zie wel, dat ik alleen eerlijk gebiecht heb, wat de Italiaan gezegd heeft; de Heeren zijn zoo openhartig niet geweest, zelfs ge markies niet; het belooft hem weinig geluk op het biljart. Morgen hoop ik het genoegen te hebben De Vogue wat vrolijker te vinden; nu wensch ik u bedien een goeden nacht.”

„Tot wederziens, De Latude!” riepen zijne vrienden, en terwijl hij naar de Place Vendôme ging, vervolgden zij te zamen hun weg door de rue St. Honoré.

De luitenant had in den herfst van het vorige jaar, na het sluiten van den vrede, het leger verlaten en was naar Parijs teruggekeerd. Frédéric de Verac, die gewoon was om het huuis van mevrouw De Vogue als de woning zijner ouders te beschouwen, en die er vernachtte als hij niet verplicht was, in het hôtel des Mousquetaires den nacht door te brengen, stond juist gereed om naar Auvergue te vertrekken, ten einde zijne ouders te gaan bezoeken, toen zijn vriend in Parijs kwam. Natuurlijk slag hij aan De Vogue voor, hem te vergezellen, en ofschoon mevrouw De Vogue haar zoon in langen tijd niet gezien had, moedigde zij hem aan om zich dit genoegen niet te ontzeggen. De reis werd twee dagen uitgesteld; de minister van oorlog, D’Argenson, maakte geene zwarigheid den luitenant verlof te verleenen, en den derden dag vertrokken de beide vrienden naar Montfermy.

De Graaf Valarasco, die sedert een jaar een fraai kasteel in de nabuurschap bewoonde, werd juist met zijne dochter bij mijnheer de Vereas op het middagmaal gewacht, ten den twee officieren aankwamen. De Spanjaard, die, zoo men vermoedde, om staatkundige redenen zijn vaderland had verlaten, scheen niet zeer verheugd over de kennismaking met de twee jonge edellieden, hetgeen niet te verwonderen was, daar hij zijne dochter nooit ergens bracht, waar zij gevaar liepe jongelieden te ontmoeten. Dat hij een vreemdeling was, en elk oogenblik den edelman verwachtte, die met zijne dochter in het huwelijk zou treden, verklaarde deze zonderlinge handelswijze. Paula was schoone den De Vogue verwacht had, niettegenstaande hetgeen de ouders van De Verac hem gezegd hadden; het was hem onmogelijk haar te zien zonder haar te beminnen. Mijnheer De Verac had hem verzekerd, dat hij haar slechts éénmaal zou zien, en de luitenant Gardes des Françaises wist, ondanks den graaf, gelegenheid te vinden, om Paula te doen gevoelen, welken indruk zij op zijn hart gemaakt had; het kostte hem niet veel moeite om te ontdekken, dat de echtgenoot, dien men verwachttte, hare liefde niet bezat. Den volgenden dag schreef De Vogue aan Paula; wan haar in het geheim te zien was onuitvoerbaar; zij antwoordde, en nat het wisselen van eenige brieven, deed De Vogue vruchteloos aanzoek om hare hand bij den graaf. De man, die de brieven bezorgd had, werd plotseling uit zijn dienst ontslagen, en De Vogue was ten laatste verplicht zijn voornemen, om Paula met list of geweld uit de macht van haar vader te verlossen, op te geven, en aan De Verac toe te stemmen, dat zij voor hem verloren was.Doch om te weten, waarom De Vogue aan doctor Rimini de vraag had gedaan, waarvan de beantwoording hem zoo sterk getroffen had, zal het noodig zijn dat wij vernemen, wat Paula, ter voldoening aan het verzoek van De Vogue, in den laatsten brief geschreven had, die hij van haar onting: „Daar al wat mij betreft,” schreef zij, „u zooveel belang inboezemt, zal ik u van mijne moeder verhalen; indien gij u   niet bedriegt, Louis! dan was zij schoon; want ik gelijk sprekend op haar. Volgens mijn vroegste herinneringen leefde ik alleen met mijne moeder; zij weende, als ik haar vroeg, waarom ik geen vader had, zooals andere kinderen, en zeide mij, dat ik hem verloren had. Doch op zekeren dag verzekerde men mij, dat ik spoedig zoo gelukkig zou zijn een vader te bezitten; zijne komst werd feestelijk gevierd. Hij liefkoosde mij en scheen mij lief te hebben; maar ik heb hem nooit de genegenheid toegedragen, die ik voor mijne moeder gevoelde. In later tijd heeft mijn vader mij verklaard, waarom ik zoolang geleefd heb zonder hem te zien: hij had zich, uit liefde voor zijn vaderland, met eenige edellieden verbonden om de macht van een voornamen staatsdienaar omver te werpen; doch zij werde verraden. Het gelukte hem zijn leven te redden, door zich op een schip te verbergen; en terwijl hij in de nieuwe wereld rondzwierf, dacht mijne moeder, dat ze hem verloren had. Ik herinner mij, dat ik den naam van Tarsia droeg, toen ik nog een kind was; doch mijn vader heeft mij bevolen, dat geheim te houden; zijn leven hangt er van af; maar aan u kan ik alles zeggen. Het zal u verwonderen, Louis! maar zoo jong als ik was, bemerkte ik evenwel zeer goed, dat mijne moeder zich zoo gelukkig niet meer gevoelde, toen mijn vader eenigen tijd bij ons gewoond had, als vóór zijne terugkomst. Mijn vader had beloofd het kind van den vriend groot te brengen, die zijn leven gered had; en hij vond goed, den kleinen Marco, die van mijne jaren was, met mij te doen opvoeden; doch mijne moeder, die anders zoo goed was, had een tegenzin tegen het kind opgevat, en dit is misschien de reden, waarom ik Marco Marino nooit heb kunnen liefhebben, niettegenstaande hij mijn echtgenoot worden moet. Na verloop van eenigen tijd bracht mijn vader den kleinen Marco echter, uit eigen beweging of op verzoek van mijne moeder, ergens elders heen, en ik heb hem niet wedergezien dan na haar dood. Kort daarna begaven zij ons op reis: de gezondheid van mijne moeder liet veel te wenschen over, en verandering van lucht werd heilzaam voor haar geoordeeld. Nu woonden wij hier, dan dáár; dagelijks zag ik menschen en steden, die ik nooit gezien had, en ik gevoelde mij onbeschrijfelijk gelukkig. Mijn moeder beterde niet veel, doch wij hadden het geluk, om, ik weet niet in welke stad, een jongen geneesheer aan te treffen, die met den besten uitslag al het mogelijke deed om haar hare gezondheid weder te geven. Mijn vader haalde hem over, ons op onze reis te volgen, en wij twijfelden niet, of wij zouden ons eerstdaags over hare geheele herstelling kunnen verheugen; helaas! ik dacht weinig, dat ik mijne goede moeder zoo spoedig zou verliezen.”

„Nimmer zal ik vergeten, hoe een vreemdeling, die een wijd zwart kleed droeg, en die nog twee lieden bij zich had, mijne ouders kwam bezoeken, en mij verhinderde in de kamer mijner moeder te spelen. Mijn vader zeide mij, dat het een rechtsgeleerde was; ook weet ik zeer goed, dat ik den vreemdeling iets heb hooren voorlezen; doch zoolang ik een kind was, heb ik den zwarten man  steeds als de oorzaak  van den dood mijner moeder beschouwd. Van dat oogenblik af was zij droefgeestig, en hare krachten namen van dag tot dag af;zij was ontevreden, en wees de zorgen, die men voor hare gezondheid nam, van de hand; zelfs tegen mijn vader was zij onvriendelijk; doch zij betoonde mij evenveel liefde als in vroeger dagen. Op zekeren morgen, toen ik naast het bed mijner moeder zat, bracht hare kamenier drie vreemdelingen bij ons. Ik verschrikte; want de oudste was evenzoo gekleed als de man, die mijne ouders eenigen tijd te voren bezocht had; doch mijne moeder stelde mij gerust. Toen wij weder alleen waren, bespeurde ik tot mijne vreugde, dat zij zoo droefgeestig niet meer was als vroeger, en het verheugde mij, dat het bezoek van die vreemdelingen ditmaal geen kwade gevolgen gehad had; helaas! ik bedroog mij. Mijn vader kwam in de kamer van mijne moeder; hij scheen onvergenoegd over het bezoek van die onbekenden, en hield een brief in de had, dien zij aan hare kamenier gegeven had. Ik niet meer wat hij haar zeide, maar wel, dat zij verschrikte, zoodra hij den brief vertoonde; hij scheen te verlangen, dat zij den zwarten man zou terugroepen; maar zij weigerde het; toen legde hij den brief op den vuurpot, die in hare kamer stond, en verwijderde zich. Niettegenstaande den zwakke toestand van mijne moeder, verlieten wij de stad nog diezelden dag, en vervolgden onze reis, en twee dagen daarna verloor ik mijne moeder. Zij stierf, zonder dat de Hemel haar den tijd gunde, om hare Paula vóór haar dood te zegenen.”

In Parijs teruggekeerd zijnde, had De Vogue geene moeite gespaard, om iets meer van den graaf te weten te komen. Men berichtte hem uit Madrid, dat er wel een adelijk geslacht was, dat den naam van Valarasco droeg, doch dat men niet wist, of er nog iemand van in leven was; de Tarsia’s behoorden in Spanje niet te huis, en men rie hem, er in Italië onderzoek naar te doen. Wat Marco Marino betreft, een edelman van dien naam was volstrekt onbekend; er bevond zich wel zekere Morino in Madrid, die veel geld verteerde en met een vrouw leefde, op wier gedrag veel te zeggen viel, doch hij was geen edelman, maar de zoon van een danseres uit Venetië. Het geslacht der Tarsia’s was in Italië zeer bekend, en men berichtte De Vogue, dat zekere graaf Tarsia, uit hoofde van een samenzwering tegen den staat, het land had moeten verlaten: meer was er echter van hem niet bekend, en De Vogue twijfelde niet, of het was de vader van Paula.

De Vogue hield zich overtuigd, dat De Verac aan niemand iets gezegd had van hetgeen er in Auvergne was voorgevallen, en hij kon niet begrijpen, hoe het aan D’Auteuil, of aan wien ook, mogelijk geweest was, den Italiaan het antwoord in te blazen, dat deze gegeven had. Ofschoon hij voorgenomen had, den geestenbezweerder niet weder te bezoeken, zoo veranderde hij van gedachte, toen hij zich alleen bevond. Hij schreef een brief, schelde zijn kamerdiener en zeide: „Ik ga uit, en gij moet mij blijven wachten; indien ik te drie uren niet terug ben, dan wekt gij mijnheer De Verac en geeft hem dit briefje; waarschijnlijk zal hij u gelasten, om hem naar den ridder  D’Auteuil te volgen.”

908SR15.gif (1832 bytes)

„Ik wachtte u,” zeide de Italiaan, toen De Vogue de deurgordijn vallen liet.

„Dat kan toch niet lang zij, het is juist middernacht,” hernam de luitenant, terwijl hij de tafel naderde. Het altaar, zoowel als het roodachtig licht, was verdwenen; er stonden twee brandende waskaarsen op de tafel; doch, behalve een blad papier, eenig schijfgereedschap en een kistje van zwart hout, was er niets overgebleven van het aantal voorwerpen, dat De Vogue er vroeger op gezien had. Het licht, dat de kaarsen verspreidden, stelde den luitenant in staat om zich te overtuigen, dat de waarzegger reeds hoog bejaard was.

„Ik zeg niet, dat gij te laat komt, Mijnheer!” zeide de doctor, „maar ik zeg, dat ik verzekerd was u te zullen zien, niettegenstaande gij, toen gij mij verliet, voornemens waart niet terug te komen!”

De Vogue voelde zich geraakt door den spottenden toon van den Italiaan, en hij riep driftig: „Signor Rimini! indien gij weet wat ik denk, dan behoeft het u niet te verwonderen, als ik even spoedig heenga als ik gekomen ben; zeg mij hetgeen gij mij beloofd hebt te zullen zeggen, en ik zal u betalen. Wat mij betreft……”

„Het is lang geleden, dat gij Paula Tarsia gezien hebt, Mijnheer!” zeide de doctor half vragend op een beleefden en dringenden toon.

„Lang geleden? Ja! ik heb haar slechts éénmaal gezien,” riep De Vogue, zonder het te weten, de sluwe vraag van den doctor beantwoordende; „eenige uren slechts,” vervolgde hij somber.

„Ik weet het,” zeide de Italiaan, terwil hij opstond. „Zie, Mijnheer De Vogue!” Dit zeggende, nam hij een der kandelaars in de hand, en sloeg het deksel van het kistje open. In het eerst zag De Vogue niet dan een glas van een donker grijze kleur doch langzamerhand kwam de afbeelding van een vrouw, in een wijd, wit ochtendkleed te voorschijn, leunende met den rechter elleboog op een kaptafel: nu dreven ook de lichtgrijze wolken ter zijde, die het gelaat verborgen hadden. „Paula!” riep De Vogue met drift, toen het hem voorkwam, dat de oogen van de afbeelding zich met een smartelijke uitdrukking op hem vestigden.

„Zij is het zelve,” zeide de Italiaan, terwijl hij het deksel vallen liet en de kandelaar nederzette.

„Een oogenblik nog, laat mij haar nog een oogenblik zien!” verzocht De vogue, die vruchteloos getracht had het kistje weder te openen; maar de doctor zeide ernstig: „Het is onmogelijk, Mijnheer! wees tevreden met hetgeen gij gezien hebt.”

„Verkoop mij dat portret, het is mij alles waard!” zeide De Vogue haastig. De Italiaan glimlachte, terwijl hij ging zitten en zeide: „Het was niet geschilderd; gij hebt Paula Tarsia voor de tweede maal gezien; maar zij zelve weet het niet.”

„Gij wilt mij dan doen gelooven, dat gij mij door uwe kunst hebt doen zien, ofschoon zij ver van hier is?” vroeg De Vogue wantrouwig; want, ofschoon hij verbaasd was over de bekwaamheid van den Italiaan, weigerde zijn verstand evenwel aan de macht van den geestbezweerder te gelooven.

Signor Rimini boog toestemmend het hoofd, en De Vogue vroeg: „Waarom was zij zoo treurig?”

„Waarom? heeft mijnheer De Vogue den brief in hare linkerhand niet gezien? Het is een brief van Marco Marino!”

„Marco Marino!” riep De Vogue luid. De Italiaan sloeg hem oplettend gade en zeide eindelijk: „Gij zijt hier gekomen, Mijnheer! met het voornemen om eenige inlichtingen te ontvangen; indien gij plaats wilt nemen, dan zal ik u zeggen wat ik weet. Ik heb mijne berekeningen en vergelijkingen gemaakt; als wat mmij heden vergund was te weten, is mij bekend; alle voorteekens zijn gunstig, en de vervulling van uwe wenschen zou door mijn raad niet moeilijk vallen, indien er niet één teeken was, dat u met ongeluk bedreigt.”

„Een ongelukkig teeken!” vroeg De Vogue, die op een stoel had plaats genomen, en hij vervolgde schamper: „Signor Rimini is voorzichtig, en als zijne voorzeggingen niet uitkomen, dan zal dat kwade teeken er de schuld van dragen!”

„Ongeloof is het verstand van de jeugd!” zeide de Italiaan ernstig. „Het kwade teeken kan mij niet dienen; want hetgeen ik voorzeg is waarachtig: wil ik u zeggen, wie door dat teeken wordt aangewezen? het is Marco Marino!”

De Vogue zweeg; de woorden van den doctor maakten een sterken indruk op hem, en bij besloot te hooren, wat de man te zeggen had, die zóóveel, die alles scheen te weten. „Mijnheer!” vervolgde de doctor, „ik had beloofd u te zeggen, waarom Paula Tarsia nu Paula Valarsco heet en zonder moeite kan ik mijn woor houden; maar ik an méér doen. Daar er dienaren van het altaar geweest zijn, ide wonderwerken verzonnen hebben om het geld der vromen te bemachtigen, zoo behoeft het u niet te verwonderen, Mijnheer! dat er onder hen, die zich beroemen in de toekomst te kunne lezen, ook bedriegers gevonden worden. De lichtgeloovigen luisteren met evenveel ontzag naar de machtspreuken van een bedrieger als naar mijne woorden; en de verstandigen, de opgeklaarden van geest? Behoef ik u te leggen, Mijnheer! waaraan ik uw bezoek en dat van uwe vrienden te danken heb? Maar ik beklaag mij niet over de nachten die ik wakend heb doorgebracht; mijne haren zijn niet voor niet vergrijsd; de kundigheden, die ik verkregen hab, beloonen mij mijne zorg en moeite ruim. Het oordeel der menschen is mij onverschillig.”

„Waarom verspilt gij dan die woorden om mij aan uwe macht of geleerdheid te doen gelooven?” vroeg De Vogue.

„Ik behoef u niet over te halen aan mijne macht te gelooven; gij gelooft er reeds aan!” riep de Italiaan, en vervolgde glimlachend: „Zou mijnheer Louis Charles de Vogue hier anders gekomen zijn? Maar!” zeide hij ernstig, terwijl hij het papier nederlegde, dat hij in de hand genomen had, „de tijd gaat om, en ik zal u zeggen, wat ik u beloofd heb te ontdekken; doch liever bewaar ik over dit onderwerp het stilzwijgen, en……”

„Signor Rimini!” riep De Vogue opstaande; doch voordat hij vervolgen kon, zeide de Italiaan: „En zeg u wat gij doen moet, om Paula Tarsia te verkrijgen!”

„Paula!” riep De Vogue, weder plaats nemende, „en dat zult gij mij zeggen? Kan ik u gelooven, of zult gij uwe belofte weder intrekken Signor Rimini?” vervolgde hij ernstig. „Gij hebt een goede keus gedaan: Paula is mij alles waard, en gij zult geld, veel geld ontvangen; maar…… mij te misleiden zou gevaarlijk kunnen zijn!”

„Luitenant De Vogue!” zeide de doctor bedaard, „wilt gij weten, wat gevaarlijk zou kunnen zijn voor u en ook voor mij? Het is, indien gij  zoo onvoorzichtig waart om aan iemand te zeggen, wat gij hier gehoord hebt; daarom moet gij mij zweren, dat al wat ik u zeg geheim zal blijven.” De Vogue bewaarde het stilzwijgen; en de doctor vervolgde: „Ik dacht dat gij Paula bemindet; het schoone meisje verdient meer liefde.”

„Ik geef u mij woord van eer!” riep De Vogue; „zeg mij wat ik doen om den graaf te bewegen mij zijne dochter ten huwelijk te geven!”

„Gij zult het weten, vóórdat gij mij verlaat,” zeide de Italiaan ernstig; „doch eer ik aan uw verlangen voldoe, moet ik zeggen, dat hetgeen gij vernemen zult, mij vijftig duizend livres zal verschaffen!”

„Vijftig duizend livres!” riep De Vogue, verwonderd over den eisch en de onbeschaamdheid van den Italiaan; doch deze vervolgde bedaard: „Ja, vijftig duizend livres! is het te weinig voor Paula Tarsia, Louis Charles de Vogue?” zeide de doctor glimlachend; „Paula brengt tienmaal honderd duizend livres mede ten huwelijk!……”

„Rimini!” zeide De Vogue driftig, „ik zou even laag zijn als gij, indien eenige duizend livres mij meer waard waren dan Paula Valaresco; doch geloof daarom niet, dat gij mijn geld zult hebben. Ik ben dwaas geweest, dat ik mij door u heb laten bewegen, een uitleg te komen vragen, dien gij mij nu niet geven kunt; maar ik weet nu, wat gij in uw schild voert!”

„Marco Marino zal dan die gelukkige zijn!……” mompelde de Italiaan, toen De Vogue opstond, met het voornemen om te vertrekken; hij bleef echter staan, en wierp een dreigenden blik op den doctor, die bedaard vervolgde: „Dit is weder een vernedering, die ik mij uit liefde voor mijn studiën getroost, en echter had ik haar van u niet verdiend of verwacht. Rimini is zoo laag niet, als gij vermoedt, hij wil zelfs geen enkelen penning van u aannemen, vóórdat gij overtuigd zult zijn, dat gij hem onrecht gedaan hebt!”

„Spreek duidelijk!” zeide De Vogue, die weder ging zitten. De doctor had door de bedaardheid en het gevoel van macht en eigenwaarde, waarmede hij de verdenking van den luitenant had beantwoord, geheel zijn overwicht hernomen. Hij haalde een blad gezegeld papier uit de brieventasch te voorschijn, die onder den inktkoker lag, legde het vóór De Vogue neder en zeide onverschillig: „Mijnheer! gij zult zoo goed zijn, op dit papier de verklaring te stellen, dat gij aanneemt aan toonder vijftig duizend livres te betalen, van het oogenblik afaan dat Paula Tarsia uwe vrouw zal zijn. Indien dit u niet bevalt,” vervolgde hij koel, toen De Vogue het stilzwijgen bewaarde, „het is mij wel; het zal u ten minste overtuigen, dat ik geen bedrieger ben; ofschoon ik vijftig duizend livres begeer voor een geheim, dat u een schoone vrouw en een millioen livres bezorgen kan. – Hebt gij het vooruitzicht om de hand van Paula te bekomen zonder mij, en in weerwil van Marco Marino?…… maar mijn raad alléén kan haar in uwe armen voeren,” eindigde hij, toen De Vogue met drift het papier naar zich toehaalde, en begon te schrijven.

„Zeer goed,” zeide de Italiaan, nadat hij het geschrift gelezen en De Vogue er zijn zegel op gezet had; toen vervolgde hij ernstig: „Mijnheer! het is van het grootste belang, dat gij elk mijner woorden tracht te onthouden, indien gij wilt, dat mijn raad vrucht zal dragen. De graaf heeft u zijne dochter geweigerd, en tevergeefs zult gij u verzoek herhalen; doch hij zal genoodzaakt zijn Paula aan u af te staan, zoodra gij hem zegt: dat gij een wettig afschrift der papieren van Juan Peguero bezit!”

„Juan Peguero?” vroeg De Vogue verwonderd, „nooit heb ik dien naam gehoord; waar zal ik dien man vinden? hoe verkrijg ik die papieren?”

„Op dat alles moet ik het antwoord schuldig blijven,” hernam de doctor; „en evenwel zie ik hier duidelijk vóór mij staan, dat gij den graaf kunt dwingen om aan uw verlangen te voldoen, door hem te zeggen, dat gij een wettig afschrift der papieren van Juan Pegruero bezit. Indien gij het geluk hebt Paula te verkrijgen, dan zal het u duidelijk worden, waarom zij vroeger Tarsia genoemd werd; doch vergeet niet, haar nimmer den naam van Valaresco te geven in tegenwoordigheid van den graaf. Mijnheer De Vogue!” vervolgde de Italiaan ernstig, „gij moet niet vergeten, dat gij de geheimhouding belooft hebt; maar ik moet u het kwade voorteeken nog herinneren: het kan mijn raad  zonder vrucht doen zijn; het bedreigt uw leven!”

„Mijn leven?” vroeg De Vogue, „ik dacht, dat het dien Marco Marino……”

„Juist!” zeide de Italiaan haastig, „hij is reeds in Frankrijk; en indien de graaf de hoop kan voeden Marco Marino binnen vier en twintig uren na u te zien, dan zal hij u Paula niet afstaan, al noemt gij ook den naam van Juan Peguero; en uw leven hangt aan een zijden draad!”

De Vogue trachtte vruchteloos te raden, wat er in het hart van den Italiaan omging; waarom deze hem vrees trachtte in te boezemen voor zijn leven, ofschoon zijn belang medebracht, om hem niet af te schrikken, een poging te wagen tot het verkrijgen van Paula’s hand. Een oogenblik vermoedde hij, dat Rimini een werktuig was van den graaf of van Marco Marino; doch hij verwierp die gedachte, waarvan hij de onwaarschijnlijkheid inzag.

„Mijnheer De Vogue!” zeide de Italiaan. „Ik heb het gevaar niet verzwegen, dat u boven het hoofd hangt, indien gij den graaf in zijn huis gaat noodzaken uwen wil te gehoorzamen. Maar een Fransch edelman, een officier der Gardes Françaises, die oprecht bemint, laat zich niet afschrikken; en wat ik gezegd heb, zal u in staat stellen om, behoudens de geheimhouding, die gij mij beloofd hebt, voor uw leven te waken. Zoodra gij den graaf gedwongen hebt, Paula aan u af te slaan, dan moet zij u volgen; want…… de graaf zou haar zeer zeker ergens heenvoeren, waar het u onmogelijk zou zijn haar terug te vinden. Wat het vermogen van Paula Tarsia betreft, indien zij uwe vrouw wordt, dan zult gij ondervinden, dat ik de waarheid gezegd heb.” Dit zeggende, nam hij ee papier uit de brieventasch, gaf het aan De Vogue en vervolgde: „Neem dit, en het zal u niet moeilijk vallen zorg te dragen, dat hare voornaamste bezittingen u niet ontgaan; het is echter noodzakelijk, dat gij de goederen in Sicilië aan den graaf in eigendom afstaat.”

„Maar indien de graaf er aan twijfelt, of ik die papieren bezit,” vroeg De Vogue; „indien hij, hetzij hij mij gelooft of niet, mij evenwel zijne dochter blijft weigeren, wat dan? Zult gij mij dan een middel aanwijzen om dien Juan Peguero uit te vinden?……”

„Neen!” viel de Italiaan hem in de rede, terwijl hij opstond; „heb ik u niet gezegd, dat dit mij niet vergund is? Bovendien ziet gij mij heden voor de laatste maal! De graaf Valarasco zal, hij moet u gelooven! en hij zal u zijne dochter geven, indien hij niet liever verkiest u te doen vermoorden!”

„Vermoorden?” riep De Vogue opstaande. „Signor Rimini! de Spanjaard zal zich bedenken, alvorens de hand te slaan aan een officier der Gardes Françaises: in Frankrijk zou de wet mijn dood wreken, en buiten mijn vaderland zouden mijne wapenbroeders den moordenaar weten te straffen!”

„Het is mogelijk, dat gij waarheid spreekt, Mijnheer!” zeide de Italiaan koel; „maar de graaf Valarasco is tot alles in staat, om Paula Tarsia aan Marco Marino uit te huwelijken.”

„Waarom heeft de graaf Paula aan mij geweigerd, en zou hij mij naar het leven staaan? terwijl Marco Marino zich niet om haar bekommert? Waarom wil hij Paula dwingen om Marco Marino te huwen, ofschoon zij hem niet bemint?” vroeg De Vogue.

„Een vader heeft zijn kind lief, en tracht het gelukkig te maken; maar meest altijd wordt hij met ondankbaarheid beloond!” zeide de doctor bedaard.

„Gelukkig!” riep De Vogue verwonderd.

„Ja, gelukkig!” antwoordde de doctor ernstig; toen vervolgde hij: „Gij ziet, Mijnheer De Vogue! dat de lichten verduisteren; het is tijd om mij te verlaten; men wacht u! Ik heb u niet meer te zeggen; vergeet niet, dat gij mij geheimhouding beloofd hebt: één enkel woord kan u het leven kosten!”

Bij het flauwe licht, dat de kaarsen nog om en bij de tafel verspreidden, zag De Vogue de lange zwarte gedaante van den Italiaan, die onbewegelijk achter de tafel stond, doch die voorgenomen scheen te hebben den mond niet meer te openen; watn tevergeefs sprak De Vogue hem aan, en er heerschte een volstrekte duisternis in het vertrek, toen de luitenant al tastende de deur bereikte, en zich haastte om het verblijf van Signor Rimini te verlaten.

908SR15.gif (1832 bytes)

Op een schoonen morgen van de maand April volgden twee officieren te paard den weg, die van Montfermy naar het landgoed van de graaf Valarasco leidde: twee bedienden reden op eenigen afstand. Vóórdat zij de laan bereikten, welke recht op het kasteel aanliep, hield een der officieren zijn paard staande, en de andere zeide, terwijl hij dit voorbeeld volgde: „Vergeefs zoekt gij mij te doen gelooven, dat u geen gevaar bedreigt; de voorzorgen, die gij neemt, bewijzen het tegendeel: schenk mij uw vertrouwen, Louis!”

„Onmogelijk!” riep De Vogue; „gij weet, ik heb mijn woord van eer gegeven;” en hij vervolgde lachend: „En bovendien, Frédéric! zou er veel moed toe behooren om alles te zeggen, zelfs aan u! Ik weet, dat ik mij aan het gevaar blootstel van als een bedrieger, of, op zijn minst genomen, als een gek te worden teruggezonden, en gij kunt mij beklagen of uitlachen; maar gij kunt mij niet van besluit doen veranderen!”

„Het doet mij leed,” hernam De Verac ernstig; „in alle gevallen kunt gij op mij rekenen: indien gij niet terugkomt, dan zal La Brosse hier blijven, om op alles een wakend oog te houden, terwijl ik mij naar Clermont spoed, en de Spanjaard zal genoodzaakt zijn u te voorschijn te brengen.”

„Is het niet levend, dan is het dood!” zeide De Vogue zoo onverschillig mogelijk; doch hij vervolgde ernstig, terwijl hij zijn paard de sporen gaf: „Hoe het zij, gij hebt mijn brief; vaarwel, Frédéric!”

De Verac verliet den zadel en begaf zich met La Brosse naar het begin der breede laan, toen zijn vriend gevolgd door zijn kamerdienaar, naar het kasteel reed. Het zal onnoodig zijn te zeggen, hoe De Vogue, die zich in het eerst voorgenomen had geen gebruik te maken van den raad van doctor Rimini later van gedachten veranderd was; hetgeen hij gezegd had, was bewijs genoeg dat hij, op geloof aan de woorden van den geestenbezweerder, een tweede poging ging wagen om de hand van Paula te verkrijgen. De kamerdienaar bleef in den zadel zitten toen zijn meester afsteeg, en zich liet aandienen: zelfs verwijderde hij zich van het kasteel om zeker van zijn terugtocht te zijn. De Vogue bleef niet lang alleen in het vertrek, waar men hem verzocht had te wachten, en de graaf, die hem uitnoodigde plaats te nemen, vroeg beleefd, waaraan hij het bezoek van den luitenant te danken had. Behalve het verschil van jaren, bestond er een groot onderscheid tusschen den graaf en De Vogue; de laatste was groot en blonk van gelaatskleur, terwijl de bruine kleur van den eerste bewees, dat hij aan de andere zijde der Pyreneën geboren was. Hij was las naar gewoonte in zwart fluweel gekleed, en ofschoon hij zijn vaderland verlaten had, scheen de Spaanschen deftigheid hem terug te houden om kleederen van levendiger kleur te dragen; de luitenant droeg de monteering van zijn regiment.

Al hetgeen de Italiaan gezegd had, kwam De Vogue voor den geest, toen hij den graaf vóór zich zag; hij bleef hierdoor een oogenblik het antwoord schuldig, en zeide toen: „Mijnheer de Graaf! voor eenige maanden heb ik u verzocht, mij de hand van uwe dochter te schenken; doch het heeft mij toen niet mogen gelukken u over te halen aan mijne bede gehoor te geven! de liefde, die ik voor haar gevoel, is echter te diep doorgedrongen in mijn hart, dan dat het mij mogelijk zou geweest zijn haar te vergeten, en ik kom u mijn verzoek herhalen.”

„Mijnheer De Vogue!” hernam Valarasco koel, terwijl zijn voorhoofd zich fronste, „ik heb u vóór eenige maanden gezegd, wat mij verhinderde aan uw verlangen te voldoen, en gij hadt u zelven een vergeefsche reis en dit herhaald verzoek, en mij eene nieuwe weigering kunnen besparen.”

„Mijnheer!” zeide De Vogue haastig, „de kracht van het gevoel, dat mij beheerscht, moet mij verontschuldigen. Mijn afkomst is bekend; ik ben rijk, en mijne vooruitzichten op bevordering zijn zeer gunstig; doch al kon de man, om den wil van wien gij mijn verzoek geweigerd hebt, uwe dochter dezelfde voordeelen aanbieden, de weinige prijs, dien hij schijnt te stellen op het geluk om haar echtgenoot te worden, zou hem die eer evenwel onwaardig maken!”

„Mijnheer!” zeide de Spanjaard trots, terwijl hij opstond, „het is voldoende, dat zijn aanzoek mijne dochter en mij welgevallig geweest is; aan mij alléén komt het recht toe, de manier van handelen van een edelman te beoordeelen, dien gij de eer niet hebt te kennen, en die boven uw lof of uwe blaam verheven is!”

De woorden en de toon van Valarasco deden De Vogue het geduld verliezen, en hij zeide driftig: „Het is een eer, naar welke ik niet verkies te dingen! Ook twijfel ik er geen oogenblik aan, dat niemand hem beter kent dan gij; maar juist dit moet u overtuigen, dat Marco Marino de echtgenoot niet kan worden van Paula Tarsia!”

De graaf wierp een doordringenden blik op De Vogue, terwijl zijn gelaat betrok; doch hij bleef onbeweeglijk staan, en scheen te willen raden, wat er in het gemoed van den luitenant omging. De Vogue had reeds te veel gezegd, om niet een proef te nemen, welk nut hij van den raad van doctor Rimini kon trekken; te meer, daar het noemen van den naam van Tarsia reeds eenigen indruk gemaakt had: daarom haastte hij zich er bij te voegen: „En om den graaf Valarasco te bewijzen, dat ik al de bezittingen van Paula Tarsia niet begeer, zoo geef ik de verzekering, dat ik hem de goederen in Sicilië wil afstaan.”

De graaf hoorde hem aan zonder van houding te veranderen; haat en spijt stonden op zijn gelaat te lezen. Eindelijk opende hij den dichtgeklemden mond en zeide schamper: „Uw gedrag is een edelman onwaardig; met een woord, dat een kind u onvoorzichtig heeft prijsgegeven, komt gij den vader dwingen aan uw wil te gehoorzamen! Ik heb u reeds gezegd, dat ik uniet voor schoonzoon begeer; doch nu moet ik nog zeggen, dat ik u veracht!”

„Graaf!” riep De Vogue, terwijl hij opstond; – doch hij vervolgde niet. De woorden van den Spanjaard troffen hem tot in de ziel; hij vreesde zelfs, dat de liefde, die hij voor Paula gevoelde, hem verachtelijk gemaakt had, door hem te verleiden om misbruik te maken van het ongeluk, dat den graaf vervolgde.

„Luitenant De Vogue!” vervolgde de Spanjaard spottend, „gij begeert al hare bezittingen niet; het is een grootmoedigheid, die ik van u niet verwachtte, en die mij in u verwondert!”

De Vogue was op het punt om vergiffenis te vragen; doch het gezegde van den graaf stoorde hem in zijne overdenkingen; had hij zich onwaardig gedragen, het was om Paula geschied, niet om hare bezittingen. De zegevierende houding van den Spanjaard bracht hem tot het wanhopig besluit een laatste poging te doen om haar aan Marco Marino te ontrooven, en hij zeide ernstig: „Graaf Valarasco! die grootmoedigheid zal u niet mmer verwonderen, als ik u zeg, dat ik een wettig afschrift der papieren van Juan Peguero bezit!”

De uitwerking, welke deze weinige woorden op den graaf schenen te hebben, verbaasde De Vogue, vervulde zijn hart met blijde hoop, en ontsloeg het van een last, die er loodzwaar op druikte. Hij begon aan het vermogen van den raad van doctor Rimini te gelooven, en de wraakzucht, welk op het gelaat van den graaf te lezen stond, kon den man van eer niet bezielen, die zijn geheim verraden ziet.

„Mijnheer!” zeide de Spanjaard eindelijk, „ik kan uw gedrag alleen verklaren door u voor gek te houden; ik ken den man niet, dien gij goedvindt te noemen; ik weet niet, welke papieren gij bedoelt.”

„Graaf!” hernam De Vogue, op vasten toon, – het gezegde van den Spanjaard kon hem niet om den tuin leiden: – „een ander dan gij zou zich niet ongestraft van de uitdrukkingen bedienen, die gij u vermeet te gebruiken. Tevergeefs veinst gij mij niet te begrijpen; Juan Peguero is u beter bekend dan mij, en gij weet zeer goed, welke papieren ik bedoel!”

„En gij!” vroeg de graaf somber, „denkt gij dan, dat ik mij door u ongestraft zal laten beleedigen?” De Vogue zweeg, en de Spanjaaar vervolgde, na zich lang bedacht te hebben: „Ik ben ook jong geweest, en zou kunnen vergeten, wat gij gezegd hebt; het is meer dan tijd om dit onderhoud te eindigen; maar wat is uw voornemen? Wilt u mijne dochter dwingen om uwe vrouw te worden, terwijl zij een ander bemint?”

„Neen!” hernam De Vogue schielijk. „Indien zij een ander bemint, dan kan hare hand mij niet gelukkig maken; maar ik moet haar zien; zij zelve moet mij zeggen, wat ik te hopen of te vreezen heb!”

„Zij zelve?” vroeg de Spanjaard, en hij vervolgde terwijl zijn mond zich tot krampachtigen glimlach vertrok. „Het zij zoo! ik zal haar halen; binnen één oogenblik ben ik terug.”

„Graaf Valarasco!” zeide De Vogue, „sta mij toe u te vergezellen of laat haar roepen!”

„Luitenant De Vogue!” hernam de graaf somber, terwijl hij bleef staan, „het schijnt, dat gij het gebieden gewoon zijt. Maar ééne vraag nog: blijft gij volharden bij dat verzoek?” De Vogue knikte toestemmend met het hoofd; en de graaf vervolgde: „Het is mij wèl; ik zal haar laten roepen!” Hij trad naar de tafel, schelde, en toen de knecht binnengekomen was, gaf hij hem zijne bevelen. De meeste bedienden van den graaf waren vreemdelingen, en De Vogue, die geen Spaansch kende, kende, kon niet verstaan, welke last aan den knecht werd opgedragen, ofschoon hij den naam van Paula hoorde noemen. Vol ongeduld zag hij hare komst tegemoet; van haar zou het dus afhangen om hem het toppunt zijner wenschen te doen bereiken; want de macht, die Signor Rimini hem in handen gegeven had, dwong den graaf, zich naar zijn wil te schikken; van Paula hing althans alles af, en zij beminde hem! De Spanjaard zag met oogen, die van wraakgierigheid fonkelden, naar den jongeling, die hem geheel vergeten had.

Zoodra de deur geopend werd, deed De Vogue een schrede voorwaarts; doch zijne blijde verwachting werd teleurgesteld: in stede van Paula traden er twee bedienden in het vertrek en sloten de deur. Voordat hij het woord tot den graaf kon richten, zeide deze met somberen ernst: „Indien gij zoo dwaas geweest zijt om een oogenblik te gelooven, dat ik mij verlegen zou laten maken, en mij laten bedriegen door uwe woorden, of mijne dochter zou vernederen door de verklaring van uwe liefde te moeten aanhooren, dan hebt gij u bedrogen; en ik zal u bewijzen, dat een Spaansch edelman zich niet ongestraft laaat beleedigen. Geef uw degen over!”

„Dat nimmer!” riep De Vogue, die met verontwaardiging vervolgde: „Indien gij niet liegt, indien gij een edelman zijt, beproef dan zelf hem mij te ontnemen!” De graaf zeide iets in het Spaansch en vervolgde, kwaadaardig glimlachend, terwijl de twee Spanjaarden elk een lang pistool uit den zak van hun rok te voorschijn haalden: „Ik heb u gezegd, dat ik u veracht! Gehoorzaam, of……”

„Of de edele graaf laat mij vermoorden!” riep De Vogue schamper, en hij vervolgde dreigend, terwijl hij de hand aan het gevest van zijn degen sloeg, toen de graaf toestemmend met het hoofd knikte: „Vóórdat gij naar uwe meester luistert, moet ik u zeggen, dat een Fransch officier zijn degen nimmer overgeeft, en dat men in Frankrijk niemand straffeloos vermoorden kan.”

„Zij zijn getrouw!” zeide de graaf somber, waarna hij weder in het Spaansch de knechts gelastte de hanen van hunne pistolen te spannen en hij vervolgde: „Voor de laatste maal, Luitenant De Vogue! of zij schieten u onder den voet!”

„Zij zullen het niet doen!” riep De Vogue, die zelfs in dit oogenblik zijne tegenwoordigheid van geest niet verloor, en aan de woorden van doctor Rimini dacht. „Zij zullen het niet doen; want ik ben hier even veilig als in het midden mijner dappere grenadiers; van alle zijden slaat men het kasteel gade, en het uur der wraak zou spoedig slaan!”

De graaf hield het woord terug, dat hem op de tong lag; want er werd aan de deur geklopt. Hij beval haar te openen, en de knecht, die binnentrad zeide: „De kamerdienaar van mijnheer den luitenant, die heeft blijven weigeren dan zadel te verlaten, verlangt nu zijn meester te spreken!” De Vogue trok zijn linker handschoen uit, wierp hem naar de deur en zeide bedaard: „Geef hem dit, en zeg hem dat hij wachte!” De twee Spanjaarden wisselden een blik, toen hun makker zich verwijderd had, en vóórdat de graaf den mond opende, vervolgde De Vogue op koelen toon: „Gij ziet, dat ik u niet bedrieg! Ik heb nog iets aan den graaf Valarasco te zeggen: in zijn belang stel ik hem voor, om die twee lieden weg te zenden; indien hij dan nog bij het voornemen volhardt, om mij te doen vermoorden, dan kan hij hen weder terugroepen!” De graaf bedacht zich en wierp een vorschenden blik op De Vogue; toen richtte hij het woord tot zijne knechts; één hunner gaf zijn pistool aan zijn meester over en zij verlieten  het vertrek.

„Graaf!” zeide De Vogue ernstig, „gij ziet, dat ik mijne voorzorgen genomen heb; maar ik moet u nog meer zeggen: de papieren van Juan Peguero bevinden zich verzegeld in handen van een man van vertrouwen en van veel invloed: indien ik niet op een bepaald uur in Clermont terug ben, dan breekt hij het zegel en het geteekende stuk, dat ik bij de papieren gevoegd heb, zal hem aanwijzen, wat hij de doen heeft, en waar hij mij zoeken moet. Ik begeer niet meer, dan dat het Paula Tarsia vergund worde den echtgenoot te kiezen, dien zij verlangt, en dat zij zelve over mijn lot beslisse.”

De Spanjaard gaf geen antwoord en scheen te willen raden, of de luitenant waarheid zeide. Toen bleef hij, in sombere gedachten verdiept, staan, en De Vogue begreep, dat zijn leven of dood van het besluit afhing, dat de graaf nemen zou; hij dacht aan zijne moeder, aan Paula, en zijn hart klopte, ofschoon hij met gerustheid het gevolg zijner woorden scheen af te wachten. Eindelijk stak de Spanjaard de hand langzaam naar schel uit, en de twee knechts traden binnen; hij bedacht zich, en zij verlieten op last van hun meester weder het vertrek, zoodat De Vogue in onzekerheid bleef wat er gebeuren zou, ofschoon hij den naam van Paula had hooren noemen. Doch toen de deur eenige oogenblikken later geopend werd, zag hij zijne wenschen onverwacht vervuld; de dochter van den graaf trad haastig in de kamer; doch zij bleef verwonderd staan, toen zij De Vogue vóór zich zag. Het wijde witte kleed, dat zij droeg, zoowel als de gedeeltelijke voltooiing van haar kapsel, bewees, dat zij zich onder de handen van hare kamenier bevonden had, toen zij geroepen werd, en zij liet een bloem vallen, terwijl zij de eerbiedige buiging van den luitenant beantwoordde, en de slippen van den kanten doek over elkander sloeg, welke achteloos over har schouders geworpen was. De Vogue, die te sterk aangedaan was om één woord te uiten, deed een schrede voorwaarts, raapte de bloem op, en bood haar Paula aan; een bevallig lachje, dat zich op haar schoon en regelmatig gelaat vertoonde, beloonde hem voor deze beleefdheid, en de uitdrukking van hare groote zwarte oogen, zoowel als de lichte blos, die zich op hare bleeke wangen vertoonde, gaf genoeg te kennen wat zij gevoelde, toen de vingers van De Vogue hare hand even aanraakten.

„Paula! uw vader heeft u laten roepen,” zeide de graaf onvergenoegd; en hij vervolgde ernstig: „Gij weet, dat de vader van Marco Marino mij het leven gered heeft; uit dankbaarheid en uit verlangen om u gelukkig te zien, is het mijn wensch steeds geweest, dat hij uw echtgenoot zou worden; uwe moeder, gij hebt het zelve in haar testament gelezen, heeft dit huwelijk goedgekeurd; Marco Marino is met u grootgebracht; hij bemint u, en gij hebt hem uwe hand beloofd. Dat alles heb ik aan mijnheer De Vogue gezegd, die ons de eer aandoet om u ten huwelijk te vragen; doch hij wenschte uit uw eigen mond de verzekering te ontvangen, dat zijn verzoek te laat komt, dat gij reeds een echtgenoot gekozen en hem trouw beloofd hebt.”

Paula werd even wit als haar kleed, toen haar vader haar aansprak; eerst toen sloeg zij acht op de uitdrukking van zijn gelaat, en ten tweeden male liet zij de bloem vallen; haar oog viel op het pistool, dat op de tafel lag. De Vogue zal met droefheid naar het meisje, dat hij zoo vurig beminde, en dat buiten staat was om dadelijk te antwoorden; hij zeide haastig, terwijl zijn toon geschikt was om haar moed en vertrouwen in te boezemen: „Mejuffrouw! mijnheer de graaf heeft de waarheid gezegd: voor de tweede maal kom ik verzoeken om uwe hand; zonder u heeft het leven al zijn bekoorlijkheid voor mij verloren; daarom heb ik verlangd, dat gij zelve zoudt beslissen over mijn lot. Veroorloof mij u te zeggen, dat de erkentenis voor een ontvangen dienst een vader niet mag – dat het verlangen zijne dochter gelukkig te maken, hem nimmer kan doen besluiten, om haar een echtgenoot op te dringen; indien de vrouw beroofd werd van het recht, de uitspraak van haar hart te volgen, welk geluk zou haar het huwelijk dan aanbieden? Het zou een dwang zijn, in strijd met alle menschelijke en goddelijke wetten. Maak dus van uw recht gebruik; nog is het tijd. En uwe moeder! gij weet immers, hoezeer zij u beminde; kunt gij twijfelen, wat zij zou zeggen, indien gij haar niet verloren hadt? zou zij hare dochter willen berooven van het heilige recht, een echtgenoot te kiezen!”

„Geef antwoord, Paula!” riep de graaf driftig. „Kunt gij u nog bedenken? vergeet gij, dat uw vader borg is gebleven voor uwe vrouw? Als het woord niet heilig meer is, indien de dankbaarheid voor het redden van het leven van een vader, indien kinderlijke gehoorzaamheid geene plichten meer zijn, wat zal er dan langer heilig wezen? gij hebt zelve gelezen, wat uwe moeder verlangt, wat zij u gelast heeft; bedenk……”

„Graaf!” viel De Vogue hem met ernst in, de rede, terwijl hij hem twee schreden naderde: „Ik heb verlangd, dat Paula Tarsia zou kunnen spreken, zooals haar hart het haar ingeeft. Indien gij u op dat testament blijft beroepen, dan heb ik ook papieren, die voor mij spreken zullen.”

„Luitenant!” zeide de graaf somber, en zijne hand strekte zich naar het pistool uit, en hij vervolgde: „Paula! ik vrees, dat gij mijnheer DE Vogue, tot uw echtgenoot zult moeten nemen, en dat hij er u toe dwingen kan; want hij is in het bezit van een geheim, waarvan  mijn leven afhangt. Inden gij mij verraden hebt, ik vergeef het u!”

„Mijnheer De Vogue!” riep Paula met drift, terwijl zij trotsch het hoofd oplichtte; hare oogen flonkerden, en ofschoon zij zoo mogelijk nog bleeker werd, trad zij fier naar de zijde van haar vader.

„Paula!” riep De Vogue met vuur, „ik heb den graaf met gevaar van mijn leven genoodzaakt mij het geluk te gunnen u te zien, en u vrij te laten in uwe keuze. Heb ik misdaan? wil het mij vergeven; want ik kan niet leven zonder u. Volg gerust de inspraak van uw hart; voed geene vrees, hetzij gij mij tot uw echtgenoot verkiest of niet, ik zweer u bij al wat heilig is, dat het leven en de goede naam van den graaf mij even heilig zullen zijn, als ware hij mijn eigen vader!”

De verontwaardiging, die Paula bezielde, had, toen De Vogue sprak, voor onzekerheid plaats gemaakt; het wapen, dat op de tafel lag, bevestigde de woorden van een man, dien zij beminde; De Vogue zag den tweestrijd, waarin zij verkeerde, toen de graaf schamper vroeg: „Kan de dochter van den graaf nog aarzelen?” en hij zeide vol gevoel: „Geloof niet, Paula! dat het bezit van uwe hand eenige waarde voor mij zouden hebben, indien uw hart mij niet behoorde. Ik u dwingen? ik wil liever sterven!……”

„Louis!” riep Paula snel, terwijl zij hem hare hand toereikte. Opgetogen van geluk, drukte De Vogue die aan zijne lippen; toen keerde zij zich haastig tot den graaf, en vervolgde met geestdrift: „Mijn vader! gij kunt u op hem verlaten; hij zal u niet verraden, ik blijf……”

„En Marco Marino?” vroeg de graaf somber, terwijl hij het pistool in de hand nam. – „Ik bemin hem niet, nooit……” – „En wilt gij dan, dat hij sterve?” vroeg de graaf, haar in de rede vallende, terwijl hij op De Vogue wees, „verlangt gij den dood van den dwaas, dien gij bemint?”

„Vader!” riep zij, den graaf naderende; maar hij stiet haar terug. Toen vatte De Vogue haar bij de hand en zeide met geestdrift: „Vrees niets, Paula! zoolang gij mij bemint, kan ik niet ongelukkig zijn; en moet ik sterven, dat zal mijn dood u evenwel van Marco Marino verlossen!”

„En wij sterven te zamen!” riep Paula, terwijl zij hem in hare armen klemde, toen de graaf zijn pistool ophief. De Spanjaard liet zijn wapen zakken, en hij strekte juist de linkerhand naar de schel uit, toen men aan de deur klopte. „De kamerdienaar van mijnheer De Vogue verlangt hem te spreken,” zeide de knecht, die op de toestemming van zijn meester was binnengetreden. De Vogue vatte de moed op, en toen de knecht zich voor een oogenblik verwijderd had, zeide De Vogue, nadat hij Paula naar een stoel geleid had, op vastberaden toon: „Graaf Valarasco! het huwelijk, waarop gij gehoopt hebt, is onmogelijk geworden. Vroeger heb ik u den tijd gelaten om de bedienden te roepen, die mij vermoorden moesten; het geluk lacht mij op dit oogenblik te zeer toe, dan dat ik niet meer zorg zou dragen voor mijn leven: ik heb een moeder, die haar zoon wacht; ik reken op het bezit eener vrouw, die mij bemint; roept uwe sluipmoordenaars binnen; maar reken er op, dat ik mij verdedigen zal! Onderwerpt gij u aan hetgeen de noodzakelijkheid van u vordert, staat gij Paula Tarsia aan mij af, dan beloof ik u op mijn woord van eer, dat de goederen in Sicilië uw eigendom zullen worden, en dat ik nimmer van de papieren van Jean Peguero een woord zal spreken!”

De graaf bedacht zich lang; de wraakzucht kampte met de overtuiging, dat de rede hem aanried, zich aan het verlangen van De Vogue te onderwerpen; eindelijk zeide hij met doffe stem: „Gij zijt op dit oogenblik de machtigste; gij hebt slechts te zeggen wat gij verlangt.”

Ditmaal ontving de kamerdienaar bevel om mijnheer De Verac te roepen. Deze boog zich, toen hij binnentrad, voor Paula en voor den graaf, die deze beleefdheid vergat te beantwoorden, en De Vogue zeide, zonder zijne vreugde te laten blijken: „De Verac! mijnheer de graaf is zoo goed, mij de hand zijner dochter af te staan, en mejuffrouw Paula doet mij de eer aan, mij tot haar echtgenoot te verkiezen; en aangezien mijn verlof zoo spoedig ten einde loopt, en de notaris van uwe ouders juist heden den dag bij hen doorbrengt, zoo zullen wij ons alle vier op weg begeven, om in tegenwoordigheid van mijnheer en mevrouw De Verac, de huwelijksvoorwaarden op te maken.”

Op den eersten dag der maand Mei waren al de zalen van het Hôtel de Vogue, in de Rue St. Honoré te Parijs, des avonds rijk verlicht; de koetsen brachten nog gestadig nieuwe gasten aan, ofschoon het aantal genoodigden, die reeds waren aangekomen, zeer groot was; men vierde de bruiloft van Louis Charles de Vogue en Paula Tarsia. De een zeide: dt de bruid geene ouders meer had, dewijl er niemand van hare familie op het feest tegenwoordig was; over haren rijkdom werd ook verschillend gesproken.

De Vogue, die, toen de avond reeds ver gevorderd was, zijne bruid voor een oogenblik verlaten had, om een wandeling door de zalen te doen, trad naar De Verac, die met den ridder D’Aueuil stond te praten, en vroeg: „Heeft één van u beiden De Latude ook gezien?”

„Neen!” zeide De Verac; „hij zou met den markies komen, maar zij zijn er nog niet.” – „En onze bruidegom zal zich niet lang alleen verheugen over zijn bezoek bij Doctor Rimini,” zeide de ridder lachend, en hij vervolgde: „Of gij het wilt of niet, van dat oogenblik af dagteekent uw geluk; en wat onzen vriend De Latude betreft, gisteren sprak ik hem te Versailles; hij was gekleed alsof hij de bruidegom was, en geen wonder, de markiezin had hem gehoor verleend, en gij kunt u zijne vreugde voorstellen: zij heeft beloofd, voor zijn geluk te zullen zorg dragen.”

„Is het mogelijk?” zeide De Vogue verwonderd; doch De Verac riep: „Daar is Du Goudray met den ridder De Méhégan!” Van wederzijds naderde men elkander, en D’Auteuil zeide vroolijk:

„Maar, Mijnheer de Markies! het is niet geoorloofd, om met zulk een treurig gezicht op een bruiloft te komen. Indien gij op het biljart verloren hebt, waarom blijft gij niet te huis?”

„Gij weet, dat de ridder onverbeterlijk is,” zeide De Vogue; „maar waarom is De Latude niet met u medegekomen?” – „Ja, waarom?” vroeg De Verac, en daar Du Coudray niet antwoordde, zeide de markies ernstig: „Omdat hij in den verleden nacht in naam des Konings is gevangen genomen!”

908SR15.gif (1832 bytes)

Doctor Rimini had aan De Vogue gezegd, dat deze hem nimmer zou wederzien, en hij had waarheid gesproken; de gelukkige echtgenoot van Paula trachtte zelfs tevergeefs eenige berichten nopens den Italiaan in te winnen; het onverklaarbare was echter, dat de betaling der vijftigduizend livres nimmer werd gevorderd.

908SR15.gif (1832 bytes)

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)