J.F. Oltmans (1806 – 1854)

HET HUIS VAN HET ZEEWIJF

Het zeewijf of meermin.

M.gif (6654 bytes)en heeft mij eens verhaald, dat er, bij bij den aanvang der vorige eeuw, in Vlissingen een gebouw stond, hetwelk onder den naam van het Huis van het Zeewijf bekend was; ten minste de oude lieden noemden het zoo, ofschoon diegenen welke zich lieten voorstaan de ouden te verbeteren, het den meer nieuwerwetschen naam van het Huis van den Meermin gaven. Allen stemden echter drin overeen, dat, volgens een van ouder tot ouder overgebracht bericht, het huis vr honderden jaren bewoond was geworden door een Zeewijf of een Meermin, welke gevangen was door een armen schipper, die het huis had laten opbouwen van de kostbaarheden, welke zij hem ten geschenke gegeven had. Onbekende werklieden en bouwmeesters, die verdwenen waren, zoodra het verblijf voor de Meermin gereed was, en hare liefde voor den man, die haar uit de zee had opgevischt, gaven nog meer kleur aan deze overleveringd der verloopen eeuwen. Hoe geloofwaardig nu een zaak moge wezen, men zal altijd ongeloovigen vinden, die verstandiger willen zijn dan anderen, en die verwerpen hetgeen hunne voorouders als waarheid beschouwd hebben; z ging het ook hier: zij erkenden, dat er een volksverhaal van de Meermin bestond, doch ontkenden hardnekkig, dat er ooit een zoodanig wezen bestaan had, en evenwel bestond het gebouw toen ng. Daagde men hen uit om in de stad, of op het geheele eiland een dergelijke huis aan te wijzen, dan stemden zij toe, dat het een bedelaarsdeken van bouwkunde was, maar loochenden, dat dit een bewijs was, dat een Meermin het had laten bouwen. Vergeefs wees men hun dat gedeelte der tinne, aan, waar het Zeewijf weleer achter de fraai bewerkte borstwering placht te wandelen, om lucht te scheppen of naar de voorbijgangers te kijken; even vruchteloos beriep men zich op den zonderlingen toren, uit welken de bewoonster naar de zee placht te zien, als de zon opging: de ongeloovigen hadden, volgens hun zeggen, meer torens, meer muren gezien, waarop men wandelen kon; zij bleven het verhaal van het Zeewijf als een sprookje beschouwen, en vroegen spottend, hoe een Meermin doet, als zij wandelt.

Niettegenstaande de regen en de wind, gedurende honderden jaren, hunne vernielende krachten aangewend hadden tegen de steenen boven de groote deur, waarin men de geschiedenis van het vangen van het Zeewijf had uitgehouwen, en de baldadigheid der menschen, de woede der elementen met kracht hierin de hand geboden had, bleef er echter nog genoeg van dat eens zoo fraaie beeldwerk over, om de ongeloovigen, zooals de voorstanders van den goeden ouden tijd en zijne overleveringen niet aarzelden te verklaren, te overtuigen. Doch zij bedrogen zich! hunne tegenpartij erkende wel, dat de man in die onstuimige zee een man was, maar ontkende, dat het wezen, waarmede hij scheen voort te zwemmen, en dat nu geheel mismaakt was, een Zeewijf zou zijn: het was volgens hun gevoelen een vrouw, en de schubben en de staart werden gevormd door het lange, geruite kleed, hetwelk door het water nauw om het lijf en beenen sloot. Was ook dit bewijs, ofschoon uit harden steen bestaande, niet sterk genoeg om de verstokten te overtuigen, dan had men vroeger meermalen, met vrucht, het bestaan van het Zeewijf betoogd, door te wijzen op de groote Meermin, die boven op den toren als windwijzer gesteld was; maar sedert een ongeloovige spotboef, juist op het oogenblik dat men hem tot zijne schande meende overtuigd te hebben, gevraagd had, of dan alle torens waarop hanen als windwijzers stonden, weleer door hanen gebouwd en bewoond waren, sedert dat oogenblik was de vroeger zwaar vergulde Meermin tot niet meer dienstig dan om den wind aan te wijzen.

Wij weten niet, of er nog oude lieden in Vlissingen gevonden worden, die zich herinneren hunne grootouders van het Huis van het Zeewijf te hebben hooren verhalen; evenmin is het ons bekend, in welk gedeelte der oude stad het weleer gestaan heeft. Zoo men zegt, was het reeds, vrdat de heerlijkheid van Veere en Vlissingen tot een markgraafschap verheven werd, bij ontstentenis van eigenaars, aan de heerlijkheid vervallen; de bevelhebbers de Walen; die ten tijde van den Hertog van Alva in de stad lagen, hadden er hun intrek genomen; later werd het een tijdlang door een Engelschen ridder, Sidney, bewoond, en seder gebruikt tot een gasthuis en een barak voor soldaten, Dit is gewoonlijk het begin van het droevig einde: watervloeden en stormen brachten het hunne bij, en zoo is het Huis van het Zeewijf, dat zich omtrent het midden der zeventiende eeuw van vooren nog vertoonde als een gedeelte van een vroeger niet onaanzienlijke gebouw, verdwenen, zonder dat men weet hoe en wanneer.

Wellicht zoude oude grondbrieven en stedelijke of andere registers hieromtrent eenig licht kunnen verspreiden, misschien ook niet; wellicht heeft het huis nooit bestaan, en is het het geheel geval een sprookje, ja! hetgeen slimmer is, niet dan een klucht, een doode musch, waarmede den liefhebber en opdelver van oude prullen heeft willen vroolijk maken en bedriegen; en is dit waar, dan zal men tevergeefs het geheugen der oudste bewoners van Vlissingen op de proef stellen, en vruchteloos, al ware het oop tot Sint-Juttemis, in oude, halfvergane papieren en perkamenten snuffelen. Doch juist dr waar de geleerde alle grond onder de voeten wegzinkt, waar de diepste nacht hem omringt, dr is de romanschrijver in zijn element; dr staat hij vast, dr ziet hij alle helder, alsof zijne lange les een licht verspreidde, die met het hydro-oxygeengas wedijveren kon. Hij weet hetgeen gebeurd is en hetgeen niet gebeurd is, en vertelt zonder liegen; want hij verhaalt geen waarheden, dat geene waarheden zijn, maar hij verdicht. Het is zijn beroep; gelukkig zoo het zijne roeping is! Hij bedriegt de wereld niet meer dan zij wil bedrogen zijn; en wordt somtijds beloond met onverdiende toejuiching, veeltijds met harde, ofschoon wellicht niet niet geheel onverdiende afkeuring.

908SR15.gif (1832 bytes)

Vrouw Machteld had zich weer nedergezet, na zich alvorens overtuigd te hebben, dat het broodsop, hetwelk in een roode steenen pan aan den haard stond, nog eenigen tijd kon warm blijven; want zij verwachtte de terugkomst van haar zoon. Broeder Peter was zoo op het oogenblik, zoo hard al hij loopen kon, naar zijn klooster teruggekeerd; zoowel zijn verlangen om de oude vrouw door zijne woorden gerust te stellen, als de schotel met verwarmend broodsop, welken zij hem had voorgezet, had hem langer doen blijven dan hij gedacht had, en zou hem nu de straf op den hals halen voor zijne terugkomst na de sluiting van het klooster. Van tijd tot tijd liet Machteld hare handen zakken; dan vorderde de grove, doch warme kous niet, welke zij voor haar Wolfert breide, en zij luisterde met bezorgdheid naar de onstuimigheid van het weder. Broeder Peter had haar wel gezegd, dat haar zoon zeker zoo roekeloos niet zou zijn, om tegen den nacht, en dat bij zulk noodweer, dan Vlaamschen wal te verlaten; zij had het ook geloofd, zoolang de goede monnik bij haar was; doch nu vertrouwde zij er zoo sterk niet meer op, dat Wolfert de Wijlingen niet zou oversteken; zij kende zijne stoutheid, en hij had beloofd tegen den avond terug te komen. Zij bad de heiligen, dat zij hem in hunne hoeden zouden nemen, en hem ingeven, om aan de overzijde van het gevaarlijke water in het Palenhuis te overnachten.

De vijf tientallen jaren welke Machteld geleefd had, waren zoo zeer de oorzaak niet, dat men op haar gelaat geene sporen van vroegere schoonheid ontwaarde, en dat zij veel bejaarder scheen dan zij was; de rampen verzilverden die eertijds bruine haren, rimpelden dat weleer gladde voorhoofd; doch ofschoon zij haar een vroegen ouderdom bezorgden, zoo gaven zij een groote eerwaardigheid, aan dat gelaat hetwelk zooveel goedheid uitdrukte waarop steeds zooveel moederlijke teederheid voor haar zoon te lezen stond, en dat nu zoveel bezorgdheid verried. De koperen lamp verlichtte dat vrij groote vertrek slechts weinig; alleen op en bij de tafel, die dicht naast den haard stond (want het was in de maand December), liet alles zich duidelijk onderscheiden. Dr zal in haar armstoel, de weduwe van Nanning Koggeman, die weleer als rijk bekend stond, en het ook was; wiens schepen vroeger naar Frankrijk en Engeland vertrokken, en terugkeerden met rijke ladingen; wiens handteekening in de helft der veertiende eeuw zoo goed als goud was in de havens van die landen en op de markten van Vlaanderen. Vroeger toen zij jong was, kon zij zooveel handen krijgen en betalen om haar te dienen, als zij slechts wilde; – nu was zij alln; die vroegere welvaart was verdwenen. Verliezen, door de woede van het ontrouwe element geleden, dat vroeger zijne schepen zoo gewillig gedragen had, door de oorlogen en de ontrouw der menschen ondergaan, maakten van den rijken koopman een arm man – het verdriet dat hij er over gevoelde, van zijne vrouw een weduwe. Haar bleef niets over dan de herinnering aan vroegere grootheid. De naam van braafheid en eerlijkheid, welken haar man in zijn ongeluk niet verloren had, en dien hij door de rampen, welke hem getroffen hadden, zelfs nog meer bewezen had te verdienen, was altijd nog een schoone nalatenschap; doch niets schonk haar meer vertroosting in dat leed, dan het geluk van het jongste harer kinderen niet evenals hare anderen verloren te hebben: Wolfert was haar steun en troost; aan hem, toen nog een kind, beval zijn stervende vader haar aan, en hij was een gehoorzamen en liefderijken zoon.

Het huis, dat zij bewoonde, stond in dat gedeelte van het oude Vlissingen, hetwelk bij de vestiging van de nieuwe stad binnen naar omtrek begrepen was; de plundertochten van zeeroovers, welke hier in vroegere dagen zoo dikwijls schrik verspreid hadden, en de invallen der Vlamingen, waren zeker de redenen, dat de vroegere eigenaars van dit gebouw in het openliggende dorp de kosten hadden gedaan, het van steen te laten opbouwen, en zelfs getracht hadden, het naar de wijze van dien tijd eenigszins tot een versterkt huis te maken. Dat die vroegere bezitters van edele afkomst geweest waren, liet zich wel denken, doch het was niet bekend: de grootvader van Wolfert had het gekocht en ingericht voor zijne woning en tot bewaarplaats van koopgoederen; thans echter wa het ledig, en zonder goederen of huisraad, behalve twee kleine slaapvertrekken en de groote huiskamer. Vroeger had vrouw Machteld er een gedeelte van verhuurd; maar sedert de watervloeden en herhaalde stormen het huis gedeeltelijk van het dak beroofd, en den muur van het achterhuis doen instorten, was zij ook verstoken van het voordeel, dat zij uit de verhuring trok. Eens had haar zoon haar voorgeslagen het huis te verkoopen, en een kleine en meer geschikte woning te betrekken; doch toen zij haar verlangen had te kennen gegeven, om op dezelfde plaats te sterven als zijn vader, had hij er nooit aan gedacht. De koude en ongemakken, welke zij in dit huis moest verduren, schrikten haar niet af; die ledige bergplaatsen, die kamers zonder huisraad, waar de regen door gebroken vensters en door de zolderingen binnendrong, hadden nog iets aantrekkelijks voor haar; het geheele gebouw was gelijk een oud en verscheurd boek; maar evenwel las zij er het verleden in, dat haar dierbaar was: elk vertrek was een hoofdstuk, elke steen een letter; op elk blad las zij van den echtgenoot, dien zij verloren had, en van hare kinderen, die reeds bij hun vader in den hemel waren.

Ter liefde van zijne moeder, had Wolfert de droomerijen zijner jongelingsjaren opgeofferd, en was bij haar gebleven; hij zou geen zeetochten naar Engeland, Frankrijk of nog meer afgelegen landen doen; hij zou nimmer opklimmen tot den rang van bevelhebber van een schip, nimmer door vlijt en geluk eens even rijk worden als zijn vader, en den naam van Koggeman weder in den handel doen gelden; evenwel was hij tevreden; want zijne moeder was gelukkig, en hem dankbaar voor zijne opoffering. De zoon van den rijken koopman was nu schipper, niets of weinig meer; dagelijks zette hij reizigers over den Zeeuwschen naar den Vlaamschen wal, bracht goederen over, of diende den schepen, die minder met het gevaarlijke vaarwater bekend waren, voor loods; want reeds toen voer men nu en dan, om den tol op de Schelde te ontgaan, over de Honte naar Brabant. Doch ofschoon de jonkman, die, indien het geluk zijn vader niet ontrouw was geworden, eigenaar zou geweest zijn van eenige groote schepen, nu slechts een klein vaartuig bezat, zoo onderscheidde hij zich altijd boven diegenen, welke hetzelfde beroep als hij uitoefenden, door een wel aan zijn stand passende, doch netter kleeding, en dit behaagde aan zijne moeder zeer; nooit was het haar te veel, om dagen achtereen met inspanning te werken aan de kleederen van haar zoon. Ook zijn vaartuig was zindelijker en beter ingericht dan de overige, die op den stroom voeren; hij stelde daarin zijne eer en zijn genoegen; bij voorkeur maakte er de lieden van eenigen rang gebruik van, en als men vrouwen of meisjes bij schoon weder eens des zomers een watertochtje wilde laten doen, dan werd Wolfert en zijn vaartuig gewoonlijk daartoe verkozen. De meisjes zaten het liefst in dat zindelijk vaartuig, waar hare schoone kleederen geen gevaar liepen om bedorven te worden; bovendien was het sterk en goed gebouwd, en Wolfert was zulk een kundig schipper; men liep geen gevaar als hij het roer in handen had. Zij gevoelden geen vrees als hij, op de bank of het boord van het vaartuig staande, haar ophief, alsof zij een veder geweest waren, en haar van den steiger zacht op den bodem van het vaartuig nederzette, of haar bij het uitstappen zijne krachtige hand bood. Somtijds, wanneer het vaartuig als een vogel over den stroom voortsnelde, als de mast oogenschijnlijk dreigde op het water te gaan liggen, en de geleiders der meisjes deze bespotten over hare ontijdige vrees, dan was een smeekende blik op den stuurman geworpen, of een angstkreet voor dezen genoeg, om de vaart van zijn vaartuig te verminderen, en te maken, dat de mast zich ophief. Dan beloonde vaak een dankbare blik van een paar schoone oogen den jonkman, die zoo goed verstaan had wat men verlangde, en die veeltijds slechts het schijnbaar gevaar had doen ontstaan, om dezen dienst te kunne bewijzen, waarvoor hij wel eens bij het aan land stappen nog met een zachten handdruk beloond werd.

De regen kletterde tegen de ruiten van het vertrek, waarin Machteld zat; van tijd tot tijd verhief zich de wind met onstuimig geweld; dan hoorde zij somtijds in het verlaten gebouw, dat zij bewoonde, iets vallen of kraken, en zij zuchtte; elken steen, die er viel, zou zij immer weer zien vervangen door een nieuwen. Sedert broeder Peter vertrokken was, had zij nog niemand hooren voorbijgaan, en zij stond eindelijk op, om zich ter ruste te begeven, toen iemand langs het huis voorbijging; doch dat was Wolfert niet, die gewoonlijk met een vluggen en haastigen tred bij den weg ging; die voetstappen waren te zwaar. Maar daar werd geklopt aan de deur. Zou zij zich bedrogen hebben, of kwam wellicht iemand anders haar een ongelukige tijding brengen? Met sidderende hand vatte zij de lamp op en verliet de kamer.

Juist toen zij de lamp in een nis in den muur plaatste, om haar voor den tocht te beveiligen, werd er weder geklopt; doch nu dreunden de harde en snelle slagen door het huis; z klopte Wolfert nooit; hij wist wel, dat zijne moeder zoo schielijk niet kon openen, en zij vroeg beangst: „wie klopt daar nog zoo laat?” – „Ik ben het, moeder! doe open, doe schielijk open!” riep men luid van buiten. Machteld haastte zich zoo veel zij kon, en zeide, de deur openende: „Goddank! dat ik u zie, Wolfert! maar waarom komt gij……” Doch zij vervolgde niet; want haar zoon trad haar met drift voorbij. Hij was blootshoofds; het water droop hem aan alle zijden uit de kleederen, en hij droeg, zoo het scheen, een mensch, die in een mantel gewikkeld was, over zijn linkerschouder; misschien wat het ook een pak koopwaren; doch eer Machteld iets kon vragen, riep Wolfert: „Maak in Gods naam de deur dicht, moeder! en help mij spoedig.”

De ontstelde vrouw voldeed zoodra mogelijk aan dit verlangen en volgde haar zoon toen met de lamp. Wolfert was reeds in de kamer, welke zij zoo even verlaten had, en had het pak bereids op den grond nedergelegd, die dreef van het daaruit loopende water. „Kom nader bij met de lamp, moeder!” verzocht Wolfert, en Machteld trad naar hem toe. Toen maakte hij den mantel los, en zeide, vrdat zij iets vragen kon: „Het is een man, dien ik gered heb; hij was bijna verdronken, en ik met hem.”

„Hoe dat?” vroeg Machteld; maar Wolfert antwoordde niet; want hij stond verbaasd, toen hij den mantel losgemaakt had, en iemand in een lange, zoo het hem voorkwam, van kostbare geruite stof gemaakte vrouwenkleeding, voor zich zag. De armen waren bij de ellebogen om het lijf vastgeknoopt met een langen zijden sluier, en ook de handen waren te zamen gebonden. Moeder en zoon ontsnapte een uitroep van bevreemding, zoodra zij dit ontwaarden; de laatste knoopte met drift die banden los, en zijne moeder, die nu reeds, evenals hij, naar het natte lichaam in het water nedergeknield was, ontdeed het hoof van een ruige muts, welke onder de kin was vastgebonden, en riep toen met verbazing: „Het is een vrouw, Wolfert!”

„En, bij St. Wille! zij is schoon!” riep deze, die het hoofd van de onbekende voorzichtig oplichtte en toen weder op de muts nederlegde. „O! welk een schoone blonde haren!” vervolgde hij met vuur, terwijl hij zijne moeder hielp, om de lokken die voor haar gelaat gevallen waren, weg te doen. „Het is nu geen tijd om daarnaar te zien,” zeide Machteld, die, minder opgetogen dan de jonkman, nu ook den doek losmaakte, welke over den mond gebonden was. Wolfert hield een der handen van de vrouw in de zijne geklemd, even alsof hij haar wilde verwarmen, en riep plotseling droevig: „Moeder! zij is zoo koud als een lijk; zij is reeds dood!”

„Breng maar mijn bed en mijne dekens hier; leg ze daar naast den haard en stook dan het vuur op,” zeide vrouw Machteld, die reeds naar de pisel trad, om eenige kleedingstukken voor den dag te halen. Wolfert voldeed met vaardigheid aan haar verlangen, en toen ook het vuur brandde, zeide zij: „Ga nu heen, ik zal u straks roepen.” Wolfert aarzelde; doch toen zij nogmaal zeide: „Ga toch! elk oogenblik kan haar het leven kosten; misschien is het nog niet te laat!” toen ging hij schoorvoetend heen, en wierp een laatsten blik op dat doodelijk bleeke gelaat, op dat natte geruite kleed, hetwelk de schoone leest van dat verstijfde lichaam verried. Hij zou zoo gaarne gebleven zijn!

In de gang bleef hij reeds staan, en, tegen den muur geleund, dacht hij na over het gebeurde. Die kleeding, die banden maakten hem nieuwsgierig. Vergeefs trachtte hij zich te verklaren, waarom die man in een vrouw veranderd was; ja deze gebeurtenis verschrikte hem, want hij was niet verheven boven de bijgeloovigheid zijner eeuw; hij vroeg zichzelven af, of de duivel, wiens naam hij zoo dikwijls, en nog dienzelfden avond, in den mond gehad had, hem wellicht door deze schoone onbekende in het ongeluk wilde storten; hij beefde en klappertandde. Doch daar werd een deur geopend; weg was zijne vrees, hij mocht zeker reeds binnenkomen, en naderde. Nu vroeg zijne moeder: „Zijt gij het, Wolfert? hebt gij wel droog goed aangetrokken?”

Wolfert was op het punt van te liegen; doch hij hield het „ja!” terug, dat zijne moeder niet lang had kunnen misleiden, en vroeg: „Kan ik binnenkomen, moeder?” – „Wel neen, Wolfert!” antwoordde zij; „maar trek toch dat natte goed uit, kind! of gij zult ziek worden.” De deur werd wederom gesloten, en Wolfert dacht nu voor het eerst aan de noodzakelijkheid, om zich te verkleeden. „De koude deed mij straks klappertanden,” dacht hij, „zij kan geen afgezant van de hel zijn zij is te schoon,” en hij voldeed aan het verlangen van de bezorgde moeder.

908SR15.gif (1832 bytes)

Toen hij eindelijk geroepen werd, lag de onbekende naast het groote vuur, op het bed onder de wollen dekens. Een muts van zijne moeder verborg de schoone lokken; hij zag niets dan het doodsbleele gelaat; de oogen en de mond waren gesloten. „Moeder!” riep hij op smartelijken toon: „moeder, zij is dus dood!”

„Nen, kind!” zeide deze, „onze goede Heer Jezus en zijne heilige moeder zijn geloofd! zij leeft, ofschoon zij nog niet gesproken heeft, en hare oogen gesloten zijn gebleven.” Wolfert knielde naast het bed neder, boog zich voorover, om te luisteren naar de ademhaling; maar hoorde niets! toen bracht hij zijn hoofd nog dichter bij, zoodat zijne wang die van de onbekende raakte. Hoe onmerkbaar ook, gevoelde hij een zachte warmte tegen zijne koude wang, en hij riep verheugd: „Ja, zij leeft!” In de beschouwing van dat welgevormde gelaat verloren, bleef hij geknield liggen, totdat de stem zijner moeder hem wekte, die luid riep: „Wolfert, Wolfert! hoort gij niet! ik heb u al driemaal geroepen, ga zitten, jongen! en eet wat; denk toch hoe bedroefd ik zou zijn, als gij ziek werdt.”

Werktuigelijk stond haar zoon op, ging zitten op een stoel, dien zij had nedergezet, at het warme broodsop op, dat zij hem had opgedischt, doch luisterde niet naar hetgeen zij vertelde van broeder Peter en hare ongerustheid. Door den heilzame invloed van het warme voedsel en het vuur, waarnaast hij gezeten was, kregen zijne leden hunne gewone vlugheid en buigzaamheid terug; zijne handen en zijn gelaat waren niet meer koud, en met stille vreugde zag de moeder haar zoon weder geheel van deze vermoeienis bekomen  en de kleur op zijn gelaat terugkeeren. Geduldig had zij gewacht met vragen; nu echter verhinderde hare bezorgdheid voor zijne gezondheid haar niet meer, om aan hare nieuwsgieriheid te voldoen, en zij vroeg hem, waarom hij nog zoo laat gewaagd had over te komen, en hoe hij dat meisje gered had.

„Ik zal het u zeggen, moeder!” antwoordde Wolfert; hij stond op en volgde haar naar de onbekende. De oude vrouw onderzocht, of de kruiken met water, die zij naast haar gelegd had, nog warm genoeg waren, en toen zij zich weder had nedergezet, zeggende: „Ik luister,” gen ook Wolfert zitten, en zeide:

„Ik was voornemens even na den middag naar de stad terug te keeren; want ik voorzag, dat de wind zou opsteken en het gevaarlijk zou worden op het water; maar mijn jongen werd juist ongesteld, zoodat ik besloot met de andere schippers aan de overzijde in het Palenhuis te blijven overnachten. Ik dacht wel, dat gij ongerust zoudt zijn, moeder! doch alleen vertrouwde ik het niet op het water. Wij waren allen reeds gaan liggen, toen de vrouw ons kwam zeggen, dat er iemand aangeklopt had, die wenschte overgezet te worden; ik en een paar van de maats stonden op, maakten de luiken open, die wij even spoedig weder sloten, en eenparig zeiden wij, dat het geen weer  was om de Wijlinge over te steken, dat het roekeloos het lijf te wagen zou wezen. De vrouw vertrok, doch keerde weldra terug met het bericht, dat de vreemdeling bij zijn besluit bleef volharden, en dengene, die het wilde wagen, veel geld aanbood. Wij bleven weigeren, zelfs toen de vrouw voor de derde maar terugkwam; doch nu besloot ik hem eens te gaan spreken, en stond op.”

„Kind! kind!” zeide Machteld bestraffend; doch Wolfert zeide snel: „Ik ben hier en zit gezond vr u, moeder! maar gij weet nog niet alles. Ik sprak met den vreemden man, die ofschoon eenvoudig gekleed en een mantel dragende als die daar hangt, naar zijn spreken iemand van aanzien scheen te zijn. hij bood mij zooveel geld aan, dat ik reeds besloot het te wagen; want het is winter, ik wilde zoo gaarne wat verdienen, en nu de Graaf van Vlaanderen met de Gentenaars verzoend is, valt er niets buitengewoons voor; hetgeen zij vroeger met goud betaalden, daar geven zij nu koper voor. Evenwel hield ik mij taai; hij bood al meer en meer, en eindelijk werden wij het eens; doch mijn jongen was ziek. Alln te varen, dat ging niet aan; toen trachtte ik iemand over te halen om mij te helpen, doch niemand der schippers of knechts kon er toe besluiten, zelfs Lard niet; het was ook noodweer. Ofschoon het mij diep leed deed, zeide ik den vreemdeling dat hij zou moeten wachten, omdat ik alln mijn vaartuig niet besturen kon; toen bood hij mij nog meer, en zeid zelf bekwaam te zijn om het roer te houden en ik liet mij overhalen.”

„Wolfert! dat was nu den Hemel getergd, dacht gij dan niet om mij?” zeide Machteld, en zij veegde hare oogen af.

„Ja wel, moederlief!” antwoordde de jongeling, en opstaande kuste hij haar en zeide: „Uw zoon wilde u zoo gaarne eenig gemak bezorgen, en gedurende den winter het gebrek van u verwijderen. Heb ik niet wel gedaan, zoo vergeef het mij, de heiligen hebben mij immers bijgestaan!” Hij ging weder zitten en vervolgde: „Mijne maats hadden zelfs geweigerd, om mij mijne boot te helpen gereed te maken; zij wilden, zeide zij, de hand niet leenen tot hetgeen mijn ongeluk veroorzaken moest. Terwijl ik er dus alleen aan bezig was, zeide de vreemdeling mij, dat hij zijn makker ging halen, die hem op eenigen afstand wachtte; hij had mij van deze nog geen woord gerept, en ik dacht in het eerst, dat hij van voornemen veranderd was, nu hij gezien had, met welk een woede de golven door den wind werden voortgejaagd, en dat hij niet zou wederkeeren. Ikbedroog mij echter; want weldra riep hij mij. Door de duisternis en door den ijver, waarmede ik bezig was, had ik hem niet zien naderen, en hij gelastte mij nu, om hem zijn reisgenoot in de boot te helpen plaatsen; zelfs toen hij mij zeide, dat deze zoo ziek was, dat hij zich niet verroeren kon was ik nog verwonderd, dat hij onbeweeglijk bleef, en dat men hem in dien toestand nog over het water voerde. De vreemdeling legde hem, zoo lang als hij was, op den steiger neder, klom in de boot en vatte toen den zieke om het lijf, terwijl ik de beenen opnam; z strekten wij hem op den bodem van het vaartuig neder. In het eind gereed zijnde, verzocht ik den vreemdeling nu bij het roer te gaan zitten; tot nog toe had hij bij zijn makker vertoefd, naast wien hij een kleinen zak had nedergelegd. Hij voldeed aan mijn verlangen, doch zweeg toen ik hem vermaande, om den bijstand der heiligen in te roepen; dit herinner ik mij nu eerst. Had ik vroeger alles zoo goed doordacht als toen, dan hij ik mij nimmer op de zee gewaagd: zoo oud als ik ben, heb ik mij nog nooit bij zulk weder op den stroom bevonden. De zuidwestewind joeg het water uit de Wilde Zee met drift tegen den stroom op, die, door de aanhoudendheid van den wind, het water van de Honte niet had kunnen lozen; hat was verschrikkelijk op de Wijlinge in de duisternis en met dien kouden regen. Ofschoon de vreemdeling inderdaad niet geheel onkundig scheen in het besturen van een vaartuig, en ik het met mijn boot tegen wind en stroom kan stoppen, waar een ander het doet, zoo kan ik het alleen toeschrijven aan de hulp van den goeden St. Wille en uw gebeden, dat ik het hier tot aan den wel gebracht heb. Nu en dan als ik het roer hield, kroop de vreemdeling naar zijn makker, die zoo heen en weder had gerold, dat hij hem met een touw had moeten vastbinden. Deze voorzorg, en de gedachte, dat eene moordenaar geene reden kon hebben, om een lijk met zich te voeren, verhinderde mij in het eerst alleen om te denken, dat de vreemdeling zooveel geld geboden had, om aan het recht te ontsnappen; doch sedert er eenige geluid uit dien mantel gekomen was, twijfelde ik niet langer, of de man was ziek; hetgeen de vreemdeling, die terstond naar hem toeging, bevestigde, door mij te zeggen, dat hij klaagde en steunde van de koorts. toen wij eindelijk met Gods hulp den overtocht volbracht hadden, maakte ik mijn boot stevig vast aan de palen. De vreemdeling wierp eerst zijn zak op den steiger, en ik wilde toen zijn makker oplichten; maar hij gedoogde niet, dat ik den zieke dienst bewees: hij zelf hief hem op, het hem tegen den steiger aanleunen, verliet vaardig de boot, vatte zijn reisgenoot onder de armen en tilde hem op. Gij kunt begrijpen, moeder! hoezeer ik verbaasde, toen ik den zieke, zoodra hij op zijn voeten stond, ter zijde zag uitwijken of vallen; de vreemdeling hield hem vast of greep hem weer, doch verloor hierdoor het evenwicht, en zij stortten beiden langs het roer van de boot in het water. Ik schreeuwde van schrik, en zonder na te denken, vatte ik mijn mes en sneed de touwen stuk, die de boot vasthielden.”

„Deedt gij dat?” vroeg Machteld angstig, en haar zoon vervolgde de schouders ophalende: „Ja moeder! het was zeker een ingeving, ik hoop van de heiligen. De boot volgde nu de willekeur der golven, en dus waarschijnlijk dezelfde richting als de in het water gevallenen, die ik niet zag, en ook met geen mogelijkheid had kunnen zien; watn het was zoo donker. Plotseling stiet de boot tegen iets; maar niet tegen den wal: ik begreep, dat het een drijvend voorwerp was, snelde naar die zijde, tastte rond, doch voelde niets. Ik had mij toch niet bedrogen; want nu ontving de boot een tweeden lichten stoot. ditmaal greep ik, in weerwil der deining, wat in het water dreef, en voelde dat het een mensch was. Toen heb ik nog het grootste gevaar uitgestaan: dikwijls was ik halverlijf in het water; van alle zijden sloegen de golven over mij heen; ik dacht niets anders of de boot zou omslaan. Ik riep St. Wille aan en beloofde, hem te bedenken; eindelijk, dank zij zijn bijstand! trok ik den gezonde of den zieke binnen boord. Door Gods bestiering wierp de stroom mij, eenige oogenblikken later, ver van de stad af tegen den dijk; ik sprong uit de boot, trok haar, toen de golven haar opnieuw oplichtten, met het touw hooger op, en vond gelegenheid om haar vast te maken. Nu kan ik den man, dien ik gered had, op, droeg hem stadwaarts, ging den zak afhalen, welke nog op den steiger lag en snelde hierheen. zonder iemand anders gesproken te hebben dan Tijl de Kuyper, bereikte ik doodelijk vermoeid, eindelijk ons huis. En nu is de man veranderd in een vrouw; de vreemdeling, die mij zooveel geld beloofde, en die hij zeker tegen haar zijn vervoerde, zal nu wel verdronken zijn.”

Met verbazing had Machteld naar haar zoon geluisterd, en niettegenstaande zij wist, dat het gevaar voorbij was, nu en dan door eenige uitroepen haar angst had laten blijken. Zij deelde nu op hare beurt aan Wolfert mede, dat al de kleedingstukken van de vrouw verrieden, dat zij van een voorname geboorte was, en liet hem een fraai bewerkte gouden keten zien, met een versiersel er aan, dat van veel waarde scheen te zijn, en dat zij om den hals van de onbekende gevonden had. Moeder en zoon deelden elkander hunne gedachten mede: nu eens hielden zij de onbekende voor een jonkvrouw, welke door den man, die haar vergezelde, was weggeroofd; dan weder weggeroofd; dan weder waren zij van oordeel, dat men de vreemdelinge voor den boozen geest moest houden, die Wolfert door het aanbieden van een groote belooning had overgehaald om zijn leven te wagen, en zijne ziel door een overhaasten dood, en zonder in staat van genade te zijn, voor eeuwig ongelukkig te maken; en dan had Satan wellicht, toen de heiligen den jongeling een gelukkigen overtoch bezorgd hadden, deze vrouw achtergelaten en door hem doen redden, om evenwel zijn doel te bereiken: vooral de oude vrouw hechtte veel aan deze verklaring van het vreemde geval, en reid haar zoon zich te wachten voor de bekoringen van den booze. Wat Wolfert betrof, hij zag in de onbekende jonkvrouw zoo gereedelijk geene afgezant der hel; hij meende het er voor te moeten houden, dat zij had willen ontsnappen aan haar vijand, en dat dit de reden geweest was, dat zij met dezen in den donker in het water was gevallen. De moeder ontried hem, om den inhouden van den fulpen zak te onderzoeken, en men werd op het laats eens, om over de bijzonderheden van dit geval niet te spreken, voordat de onbekende gezegd had wij zij was, en men met broeder Peter beraadslaagd had. Wolfert zou voorgeven, dat hij den vreemdeling behouden had overgebracht, en, zoo het noodig was, alleen zeggen, dat hij een oogenblik later een vrouw uit het water gered had.

Wolfert scheen niet genegen om te vertrekken; doch zijne moeder overreedde hem om zich ter rust te begeven. Hij vertrok dus, na de onbekende nog een oogenblik aandachtig beschouwd en zijne moeder gekust te hebben. Toen maakte zich de oude vrouw gereed om den nacht op haar stoel door te brengen; hoe hare gedachten ook waren omtrent de vreemdelinge, hare goedheid en menschelievendheid deden haar deze met dezelfde zorg verplegen, alsof zij hare dochter geweest ware.

908SR15.gif (1832 bytes)

Lang vrdat den volgenden morgen de dag aanbrak, stond Wolfert, die weinig geslapen had, op, en verliet het huis; hij begaf zich naar de plaats, waar hij den vorigen avond zijn vaartuig gelaten had, en bracht het nu, daar het weder bedaard was, naar de gewone ligplaats; daarna keerde hij terug, en bevond zich weder te huis, voordat er nog iemand bij de straat was. Hij luisterde aandachtig of zijne moeder reeds op was, doch hij hoorde nog geen beweging, en besloot dus te wachten, tot Machteld hem riep. Dit besluit duurde echter niet lang; want hij kon zijn verlangen, om de onbekende te zien, niet langer bedwingen, en opende behoedzaam de deur. Zijne moeder had uit voorzorg de lamp gedurende den nacht opnieuw gevuld, en hij za haar slapende op haar stoel zitten; de vermoeidheid maakte dat de oude vrouw hem niet hoorde binnentreden. Hij nam de lamp op, trad naar het bed, waarop de vreemdelinge lag, en boog zich voorover. Zij leefde! hij hoorde haar in een gerusten slaap duidelijk ademhalen: lang stond hij zoo onbeweegliljk in de beschouwing van dat schoone, jeugdige gelaat verloren, toen hij ook zijn oog op dien blanken arm en die kleine hand gericht bleef, welke op de deken lagen. In het eerste aarzelde hij, uit vrees van haar te doen ontwaken; later wenschte hij naar het oogenblijk, dat  zij de oogen zou openen, en hij nam hare hand in de zijne. Zijn wensch werd verhoord, doch niet zooals hij gehoopt had; wel opende zij de oogen, maar zij trok hare hand terug, gaf een luiden gil van angst, en verborg zich geheel onder de deken. Ook Machteld ontwaakte snel en ontstelde hevig; doch toen zij zag dat het Wolfert was, bedaarde haar schrik, en daar hij verlegen de lamp nederzette, en met hangend hoofd naar het andere gedeelte van de kamer trad, bestrafte zij hem niet, maar begaf zich naar de onbekende. Op de toespraak van de vrouw, die haar verzorgd had, scheen zij ook minder bevreesd, en liet het dek van voor haar gelaat wegnemen, waarop Machteld zeide: „Het is niet wel gehandeld van u, Wolfert! de schrik zou haar kunne schaden: gij ziet, zij leeft; maar zij kan mij niet verstaan; zij spreekt woorden, die ik nooit gehoord heb; ik heb haar dus niets kunnen zeggen of vragen; maar het is geene afgezant van den booze, want ik heb haar het kruis vrgehouden, en zij heeft het gekust.”

Dit bericht verheugde Wolfert, en zijne moeder trachtte nu opnieuw aan de onbekende te beduiden, wie Wolfert was, en welke verplichting zij aan hem had. Zij luisterde aandachtig, en lette met veel opmerkzaamheid op de bewegingen van de oude vrouw, die nu eens op den mantel, dan op haar zoon wees, vertoonde, hoe deze haar gedragen had, en liet de banden zien, waarmede hare handen en armen waren vastgebonden geweest. Het scheen, dat zij gedeeltelijk begreep, wat men haar beduiden wilde, en zij luisterde scherp, toen Wolfert zelf zeide: „Herinnert gij u niet, dat ik u bij de beenen vasthield, dr aan de overzijde van het water?” Waarschijnlijk herkende zij de stem van den man, dit het vaartuig bestuurd had; want zij knikte met het hoofd. toen naderde Wolfert, en stak hem zonder schroom hare hand toe, die hij kuste; hij zag met verrukking naar die oogen, welke, miettegenstaande hunne zeegroene kleur, zoo vriendelijk, zoo schoon waren! Ook zij zag zeker met welgevallen naar den breedgeschouderden jongeling, naar zijne welgevormde leest en de goedheid, welke op zijn mannelijk gelaat te lezen stond; de uitdrukking echter zijner groote blauwe oogen deed de hare nederslaan.

Om geen opzien te baren, begaf Wolfert zich als naar gewoonte vroegtijdig naar de haven, ofschoon hij liever had willen thuis blijven. Na den middag kwam hij terug, en daar broeder Peter niet gekomen was, begaf hij zich naar dezen toe, na alvorens het geluk gehad te hebben, de onbekende aan tafel te zien zitten.

Broeder Peter was een van die monniken, welke het zich altijd lieten smaken, als men hun iets lekkers voorzette; een kan goed bier en een stuk vleesch, en bij voorkeur een beker wijn, waren altijd zaken, waarmede men hem trekken kon. Zelfs versmaadde hij den kroes dun bier en de snede roggebrood niet, die men hem voorzette; want hij kwam niet enkel op het eten af: ware dit het geval geweest, hij zou zoo dikwijls niet bij Machteld gekomen zijn. In Vlissingen geboren, en elkeen bekend, waren alle burgers hem zoo goed als naastbestaanden; waar hij raad geven kon, deed hij het; waar hij helpen kon, daar liet hij zich vinden; ingeval van pest, zou men hem bezig gevonden hebben om de zieken te verzorgen, om de dooden te begraven; ingeval van belegering zou men hem op de muren; zou zij er geweest waren, aangetroffen hebben, strijdende in de bres voor zijne medeburgers; bij de overgaaf der stad zou hij zijn uitgetrokken, om den overwinnaar te verbidden, en zich als een zoenoffer in zijne hand te stellen. Leefde hij op de kosten van het algemeen, of van de goederen, die weleer aan het klooster door de vromen waren geschonken, hij was geen doodeter en zou er nimmer toe overgegaan zijn om zijne broeders te kwellen, of te vervolgen: hij was de vriend, niet de vijand der burgers.

De reden, dat Machteld hem niet gezien had, bestond alleen hierin, dat zijne late terugkonst in het klooster hem een straf had op den hals gehaald: in geen drie dagen mocht hij uitgaan. Wolfert’s komst verheugde hem, en hij hoorde met belangstelling hetgeen deze hem verhaalde; hij beloofde zoo spoedig mogelijk te komen, om de onbekende te zien te krijgen waarvoormen haar houden moest, ofschoon haar eerbied voor het kruis hem reeds goede gedachten van haar gaf. Hij ried Wolfert, den zak niet aan te raken, vrdat hij dien had gezien en gezegend, en had er niets tegen, dat men het gebeurde aan niemand gezegd had, behoudens alleen het geval, dat het bekend werd dat de vreemdeling verdronken was, wanneer men Wolfert wellicht zou beschuldigen dezen vermoord te hebben; doch dewijl men nu de waarheid verzwegen had, oordeelde hij ’t raadzaamst, om vooreerst het ns gezegde  niet terug te nemen.

Toen de morgen eindelijk aanbrak, waarop het broeder Peter vrijstond om uit te gaan, begaf hij zich dadelijk naar het huis van Machteld, en werd al terstond ingenomen ten voordeele van de onbekende, door haar eerbied voor zijne kleeding en zijn persoon. Het scheen, dat zij het Latijn verstond, hetwelk hij uitsprak, en toen zij ook het kruisbeeld kuste, dat hij haar vrhield, verklaarde hij, dat zij een mensch en een Christin was; daar zij echter geen woord sprak, kon hij niet beoordeelen, in welke taal zij zich vroeger had uitgedrukt. Toen begaf zich de monnik tot het onderzoeken van den zak, echter niet zonder de noodige voorzorgen tegen alle gevaren van den booze; doch behalve eenige kleedingstukken, vond men er niets in dan een goede som goudgeld, van welke Wolfert te kennen gaf, dat hij vooreerst het bedongen loon voor de overvaart zou afnemen, en het overschot gebruiken tot den aankoop van eenige benoodigdheden voor de onbekende. De eenige dienst, dien men had van de bemoeiingen van Broeder Peter bestond dus alleen in de meer stellige overtuiging, dat er van de onbekende geen gevaar te duchten was; evenwel verplichtte hij Wolfert vooral, door te ontdekken, welken naam zij droeg; want door een vernuftige uitvinding, waarop hij zich naderhand nu en dan nog veel liet voorstaan, wees hij eerst op Machteld en noemde luid haar naam; evenzoo noemde hij Wolfert, zich zelven, en, in het Latijn, het kruis, de lamp, de tafel en meer ander huisraad, en toen hij nu nog eens de oude vrouw, haar zoon en zich zelven had aangewezen en genoemd, richtte hij zijn vinger op de onbekende en opende den mond, evenals wilde hij iets zeggen, waarop de onbekende zeide „Childa!”

908SR15.gif (1832 bytes)

„Is dat Tijl niet? Dirk!”

„Ja! en hij komt op ons toe; vraag hem nu maar naar het Zeewijf, Lard! dan zult gij hooren, dat ik gelijk heb.”

„Wij zullen zien,” hernam de eerste der twee schippers, die aan den ingang der haven, welke in den loop der eeuw te Vlissingen gegraven was, op een houten bank onder een soort van afdak zaen te praten.

„Goedenmorgen, mannen!” riep Tijl de Kuyper, toen hij begon te naderen, en vervolgde, zoodra hij bij hen kwam: „Nog aan den wal? hat gaat niet druk, zoo het schijnt; zijn de maats wel? zoo, dat is goed. Ik moest juist hier op de hoogte wezen, en dacht, ik zal eens even aanloopen……”

„Is er wat nieuws, Tijl? vertel op, jongen!”

„Neen, Lard! maar ik kwam eens kijken, hoe gij het allen hadt, en hooren of er ook wat nieuws aan de haven bekend was.”

„Och neen, man! maar gij komt nu juist van pas, bij St. Jacob! daar hebt gij hier onzen Lard, die wil nog niets gelooven van het Zeewijf.”

„Wil hij dat niet gelooven? maar……”

„Zoo waar als ik Allard heet, het zijn maar praatjes,” viel de oude schipper den kuiper in de rede, en vervolgde: „St. Albert sta mij bij! maar zoo oud als ik ben, heb ik nog nooit soortgelijk dier of mensch, op de Honte, in de Wijlinge, ja zelfs niet in de Wilde Zee gezien, en ik ben van mijn leven zoo ver van de Poort der zee geweest, als iemand in de stad durft denken.”

„Moet gij dan alles zien, voordat gij gelooft? Bij St. Lieven, vader Lard! gij zoudt het een paap zuur maken, man! gan handelt als de Joden en Lombarden: die moeten ook eerst zien, voordat zij de beurs opensluiten. Maar is er dan niets waar, of gij moet het gezien hebben? Hebt gij het vat al gezien, dat Eghem uit Biervliet besteld heeft? niet……? Zoo! dat wilde ik maat weten; maar morgen, als gij het naar de overzijde brengt, zult gij toch zien, dat het er is, dat het in je boot ligt; en zoo is het met het Zeewijf ook: Lard heeft er nooit een gezien, dat wil ik maar zeggen, evenwel is het er; want ik heb het gezien, toen het nog versch gevangen was.”

„Welnu, Lard! waar blijft gij nu? daar staat de man zelf; hier helpt geen tegenspreken, en Wolfert heeft immers zelf……”

„Gezegd, dat hij een vrouw had en meer niet; op het laatst, Dirk! zult gij alle vrouwen nog voor zeewijven uitschelden.”

„Wie denkt er aan schelden, vader?” vroeg Tijl: „het is geen scheldnaam: want een zeewijf heet een zeewijf, zooals een man, een man; maar het schijnt, dat gij mij tot een leugenaar wilt maken, en dat is schelden; gij weet immers, dat ik het Zeewijf gezien heb.”

„Haar staart ook, Tijl?”

„Ja, ja! en gij behoeft daarom niet te lachen, Lard! alle visschen hebben staarten, of twijfelt gij ook draan?”

„Neen; maar ik wilde gaarne weten, waar die zit.”

„Waar dit zit? dat is een domme vraag voor iemand, die zoo lang op de buizen gevaren heeft; het is alsof gij nooit een visch, ja zelfs den zeeridder niet gezien hebt, die op de roeibaardse van Schouwen geschilderd is, welke hier wel in de haven komt.”

„Nu, Tijl! blijf bedaard, het is maar een vraag; en als die staart er is, dan moest men hem toch zien.”

„Door de rokken heen, niet waar, Lard? dat zou wel aardig zijn; maar dat hij er is, dat weet ik: op dien avond kwam hij uit den mantel en hing slap naar benenden! nu is hij zeker omgekruld, zooals het behoort. Gij weet, dat Losse Piet met zijn broeder beloofd had, om verleden zondag eens te zien, dat er onder dien langen sleep zit, maar dat zij het niet hebben durven doen; want Wolfert was er, zooals altijd, bij, en de jongens durfden niet; ik geloof ook, dat onze Koggeman de grap niet goedschiks zou aangezien hebben.”

„En dat het geen mensch is, is zeker.”

„Malle praat, Dirk!”

„Malle praat?” riep Tijl, „het is dan te verwonderen. vader Lard! dat gij alleen meer verstand hebt dan de geheele stad; maar van den staart gezwegen, ofschoon ik er op zweren wil, dat hij er is, het is immers een uitgemaakte zaak dat het Zeewijf elken morgen, als de zon opgaat, boven uit een der oude zolderramen van het huis van de Koggeman naar de zee ziet; zij treurt om hare gevangenschap, en kijkt naar de zeemannen en zeewijven; maar die weten zeker niet waar zij is; anders zouden wij ze wel spoedig hier in de Wijlinge zien.”

„En tusschenbeide hoort men haar zingen,” zeide Dirk „en ofschoon zij altijd haar gelaat bedekt, weet men toch, dat zij zeegroene oogen heeft en lange goudgele haaren: dat heeft broeder Peter niet kunnen ontkennen. Bovendien weet gij, Lard! dat de Koggemans niet rijk zijn, en Wolfert betaalt met goud tegenwoordig.”

„Ja, dat heeft hij verdient, toen hij die vreemden man heeft overgezet, dat weet gij zoo goed als ik; dat hadden wij ook kunnen verdienen, als wij het gewaagd hadden.”

„Dat moest de vrouw niet weten, welk loon Wolfert bedongen heeft! Neen, Lard! hij geeft meer uit, en dat geld van het Zeewijf; en bovendien, als zij een vrouw is, hoe komt zij dan bij het donker in het water, en hoe komt het, dat niemand haar kent?”

„Wel, het is ruw weer genoeg geweest, Dirk! dat hier of daar wel een schip kan vergaan zijn.”

„Of dat nu niet reeds lang bekend zou zijn! Neen, man! gij weet zoo goed als ik, dat er hier op de eilanden zoomin als op de banken iets van dien aard gebeurd is; een mensch kan ook zoover niet zwemmen, en als ik en Tijl en andere menschen ongelijk hadden, dan zou men de vertellingen van de Wanen ook niet meer gelooven kunnen.”

„Hei, hei! dat is wat anders, dat was in oude dagen; maar……”

„Maar het is toch waar, dat moet gij bekennen,” zeide Tijl: „en nu weten wij genoeg: sedert het kruis hier staat, blijven ze weg; maar daar heel diep in de Wilde Zee zijn ze nog in mengtie.”

„Dat spreek ik niet tegen, Tijl! maar ons Zeewijf gaat ter kerke, die is niet bang voor het wijwater, man!”

„Dit is ook zeker als reeds eens gedoopt, Lard! maar hebt gij dan alleen niet gezien wat de geheele stad ziet? ik meen, dat Wolfert zoo veranderd is? Broer Peter haalt de schouders op, als gij er naar vraagt; het Zeewijf heeft hem betooverd, Lard! de armen jongen moest ze maar loslaten; want er komt nog een ongeluk van.”

„Ja, Wolfert is de oude vroolijke borst niet meer, gij hebt gelijk; voorheen was hij altijd gereed om de meisjes wat te vertellen! en ze stoeiden en malden gaarne met den zoon van Nanning! want ofschoon hij niet veel meer heeft dan een oud huis, dat bijna invalt, zouden de meeste er toch op gesteld zijn om de vrouw van Koggeman te worden; en juist omdat Wolfert hier maar te keizen heeft uit eenige knappe meiden, zou ik het haast moeten gelooven, dat het een zeewijf is, dat hem zoo mal gemaakt heeft. Bij St. Albert! het spijt mij; want op een goeden dag verleidt ze Wolfert nog om met haar mee te gaan, en datn zit de oude Machteld alleen.”

„Dat is beter praat, Lard! en ik geloof nu, dat gij, evenals wij, over de zaak gedacht hebt, doch alleen den onnoozele uithingt: gij zijt ook te lang op zee geweest om niet van zeewijven te weten.”

„Wel mogelijk, Tijl! en als gij dan tijd hebt, dan zal ik je er een iets van verhalen, dat mij door……maag zeg, komt daar Wolfert niet aan?”

„Ja, Lard! en dan moest gij wachten tot hij hier izs, dan kan hij meeluisteren: Tijl heeft toch den tijd.”

„Den tijd! dat zegt gij wel, maar ik niet; doch het zij zoo! dan zal ik Wolfert nog eens goed uitvragen……” Hier hield hij plotseling op en vervolgde toen: „Daar wordt de klok geluid; wat de schout nu weer heeft af te kondigen, daar moeten wij bij zijn: komaan, Lard! sta op, Dirk!”

„Ik kan niet,” ziede deze, „en nader hoor ik wel wat het is.”

„Goedenmorgen samen!” zeide Wolfert, die op dit oogenblik onder het afdak trad.

„Hoe komt gij zoo laat……?”

„Wij hebben geen tijd om te vragen, Lard!” viel Tijl hem in de rede: „ga mede, of ik ga alleen; komaan, Wolfert! ga met ons, de schout kondigt wat af; spoedig, of het is te laat!”

Wolfert schudde met het hoofd, en zeide: „Neen, Tijl! loop maar voort; wat de schout leest, zal mij zeker toch niet aangaan.”

„Dat zal te bezien staan. Nu tot straks, Dirk! komaan, Lard!” riep Tijl, terwijl hij voortging, en hij vervolgde, toen zij een eind voort waren:  „Niet aangaan! als het eens een keur was om geen zeewijven te houden, ha, ha! maar loop wat harder, vader! of bij St. Jacob! wij komen te laat.”

„Gij zijt niet nieuwsgierig, Wolfert! kijk ze eens loopen; tijl is bang, dat een ander meer zal weten dan hij, daarom sleept hij dein armen Lard zoo voort; het spijt mij dat ik hier blijven moet.”

„Kan ik het ook voor je waarnemen!” vroeg Wolfert met meer opgewektheid, dan waarmee hij vroeger gesproken had.

„Neen,” zeide Dirk, „maar ik zie toch, dat als gij een maat een dienst kunt doen, gij dan weer de oude Wolfert zijt. Raad eens, waarover wij gespraken hebben?”

„Ik weet het niet, en stel er ook geen belang in.”

„Mis, man! dat doet gij wel; over het Zeewijf, Wolfert! nu, kij maar zoo donker miet; mijn vader was niet rijk, zooals Nannig Koggeman; maar Wolfert! ik weet, dat gij daarom met mij toch goedmaats zijt, en dat ik het wel meen. Beste jongen! daar hadt gij Lard, dien ouden guit, die hield zich alsof hij het niet geloofde; maar Tijl overtuigde hem toch! Nu, hij wist ook wel dat er zeewijven zijn! hij is er oud genoeg voor, en ik wenschte wel, dat gij het ook geloofdet; mij dunkt, gij hebt er nu lang genoeg een in huis gehad om het te weten; die staart alleen reeds……”

„Dirk!” riep Wolfert onvergenoegd. „Bij St. Wille ik heb immers gezegd, dat zij geen staart heeft; al die praatjes……op een goeden dag zal ik den eerste, die het weer zeggen durft, duchtig onder handen namen.”

„Dat zal de schout graag zien; maar ik raad het je af, als je het Zeewijf liefhebt; doch misschien was het goed voor je, dat met het je afnam. Daar komt mijne lading aan, en ik moet nu dadelijk weg, anders zou ik er meer van zeggen, tot je eigen best; want bij St. Lieven! dat het een zeewijf is, dat ik zeker, en als je alles goed nadenkt, zul-je het zelf moeten bekennen.”

Dit zeggende, ging Dirk heen, om de goederen die hem gebracht werden, in zijn vaartuig te laden, en Wolfert bleef alleen onder het afdak achter. De klok van het stadhuis luidde niet meer, doch hij dacht er niet eens over na, of Tijl en Allard nog bijtijds zouden gekomen zijn. Hetgeen de schipper tot hem gezegd had, herinnerde hem al hetgeen hij vroeger van dezen en van anderen had moeten hoor over Childa, en bracht hem opnieuw al de vermoedens voor den geeest, welke hij zelf nu en dan gevoed had.

Door de pogingen van Machteld, en de gewilligheid waarmede Childa hare lessen ontving, sprak deze reeds veel woorden verstaanbaar uit; doch ofschoon het haar nu al mogelijk zou geweest zijn, op de vragen van de oude vrouw en broeder Peter te antwoorden, zij zweeg altijd, als men vroeg wie zij was, vanwaar zij kwam, en tot smart van den monnik, weigerde zij de taal te spreken, welke Machteld in dien nacht uit haar mond gehoord had; wellicht begreep zij ook niet, wat men verlangde. Op al die vragen antwoordde zij met zuchten, en de tranen, die zij dan stortte, verhinderden, om haar met dat onderzoek langer te pijnigen.

Ook Wolfert leer haar zoo gaarne een nieuw woord, als hij haar dat dan eindelijk goed hoorde uitspreken, dan gevoelde hij zich gelukkig; elk woord dat Childa aanleerde, vereenigde haar als het ware nauwer met hem, als zij de taal zijner moeder sprak, an dacht hij niet meer om hetgeen men in de stad overhaar dacht, aan hetgeen hij veeltijds zelf vreesde te moeten gelooven; dan was zij geen zeewijf meer, maar een maagd, een schoone maagd, een zuster, ja noch meer; dan droomde hij  somtijds, dat het zijne bruid was, die naar hem luisterde, hare klanken naar de zijne vormde, en hij was er trotsch op, dat zij het vlugste aanleerde, als hij haar meester was.

Waarom was Wolfert zoo treurig? dikwijls wist hij het zelf niet. Veeltijds was het, omdat Childa ongelukkig scheen te zijn, omdat haar hart naar elders scheen te trekken, en dit bedroefde hem voor hhaar, dit verontrustte hem voor zich zelven. Wiens komst verbeidde zij? wie verlangde zij te zien?

Omstreeks den middag keerde Wolfert naar zijne woning terug; de deur stond aan, zooals gewoonlijk gedurende den dag, en hij trad het huis binnen. Ook de kamerdeur wat niet gesloten, en hij hoord broeder Peter, die bezig was aan Machteld eenig nieuws te verhalen. Dit was nu niets ongwoons; maar het bevreemde hem, dat Childa, die ander gewoonlijk weinig acht sloeg op die lange gesprekken, welke zij niet begreep, nu met stipte aandacht zal te luisteren, nu hij haar zoo op zijn gemak beschouwde, kwam het hem voor, dat haar anders blozend gealaat bleek was, ja dat het een hevige ongerustheid verried.

Dit bekommerde hem, en hij trad binne; doch voordat hij Childa kon aanspreken, die een uitroep van schrik en medelijden liet hooren, toen zij hem gewaar werd, vroeg Machteld: „Hebt gij ook gehoord was de schout heeft afgekondigd, Wolfert? Broeder Peter heeft het mij verhaald.”

„Neen moeder!” antwoordde hij, en hij zeide niets meer, maar oogde Childa na, die snel opgestaan was, en de kamer verliet.

„Wolfert……”

„Is Childa ziek, moeder?” viel deze Machteld in de rede: „St. Wille zij mij genadig! maar ik geloof, dat zij weent, ik bid u zeg het mij.”

„Neen Wolfert!” zeide Machteld, „zij is wel, het zal weer een gewone vlaag van droefheid zijn; zij heeft daar bedaard gezeten, terwijl wij spraken.”

„Zeer bedaard, Wolfert!” merkte broeder Peter aan, en Machteld vervolgde, dezen een wenk gevende: „Dus hebt gij niets gehoord, en de markt was toch vol menschen; Wolfert, Wolgert! waar moet dan heen! gij denkt tegenwoordig maar alleen aan Childa; ziet gij niet, hoe mij dat verontrust en voor de gevolgen doet vreezen?”

„Denkt gij dan, moederlief! dat ik niet meer om u denk, omdat het lot van het meisje mij bekommert? Moeder! kent gij Wolfert niet beter?”

„Ja, Ja!” zeide de oude vrouw hare tranen afdrogende, en zij drukte den jongenling, die haar gekust had, aan haar hart, „maar zie, kind! om mij lief te hebben; moet gij bij mij blijven; uw hart is goed, ik weet het, maar de verleiding is machtig en als men u een overhaalde om mij te verlaten, datn bleef de oude Machteld alleen.”

„Moeder!” riep Wolfert, en Peter zeide: „Waarlijk, Machteld! zoo ver is het nog niet; en Wolfert weet te goed, wat hij aan u verplicht is; mijne gebeden zullen hem sterken tegen de aanvallen van den satan.”

„Bij St. Wille, broeder!” zeide Wolfert met vuur, „Childa is de satan niet?”

„En wat is zij dan?” vroeg deze; en toen Wolfert zweeg, vervolgde hij vol vertrouwen: „Ik zeg neit dat zij het is; ik weet net wat zij is, en gij ook niet; maar ik weet wat zij zijn kan. De vreemdeling, welke schijnbaar verdronken is, en die verandering van dien zieken man in een vrouw, bevalt mij niet; wellicht zijn beiden echter menschen geweest, en heeft deze of geene watergeest de gedaante van den een of anderen reisgenoot aangennomen, om zich door u te laten redden en hier in huis te komen.”

„Broeder Peter!” zeide Wolfert, „voorheen hieldt gij haar voor een vrouw; een kwade geest kan immers het kruis niet kussen, en Childa gaat zoo trouw ter kerke.”

„De goede geeste looven den Heer, Wolfert! en ookik kan dwalen, of gedwaald hebben; ik wil dan ook niet zeggen, dat zij een afgezante van den satan is.”

„Dat kan zij ook niet nzijn, want zij is zoo goed; men behoeft haar immers slechts aan te zien, om te ontdekken, dat zij de onschuld zelve is; maar zij is ongelukkig.” Dit zegende, trad hi naar de deur, en riep, toen zijne moeder zeide: „Wolfert blijf nu hier.” „Ik kom zoo datdelijk terug, moeder!” en ging van dr.

„Arme jongen!” zeide Machteld zuchtende.

„Ja wel, arme jongen, vrouw! gij hoort, ik heb no zoo iets gezegd omhem te waarschuwen; maar waarlijk, hij heeft gelijk; Childa is zoo goed, dat ik niet geloof, dat zij kwade bedoelingen heeft, en ook haar eerbied voor het kruisbeeld moet alle vrees benemen.”

„Dus gij durft verzekeren, dat de menschen zich bedriegen, en dat zij geen zeewijf is.”

„Verzekeren? neen; want dat zij er geweest zijn, is zeker; een geleerde monnik uit een klooster te Gent, die, nu vijf jaren geleden, in ons huis eenige dagen doorgebracht heeft, verhaalde mij nog eens, dat hij wel oude boeken gelezen had, die bewezen, dat zij voorheen bestaan hebben.”

„O! ik wenschte zoo gaarne te weten, wat ik denken moet! Childa is zoo goed; maar als ik er om denk, dat zij mijn Wolfert ongelukkig zou kunnen maken, dan maak ik mi zoo beangst. Heilige Moeder Gods! wees hem genadig, mijn Wolfert onder de zeemonsters! Zij is zeker weer boven en tuurt naar de zee; wat zoekt zij daar toch? Wolfert gaat haar zeker opzoeken, hij heet rust noch duur als zij weg is.”

„De tijd zal veel leeren, Machteld! maar hetgeen mij niet bevalt is, dat zij die vreemde taal niet tegen mij durft of wil spreken, en niet zeggen wil wie zij is. Doch het is reeds laat, ik moet heen.” Dit zeggende, haalde Peter de kap zijner pij over zijn hoofd en verliet de kamer gevolgd door Machteld, die de deur van het huis achter hem sloot.

908SR15.gif (1832 bytes)

De winter had weinig verdienste opgeleverd; daarom verheugde het Wolfert, zoodra de tijding kwam, dat de Gentenaars de stad Oudenaarden hadden overrompeld, zoodat de oorlog tusschen die van Gent en Lodewij van Male, graaf van Vlaanderen, wederom een aanvang genomen had; want door ter sluiks wapenen en levensmiddelen naar de Gentenaars te voeren, kon er nog iets meer dan in tijd van vrede verdiend worden, en noch Machteld noch Childa behoefden te weten, met hoeveel gevaar deze verdiensten gepaard gingen; evenwel bleven zijne tochten voor haar geen geheim.

De inrichting van Wolfert’s kamer voor Childa, het aanschaffen van eenige kleedingstukkken en de meerdere onkosten door haar verblijf veroorzaakt, hadden de som uitgeput, welke in den zak geweest was, en gebrek aan geld verhinderde Wolfert alreeds dikwerf, om zijne moeder of Childa naar zijn verlangen van het een en ander te voorzien.

Nooit had Wolfert er aan gedacht, om Childa weg te zenden; integendeel, langen tijd was hij bevreesd, dat zij hem verlaten zou; evenwel bewaakte hij haar, doch niet uit vrees dat zij in het water zou springen en ontvluchten, zooals men in de stad geloofde. Machteld zelve, ofschoon zij eerst gaarne zou gezien hebben, dat Childa vertrok, had nooit gesproken van haar het huis te doen verlaten, ofschoon zij wist, dat het onderhoud van het meisje te veel kostte voor de geringe verdienste van haar zoon, en nu was zij reeds zoo gewoon aan haar bijzijn, dat het haar zelfs leed zou gedaan hebben, als zij vertrokken was, vooral nu Childa niet treurig of ongerust meer was, maar zich integendeel zoo goed zij kon toelegde, om Machteld in het huishouden de behulpzame hand te bieden.

De winter was voorbij, het was in den zomer; Machteld was uitgegaan om een kennis te bezoeken, die op sterven lag. Toen Wolfert tehuis kwam, vond hij Childa alleen, die bezig was om met zijde van onderscheidene kleuren bloemen en vogels op een blauw lakensche huik te borduren; een soortgelijke had Machteld reeds verkocht; het handwerk van het Zeewijf was uitstekend van schoonheid, en de vreemdheid er van deed er veel geld voor betalen. Wolfert groette haar, en zette zich tegenover haar neder; hij zagmet aandacht naar haar vlugge vingers, die met ijver de naald door het laken joegen. Childa was zoo schoon; het licht viel op de lange krullende haarlokken, die een golvende zee van goud schenen te zijn; hoe bevallig was dat gelaat, hoe welgevormd die slanke leest! Doch weldra zag Wolfert van dat alles niets meer; het kwam hem voor, dat zij niet opgeruimd was als vroeger, doch vrdat hij den mond opende, vroeg Childa zonder op te zien, terwijl haar stem beefde: „Zijt ge wl, Wolfert! en moet gij nog varen vr den avond?”

„Als gij opgeruimd zijt, ben ik wl, en waarschijnlijk met ik nog over; maar gij zelve? ik geloof, gij werkt te veel.”

„En gij dan?” vroeg zij, terwijl zij opzag, en een traan ontrolde haar schoon oog, dat wel niet blauw of bruim was, maar zooveel goedheid uitdrukte. „O, Wolfert! wat zal uwe goede moeder gevoelen, als gij ziek wordt? gij werkt te veel, en die verboden zaken maken haar zoo ongerust; als u een een ongeluk overkwam! laat dat toch na.”

„Ik kan niet,” zeide Wolfert, en toen zij vroeg: „Waarom niet?” bewaarde hij het stilzwijgen.

„Ik weet, waarom gij zwijgt,” zeide zij, en legde haar handwerk naast zich meder: „gij wilt niet zeggen, dat mijn verblijf hier, u noodzaakt die gevaarlijke tochten te wagen, ik bid u……”

„Uw verblijf?” riep Wolfert, „neen, Childa! en waarom dat? het geld dat u toebehoorde, is nog niet op, en gij verdient immers zelve veel geld; uwe vlijt en kunst vergoeden ruim de onkosten die wij hebben.”

„Ware dt waar!” zuchte Childa, het hoofd schudde: „maar ik weet het beter: gij maakt uwe moeder en u zelven ongelukkig om mij!”

„Om u?” riep Wolfert, terwijl hij opstond, „en denkt Childa dan niet, dat ik gaarne alles wat ik heb, mijn leven, alles voor haar waag; beloont een blik van vergenoegheid mij niet voor de gevaren, die ik het hoofd moet bieden? dat gij met mij spreken kunt, maakt mij reeds zoo gelukkig.”

„Maar uwe moeder, best Wolfert?”

„Mijne brave moeder is zoo goed; zij kan u niet gezegd hebben, dat gij ons tot last zijt: zij heeft u lief, alsof gij hare dochter waart.”

„Het is zoo; maar ik ben haar kind niet. O, moeder! vergeving, ter wille van de Heilige Moeder, helaas! wanneer zal ik u aan mijne borst drukken?” riep zij medegesleept door het gevoel dat haar beheerschte. Zij stak de handen uit, en sloeg de schoone oogen hemelwaarts; de tranen vloeiden langs hare wangen; zij vielen als zilveren droppels op haar zwart lakensch borststuk.

Die tranen ontroerden Wolfert en vervulden zijn hart met droefheid; want hij beminde Childa; en toen deze langzamerhand opgeruimd, zelfs nu en dan vroolijk was geworden, had hij zich verbeeld, dat zij hem liefhad, dat zij niet meer treurde, geen verlangen meer scheen te hebben om hem te verlaten, omdat zij hem liefhad; daarom griefde hem hare droefheid zoo. Hij dacht niet meer aan hetgeen Machteld zou zeggen, aan hetgeen de inwoners van Vlissingen geloofden, aan de vermaningen van broeder Peter, aan zijne eigene gevoelens over de afkomst van Childa; zijn hartstocht deed hem het gevaar voorbijzien, dat er in lag, om zich over te geven aan een Zeewijf, door haar zijne liefde te openbaren, en hij riep: „Ter liefde van St. Wille en de Heilige Moeder Gods, ween niet, beste Childa! ik zal u een moeder schenken, als gij het hebben wilt; Machteld zal uwe moeder zijn!”

„Machteld!” riep Childa verwonderd, en blikte hem vragend aan; zij trok de hand niet terug, welke Wolfert in de zijne geklemd hield, en schudde met het hoofd.

„Ja, o! zij zal een goede moeder zijn voor haar die haren Wolfert gelukkig maken zal!……Waarom die hand teruggenomen?” vervolgde hij droevig. Toen knielde hij naast haar neder en zeide: „Mijne hand heeft de kracht gehad, om u te redden in dien nacht; maar zij heeft geene kracht, om de uwe tegen uw zin te houden; toen waart gij zwaar van het water; maar zie, het viel mij lichter u te dragen, dan nu uw ongenoegen, O! waarom zagen eertijds uwe oogen zoo vriendelijk, waarom zie zij nu zoo gestreng? ben ik niet dezelfde Wolfert? Ha! gij weent; St. Wille zij geprezen! gij hebt het mij vergeven. Zie Childa, uwe tranen breken mij het hart; doch liever zie ik u weenen, dan……maar gij zijt niet toornig meer; gij hebt het mij vergeven.”

„Ik toornig tegen u, tegen Wolfert?” riep Childa, en vatte zijne hand, „hoe denkt gij dat?”

„Ik dacht……” zeide Wolfert langzaam; toen vervolgde hij snel: „Bij den Heer! ik wenschte, dat ik het nog kon gelooven; maar uwe hand beeft, het was geen toorn, het was schrik. Childa! Childa! waarmede heb ik dat verdiend?”

„Wilt gij u dan altijd bedriegen? zijt gij Wolfert niet? ik, bevreesd voor den zoon van Machteld! O, Wolfert! denkt gij, dat ik u niet ken? Indien ik beef, is het niet voor u, maar om uwentwille, sta op……”

„Neen!” riep Wolfert met drift, „hier, geknield aan uwe voeten, zal ik spreken, en gij zult mij aanhooren, Childa! ik heb u lief, schenk mij die hand, welke in de mijne rust; zonder u kan ik niet meer leven, zonder……!”

„O, zwijgt! bid ik u!” riep Childa smeekend; maar hij vervolgde: „en waarom zou ik zwijgen? mijne liefde is oprecht; als gij mij verstoot, zal ik sterven; maar als ik zwijg, wacht mij hetzelfde lot; gedoog dus……”

„Wolfert!” riep Childa, en legde hare hand op zijn mond; doch hij kuste die, nam ze weg, en zeide smeekend: „O! laat mij spreken, het aanhooren kost u zoo weinig. Ik heb u lief, schenk mij uwe liefde, Childa! dierbare……”

„Ongelukkige, zwijg! weet gij wie ik ben, tegen wie gij spreekt? Houd die lippen gesloten. Heilige Moeder Gods! verleen mij uwe hulp; red hem! Wolfert! mijne liefde zou uw verderf zijn.”

„Het zij zoo,” riep Wolfert, en omvatte hare knien, „jet verderf, de dood, het schrikt mij niet af, als gij mij maar liefhebt; wie gij ook zijn moogt, ik spreek u vrij, maar schenk mij uwe liefde. – O! ween zoo niet; ik zie het in, ik heb mij bedrogen; ik zal nu ook sterven, doch omdat gij mij verstooten hebt; maar ik vergeef het u; ween niet Childa! ik zal u niet meer bedroeven.”

„Ik u verstooten?” riep Childa, en legde hare handen op zijn hoofd: „Den goeden Wolfert! mijn redder. O! gebenedijde Moeder Maria! wees uwe kinderen genadig! Gij weet, hoe ik gestreden heb voor hem; maar zijne droefheid verscheurt mij het hart. Wolfert! zie zoo treurig niet; indien mijne liefde u gelukkig kan maken, dan zult gij het zijn, altijd zijn; mijn? Wolfert bezit reeds lang mijne liefde.”

„Kan het waar zijn?” vroeg Wolfert opgetogen, en hij kuste hare handen; hij vertrouwde zijne ooren niet. „O ja! gij knikt, Childa heeft mij lief; maar waarom zoo lang gezwegen, waarom die tranen?……Ha! gij lacht mij toe; nu eerst kan ik aan mijn geluk gelooven; hoe kon ik ook denken, dat gij bang voor mij waart! hoe dwaas was ik! het is mijn arm, die uw midden omvat; het is mijn hart, dat tegen uw borst slaat, en gij lacht; ik ben uw Wolfert!”

„Childa!” bad Wolfert eenige oogenblikken later; Childa zat vertrouwlijk naast hem, zijn arm hield haar nog altijd omvat, en zij leunde tegen zijne borst, een lichte blos bedekte haar gelaat, en hare oogen zagen vriendelijk naar de jongeling, toen zij hem den kus gaf, waarom hij verzocht. „Waarom zou ik hem u weigeren, lieve Wolfert?” zeide zij zacht, „gij hebt mij het leven gered en bemint mij; wat is er, dat ik niet zou willen geven, om u gelukkig te maken? en indien mijne liefde dat vermogen heeft, dan zult gij het zijn.”

„Kunt gij er nog aan twijfelen?” riep Wolfert opgetogen. Toen vroeg hij langzaam: „Gok spraakt zoo even van een moeder, hebt gij er eene? ik zal haar eeren en liefhebben. Nu, wordt niet treurig; bedroeft u die vraag? ik zal niet meer vragen; maar word weder vroolijk. O! uwe treurigheid en ongerustheid hebben mij vroeger zoo gekweld; dagelijks vreesde ik u van hier te zien gan; doch St. Wille zij geloofd! gij zijt gebleven.”

„Om u, Wolfert!” zeide Childa, en toen hij haar kuste, en uitriep: „Kan het waar zijn, om mij?” vervolgde zij: „Dankbaarheid en liefde hielden mij hier; de Heilige Moeder Gods zal het mij vergeven; want ik bleef, en evenwel had ik moeten gaan.”

„Voor mijn welzijn?” vroeg Wolfert, „kan er dan geluk bestaan zonder u? O! ik bid u, zeg mij wie mijn Childa is, gij bemint mij en ik heb u liefde beloofd; wie gij ook zijn moogt, ik behoor u voor eeuwig, gelijk gij mij……Sidder niet, Childa! ik ben een man, en ik heb u lief; ik kan alles hooren; alleen dwing mij niet mijne moeder te verlaten, die niet kan leven zonder mij, en uw Wolfert niet zonder haar zegen. O! zie mij niet zoo aan; ik wil u toebehooren, want ik heb u lief; maar mijne moeder……wanneer zij rusten zal, dan zal ik u volgen, maar nu……neen, nu nog niet.”

„Hoe kunt gij denken, dat ik u van haar zou willen wegvoeren? uwe moeder zal immers mijne moeder zijn; dat hebt gij mij ook gezegd; neen, ik blijf hier; met u, Wolfert! zal ik haar het leven gelukkig maken; zij zal nu twee kinderen bezitten, die haar liefhebben.”

„O, ik dank u,” zeide wolfert gerustgesteld en verheugd. „O! vergeef mij, maar ik dacht……al hetgeen u betreft, is zoo vreemd, zoo raadselachtig die kostbare kleeding van weleer, die gouden ketting, en die geleider, welke verdronken en verdwenen is! uw geheele gedrag; wie is mijne Childa toch? geene andere vrouw heeft uw houding, die schoone oogen, welke vriendelijk zien en ontzag inboezemen! gij zijt een ander wezen dan wij menschen, en evenwel bemint gij mij en maakt mij gelukkig. O! zeg het mij, vertrouw uw Wolfert, wie zijt gij toch?”

„Wilt gij mij voor altijd verliezen?”riep Childa:„Wolfert! zoekt gij den dood? en uwe goede moeder……”

„U verliezen? liever wil ik sterven!” riep Wolfert, en drukte haar aan zijne borst. „Zie niet zoo angstig, Childa! ik zal nie meer vragen.”

„Ik kan, ik mag ook niet antwoorden; ik heb u lief, wees daarmede tevreden; wat zou ik u ook meer zeggen? Zeg ik wie ik ben, dan verliest gij mij; en ik heb mijn Wolfert lief, en kan zonder hem niet leven.”

„O! welke zoete woorden!” riep Wolfert, „hoort gij? daar komt onze moeder te huis; wat zal zij gelukkig zijn, als zij weet, dat haar zoon……”

„Zeg nog niets; later, lieve Wolfert” bad Childa; doch de jongeling drukte hare hand en zeide: „Moeder weet wel, dat ik u liefheb en ik kan mijn geluk niet zwijgen; sta op, en laat ons haar te gemoet gaan.”

In het huis, dat de oude vrouw verlaten had, liet zij den dood achter, die altijd neemt. Hier verbeidde haar de lieftde, die altijd geeft.

908SR15.gif (1832 bytes)

Zeventien maanden waren er nagenoeg verloopen, sedert het bekend geworden was, dat Wolfert een Zeewijf gevangen had, en u was de geheele stad vervuld met gesprekken over het groote nieuws van den dag; het huwelijk van Koggeman met het Zeewijf. Men had er te voren al wat van gehoord; doch nu was het zekerheid geworden; den meisjes deed het leed, omdat Wolfert nu voor haar verloren was; de mannen wisten niet, of zij hem beklagen of benijden moesten; want men zeide wel dat de jonge vrouw schoon was, maar wie wist het? en bovendien was het een zaak van gewicht, om een Zeewijf tot vrouw te nemen; de gevolgen waren niet te berekenen; de bejaarde vrouwen kwamen algemeen overeen, dat uit dit huwelijk weinig zegen te verwachten was, en dat Machteld zeker nimmer het geluk zou hebben om als grootmoeder ten grave te dalen.

In Machteld’s woning bekommerde men zich weinig over de denkwijze der menschen, nu de oude vrouw, ofschoon na lang tegenstreven, hare toestemming gegeven had, nu de Priester, bij wien Childa ter biecht ging, zonder aarzelen het jonge paar den zegen gegeven had, nu dacht zij weinig meer aan de onbekende afkomst van Childa, aan hare vroegere vrees; zij vergat alles, omdat Wolfert gelukkig was; zij had Childa lief, omdat hare liefde haar zoon gelukkig deed zijn.

De slechte staat der geldmiddelen zou het onmogelijk gemaakt hebben feest te houden, indien men het had willen doen, en Childa’s gewoonte, om zich nimmer ontsluierd te vertoonen voor vreemde menschen, deed er natuurlijk in het geheel niet aan denken; slechts broeder Peter was uitgenoodigd. Hoe zuinig echter alles in het huishouden overlegd was, zoo had Machteld evenwel voor een klein mal gezorgd, en terwijl zij met behulp van hare dochter de spijzen gereed maakte, dacht wij menigmaal aan den dag, toen Wolfert’s vader haar in zijne woning geleid. Helaas! hoe waren die tijden veranderd! niemand was er nu, en toen waren er zoovele dienstboden en gasten; doch zij wischte in stilte den traan af, die haar in het oog schoot; zij wilde de vreugde van hare kinderen niet storen; en broeder Peter, die anders nogal eens gewoon was over oude toepasselijke gebeurtenissen te spreken, repte geen woord van de bruiloft van Nannig Koggeman; ook viel hem in het oog, hoe de tijden veranderd waren.

Childa droeg het kleed, hetwelk zij had aangehad, toen Wolfert haar gered had, en dat hij haar zoo gaarne zag aanhebben; de ketting hing om haar hals en onder, aan de gouden schakels op hare borst, een achtkant juweel van goud met edelgesteenten, waarin volgens haar zeggen, een voorbehoedmiddel tegen ziekten verborgen zat; ofschoon Machteld, omdat Childa het altijd bij zich droeg, het lang als een talisman beschouwd, ja zelfs broeder Peter wel een geraadpleegd had, of het niet goed zou zijn het haar in stilte af te nemen, en daardoor de onzichtbare macht te breken, die het meisje nar de zee scheen te trekken.

Machteld heugde de tijd niet, dat haar zoon zoo opgeruimd geweest was, en de monnik, die schier alleen de eer der tafel ophield, en aan de kookkunst van Machteld den verdienden lof deed geworden, verzuimde daarom niet, om deel te nemen aan het gesprek. Toen na den maaltijd de kruidkoeken op tafel werden gezet, met vijgen en andere versnaperingen, toen werd ook het bier door wijn vervangen, en Peter verklaarde, in geen tijden zulk een goed maal gedaan te hebben.

„Het is waarlijk zonde, moeder Machteld!” zeide hij, „dat de kinderen zoo weinig acht geven op hetgeen gij heden hebt gereedgemaakt; waarlijk, indien ik dan weer alles zoo herdenk, dan herinner ik mij nog de dag toen gij……doch het zal beter zijn dat maar te laten rusten. Wolfert! bij St. Lieven en mijn patroon! de schafting is wat eentoonig in het klooster en doorgaans sober, van de vastendagen geheel gezwegen; maar zie, indien wij even weinig dachten om het eten als gij, dan zouden wij, de Heer vergeve het mij! met meer aandacht de hoogmis houden, dan nu dikwijls plaats heeft.”

Wolfert antwoordde niet; Machteld lachte, en Childa, die niet gehoord had, wat de monnik zeide, zag evenwel op, en toen voegde hij er bij: „Ja, ja! van u zou ik hetzelfde kunnen zeggen, Childa!”

„Het is elken dag noen- en avondmaal, Peter! maar men trouwt maar ns; ten minste als de dood niet al te wreed is; en dat geluk kent gij niet,” zeide Wolfert.

„Geluk?” hernam Peter. „Ik geloof dat gij gelijk hebt; maar het is een vergankelijk geluk; de kerk is ook eene schoone bruid, en zij sterft niet; en als men dan door de broeder in de gewijde aarde wordt nedergelaten, dan vallen er geen tranen van de arme vrouw of hulpelooze kinderen op de aarde.”

„Wel waar,” merkte Machteld aan, en hare oogen werden vochtig. Zij dacht aan den man, dien zij verloren had; doch toen Wolfert en Childa haar elk de hand toestaken evenals wilden zij haar opnieuw verzekeren, dat hunne liefde en zorg haar het verlies van den braven echtgenoot zouden trachten te doen vergeten, toen vervolgde de oude vrouw met blij gelaat, in weerwil van hare tranen: „En evenwel, broeder! de Heer heeft een heilzamen balsem voor elke wonde, wlke Hij slaat; de kloosterzuster of de monnik heeft het geluk niet, te weten dat zijne kinderen bidden en weenen zullen bij zijn graf; maar het doet goed aan het hart, en onze goede Zaligmaker verhoort de gebeden der kinderen. Weet gij wel, Peter! dit ik uit mijn gelukkigsten tijd mij weinige dagen kan herinneren, als dien van heden? en echter ben ik oud van dagen; ik leef in het geluk mijner kinderen.”

„Zeker Machteld!” zeide Peter; „maar evenwel……”

„Gij wilt zeggen, dat zij vr mij kunnen weggedragen worden, ach! ik hoop dat de gebenedijde Maagd mij deze ramp besparen zal; neen, die beproeving zal aan de oude Machteld niet opgelegd worden.”

„O! spreekt niet drover!” riep Wolfert en Childa zeide, de handen aan de oogen brengende: „Lieve moeder! Wolfert is immer weer gezond; bedroef u niet; gij zult nog lang bij ons blijven en wij zullen u niet verlaten.”

„Ik hoop het, kinderen! de goede Heer geve het! ik doe ook niet wel mij te bedroeven.”

„Dat doet gij ook niet, Machteld!” zeide de monnik, „en gij spreekt ook nergens over, waaraan ik niet dacht; wie spreekt oot van zulke zaken op een bruiloftsfeest? het De profundis zou een sclecht bruiloftsgezang zijn. Laat ons liever nog een drinken op de gezondheid van het jonge paar; het moet gezegd worden, de wijn is goed; indien Wolfert een koningszoon ware, behoefde die niet beter te zijn, en hij moest evenwel niet minder wezen op de bruiloft van zulk een schoone jonge vrouw als onze Childa!”

Wolfert sloot zijne vrouw, die de oogen nedersloeg, in zijne armen en Machteld zeide lachende: „Broeder Peter raakt op zijn praatstoel; Peter! gij moet den jongelieden het hoofd niet al te warm maken; de vrouwen weten zelven wel, hoe zij er uitzien.”

„Maar hij zegt niets te veel,” riep Wolfert, terwijl hij Childa kuste, die haar blozend gelaat aan zijne borst verborg, en Peter riep vroolijk: „Geen nood, geen nood! Machteld! Wolfert heeft gelijk; ik heb zooveel bruiloften bijgewoond; dat ik wel weet wat ik zeggen moet. Ziet Childa daar eens zitten; gij hebt een knappe dochter, Machteld valt die gouden keten niet……”

„O! die draag ik heden voor het laatst,” riep Childa, terwijl zij ze van haar hals wilde afdoen; doch Wolfert hield haar tegen, en zeide snel: „En waarom dat, lieve Childa? gij weet immers, hoe gaarne ik u haar zie dragen en gij zelve zijt er zoo aan gehecht, blijf ze dragen ter liefde aan mij.”

„Ter liefde aan u?” zeide Childa, „o! ik bid u, laat mijne handen los;” en toen hij in beraad stond wat te doen, kuste zij hem en vroeg zoo smeekend: „Kunt gij mij dat weigeren, mijn Wolfert?” dat hij haar liet begaan. Machteld en de monnik zagen verwonderd op; de eerste dacht wellicht aan hare vroegere gevoelens omtrent dit sieaad; doch zij zweeg; ook Wolfert zag met bevreemding naar de handelswijze zijner vrouw.

„Wolfert!” zeide Childa, en hare stem wat vast en ernstig, „gij hebt mij tot vrouw genomen zonder mij te kennen; ik heb u lief; meet behoefdet gij niet te weten; mijne liefde en trouw alleen kunnen u vergelden, wat gij voor mij deedt; gij reddet mij het leven en voozaagt in mijn onderhoud. O! schud niet met het hoofd, ik weet het beter; ik zal wel, dat ik leefde en gekleed werd ten koste van hetgeen uwe brave moeder en u zelven voeden en kleeden moest, en evewel bleef ik; want ik had u lief……”

„Childa!” riep Wolfert verrukt, en hij sloot haar aan zijn hart, en zij vervolgde, hem vriendelijk toelachende: „Behalve gij is er hier niemand dan mijne lieve moeder, uwe moeder, en de goede huisvriend; ik kan daarom spreken zooals ik denk; ja ik had u lief, en ik zag – ik hoopte ook op uwe liefde. Nu ben ik uwe vrouw; mijne nige huwelijksgift is voor u de verplicting om voor mij te zorgen; wellicht zal ik nimmer in staat zijn iets bij te dragen tot mijne, tot uwe behoefte: ik heb niets dan dit sieraad, slechts het juweel wil ik bewaren; neem dit, neem de keten, verkoop , haar stuksgewijze; neem haar,het is alles wat ik heb. O! ik bid u, weiger mijne gift niet.” Dit zeggende kuste zij den ketting en bood hem Wolfert aan.

„Vrouw! lieve vrouw!” riep deze, „waartoe dat? Deze armen zij nog sterk; zij kunnen werken, en zoo St. Wille mij bijstaat, ook genoeg verdienen, om mijn Childa zelfs nu en dan te verrassen met een of ander prachtig stuk; ik weet, die ketting is veel waard, ik……”

„Het is de eerst bede uwer vrouw: zult gij mij minder liefhebbe zonder dit sieraad?” zeide Childa smeekend; „bedenk toch, ik bewaar het kostbaar stuk, dat er aan hangt; dat is voor mij genoeg. Moeder! spreek toch eens; moet Wolfert mij niet toegeven? mag hij weigeren?”

De oude vrouw, zelfs den monnik stonden de tranen in de oogen. Machteld wist zeer goed, van hoeveel dienst het geld kon zijn, dat de ketting waard was; evenwel ook haar zoon beriep zich op haar, en zeide: „Ik mag er haar niet van berooven, is het niet zoo?” Toen antwoordde zij: „Wolfert heeft gelijk, kindlief! gij zijt nog jong; draag dien ketting, die u immers behoort; gij hoort het, en uw man ziet hem gaarne om uw hals. De goede Heer geve ons het geluk, dat wij er nimmer aan behoeven t denken, om den ketting te verkoopen; moest het zijn, dan is het een schoone appel voor den dorst.”

„Hoort gij?” zeide Wolfert, den ketting weder in de hand van Childa leggende, „het kost mij veel u te weigeren; maar ik kan immers niet handelen tegen mijn gemoed! Wij hebben nog geen nood; behoud hem, en vergeef mij mijne weigering.”

„Gij doet niet wel, maar uw wil zal geschieden,” zeide de jonge vrouw treurig en vol liefde, terwijl Wolfert haar den ketting weder om den hals wilde hangen; doch toen hij de tranen op zijne hand voelde vallen, welke het afslaan van haar verzoek uit de oogen perste, toen veranderde hij plotseling van gedachte, en vroeg bewogen en berouwvol: „Childa lief! wilt gij mij nog den ketting gevn? dan zal ik hem – verkoopen.”

„Machteld!” zeide Peter een oogenblik daarna, „de kinderen hooren ons, ten minste mij, niet meer, en ik zal eens opstappen; ik heb vele bruiloften bijgewoond, waar de vroolijk kout plaats vond, en de speelman niet vergeten was; ook bruiloften, die nog onaangenamer waren dan een vastendag; maar, mijn patroon zij mij genadig! de kinderen doen den ouden monnik de oogen vochtig worden; zij houden veel van elkander en de Heer en Zijne Heiligen zullen hin in hunne heilige bescherming nemen.”

Broeder Oeter vertrok, na Wolfert en Childe zijn zegen gegeven te hebben; en ofschoon hij anders er geen gewetenszaak van maakte, om op het einde eener bruiloft den bruidegom een vroolijk woord toe te voegen, zoo nam hij evenwel van Wolfert,die hem uitgeleid deed, afscheid met de woorden: „Gij hebt een brave vrouw, Wolfert! houd haar in eere: wat de wereld mettertijd zou mogen vertellen, denk altijd, dat de Schrift zegt: „dat de man alles verlaten zal en zijne vrouw aanhangen.” ”

Toen Wolfert weder in de kamer trad, stond Childa naast Machteld, die haar met den arm omvat hield; hij naderde, en toen zijne moeder ook hem aan hare borst drukte en vol geluk uitriep: „Hebt elkander lief, kinderen!” toen knielden Wolfert en Childa, door hetzelfde gevoel gedreven voor haar neder, en zeiden aangedaan: „O! uw zegen moeder!”

908SR15.gif (1832 bytes)

Twee jaren waren er verloopen sedert het huwelijk van Wolfert, en liefde en eensgezindheid hadden steeds in Machteld’s huis geheerscht. Menigmaal lachte de oude vrouw met broeder Peter over hare vrees van vroegere dagen, wegens de geruchten die er over Childa liepen; zij wist zelve niet, hoe zij zoo dwaas had kunnen zijn, hare dochter te houden voor een Zeewijf of een afgezante der hel. Beide hare kinderen waren gelukkig, en hoewel Childe nog dagelijks boven in het huis ging, om een vrijen blik naar de zee te werpen, zij was nimmer treurig meer; of zoo zij het was, verborg zij dat gevoel diep in haar hart, om haar man en hare moeder niet te bedroeven. Was het te verwonderen, dat dit verbond der liefde en der trouw nog op hechter grondslagen gevestigd was dan op den dag toen Wolfert en Childa om Machteld’s zegen baden? De band die hen vereenigde, de band, welke reeds op dien dag onafscheidbaar aan elkander verbond, was nog nauwer toegehaald, zonder dat zij het gewaar geworden waren, als door een zalig gevoel van sterker vereeniging hunner harten! want die band, welke zoo sterk verbond, en die tevens zoo licht was, was het kind dat sedert een jaar reeds op Childa’s schoot dartelde, aan hare borst dagelijks met volle teugen zich verkwikte, en dat, sterk en gezond, de moeder weldra van den dienst, welke haar geluk uitmaakte, zou verschoonen. Was het te verwonderen, dat de drie door de nauwste banden der natuur vereenigde bewoners van het oude huis van Nanning Koggeman gelukkig waren, ofschoon de armoede, – helaas! waarom juist in dien blijden tijd! – met de geboorte van het kind hunne woning ingeslopen was!

„Moeder!” vroeg Wolfert, die in de kamer trad, „waar is mijne vrouw?”

„Childa is op hare kamer; zij wit de muren, welke door den laatsten regen zoo zwart geworden waren van het roetwater.”

„Bij St. Wille! op het laatst zal het in het huis niet meer te houden zijn; op een goeden dag valt het in, en dan is het met ons allen……”

„Wolfert!” zeide Machteld bestraffend, „het is het huis uws vaders.”

„Vergeeg het mij, moeder!” riep Wolfert, „maar……”

„Maar……kus liever uwe kleine Machteld eens; vergeet gij haar geheel?” en toen Wolfert haar naderde en het slapende kind een kus op het voorhoofd drukte, legde de zorgvuldige grootmoeder het hoofdje van het schoone meisje nog gemakkelijker op haar linkerarm en zeide: „Ook zij is er in geboren, en gij ook……en gij weet mijn verlangen.”

„O zwijg, bid ik u, moeder!” riep Wolfert en kuste haar; „ik had moeten zwijgen; maar zie, de armoede valt hard; want wij zijn arm, moeder! doch ik bid u, zeg het Childa niet!”

„Of zij het niet weet, kind! waarom zouden wij die weinige dingen van waarde, die wij van vroegere dagen nog over hebben, verkocht hebben, als het niet uit nood geschied ware? Neen, Childa weet het, daarom weent zij dikwijls; maar zij zorgt wel, dat gij het niet ziet; zij verbeeldt zich, dat ons ongeluk aan haar te wijten is; te meer, daar haar naaiwerk niet vordert.”

„O! zij is zoo goed, moeder! zij is zoo braaf; mijne lieve vrouw kan het immers niet helpen, dat die lieve kleine haar zoo dikwijls verhindert te werken; hoe komt Childa zoo dwaas om onzen toestand aan zich zelve te wijten? een brave huisvrouw brengt immer het geluk, niet het ongeluk in een huis. En evenwel, wij zijn arm; mijn vaartuig was heden gereed, evenals elken anderen dag; het is niet minder sterk, niet minder zindelijk en fraai dan voorheen; ik ben immers nog dezelfde Wolfert Koggeman, ik heb geene ongelukken gehad, die mijne kunde en handigheid in de schipperij zouden kunne doen betwijfelen; en bij St. Wille! ook heden heb ik het moeten zien, dat de oude Lard de vrouw van de schout en hare dochters gevaren heeft. O! wist ik nog maar niet, waardoor deze verandering ontstaat! maar de maats zeggen mij dagelijks, moeder! Zoudt gij het wel gelooven, als ik het u niet bij het leven van mijne kleine Machteld bezwoer, dat het zoo is? het komt door mijne vrouw.”

„Door Childa? onmogelijk, Wolfert!”

„Neen, moeder! het is wel waar; en wat heeft mijne lieve vrouw hun gedaan? Dank zij onze voorzorg, zij weet nog niets van die praatjes, welke mij somtijds razend maken. Childa is en blijft voor hen een Zeewijf, en de leugenaar Tijl vindt meer geloof dan ik, haar man. Maar den een of anderen dag zal ik er recht over houden, moeder! bij St. Wille! het zal niet meer bij slagen blijven, zooals voorheen……”

„Wolfert!” bad Machteld angstig, „ter wille van uw oude moeder, uw vrouw en uw onnoozel kind, pleeg geen geweld; draag uw leed met geduld; bedenk eens, als gij in ’s Graven gevangenis gesleept wordt, wat dan?”

„Ik zeg het mij zoo dikwijls, moeder!” zeide Wolfert neerslachtig, terwijl hij ging zitten; „ik zal bidden dat de heiligen mij er voor bewaren een ongeluk aan die menschen te begaan; zij zijn ook meer dwaas dan slecht; zoudt gij wel gelooven, moeder! dat Dirk mij heden zeide, dat men het niet eens is, of dat lieve kind, dr, op een vrouw of op een Zeewijf gelijkt, of dat het een overgang is van de monsters der zee en den mensch, welke, zooals broeder Peter ons immers gezegd heeft, door God den Vader geschapen is naa Zijn beeld?”

„Laat hen praten, tot de Heer hun verstand verlicht, en bedroef u niet, kind! Hij zal ook weer overvloed binnen deze oude muren doen heerschen, als de Heiligen tot Hem verzoeken, en wij bidden dagelijks immers om hunne voorspraak; wacht met geduld! Peter heeft ook gezegd, als de nood het hoogst is, dat dan de uitkomst nabij is.”

„Hij moet het weten, moeder! Waarom gaf ik ook gehoor aan uw verzoek, aan de tranen van mijne vrouw? Waarom brengt Wolfert geen wapenen of levensmiddelen meer naar die van Gent; dan zou ik nu niet zonder geld te huis komen. Ik gaf toe, ik had het niet moeten doen; maar sedert die kleine er is, sedert Childa aan uwe zijde naar mij wacht en bidt, ben ik bevreesd, als de zee hoog gaat, en om de geboden van den ruwaard te overtreden; ik ben bevreesd geworden voor mijn leven en voor mijne vrijheid. Maar St Wille zal mij,  zoo hoop ik, niet verlaten; het is geen tijd meer om tegen den dood of de gevangenis op te zien; dezen avond zal ik weder beginnen. – O! zeg niets moeder! ik hoor Childa komen; bij de ziel mijns vaders! laat zij niets merken, ik zal voorgeven……”

„Wat zult gij voorgeven, Wolfert?” vroeg zijne vrouw, die in de kamer trad. Daar nu de gouden keten niet om haar hals hing, wijl deze reeds lang versmolten was, en zij wellicht om een ander kleed te sparen, er een droeg, dat meer tot de oude dan tot de nieuwe behoorde, geleek zij weinig op een vorstin; en evenwel, hoe bleek haar gelaat ook was, zou de broeder, indien hij weder een vergelijking had willen maken, zelfs al moest hij haar dan ook naar haar kleed als een dienstbode beschouwen, met waarheid hebben kunnen zeggen, dat zij de schoonste was, die men zien kon.

Wolfert antwoordde niet, maar vroeg vriendelijk en bezorgd, terwijl hij haar kuste: „Waarom vermoeit gij zoo? uwe wangen zien bijne even wit als de muren; ik zie liever deze zwart en de kleur gezondheid op uw gelaat.”

„O! het werken heeft mij niet vermoeid,” riep Childa, terwijl zij het hoofd schudde en hem vragend aanzag, „zeg mij toch Wolfert! wat mag ik niet weten? welk nieuw onheid bedreigt ons? O! ik bid u, maak mij niet ongeruster door het voor mij te verzwijgen.”

„Beeft gij drom, vrouwlief?” vroeg haar man, gedwongen lachende; „ik vertelde daar iets aan moder, ik wist niet dat mijne Childa zoo nieuwsgierig was; en zij twijfelt immers toch niet aan mijne getrouwheid? ha, ha!”

„Lach zoo niet!” bad zij, en sloeg haar arm om hem heen; „gij kunt mij niet bedriegen, mijn hart waarschuwt mij; gij wilt het weder wagen de bevelen van den Heer te verkrachten: zeg niets, want ik zou u niet gelooven; mijn Wolfert kan geene onwaarheid spreken; gij wilt weer varen voor de Gentenaren, die de getrouwheid aan hun heer verbroken hebben.”

Wolfert liet het hoofd op de borst hangen en zweeg; toen vervolgde zij: „Is het zoo? zeg het mij dan, dan kan ik ten minste bidden voor u: gij knikt met het hoofd! o! gebenedijde Moeder Maria! ik dacht het wel; bewaar hem voor dien stap, Heilige Moeder! Maar gij zult niet gaan, Wolfert! ik heb de macht om den overvloed in dit huis te doen wederkeren, en ik zal het doen, uwe smeekingen mij niet weerhouden.”

„Gij Childa?” vroeg Wolfert verwonderd en ongeloovig, terwijl hij haar vol geestdrift hoorde spreken; en zijne moeder, die de kleur op het gelaat van hare dochter plotseling zag terugkeeren, was ook verbaasd; doch zij schrikte. Wat zou Childa doen? was zij meer dan een mensch? kon zij rijkdommen schenken? was zij een watergeest?

„Ik heb het juweel nog, dat mij behoort, en gij zult het verkoopen.”

„Dat nooit!” riep Wolfert, „de ketting is reeds weggegaan; dat moet, dat moogt gij niet.”

„En waarom niet! O! ik heb u immers gezegd, dat het moet; zeker was het mij dierbaar, en dat is het mij nog; maar de nood is zoo hoog geklommen! denkt gij, dat het mij niet op het hart zou branden, als u eens een ongeluk overkwam? dan zou ik denken: waarom liet ik toe, dat Wolfert zich opofferde, daar ik nog iets had om te verkoopen?”

„Ik beroof er u niet van, het is het nige dat gij nog hebt; mijne Childa moet toch iets bezitten om zich op te sieren!”

„Heb ik niets, Wolfert? O! hoe kunt gij zoo spreken? heb ik uwe liefde niet, de liefde niet van uwe moeder? manlief! schonkt gij mij niet dat lieve kind? is mijne, is onze Machteld niet een schoon juweel, schooner……”

„Childa! Childa! ik mag het niet aannemen, ik mag het niet verkoopen!”

„Voor u niet? welnu, het zij zoo! maar voor uwe oude moeder, voor uwe vrouw moet gij het verkoopen,” en Childa trad, dit zeggende, naar de kleine Machteld, die ontwaakte, nam het lachend rondblikkende kin van den schoot der grootmoeder, kust het, drukte het aan haren borst en vervolgde, terwijl zij het in Wolfert’s armen legde: „Voor uw kind moet gij het verkoopen; of hebt gij het niet lief? wilt gij er niet alles voor opofferen?”

„Vrouw!” riep wolfert getroffen, en toen hij zweeg en de kleine aangedaan tegen zijne borst klemde, zeide Childa: „Moeder! o! zeg toch iets, zult gij ook niet een woord spreken voor uwe Machteld?”

„Wolfert is te braaf, om zijne deugdzame vrouw die bede te weigeren,” zeide de oude vrouw, zich de oogen afdrogende; en zij vervolgde ernstig, toen Wolfert het zwijgen bleef bewaren: „Zoon! wees zoo verstokt niet, wijs de hulp den Hemels niet terug; want de heiligen doen Childa waarschijnlijk zoo handelen.”

„Moeder! niet zoo gestreng, ik zal niet meer weigeren. Lieve Childa! ik neem het aan voor u allen en ook voor mij, ik ben niet te trotsch! O! geloof dat toch niet; alles zou ik aan u willen te danken hebben; maar dit sieraad, het was u zoo lief, drom alleen; want Childa behoeft geen goud of juweelen te dragen, om mij te bevallen, ik zal het verkoopen……”

„Uwe moeder dankt u, Wolfert! ik wist wel, dat gij naar mij zoudt luisteren; kom hier, kind! en vergeef mij, dat ik z tegen u gesproken heb.”

Wolfert voldeed aan het verzoek van de goede vrouw, en gaf de kleine aan Childa over, nadat deze hem vol blijdschap en dankbaarheid omhelsd had. Hij ging zitten en zeide; „De zaak is nu vast bepaald: morgen ga ik naar Brugge, om……”

„Naar Brugge niet!” riep Childa snel, „neen, Wolfert! als ons aller geluk u ter harte gaat, verkoop het dan nimmer in die stad.”

„En waarom dat……? antwoord dan.”

„Ik wil zeggen, dat gij het zeker het voordeeligst zult kunnen verkoopen in Holland, bij voorbeeld in Dordrecht, en ik heb u de waarde gezegd, zoodat gij weet, hoeveel gij er ten minste voor krijgen moet.”

De afreis van wolfert werd nu stellig bepaald op den volgenden dag, en hij bleef dien middag te huis; waarschijnlijk zou hij twee of meer dagen moeten wegblijven, daarom wilde hij den laatsten middag zijn huis niet verlaten, en toen hij des avonds met zijn vrouw alleen was, bad zij hem, dat hij haar zou belooven, na te komen, hetgeen zij hem verzoeken zou.

k beloof het!„ zeide hij, en toen verzocht zij hem, dat hij het juweel niet verkoopen zou te Brugge, en ook nooit zeggen wie hij was, en van wien hij het gekregen had.

”Wederom Brugge? gij zijt een zonderlinge vrouw, zeide Wolfert lachende; doch toen zij smeekend zeide: „Gij hebt beloofd, Wolfert!” antwoordde hij, terwijl hij haar op de wang tikte: „Nu, nu, vrouwlief! dat weet ik wel, en ik zal ook niet meer vragen; want hetgeen gij gedaan wilt hebben is zeker goed.”

908SR15.gif (1832 bytes)

„Ik kan wel zien, dat gij een vreemdeling in Antwerpen zijt, dat gij Lambert Peterchen niet weet te wonen,” zeide een jonge vrouw lachend tegen den man, die haar staande hield om te vragen waar de deken der goudsmeden woonde; „ga maar met mij mede, ik moet juist zijne deur voorbij.”

„Hier zijn wij aan de Gouden Bagge,” zeide zij eenigen tijd daarna, terwijl zij met haar vinger naar een lang ijzer wees, dat een huis of vijf, zes verder over de straat uitstak, en aan welks einde een verguld versiersel hing.

De vreemdeling bedankte zijne vriendelijke leidsvrouw, wie het verheugd had zulk een jongen knappen man een dienste te hebben kunnen bewijzen, en trad in het voorhuis.

Tevergeefs had Wolfert getracht in Rotterdam of Dordrecht zijn kostbaar stuk te verkoopen; men wilde hem geene som geven, die eenigzins overeenkwam met de waarde; en daar men hem nu onderweg gezegd had, toen hij met behoedzaamheid eenige inlichtingen inwon, dat Antwerpen de geschiktste plaats was om zoo iets van de hand te doen, had hij zich, zonder alvorens naar huis te gaan, dadelijk van Rotterdam naar die stad begeven: hij wilde niet gaarne onverrichter zake terugkomen, en hij kende de behoeft aan geld, welke er te huis heerschte.

Wolfert werd niets gewaar in den winkel dan en ouden man, een paar houten kasten, welke door den ouderdom meer zwart dan bruin en met ijzeren boomen gesloten waren, en een standaard met twee kleine schalen er aan op de toonbank. De man, in wien hij vermoedde den rijken goudsmid zelven te zien, niettegenstaande hij zeer eenvoudig gekleed was, had niet eens opgemerkt dat hi in het voorhuis gekomen was: z druk had hij het met het wegen en bezien van eenige vreemde gouden munten; doch toen Wolfert vroeg: „Zijt gij Lambert Peterchen?” zag de ander op, en riep verwonderd: „Vanwaar komt gij toch, dat gij dat vraagt en niet weet, dat ik meester Peterchen heet? Een deken komt geloof ik, het recht wel toe……” doch hier vergat hij hetgeen hij zeggen wilde, en vervolgde toen verdrietig: „Al wder een, die te licht is, en toch had men mij verzekerd, dat……”

Doch nu was het wolfert, die hme zijne rede deed afbreken; want hij zeide ongeduldig: „Ik ken de keur niet, die mij kan opleggen, om te weten, dat gij meest wilt genoemd worden, of dat gij hoofdman of deken zijt; ik wilde maar vragen, of gij genegen zijt om iets van mij te koopen.”

„Ta, ta! zoo driftig niet,” zeide de goudsmid, „er zal ook wel geen keur bestaan, die mij verplicht elkeen op staanden voet van zijne goederen af te helpen; en wat zal het zijn, mijn ongeduldige borst! een paar gesnoeide of vervalschte munten, of een haarspeld van verguld koper, met een vuursteen of een stuk glas in tin gevat?”

„Bij St. Wille, Meester!” riep Wolfert driftig, „al zijt gij deken, zoo past het u niet met uwe begunstigers te mallen: hetgeen ik verkoopen wil, is meer waard dan die blinde geldrommel, waarop gij uwe oogen uitkijkt.” Dit zeggende haalde hij het juweel te voorschijn uit een zakje, dat, aan een touwtje bevestigd, onder zijn wambuis was verborgen geweest, en hield het den goudsmid voor.

„St. Lambert zij mij genadig, mijn Meester!” riep de hoofdman, het juweel gretig met beide handen aanvattende; „gij hebt gelijk; mijn oogen zijn niet meer van de beste, en daardoor zag wij u voor den verkeerde aan; dat is schoon! zet u dr neder……” Doch hij vervolgde, moeite doende om den glans van vergenoegen op zijn gelaat te doen veranderen in den schijn van onverschilligheid: „Vrij aardig! de steenen zijn goed gevat, ziedaar de grootste verdienste! het bedriegt zoo op het eerste gezicht, en de jaren en het werken hebben mijne oogen verzwakt; dr zijn fouten aan, die is nogal wel; maar klein; jammer dat zij zoo klein zijn! dat is geen diamant, maar een witte saffier.”

Z ging de goudsmid voort met binnensmonds het eerst geprezen juweel te laken. Het hinderde Wolfert wel; want bij elk gebrek, dat meester Peterchen voorgaf te ontdekken, zou hij waarschijnlijk ook de som verminderen, die hij bieden wilde; doch hij moest zich dit getroosten; hij had dit ook elders ondervonden, en evenwel kostte het hem moeite niet driftig te worden, toen hij zijn laatsten schat, het sieraad van zijne lieve vrouw, z hoorde verachten. Had de armoede hem en de zijnen niet overvallen, dan zou hij het den deken uit de handen gerukt hebben, wijl het hem een koningsschat waard was; doch hij zweeg en wachtte geduldig; want de nood dwong hem, hij wat arm.

Toen de goudsmid eindelijk gedaan had met de steenen te meten, op te wrijven en te bezien, vroeg hij aan Wolfert wat hij hebben moest, en toonde zich zeer verbaasd over de som, welke gevraagd werd. Deze gewone wijze van handelen had Wolfert evenwel leeren kennen, en hij hield zich bij zijne vraag, die wel aanzienlijk, doch evenwel niet te hoog voor het juweel was, want de diamanten waren hoog, en liepen meest in zuivere punten ofschoon zij natuurlijk nog ongeslepen waren.

„Bij St. Wille, geef maar hier!” riep Wolfert eindelijk, verstoord over de gierigheid van den goudsmid, „en ik zal zal zien, of ik elders betere zaken kan doen.” Hij rukte het juweel vrij onzacht uit de handen van den oude, die zich vooroverboog, om het zoolang mogelijk na te oogen, en toen het verdwenen was en Wolfert zijn buis toeknoopte, lette hij wellicht voor het eerst op den man die vr hem stond. „H, h zoo haastig niet, Meester! gij hebt mijn laatste woord nog niet gehoord, laat nog eens zien. Gij vraagt te veel; wat weet gij van de waarde? gij ziet zulke stukken niet dagelijks, en ik zou wel willen vragen hoe……om het nog eens te zien,” waarna hij zacht en ongerust mompelde: „Dat ik juist nu ook alleen moet te huis zijn; doch gelukkig is het nogal druk bij de straat,” en weder achter de toonbank ging zitten.

Wolfert wilde gaarne veroopen, en besloot het nog een te beproeven; met aandacht lette hij op, en zag met vreugde, hoe de goudsmid, die bleek zag van verlangen om het juweel te bezitten, met schitterende oogen op de steenen staarde, en toen een oogenblik in gedachten zat, zoo Wolfert dacht om de juiste waarde te berekenen. Plotseling zag de hoofdman op, en hield den blik op wolfert gevestigd, die nu een beter bod verwachtte; doch de goudsmid zweeg of hield de woorden, die hm eop de tong lagen, terug, schoof een lade open, haalde er eenige gedrukte en beschrevene papieren uit, zocht er een van op, en scheen toen den inhoud van het geschrift met het juweel te vergelijken, en nauwelijks was dit geschied, of hij bood aanmerkelijk veel meer. Wolfert aarzelde; doch gaarne het meeste willende hebbe, hield hij zich groot en weigerde, eischte zijn stuk terug, en zeide toen, terwijl hij het wegstak: „Hetgeen meester Lambert Peterchen niet geven wil, dat zullen de vreemde kooplieden mij gaarne geven.”

„Hei! zeg eens,” riep de hoofdman, toen Wolfert wilde heengaan, „als het dan niet anders kan zijn, in St. Lamberts naam! ik zal het dan maar geven; ofschoon gij nergens en zooveel voor zoudt krijgen. Geef het mij hier, en ik zal er u een bewijs voor geven, en over een uur kunt gij uw geld in goud ontvangen.”

„Over een uur?” riep Wolfert, „dadelijk meester! of wij handelen niet; ik kan niet wachten.”

„Over een half uur dan; ik heb zooveel geld niet in huis, en mijne gezellen zijn even vr uwe komst heengegaan; desnoods zal ik u een gedeelte geven,” zeide hij, toen Wolfert het hoofd schudde.

„Kom, wat is dat nu, Meester!” riep Wolfert! „heb ik nu met den deken, dan rijken meester Lambert Peterchen te doen, of met een jongen gildebroer? Eerst biedt gij een jodenprijs voor een juweel, dat een vorst kan dragen, en nu de koop gesloten is, hebt gij geen geld. Bij St. Wille! als ik het maar gelooven wilde! doch een ander zal zoo schraal niet zijn, ik groet……”

„Een oogenblik,” zeide de goudsmid, „dat is te zeggen, ik heb nog wel goudgeld, dat reeds voor een ander afgeteld ligt; heb dus geduld, en ik zal u helpen.”

Dit verheugde Wolfert, en terwijl hij nu de som natelde, welke de meester hem voorlegde, hem verzekerende, dat de stukken allen wichtig waren, vroeg deze, een groot boek te voorschijn haalde: „Hoe is uw naam? want wij moeten dit opschrijven.”

„Steven Iperse,” antwoordde Wolfert dadelijk.

„En gij woont?”

„Te Leuven……schuins over het roode kruis”

„Wel bekend! En tot welk gild behoort gij?”

„Ik heb geen beroep,” antwoordde Wolfert.

„Dat dacht ik wel,” zeide de goudsmid, „ofschoon gij wel hoofdman zoudt kunnen zijn in……maar nu nog, van waar hebt gij het juweel?”

„Ik heb het gerfd.”

„Dat is gemakkelijk: en als gij vele zulke sterfgevallen onder uwe naastbestaanden hebt, dan behoeft gij ook niet veel te weken; nu dit maar onderteekend en dan is alles klaar.”

Wolfert nam een pen, zette een kruis onder hetgeen de goudsmid geschreven had, en nadat hij nog een paar nieuwsgierige vragen beantwoord had, over de plaats waar hij huis lag, en wanneer hij dacht te vertrekken, verliet Wolfert zoo spoedig mogelijk de Gouden Bagge.

908SR15.gif (1832 bytes)

De lastige vragen van meester Peterchen hadden Wolfert niet aangestaan, en in plaats van naar de herberg te gaan, zooals hij gezegd had, ging hij, nadat hij den hoek van de straat om was, zoo spoedig mogelijk naar den rivierkant, met het voornemen om de rivier over te varen, en dan te zien of hij den wagen nog kon krijgen, die voorheen over Biervliet naar Brugge had gereden, doch sedert eerstgenoemde stad, omstreeks zes jaren geleden, door den watervloed van het vasteland was afgescheiden, er niet meer doorkwam. Dit was hem echter geheel onverschillig, daar hij toch uit voorzichtigheid besloten had, slechtes een eind weegs mede te rijden.

Hij trof het, dat er juist een vaartuig van wal zou steken, toen hij aan de rivier kwam; doch, iemand, die tegelijk met hem in het vaartuig stapte, verzocht den schipper nog een oogenblik te wachten, daar er nog een paar zijner kennissen zouden komen, welke ook naar de overzijde moesten, en ten genoegen van deze getroostte men zich nog wat te wachten.

Het duurde wel wat lang; doch, gelukkig voor den schipper, kwamen de verwachten juist opdagen, toen men het toeven moede begon te worden, en men ging onder zeil. Wolfert, als bekend met al wat de scheepvaart betrof, lette op den wind en den sterken stroom, en zag reeds dadelijk, dat de overvaart lang kon duren; evenwel hoorde hij met vreugde een der mannen verzekeren, dat de wagen niet zou wegrijden, vrdat hij kwam, dewijl men hem wachtende was.

Hoe fraai de stad zich ook, van de rivier gezien vertoonde, lette Wolfert daar niet op, zijne gedachten, waren in Vlissingen, en reeds in de voorbaat streelde hij zich met de vreugde zijner vrouw en moeder over de grootheid van de som, welke door zijne schandere wijze van verkoopen had weten te krijgen. Zij, die met hem overvoeren, sloegen even weinig acht op het schoone gezichtspunt, dat zich voor hen opdeed; zij waren reeds aan gewoon, en spraken over hunne belangen of het nieuws van den dag; evenwel vestigde er n hunne opmerkzaamheid op een klein vaartuig, dat nu met spoed de stad verliet, en zeide: „Die zullen er nog eerder zijn dan wij.” – „Zij zitten ook met hun vieren aan de riemen,” merkte de schipper aan, „en wij hebben den wind tegen.”

Een oogenblik later, terwijl allen, behalve Wolfert, zich met het roeivaartuig bezig hielden, zeider er een: „Zij roeien goed, maar zijn wat lui; want zij zullen ons liever hier op stroom hunne vracht overgeven, dan recht naar het hoofd te roeien.” – „Neen, meester!” zeide de schipper, „lui juist niet; want het zou hun minder moeite gekost hebben, regelrecht door te roeien dan bij ons te komen; dat schijnt hun voornemen.”

Het duurde nog een poos, toen stond er in het kleine vaartuig iemand op, die bij het roer scheen te zitten, en men hoorde flauw over het water roepen: „Strijk de zeilen, Peer!”

„Ja wel, dat zal laat worden!” riepen er een paar, en allen lachten; doch toen de schipper aan zijn knecht beval, om aan het verzoek te voldoen, ontstond er een afkeurend gemompel; zij kozen allen partij tegen het kleine vaartuig, en riepen: „Zijt ge mal, Peer! wie is hier meester? wij willen niet wachten, Komaan, borst! Peer heeft zich versproken, hijsch het zeil maar weer op.” Doch allen zwegen verwonderd, toen de schipper zeide: „Mijne meester! Peer is baas op zijn vaartuig;  maar het recht moet zijn loop hebben: de man, die daar gesproken heeft, is de onderschout!”

„De onderschout? wat kan die ons te zeggen hebben?” vroeg men, en men zag elkander aan; want de meesten kenden elkander. Slechts een viertal overvarenden, onder welke Wolfert, waren onbekend bij het meerendeel van het gezelschap, en elks oog vestigde zich op iemand, die op de punt van het vaartuig zat, en een grooten zak van grof linnen bij zich had. Zijn uiterlijk voorkomen scheen eenige verdenking in te boezemen, te meer, daar hij bijzondere haast scheen te hebben, en op het voortvaren had aangedrongen, en toen hij zich nu beklaagde over zooveel tijdverlies, zeide hij: „Het is wel ongelukkig, dat zooveel knappe menschen moeten wachten naar een onderschout: voor n armen dief moeten tien knappe menschen lijden, en het grootste kwaad, die de dieven doen, is dat ze ons noodzaken om de heeren van het gerecht af te wachten.”

Niemand zeide een woord. Inmiddels was de schuit genaderd; de schipper nam de muts af, en hij, die de onderschout scheen te zijn, zeide: „Ik zou het je toch wel afgewonnen hebben, Peer! maar uit voorzichtigheid zie ik liever op stroom je vaartuig eens na; ik zal het spoedig afdoen, mannen! en dan kunt gij voort. Zie maar zoo guur niet, jij met den langen zak, daar op de punt; wij weten van geen tegenpruttelen.” Dit zeggende stapte hij over, gevolgd door vier zijner dienaren, terwijl de anderen, met behulp van den schipper, de vaartuigen aan elkanden bonden. Wolfert zag gerust aan, hoe de schout hen allen n voor n scherp aanzag, en toen een papier te voorschijn haalde, dat hij inzag, waarna hij, terwijl de meesten met aandacht luisterden, plotseling op hem wees en zeide: „Vat hem aan, en knevelt hem!”

Hoorden de anderen verwonderd op, Wolfert zal als van den donder getroffen. Zij, die naast hem zaten, schoven snel ter zijde, en reeds hadden twee der knechts van den schout hem aangegrepen, vrdat hij wist wat hem gebeurde; doch toen zij hem van zijne plaats rukten, herleefde het verlangen naar eigen behoud, en hij riep: „Gij hebt den verkeerde voor, menschen! ik ben geen dief of diefsgelijke.”

„Grijpt hem!” beval de schout; maar dit geschiedde zoo gemakkelijk niet. Wolfert had zich losgeworsteld, het besef van zijne onschuld gaf hem reuzenkrachten; doch er was geene uitkomst dan de rivier, en dr wachtte hem de dood; evenwel liet hij zich niet binden, ofschoon hij eindelijk onder den voet lag, vrdat de knechts van den schout hem hunne messen op de borst zetten. Zijn reisgenooten waren stomme aanschouwer geweest van dit tooneel, en zagen den goeden jongen man, die er niet als een dief uitzag, met deernis uit hun vaartuig sleepen.

De schout vroeg daarna aan de schipper, of Wolfert ook nog goederen bij zich had, en of hij de andere menschen allen kende, waarna hij slechts hunne namen en woonplaatsen opteekende; toen verliet hij het vaartuig. Het scheen alsof hij eerst nog moest onderzoeken of Wolfert wel goed was gekneveld; want het duurde nog een oogenblik, vrdat hij bevel gaf om de touwen los te maken: toen wenschte hij Peer goede reis, en roeide met den gevangene stadwaarts.

908SR15.gif (1832 bytes)

Het was een maand geleden, sedert Wolfert vertrokken was, en og was hij niet terug; de pisel, die op den morgen, toen hij afscheid nam, nog in het huisvertrek stond, was er nu niet meer: zij was verkocht; men had haar ook niet meer noodig om de kleederen te bergen, welke nog gespaard werden voor grooter nood. Uit medelijden met de vrouwen, en op voorspraak van den monnik, hadden eenige mededoogende menschen, rekenende op de waarde van het huis, haar geborgd; en daaraan alleen hadden zij te danken, dat zij nog niet van kommer en gebrek waren omgekomen.

Moeder en dochter zaten treurig bijeen, en spraken, zooals altijd, over den man, over den zoon, die verdwenen was; het kind, dat niet wist, dat het zijn vader verloren had, sliep gerust in de houten wieg, welke Wolfert zelf had vervaardigd. Zooals altijd, was het ook nu, toen broeder Peter binnen trad: „Hebt gij ook iets gehoord?” Maar ook dezen keer ging de monnik zitten zonder te antwoorden en haalde zijne schouders op. Geen moeite had hij gespaard, om den vermiste terug te vinden; doch alle navraag was vergeefsch geweest! In de stad wijfelde men niet, of hij was door de zeewijven vermeesterd en weggevoerd, en hoe meer men den goeden Koggeman beklaagde, en sommigen zich verwteen hem in den laatsten tijd hunne gunst ontnomen te hebben, hoe meer men op Childa gebeten was; doch zij ging niet uit, en werd dus niets gewaar van dit onrechtvaardig oordeel der wereld. Peter had zelfs verlof weten te krijgen, om het klooster voor eenige dagen te verlaten en hij was, hier en daar in geestelijke huizen en bij goede menschen overnachtende, naar Holland geweest; het nige dat hij vernomen had, was, dat Wolfert in Rotterdam en Dordrecht geweest was om te verkoopen.

„Dus weder geene goede tijding,” zuchtte Childa, „zoo is het elken dag broeder! en Wolfert komt maar niet weerom; ach! waarom dwong ik hem om dat juweel te verkoopen? hij ware anders nog hier?”

„Zijne oude moeder zal hem niet weerzien,” zeide Machteld, „ik ben er altijd bang voor geweest; zijne braafheid alleen doet mij nog hopen: de Heilige Moeder Gods zal mijne gebeden verhooren en hem terugvoeren.”

„Waarvoor zijt gij zoo bang geweest, moeder?” vroeg Childa; zij begreep niet, dat Machteld het ongeluk aan het juweel toeschreef; want de oude vrouw liet zich voor het eerst ontvallen; ook speet het haar het gezegd te hebben, daarom antwoordde zij: „Voor de zee, Childa!” en toen knikte deze met het hoofd: ook zij had zoo menig angstig oogenblik doorgebracht, als haar man op het water was.

„Bij St. Peter, mijn patroon! ik geef den moed nog niet op, vrouwen! onze Wolfert is niet gelijk aan de raaf, die uit de ark vloog en niet wederkeerde; hij zal niet brassen met het geld: neen, de Heer zal hem evenals de duif zijn weg doen wedervinden naar de plaats, vanwaar hij is uitgegaan.”

„De hemel geve het!” zeide Childa, haar vochtig oog vol vertrouwen omhoog slaande, en Peter vervolgde: „Voor het overige moeten wij berusten: gij zijt de nige niet, die treurt om iemand, die nog niet is wedergekeerd; zelfs groote heeren is zoo iets overkomen! daar is immer de onderhofmeester van den ruwaard: die is reeds sedert ruim drie jaren verdwenen, zonder dat men weet, waar hij gebleven is, en natuurlijk heeft men geene moeite gespaard om hem weder te vinden.”

Doch de vrouwen luisterden niet naar hem; hetgeen hij verhaalde was ook niet geschikt om haar te troosten, en Machteld vroeg eenige oogenblikken later, om de gedachten van hare dochter op iets anders te vestigen, hoe het met de Gentenaars stond.

„Ja, hoe zou het staan, Machteld! zoo al bij het oude. Maar daar schiet mij te binnen, dat ik nog iets nieuws weet: onze portier heeft het uit den mond van den knecht van den schout, dus moet het wel waar zijn. De moordenaar der dochter van den graaf van Vlaanderen zal eerstdaags te Rijssel ter dood gebracht worden,……”

Hier zweeg de monnik verschrikt; want Childa, die haar kind terechtlegde, snikte luid, en riep wanhopig: „Arme Machteld! zult gij uw vader nog weerzien? O! gebenedijde Maagd Maria, ontferm u onzer, als hij eens vermoord ware!”

„Kind! kind! ween zoo niet,” bad Machteld, „gij weet wel, dat ik dan ook zoo droevig word, en ik, oude vrouw, heb reeds zooveel leed moeten dragen.”

„Wolfert, Wolfert!” riep Childa luid; zij scheen het verzoek van Machteld niet gehoord te hebben, en broeder Peter zeide: „Gij moet u zoo bedroefd niet maken; uw kind behoeft immer uwe hulp nog zoozeer, ofschoon het niet meer zuigt; als gij eens ziek werdt, wat zou uwe moeder dan aanvangen?”

Wellicht besefte de ongelukkige vrouw de gegrondheid zijner redenen, doch hare droefheid was te sterk om ze te bedwingen; ten minste ze verliet, luid snikkende, de kamer, en Machteld, die hare oogen afdroogde, zeide: „Z bedroefd heb ik haar in lang niet gezien; ach! als mijn Wolfert vermoord is, zal ik het zeker niet beleven dat de vogelen des hemels het uitbrengen. Childa verliest ook veel; want Wolfert had haar zoo lief; maar waarom hem dan dat ongelukkige stuk ook opgedrongen? Mijn arme zoon had wel een voorgevoel van hetgeen er gebeuren zou; zeker moet hij het toen nog niet ingezien hebben. Helaas Peter! die ongelukkige talisman heeft het gedaan; ik heb het wel gezegd, toen Wolfert met die vrouw hier kwam, dat het niet goed was; later ben ik te zwak geweest en heb toegegeven, en dat kost mij mijn kind; evenwel heb ik Childa lief en kan haar niet hard vallen; zeg, broeder; het zal immers geen zonde zijn, dat ik vriendelijk tegen haar ben, al is zij een Zeewijf of soortgelijk wezen?”

„Neen, Machteld! ik geloof het niet; want zij is immers gedoopt, zij vast en biecht. Neen! ik kan ook niet denken, dat zij geen mensch zou zijn, en evenwel begin ik er somtijds bang voor te worden; dan zouden de menschen toch gelijk hebben. Nu, vrouw! ik wensch u het beste, en ga nu heen; morgen is het St. Anthonius; dan kom ik zeker niet, doch overmorgen wel. God zij met u!” Dit zeggende verliet Peter haar, en Machteld begon, terwijl zij  het kind wiegde, een eentoning lied te zingen.

908SR15.gif (1832 bytes)

„Het is hun niet aan het verstand te brengen, Machteld!” zeide Peter, opstaande, „zij lachen altijd als ik er naar vraag; overal waar ik nog geweest ben, is het: „Denkt gij dan, broeder! dat het Zeewijf zoo onnoozel zal wezen, om een schipper nog wat te laten verdienen? Dat volkje weet van geen schuiten!” ”

„Wij moeten het dus wel gelooven,” zuchtte Machteld.

„St. Petrus zij mij genadig! ja, vrouw! Wie had dat gedacht? zij was zoo vroom. – Maar weet gij, wat Tijl de Kuyper gisteren aan de haven zeide? „Let op, mannen! wat ik je gezegd heb: op een goeden dag nemen de zeewijven en zeemannen de reis aan naar het eiland, en halen het kind ook weg.” ”

„De Heere God beware mij, arme vrouw!” riep Machteld, „ook nog dit arme schaap verliezen?”

„Ik hoop, dat het niet gebeuren moge; evenwel……Maar ik ga heen en zal eens bij den bakker aanloopen; dat zal wel goed afloopen, moeder! ik zal hem eens herinneren, dat Nanning zaliger zijn vader, op mijn verzoek, geld heeft voorgeschoten om te beginnen; straks krijgt gij zeker braad!”

„God geve het, beste Peter!” zeide Machteld, en de monnik ging heen.

Het kind werd wakker door het dichtdoen der deur, en lachte de oude vrouw toe, op wier ingevallen en treurig gelaat zich nu ook een glimlach vertoonde; doch toen begon het kind te schreien, en Machteld stiet de wieg aan, terwijl zij voorovergebogen halfluid bad, en de koralen van haar rozenkrans verschoof. Zij zag even op en luisterde, doch bad toen weder voort; de zon scheen op het eerwaardig gelaat van de vrome, maar rampzalige vrouw, die zich met het slapende kind alleen in het oude huis bevond.

Wederom scheen zij te luisteren; toen hief zij langzaam het hoofd op .„Jezus, Maria!” riep zij, hevig verschrikt ,en liet den rozenkrans vallen. Met angstige en vervaarde blikken staarde zij naar de deur, want Wolfert stond dr; maar het was haar zoon niet, zooals hij was heen gegaan, het was zijn geest. Hij was dan wel vermoord; zijne ziel kon niet rusten; hij kwam zijne moeder gelasten, om voor hem te laten bidden; hij was gekleed als bij zijn leven, doch zijn gelaat was gelijk dat van een lijk; en even wel waren de oogen open, zij zagen haar droevig aan, alsof hijwilde spreken, maar niet kon.

„Alle goede geesten loven den Heer!” zeide Machteld eindelijk; en toen zij eindelijk meende verzekerd te wezen, dat het geene oogverblinding van den satan was, verminderde hare vrees. Zij was niet bang voor den geest, van Wolfert, en terwijl hare tranen, die zij reeds lang opgedroogd waande, weder te voorschijn kwamen, vroeg zij: „Wat begeert gij van mij?”

Toen stak Wolfert, of zijn geest, de handen naar haar uit, en de oude vrouw (haar moederlijk hart vreesde niet meer) stond op en naderde langzaam, terwijl zij zeide: „Men heeft u dus vermoord, arm kind? Wolfert, Wolfert! ik ben niet bang voor u,spreek als gij kunt .Gebenedijde Moeder Maria! laat mij nog ns zijne stem hooren, voordat ik mij in den Heere nederleg.”

„Moeder!” zeide Wolfert zacht, terwijl hij ineenzonk, zoodat Machteld de handen naar hem uitstrekte; want zij dacht dat hij in den grond zou verdwijnen; doch hij viel op den grond neder en zeide steunende: „Ik ben niet dood, moederlief! wees niet bang, ik ben wel uw zoon Wolfert.”

O! die woorden deden haar zoo goed! Zij knielde naast hem neder, kuste hem hartelijk, en vroeg: „Van waar komt gij? zijt gij ziek geweest? wat heeft men u gedaan? antwoord toch.”

„Moeder!” zeide Wolfert, die het vertrek rond zag, „ik zie Childa niet; roep haar, o! zij moet ook weten, dat ik terug ben.”

„Childa?”zeide Machteld angstig, „nu, zie mij maar niet zoo aan! zoo meteen zal ik……zij is uit……”

„Uit?” vroeg Wolfert, „is zij ziek? o! zeg mij de waarheid en help mij op, dan zal ik……”

„En uw kind, Wolfert!” riep Machteld, haar angst verbergende, „moet gij dat niet zien? wacht eens.” Zij haastte zich het te halen en legde het in Wolfert’s arm; doch hij was te zwak, en de grootmoeder hield het vast. „Lieve Machteld!” zeide hij verheugd, „ik dacht niet, dat ik u nog zou wederzien; nu hebt gij uw vader weder; zie, ik geloof dat zij mij herkent; zij weet dat ik haar kus. Maar roep mijne vrouw nu, moeder! o! ik verlang zoo om haar te zien.”

„Ik heb God gedankt, toen hij mij het leven liet na uws vaders dood, en evenwel keeren de dooden nimmer weer. Wees gelaten en denk om uw arme moede en uw kind – Childa……”

„Waar is Childa?” riep Wolfert hevig.

„Zij is in den nacht vr St. Antoniedag verdwenen.”

„Childa! mijn vrouw, verdwenen!” riep Wolfert jammerend. „O God! dat is te veel, dat leed kan ik niet dragen!” en hij viel bewusteloos neder.

Eenige oogenblikken later lag Wolfert te bed, en hij zeide, bijna onverstaanbaar, tot zijne moeder, die hem ondervroeg: „Een verschikkelijke eed, dien ik gezworen heb, bindt  mij de tong: wat zoudt gij er ook aan weten? Ik heb veel, o! uw Wolfert heeft zooveel geleden; maar St. Wille hield mijn mond gesloten. Men heeft mij hier aan het eiland uitgezet; toen ben ik met een stok tot hiertoe voortgekropen, en nu is mijne vrouw weg. Childa! Childa!”

„Vertrouwt gij dan niet meer op den goeden heilige? denk eens, kind! dat ik veertien dagen alleen geweest ben, en evenwel morde ik niet; uwe moeder zal u niet verlaten, en gij moet leven voor uw kind.”

908SR15.gif (1832 bytes)

Gedurende twee maanden had Wolfert sedert zijne terugkomst het ziekbed niet kunnen verlaten; de heelmeester, wiens hulp door Machteld was ingeroepen, betuigde zijn verbazing over den toestand, waarin hij den ongelukkigen jongen man vond; hij kon er zich geene reden van geven, en tevergeefsch verlangde hij eenige inlichtingen van Wolfert. Deze antwoordde steeds: „Ik kan het u niet zeggen, meester!” en hij beschouwde het als een wonderwerk, dat de zieke na twee maanden het bed verlaten kon. Hadden de gebeden van de oude moeder en den goeden monnik veel geholpen, zeker was het, dat de liefde welke Wolfert zijen moeder en zijn kind toedroeg, geen minder krachtig geneesmiddel geweest was; te bed liggende, kon hij niet voor hen zorgen: hij moest leven en gezond zijn. Ware de oude Machteld, ware het pand der liefde zijner vrouw er niet geweest, nooit zou hij het verlies van zijne geliefde Childa overleefd hebben.

Slechts jet besef, der verplichting, welke op hem rustte, gaf hem krachten om het leed te dragen, dat hij gevoelde, toen hij dadelijk na zijne herstelling zijn vaartuig verkoopen moest, om dringende schulden te voldoen, en het noodigste tot dagelijksch onderhoud te koopen. Vroeger zou hij, zoo hij dacht, deze ramp niet overleefd hebben; na het verlies van zijne vrouw kon het gemis van de nette boot hem zoo sterk niet treffen; evenwel was het een onherstelbare ramp; want vanwaar zou het geld komen om een nieuw vaartuig te koopen? en zonder vaartuig kon hij niet meer verdienen, kon hij geen schipper zijn.

In deze treurige omstandigheden zag Wolfert zich genoodzaakt zijn dienst dezen en genen aan te bieden, en hij rekende zich gelukkig, dat Allard in de gelegenheid was om hem in dienst te nemen; de zoon van den rijken Nannig Koggeman was nu schippersknecht! Hadden zijne krachten hem nog slechts vergund, om het werk, dat hem opgedragen werd, met eenig gemak te verrichten, dan zou hij zich nog gelukkig gevoeld hebben; doch helaas! dit geluk viel hem niet ten deel: zijne gezondheid was niet bestand tegen het herfstweder en den invloed van het water; de koorts koos hem tot een harer slachtoffers. Dagen gingen er om, dat hij zijn huis niet verliet, of, zoo hij zich nog naar de haven sleepte, evenwel te zwak was om iets te doen. Dat zat hij veeltijds hier of daar te beven van de koude, te treuren over zijne machteloosheid, terwijl de schippers en hunne knechts zich om het zeerst beijverde, wie het werk voor Wolfert doen zou, tot Allard hem eindelijk als het ware naar huis joeg.

Allard noch een der maats beklaagden zich over de weinige hulp die zij van hem hadden, en wekelijks ontving hij zijn geld, alsof hij even hard als de anderene gewerkt had. In het eerste getroostte Wolfert zich dit; hij hoopte nog altijd dat zijne krachten zouden terugkeeren; doch toen de hoop hem begaf, had hij den moed niet langer, om het geld aan te nemen, dat hij niet verdiend had. Op zekeren dag, toen hij weder het loon ontving voor een week, gedurende hij geen hand had uitgestoken tot het verrichten van het minste werk, streek  hij het geld met tranen in de oogen op en nam zijn afscheid: de welsprekendheid van Allard was evenmin in staat om Wolfert van gedachten te doen veranderen, als de raadgeving van Dirk en andere schippers. Wolfert bedankte hen voor hunne goede bedoelingen, en voor de wijze waarop zij met hem gehandeld hadden, maar liet zich niet overhalen, en Allard zeide, toen Wolfert vertrokken was: „Indien iemand mij voor een paar maanden gezeged had, mannen! dat Lard zou huilen als een kind, omdat zijn knecht hem zijn dienst opzegt, dan zou ik er om gelachen hebben; maar, bij St. Albert! hij zou toch gelijk gehad hebben; doch die knecht is ook de zoon van den ouden Nanning!”

908SR15.gif (1832 bytes)

„Het is heden koud, moeder!” zeide Wolfert, die bij den haard zat, op welken een smeulend turf lag. „Februari schijnt zich nog kouder in te stellen dan Januari.”

„Wij zullen hier niet lang meer lijden van de koude, kind!” antwoordde Machteld bedrukt.

„Als Childa nog een terugkwam, gelijk ik dagelijks den Heer bid, dan zou zij voor een vreemd huis komen.”

„Als zij nog eens terugkwam; maar zoo dat gebeurt, dan mag ik hopen, dat zij het juweel niet meer terugbrengt; wat dat berokkent ongeluk.”

„Dat heb ik immers verkocht, moeder! O! had ik al dat geld kunnen te huis brengen, dan konden wij nog rijkelijk leven; maar het weinige, dat men mij teruggeven heeft, heeft niet lang gestrekt. Mijn arm vaartuig, dat ik heb moeten verkoopen! Had ik kunnen denken dat ik nog eens zoo ongelukkig zou worden, dat ik mijne moeder geen brood zou kunnen verschaffen!”

„Wees niet bedroefd, kind! hebt gij niet alles gedaan? Eerst waart gij twee maanden ziek, en ik dacht u te verliezen, en toen dat gevaar over was, bleeft gij nog zwak; zeide de meester niet, dat het was, alsof uwe leden uit elkander waren gerekt? Wat u gebeurd is, moet wel vreeselijk wezen, dat men u heeft gedwongen dien eed van geheimhouding te doen; maar waarom deedt gij hem ook?”

„Anders had ik niet kunnen terugkomen, moeder! Kon ik nog maar werken; maar ik kan niet, en voor niet geld te trekken, dat kon zoo niet langer. Bij St. Wille! de zoon van Nanning Koggeman kan schippersknecht worden, maar kan niet leven ten koste van de maats; ik moest hen wel bedanken. – En evenwel, moeder! wij leven allen van goede menschen, en als de Hemel ons niet een vriend gegeven had als broeder Peter, dan waren wij reeds dood.”

„Hij zorgt voor ons als de raven voor den heiligen man: zelden komt hij hier, of hij brengt iets mede, en tracht ons zelfs op te beuren door wat te vertellen; wat had hij dezen morgen ook weer voor nieuws? ik was zoo suf, dat ik er niets van gehoord heb.”

„Dat de Vlaamsche graaf door den Hertog van Berry vermoord is; doch wat helpt dit ons? Wij zullen toch niet van hem erven,” antwoordde Wolfert, droevig het hoofd schuddende; toen vroeg hij; „Maar Peter heeft immers beloofd, om met Hein Brouwer meder te komen?”

„Ja, Wolfert! en hedennacht slaap ik zeker inder een ander mans dak; helaas! had ik dit ooit kunnen denken! Het is alsof die man van Middelburg mijn vijand is, en dat is hij toch niet! evenwel wil hij ons uit ons huis verjagen; morgen hebben wij geen huis meer, kind!”

„Maar brood en vuur, moeder! en wij kunnen de kleine Machteld het noodige geven,” zeide Wolfert; doch zijne moeder antwoordde hem niet, maar bewaarde een somber stilzwijgen, en ook Wolfert zeide niets meer. Hij wist was de oude vrouw gevoelde, en in droevige gedachtien verdiept, verwarmde hij zijne handen boven de rookende turf. Zijne vrouw was al langer dan een hafjaar weg, en echter had hij nog nooit getwijfeld aan hare trouw; dagelijks werd de hoop, om haar te zien terugkeeren, minder sterk bij hem, en het nige dat hem nu en dan troostte, was het gebrek, dat hem kwelde. Het zou hem zoo leed gedaan hebben zijn vrouw te zien verkleumen van de koude, te zien smachten naar een goed maal! hij zag nu allen zijne moeder lijden, en dt was al te veel.

908SR15.gif (1832 bytes)

„Het is mijn laatste woord,” zeide de brouwer van Middelburg, die een dikbuikig en niet zeer vriendelijk man was, „en ik betaal desnoods dadelijk; en dan is het: vandaag geld, morgen er uit.”

„Het verschil maakt voor u niet veel uit, Meester Hein!” zeide Peter; „wat zijn honderd vierlingen voor u? het huis is groot……”

„En ingevallen!” viel de andere hem in de rede; „er is niets aan dat kan blijven staan, het is een puinhoop, en het houtwerk is door het inwateren bedorven. Ik heb nog te veel geboden!”

Machteld, die het kind op haar schoot had, zuchtte, toen zij haar dierbaren schat zoo hoorde verachten, en zij zweeg en schudde met het hoofd, toen Wolfert haar toefluisterde: „Wil ik vijf en twintig afkomen?”

„De kleine Machteld zal dus de warme rokjes niet hebben, welke gij haar had toegedacht, moeder?” zeide Wolfert; zonder oogmerk om de oude vrouw te bedroeven, gebruikte hij hare liefde voor het kind als een hefboom, om hare gehechtheid aan het huis te overwinnen.

„Ach, Wolfert!” jammerde Machteld, alsof zij smart gevoelde; „doch ga uw gang, kind! maar gij moet het doen; ik kan het hem niet zeggen.”

Wolfert drukte zijne moeder de hand, en zeide: „Welnu dan, Meester! vijf en zeventig, maar minder ook niet.”

„Neen!” riep de brouwer, en Machteld’s gelaat verried hare vreugd over hetgeen haar zoon bedroefde, „en om aan dat loven en bieden een einde te maken, wil ik nog eens zegge, dat ik geen halven vierling meer denk te geven dan ik gezegd heb. Mijn knecht kan mij alle oogenblikken komen zeggen, dat de karreman mij wacht, en dan moet ik voort, tenzij de koop doorga; want dan blijf ik dezen nacht hier.”

Broeder Peter wendde zijne welsprekendheid aan, om hem tot andere gedachten te brengen; doch meester Hein riep: „Alles wl goed, broeder! maar ik moet ook om mij zelven denken; ik heb ook kinderen; ik hoop ze meer na te laten dan een ingevallen huis; dan behoeven zij niet als knechts te dienen, totdat zij weggejaagd worden; nu weigert men mij een goed bod en naderhand zal met het zich beklagen.”

„Hebt gij gedaan, Meester?” vroeg Wolfert met verontwaardiging: „indien gij uwe kinderen een even goeden naam nalaat, als mijn vader mij, dan mogen zij zich gelukkig rekenen. Ik ben nooit weggejaagd: ik heb als knecht gediend, het is waar; ik heb geindigd waar gij begonnen zijt; doch spreek hier niet meer over, of ik zal u bewijzen, dat ik in het huis van mijn vader zijne nagedachtenis niet willen hooren lasteren.”

„Arm en trotsch!” mompelde de brouwer, die niets verder wilde zeggen, omdat hij gaarne het huis wilde koopen. Na een oogenblik stilte zag Wolfert Machteld aan; doch zij deed als begreep zij niet, wat hij bedoelde; bij elke nieuwe vermindering der som, was zij bang, dat de verkoop zou doorgaan.

„Vrouw!” zeide Peter zacht tot haar, „heden morgen waart gij geheel besloten, om uw huis te verkoopen, en nu……? Weet gij wel dat gij te veel gehecht zijt aan het aardsche goed? zijn die steenen u dan meer waard dan het welzijn van uwe kinderen en dat van u zelve? de brave Nanning gaf alles om zijne schulden te voldoen: moet gij dan ook uw huis niet geven? wat gij hebt veel geborgd.”

„In Gods naam dan!” zeide Machteld half wanhopig, „zeg dan vijftig!”

„Neen, broeder!” zeide de brouwer lachende, toen deze hem de verminderde som gezegd had, „ik ben een man van mijn woord; mijn knecht komt dadelijk, en zoodra hij er is, wil ik van niets meer weten; het verveelt mij, en er is genoeg bij goede lieden op het huis geborgd; er kan nog wel wat bij; de Koggemans zijn ook menschen, die in een eigendom moeten wonen, al valt het in, en al zijn ze bedelaars!”

„Bij St. Wille, Meester!”riep wolfert opstaande, en niettegenstaande zijne zwakte trad hij naar den grooten en stevigen brouwer toe, die nu ook opstond en achter den monnik ging staan; want de oogen van Wolfert blikten hem dreigend aan.

Vijf en twintig dan, Meester! – Kind! ga toch zitten, ter wille van alle heiligen en uwe oude moeder, vrees bedaard! riep Machteld. De angst voor haar zoon deed haar opnieuw de som verminderen; haar moederlijk gevoel zeide haar, dat dit het beste middel was, om den twist te doen bedaren.

Wolfert bleef staan, leunende tegen de tafel en wierp een dankbaren blik op zijne moeder; doch de brouwer riep weder: „Neen! geen vijf en twintig, geen tien, geen vijf, geen halve! – Ha! daar hoor ik mijn knecht; zoodra hij hier komt, wil ik er niet meer van weten.”

„Ook dt niet!” zeide Wolfert verslagen; „wilt gij ook die vijf en twintig niet geven?” en hij zag angstig naar de deur die reeds geopend werd. „Moeder, moeder! wat zullen wij doen?”

„Tien, kind!” hernam Machteld, de handen wringende.

„Zeg tien, Meester! en dan is het huis het uwe,” zeide Wolfert somber, maar de brouwer schudde lanchend het hoofd. doch de tergende woorden, die de brouwer den armen Wolfert wilde toevoegen, kwamen niet over zijne spottende lippen; want door de deur, die niet geheel geopend werd, trad niet de knecht, maar een vrouw, die in een bruine falie van saai gehuld was, met drift het vertrek binnen, en riep luid: „Ik zeg tien!”

Was het vermoeidheid en overspanning, of was het door een misstap, dit zag meester Hein niet, maar wel, dat de vrouw waggelde en toen op hare knien zonk; terwijl de monnik en Machteld een gil van verbazing gaven, en Wolfert, zich naast de onbekende nederwerpende, uitriep: „Zijt gij het, Childa?”

„Wie is die Childa?” vroeg de Middelburger gramstorig;  zijne stem brak de stilte af, die er heerscht, en stoorde dat tooneel vol uitdrukking. Wolfert lag geknield naast zijne vrouw, wier hoofd dat ontdekt was, op zijne knie en arm rustte; hij hield hare hand in de zijne geklemd, en zag haar vragend aan; zij lachte hem tegen, doch kon niet spreken. Machteld, die het kind op den arm hield, stond naast hem; het geluk was op haar gelaat te lezen. Broeder Peter vouwde de handen en prevelde eene dankzegging,

„ Wie is die Childa?” herhaalde de brouwer luid, een onvergenoegden blik om zich werpende.

„Amen – zijne vrouw, Moeder!” zeide de monnik, die eindelijk gelegenheid vond hem te antwoorden.

„O! is het anders niet; ha, ha! die zal niet koopen. zoo waar als mijn patroon mij bij mag staan, daar hoor ik nu toch mij knecht, en dus nog ns: wilt gij mij het huis laten voor mijn bod? ja of neen!”

Wolfert zag op; de terugkomst zijner vrouw zou de behoefte aan geld nog vergrooten. „Moeder! vergeef het mij, maar wat zullen wij doen? De goede God heeft ons weer te zamen gebracht, laat ons in Zijn wil berusten en vertrouwen; onze liefde zal het u vergoeden, dat……”

„Het zij zoo, kind!” snikte Machteld; „maar zeg gij het; ik kan niet spreken met dien man, ik kan mijn eigen geluk niet verkoopen.”

„Meester!” zeide Wolfert plechtig, terwijl het hem moeite kostte zijn blik van zijne vrouw af te wenden. „Gij wilt dan niets meer geven?”

„De heiligen vergeven het u!” zeide Peter, toen de Middelburger het hoofd schudde.

„De wil des hemels geschiede dan,” zeide Wolfert somber, „gij kunt ons dwingen, en dat weet gij, het huis…….”

„Behoort mij! ik heb het gekocht!” riep Childa angstig dat Wolfert het huis aan den brouwer zou toestaan; zij had niet geluisterd en weinig vernomen van de woordenwisseling, Was het een wonder? zij zag naar haar kind.

„Childa-lief, het helpt niet!” zeide Wolfert treurig, „wij moeten het hem wel geven;” en Machteld, die zich vooroverboog en haar kuste, fluisterde, terwijl zij der moeder het kind in den arm legde, naar hetwelk deze de handen uitstak: „Dochterlief! ik dank u; gij kunt het voor mij niet bewaren; maar uw wil is goed.”

„Zijn de schubben van haar staart veranderd in goede  gouden schilden?” vroeg de brouwer spottend; „sedert wanneer bemoeien zich de zeewijven met het koopen van huizen, en luisteren de gekken er naar – Ha! daar is mijn knecht; wien begeert gij nu als kooper; Hein de Brouwer, die dadelijk geld geeft, of het zeemonster ,dat het ongeluk hier in huis gebracht heeft?”

„Gebenedijde Maagd! ik een zeemonster?” riep Childa de handen vouwende; doch Wolfert richtte zich op, en zeide toornig: „Bij St. Wille, Meester! indien gij nu niet op staanden voet vertrekt, dan…… zeg geen woord meer! of de zoon van Koggeman zal u de hersenen inslaan, vertrek!”

„Matig uwe drift, Wolfert!” zeide Peter, tusschenbeiden tredende; „en gij Meester! gij hebt uw tijd laten voorbijgaan: de gierigheid bedriegt de wijsheid! De heiligen straffen u reeds, dat gij zoo onverbiddelijk geweest zijt; ik hoop dat zij het u vergeven zullen!”

Hein de Brouwer mompelde en dreigde onvergenoegd, terwijl hij met zijn knecht heenging: doch niemand luisterde meer naar hem, en Childa, die door Machteld en Wolfert geholpen, zitten ging, zeide: „Neen, moeder! het is geen spel, ik heb niet alleen den wil, maar ook de macht; gij zult hier blijven tot uw dood. Zie slechts, dit geef ik u op hand, naderhand krijgt gij meer!” en zij legde een zak op tafel. De Middelburger hoorde, juist toen hij het huis uitging, den klank van het goud, dat het Zeewijf had medegebracht.

De monnik zag de vreugde en het geluk der moeder, toen zij haar kind ongestoord aan haar harte drukte; de opgetogenheid van Wolfert en van zijne moeder, en het geluk zijner vrienden troffen hem; hij zag met vreugde, hoe het geld, dat evenwel zoo welkom was, daar lagn zonder dat iemand er naar omzag. Dit tooneel was voor hem een bewijs, dat er voor brave menschen nog een geluk bestaat, dat grooter en zaliger is dan het bezit van schatten; een geluk, dat den arme verwarmt onder zijne lompen, en zijne bleeke wangen zich doet plooien tot een lach. En hij bad in stilte en dankte God; zijne gebeden waren verhoord, zijne vrienden waren gelukkig!

Eenige oogenblikken later zag Machteld naar den huisvriend om; want daar zij hem niet hoorde, vermoedde zij half, dat hij was heengegaan, ofschoon dit haar verwonderdde en leed deed; doch tot hare vreugde bemerkte zij, dat hij nog gebleven was. Zij vestigde de aandacht van hare kinderen op den biddende monnik, en het voorbeeld der oude, brave Machteld volgende, knielden ook Wolfert en Childa neder.

908SR15.gif (1832 bytes)

„Ja, Tijl! het is ook waar, het is nu twee jaren geleden, dat zij zijn beginnen te bouwen,” zeide Allard, die netjes gekleed naar de haven stapte.

„Wat gaat de tijd om, vader maar wat ik zeggen wil, het huis van het Zeewijf, want zoo noem ik het altijd, ziet er waarlijk uit als het hof van een vorst; wij beleven mirakeleuze tijden, Lard! Wolfert zal spoedig een even groot koopman zijn als Nannig zaliger, en nu zijn die vreemde metselaars en als dat volkje vertrokken.”

„Ja, Dirk brengt ze weg; het zal den meester ook wat gekost hebben.”

„O! die heeft geld genoeg; maar Dirk had die reis wel bespaard kunnen worden; die werklieden hadden den weg zelve wel kunnen vinden; maar ik weet, dat men het doet om geen opspraak te geven; zij gaan nu heen, alsof zij gewone menschen waren.”

„En wat waren het dan, Tijl?”

„Nu, nu! houd u maar zoo dom niet. Bij  St. Lieven! gij weet wel wat ik zeggen wil: op een goeden dag stappen zij buiten boord en zwemmen weg, en als Dirk terugkomt, dan vertelt hij, dat hij ze hier of daar aan land gezet heeft. Maar weet ge wel, dat die het goed heeft?”

„Zeker, Tijl! en, bij St. Albert! ik kon het ook zoo hebben, maar ik ben te oud, anders  zou Koggeman mij ook wel een schip geven; ik klaag er niet over, man! want ik heb het goed, het is een beste meester; en wat wij voor hem gedaan hebben, dat vergeldt hij meer dan duizendmaal.”

„Gij hebt nu ook een gemakkelijken dag; zijn vaartuig schoon te houden is toch niet moeilijk. Vader, vader! reken eens aan, dat hij zelf knecht was, en nu vaart hij alleen uit vermaak met die fraaie boot. Maar zeg eens, waar zijt gij gisteren met Wolfert heen geweest?”

„Naar de overzijde.”

„Ja wel, dat zal ik gelooven; nu, nu! ik zie wel, dat Lard ook zwijgen kan; schud maar niet met het hoofd, vader! ik weet wel beter; wil ik het eens zeggen? Gij zijt gisteren met Wolfert naar de zee geweest, om het oude Zeewijf te halen; lieg niet, bij St. Lieven! ik heb haar immers gezien, toen zij juist met Wolfert in huis ging: wat was zij deftig! maar zij laat ook niet zien, hoe zij er uitziet.”

„Het is de moeder van Koggeman’s vrouw, Tijl! meer weet ik niet, en hetgeen ik gezegd heb, is waar; zij is te Biervliet in de boot gekomen; de meester heeft haar afgehaald; vanwaar weet ik niet.”

„Dus zeggen zij u ook niet alles, Lard! maar ik zal er eens naar naar onderzoeken. Weet gij wel, dat Losse Piet voornemens is om te gaan varen? Hij wil naar zee, om ook een Zeewijf te vangen; de jongens worden dol; en als het zoo voortgaat, dan blijf ik met mijne dochters zitten, en de stad wordt te klein voor al die mooie huizen. Ik hegb dezen morgen nog voor niets een kouden neus gehaald en mijn werk verzuimd; ik ging eens zien, of het oude Zeewijf ook met hare dochter op het nieuwe torentje zou klimmen; maar ja wel, ik wachtte drie uren lang, zij bleven weg, en zelfs de jonge kwam vandaag niet eens buiten.”

„Tijl! wat zijt gij nieuwsgierig! dat heb ik nooit gezein.”

„Bij St. Lieven! elk zijn vermaak, vader! waarvoor leven wij, dan om te zien en te hooren? Maar zeg eens, gij waart er ook bij: weet gij nog, hoeveel de schout beloofde aan dengene, die de dochter van Lodewijk van Male zou terugbrengen? ik heb een weddingschap met…… maar als gij het niet weet, dan zal ik het aan broer Peter vragen.”

„Ik weet van die geheele zaak niets,” zeide Allard.

„Niets, man?” riep Tijl verwonderd; „wel hemel, vader! gij begint oud te worden; heugt het u niet, dat wij samen met Peter op de markt stonden, toen de schout aflas, dat degene, die de maagd in zijn huis had, of wist waar zij was, en het niet aangaf, zou gestraft worden met den dood?”

„Neen, Tijl!” zeide Allard, „maar als gij wilt, vertel dan nog wat meer; misschien valt het mij dan wel bij.”

„Hoor, vader! Men wist dat de graaf Van Vlaanderen veel natuurlijke kinderen had; doch plotseling kwam het uit, dat de dochter van een voorname Engelsche vrouw, die in Brugge woonde, ook een kind van den graaf was. Hij hield veel van de moeder en van de dochter; evenwel niet zveel, of hij dwong de laatste, om hare hand te beloven aan een voornaam edelman van de hertog van Berry. Zoo omstreeks Pinkster zal het vijf jaar geleden zijn, dat de Graaf een tournooi te Gent hield; zijne dochter verscheen daar voor het eerst in het openbaar, en nooit had men zulk een schoone jonkvrouw gezien: dat moet je juist niet verwonderen, Lard! want graven en vorsten hebben altijd mooie kinderen. De leelijke, oude bruidegom week niet van hare zijde; maar toen eenige maanden later het huwelijk zou gesloten worden, toen was de bruid weg; en wien denkt gij, dat men dacht dat dit stukje verricht had? Maar ik spreek in vertrouwen, Lard! om je te bewijzen, dat een nieuwsgierig mensch altijd meer weet dan een ander, en omdat gij er naar vraagt; want als de schout het hoorde, dan was de zaak erger: nu……? niemand anders, man! dan onzen ruwaard. Ei, ei! dat hadt gij niet gedacht, en de Vlaamsche graaf ook eerst niet; maar later, zoo het schijnt, wel, ofschoon hij het niet bewijzen kon; en hij noodzaakte den ruwaard evenwel de jonkvrouw overal te laten uitroepen; maar ja wel, ze bleef weg. Het wonderlijkste is, dat, toen men, nu drie jaren geleden, vertelde dat zij vermoord was geworden, zij eenigen tijd later op een goeden dag te voorschijn kwam, zonder dat men weet vanwaar zij gekomen was. Het huwelijk ging evenwel niet door, en zij bleef gevangen tot den dood van haar vader, toen zij weder bij hare moeder kwam; en zoo was zij daar niet in huis, of zij verdween weer, en niemand weet waar zij gestoven of gevlogen is, de ruwaard zal er natuurlijk niet over spreken, als hij er wat van weet, vooral niet tegen jonkvrouw Aleid, dat laat zich hooren. Nu, herinnert gij het u nu niet? broeder Peter stond bij ons.”

„Neen, Tijl!” zeide Allard.

„St. Lieven! vader! wat begint gij te suffen; ik zou het nog woord voor woord kunnen opzeggen:„Wi Aelbrecht, bi Goets ghenade, Palensgraue bi den „Rhijn, Hartoge in Beijeren, Ruwaart van Henegouwen, van Hollandt, van Zeelandt, „ende van Vrieslant, doen cond allen luden, dat wi ontbieden ende beuelen, „aengesien van jonkvrouwe Richilda, kint van……” ”

„Richilda? Clilda? – Childa! zoo heet de vrouw van meester Koggeman, Tijl!” riep Allard.

„Maar wij spreken nu van geen Zeewijf, maar van de dochter van den graaf van Vlaanderen, Lard! St. Lieven……”

„Loop naar de maan!” viel Allard hem in de rede; „wat bemoei ik mij met die praatjes! gij kunt hier om mij te hooren, en wat geef ik om al die vertellingen! Ik wil er niets meer van weten; pak maar op met die Richilda, die van tijd tot tijd zoo op den loop schijnt te wezen, en neem den graaf van Vlaanderen, God hebbe zijne ziel! er maar bij. Doch denk, Tijl! dat Wolfert mijn meester is, en zeg geen kwaam van zijne vrouw, of scheld haar niet uit; want anders kom ik er tegen op, zoo oud als ik ben. Gij weet, gij hebt er al meer voor gehad, en dat was van den meester zelven; maar……”

„Ik heb wel andere menschen om naar mij te luisteren dan u, Lard! en dus afgepraat, oude, suffe pikbroek!” bromde Tijl de Kuyper, terwijl hij Allard verliet, die hem nog eenige scheldwoorden achterna zond.

908SR15.gif (1832 bytes)

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)