J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

VIERDE DEEL. – HOOFDSTUK IV.

DE ZUSTER VAN ST. AAGTEN

Mijn leven is geen leven meer,
Voor eeuwig heb ik u verloren,
Neen daar, waar ’t eenwig ligt zal gloren,
Maria, Maria, daar zien wij ons wer.
H. J. FOPPE.
De droefheid doet den herder zwijgen,
En op den heuvel nederzijgen.
L. ROTGANS.

D.gif (3307 bytes)e stad Amersfoort was nog niet door het krijgsvolk van heer David of van zijn bondgenooten bezet; de Bisschop vleide zich echter, dat hij weldra ook binnen deze stad naar zijn goedvinden zou kunnen regeeren, zonder dat zijn bondgenooten er zich meester van maakten, en alles in den omtrek verbrandden en verwoestten. Een afdeeling krijgsvolk zou dus zeker de poorten voor zich hebben zien sluiten; maar van een enkelen ruiter was niets te vreezen, en Frank reed zonder oponthoud of tegenspraak door de poort. Zelfs de sterke wacht van burgers groette hem onderdanig: de jonge, prachtig gekleedde ruiter, met wapperende veeren, op het groote paard, waarover een half witte, half blauwe lakensche hoze lag, met de schitterende strijdbijl aan den knop van den zadel, boezemde hun ontzag in; zij lieten hem door, zoowel als den knaap, die zijn meester op een afstand volgde. Frank had zich geen tijd gegund, om van kleeren te verwisselen, want Maria moest getroost worden. Wat kon haar meer geruststellen dan zijn eigen woorden, dan de welkomstkus, welken hij haar geven zou; misschien streelde het hem, zich in dit kleed voor haar, die hij beminde, te vertoonen; de Bisschop had hem gezegd, dat eer en grootheid hem wachtten, en zij zou die met hem deelen; zij had niets verlangd dan de liefde van een eenvoudig ruiter, en zij zou hem weerzien als luitenant der Schaffelaars!

In vollen ren ging het langs de Langstraat. Moor scheen zijn ongeduld te raden, en was trotsch, zijn meester weer te dragen, aan wien heer Gerrit van Nijveld hem geschonken had, als een gedachtenis aan den vriend, die niet meer leefde. Frank zag de Vergulde Helm, en naar hij meende Dirk, die vr de deur stond, en aandachtig naar den ruiter zag, die met de snelheid van den wind naderde; maar deze herkende waarschijnlijk den jongeling niet meer, en trad snel in de gang, die naar de werkplaats leidde. Zonder dat Frank den teugel behoefde aan te halen, stond Moor voor de deur stil; hij zette zich schrap met de voorpooten, boog de achterbeenen, en richtte zich toen weer moedig op, bijtende op het bit, waarlangs het witte schuim met vlokken neerviel. In een oogwenk was Frank uit den zadel gewipt, en Moor met den teugel aan een ijzer gebonden, waaraan hij reeds zoo menigmaal ongeduldig gewacht had, tot heer Jan van Schaffelaar terugkwam. Griet bevond zich in den winkel; zij deinsde terug, toen Frank haar naam noemde. De oude scheen verbaasd, hem te zien; de kleeren moesten haar vreemd voorkomen, maar nog meer, om hem vol leven te zien. „Zij denkt, dat het mijn geest is,” dacht hij, en snelde door de gang naar het huisvertrek. Hij opende voorzichtig de deur om Maria en haar ouders niet te verschrikken; hij zag door de kleine opening meester en vrouw Martha reeds, maar Maria werd hij nog niet gewaar. Toen kon hij zijn verlangen niet meer bedwingen: hij wierp de deur open en trad het vertrek binnen. De meester zat in den stoel bij het raam: zijn somber gelaat veranderde niet, toen Frank zich vertoonde, en diens verschijning, die prachtige kleeren schenen hem niet te verbazen. maar veeleer te verschrikken. Vrouw Martha zag even op, en liet toen het hoofd weer op haar handen vallen; zij scheen te weenen. Nog bleef het oog van den meester onverschillig op hem gericht, dat was den jongeling onbegrijpelijk: hij zag om zich heen, maar zijn beminde Maria was er niet. Toen riep hij met drift: „Meester, – moeder, herkent gij mij niet? Ik ben Frank. ik leef, het is mijn geest niet: zoo waar God leeft! Ik ben het in persoon, ik heb genade!”

„Wij weten het, Frank,” zei de meester aarzelend.

„Gij weet het, en gij zegt dit z……? Waarom die tranen, moeder? – Maar weet Maria het ook? vroeg hij snel en met verbazing.

„Zij weet het, Frank,” zei de meester langzaam.

„Is zij ziek? – Neen! O heilige maagd, ik dank u! Maar waar is Maria? is zij boven? in den hof? O, dat ik haar kus, met die lippen, welke ik dezen morgen reeds dacht, dat haar schoone mond nimmer meer zou aanraken,” riep Frank eerst angstig, daarna verheugd. Doch toen riep hij wanhopig: „Gij zwijgt meester! – O, moeder, moeder, waar is Maria?” en sloeg zijn arm om vrouw Martha heen: zijn hoofd raakte het hare en de tranen vielen op haar kleed.

„Wij hebben haar verloren...!” jammerde Martha zacht en snikte.

„Verloren...! Maria verloren...!” gilde Frank, terwijl hij zich oprichtte. „Maria, waar zijt gij...?” riep hij hartverscheurend, en strekte den arm uit. Hij wankelde en bedekte het gelaat met zijn handen; doch Wouter, die opgestaan was, ondersteunde hem, Frank liet zich neerzetten, en hij liet de armen hangen; maar daarna richtte hij plotseling het hoofd weer op; zijn oogen fonkelden somber, en hij riep woedend: „Bij al was heilig is, heeft satan de Roode Hand weer kracht gegeven? Heeft hij weer rouw gebracht over Maria? Spreek, mijn vader! – O moeder, antwoord mij; wie heeft haar in zijn macht? Ik ben niet meer nietig en ellendig, hij St. Maarten: ik zal dit staal hem het hart doorpriemen! Spreek, ik wil het weten! – Gij zwijgt, meester! – O moeder, ter liefde van Maria, antwoord mij, en ik voer uw kind weer in uw armen, bad hij aangedaan. Die bede drong door tot het hart van de moeder; zij zag op, en de tranen glinsterden in haar oogen; zij hief de rechterhand ten hemel, en zei langzaam en gelaten: „Frank, matig uw drift, die misdadig is; wij hebben haar verloren; maar Maria is gelukkig, ten minste wij vertrouwen, dat zij het wezen zal; geen menschelijke macht kan haar u weergeven, Frank, – zij is non geworden!”

„Ha, dat is een afgrijselijke leugen,” gilde Frank, en sloeg met de vuist op tafel, terwijl hij opsprong en zijn aanblik verschrikkelijk was.

„Mijn zoon!” riep Martha treurig. Toen bedaarde zijn woede: hij naderde haar, viel naast haar neer, liet zijn hoofd tegen haar knien rusten en zei: „O, vergeef het mij, moeder, ik ben zinneloos; maar een non...! Maria een non! O dat kan immers niet; zij bemint mij, gij weet het. – Meester, gij hebt onze liefde goedgekeurd, o, herroep dat woord, gij wilt mijn trouw op de proef stellen...”

„Helaas, Frank,” zei deze treurig, „het is niet anders; spaar ons en vermeerder onze droefheid niet: de Hemel heeft het zoo gewild.”

„Neen, dat is niet mogelijk!” riep Frank. „Maar wat is hier dan gebeurd? O, waarom heeft men mij het hoofd niet afgeslagen? Wat heeft haar tot dien daad gebracht? Noem mij den man, die haar gedwongen heeft, en deze hand...” „Frank!” riep Martha, en legde haar hand op zijn hoofd. „Sta op; luister naar den meester, en verzet u niet tegen hoogere beschikking.”

Wouter hielp den jongeling opstaan, die bijna wezenloos was, en hij noodzaakte hem om te gaan zitten. Somber vr zich ziende, luisterde hij toe, toen de meester hem aldus neerslachtig aansprak: „Beste jongen, in de gevangenis heb ik u reeds gezegd, hoe wij allen schrokken, toen wij van den aanvoerder uw gevangenneming vernamen, en hoe bedroefd Maria was; het lieve kind deed niets dan weenen. Toen het akelige vonnis was uitgesproken, verzwegen wij het voor haar; maar onze treurigheid verried haar, welk lot u wachtte, en wij moesten haar de waarheid zeggen. O, haar smart was vreeselijk om aan te zien, en wij konden haar niet troosten. Vruchteloos verzocht ik, u te mogen zien; Maria zelf wilde u een laatst vaarwel zeggen...

„Maria wilde mij bezoeken...?” riep Frank aangedaan, en de tranen stonden in zijn oogen; maar de meester vervolgde: „Ja, maar al mijn smeeken was vergeefsch, niemand mocht u naderen; ’t is waar, ik kon dezen morgen u voor het laatst zien, als gij ter dood gebracht zoudt worden; maar ik wilde het niet. O, deze weigering scheen haar droefheid, haar wanhoop nog te vermeerderen. Toen kwam Ralph gisteren hier; – ’t was met het aanbreken van den dag; hij was nog nooit in dit vertrek geweest. Hij vroeg naar Maria, en zei haar eenige woorden tot troost; maar wat hielp het? Toen zei hij, dat hij naar Utrecht ging, dat hij een middel wist om u te redden. Maria bezwoer hem om niet te dralen, en zij viel hem om den hals. Daarop zei Ralph haar ernstig, dat zij u misschien verliezen zou, als gij in het leven bleef; want dat uw lot veranderen zou...”

„Zei hij dat?” riep Frank verbaasd. De smid boog het hoofd en zei: „Zijn stem had een voorspellenden toon: hij sprak de waarheid: gij leeft, en die kleeren... en Maria wordt uw vrouw niet!” Hier zwceg de meester, zuchtte en vervolgde toen: „Maria bad hem, niets voor uw behoud te verzuimen; zij vreesde niets, het lieve kind; want zij bouwde vast op uw trouw. Nadat de schaapherder vertrokken was, spraken wij over u; Maria alleen scheen op zijn voorspraak te vertrouwen, toen er twee lieden uit Utrecht kwamen om Maria te spreken. De een was in een zwarten mantel gewikkeld, en bleef dr bij de deur staan; de andere nam hier plaats aan de tafel: het was de hofmeester van heer Loef...”

„Walter? – En wat wilde die?” vroeg Frank schielijk, terwijl zijn oogen fonkelden.

„Ik geloof, dat hij zoo heette,” zei de smid. „Hij kwam uit naam van den heer Van Oosterweerd; hij sprak lang en ingewikkeld; maar het kwam er op neer, dat Maria den sluier zou aannemen.

„Ha, ik zal hem straffen” schreeuwde Frank; maar de smid legde de hand op zijn schouder, en zei: „Wees bedaard, ik heb nog niet gedaan. Gelukte het hem niet om u te redden, dan zou Maria tot niets verbonden zijn. Wij konden Maria niet raden, daar wij niet veel vertrouwden op de waarden van Ralph – Maria weigerde. „lk kan niet leven zonder hem: hij bemint mij,” riep zij, de handen wringend. – Gij zucht; uw tranen vlieten, beste Frank! O, het is voor niets; Maria beminde u zoo oprecht! – Walter hield aan, en schetste haar uw droevig lot. Zij sidderde; maar zij wilde het geschrift niet onderteekenen, dat hij haar voorhield; daarop trad de man met den mantel naar de tafel, het laken verberg zijn gestalte en zijn gelaat; alleen zijn oogen waren zichtbaar, die wild glinsterden.

„Zult gij niet teekenen?” riep hij. „Hebt gij den dag vergeten, toen Ada van Rijn geteekend heeft, toen Frank verlost moest worden, toen hij haar mishandelde en u redde? Zij heeft die trouwbelofte verscheurd, en den ruiter niet herinnerd, wat hij eens geteekend had; want zij is er te hooghartig toe; maar denkt gij, dat Frank nog eens zal gered worden, om hem in uw armen te werpen, meisje? Hebt gij Jan van Schaffelaar, dien edelman, reeds vergeten...? Ha, de jonkvrouw zou niet aarzelen om haar hoofd te geven voor het zijne, en een gemeene deern durft het niet! Gij zijt zijn liefde niet waardig, gij bemint hem evenmin als uw dooden bruidegom; leef dan, lage ziel, maar zijn bloed kome over u!”

„En wie was hij?” riep Frank dreigend. „Ha, bij dit hoofd, dat heden had moeten vallen, zweer ik Maria te wreken, – Meester, kent gij hem niet, – zijn stem……?”

„Was die van een vrouw,” zei de meester, en Frank riep, terwijl hij voorover op de tafel viel: „Ada...! Gij... o waarom leef ik nog!”

„Ik stond op.” zei Wouter treurig, „ik gaf te kennen, dat ik niet bevreesd was voor haar toom en dien van den hofmeester, en dat zij vertrekken moesten. De jonkvrouw wierp de pen weg, die zij Maria in de hand had willen dwingen, en riep schamper: „Ik ga. meester, en vrdat de beul het zwaard getrokken heeft, zal Frank het weten dat hij uw kind verachten moet!” Toen vatte Maria bliksemsnel de pen op – en teekende...”

„Zij teekende...?” gilde Frank, en de meester vervolgde: „De jonkvrouw wierp zich op het papier, en snelde heen; doch ik vervolgde haar en riep: „Geef dat blad terug!” Maar Maria viel mij wanhopig in de armen, en smeekte mij te blijven; wij dachten, dat zij sterven zou, en ik liet de jonkvrouw gaan. Wij verloren ons kind; maar het gold uw leven!”

„Maar heer Leef heeft de genade niet verworven, Meester! – Maria kan nog niet geordend zijn, moeder!” riep Frank blijmoedig; doch Martha zei niets. Toen vervolgde hij en sprong op: „Moor wacht mij, ik ga naar Utrecht, vr den avond ben ik terug; heer David zal haar ontslaan: de proeftijd is nog niet om; o, dezen avond hebt gij Maria weer.”

„Frank, een oogenblik!” zei de smid, en wees op den stoel. „Gisteren tegen den avond kwam meester Hermanus van Lockhorst hier; hij had dat noodlottige papier bij zich, en hij verzekerde ons, dat het alleen helpen kon, als Maria dadelijk in het St. Aagtenklooster ging...”

„En zij ging? – Maria ging, meester?” riep Frank onstuimig. „Maar zij kon immers niet gaan: want zij had mij lief, en zij behoorde mij; aan Frank had zij vrijwillig liefde gezworen. Maar dit is maagdenroof! – Ha, willen heer Loef en die meester Van Lockhorst in de plaats van Perrol treden, dan zal ik hen neerleggen bij de zwarte duivels in Eemnes, en in het bemuurde Weerd. – Meester, houd moed! Ween niet meer, goede moeder!” riep hij, en snelde toe en kuste haar. „Maria kan geen bruid des Hemels zijn; want zij bemint mij!” „Frank!” bad Martha, „bezondig u niet; wees even gelaten als mijn kind, en beschuldig haar niet; zij deed het uit liefde; o, wees niet ondankbaar!”

„Neen, moeder!” zei hij driftig; „maar ik ga mijn bruid terughalen; voor dit zwaard en den wil van mijn meester zullen de deuren van het klooster zich openen. Vaarwel!” riep hij vurig en kuste haar. Vruchteloos wilde de meester hem terughouden; maar hij snelde heen; zijn sporen klonken in de gang; zijn stem klonk luid in het voorhuis. Moor sloeg vol ongeduld op de steenen, en men hoorde het steigeren en wegrennen van paarden. Vrouw Martha bad voor hem en haar kind; een flauwe hoop schemerde weer voor het oog van de moeder; de vader schudde zwijgend het hoofd en zocht, in sombere gedachten verdiept, naar zijn muts, alsof hij zonder deze niet kon uitgaan: zoo hecht de mensch te midden van zijn droefheid nog aan zijn gewoonten.

908SR15.gif (1832 bytes)

Moor steigerde, toen Frank vr het klooster stilhield, en het vuur sprong uit de keisteenen, waarmee de Singel voor het gebouw bestraat was; maar Frank breidelde de drift van zijn paard, welke moest onderdoen voor die, welke hem beheerschte; hij wierp zich uit den zadel en klopte luid met den ijzeren hamer, die op de kloosterdeur hing. Dof klonken de slagen door het stille verblijf, dat aan de heilige Agatha gewijd was, waar vele vrouwen en maagden de wereld en haar vermaken ontvlucht waren; gelukkig zoo de eenvoudige levenswijze en het gebed haar de wereld, welke zij verlaten hadden, konden doen vergeten. Frank stampte ongeduldig met den voet, doch de deur bleef gesloten; reeds vatte hij opnieuw den hamer aan, toen hij de zachten tred van de portierster hoorde, en zijn ongeduld trachtte te bedwingen; nauwelijks werd het spreekdeurtje geopend, of hij riep luid: „Open de deur! Ik moet Maria, Wouter’s dochter, spreken!” Het gerimpelde gelaat en de grauwe oogen van de oude kloosterzuster verrieden eerst verwondering, toen zij den vreemdeling zag, maar onrust, toen zij zijn driftig verlangen vernomen had. Zij trok haar gezicht terug, dat de ijzeren tralin bijna raakte, en zei koel: „Zij is een non, gij kunt haar niet zien.”

„Leugens! Helsche leugens!” riep Frank, en sloeg zijn hand aan de tralin; doch toen het luikje werd toegeslagen, vervolgde hij smeekend: „Om aller heiligen wil, maak open. O, laat mij Maria zien!”

Maar zijn woorden werden niet gehoord, of men wilde hem geen ander antwoord geven. Driftig vatte hij nu weer den hamer op, en klopte verwoed; maar hij liet den hamer zakken, en legde zijn oor tegen de deur om te luisteren; doch alles was stil. Bevend van angst en drift, gaf hij een slag tegen de deur met zijn vuist, en scheen haar met zijn blik te willen vernielen; het gezicht van de heilige, die boven de poort stond, scheen zijn woede niet te beteugelen. De stilte van het graf heerschte in het klooster, en hij riep van woede brullend: „Ha, die deur zal mij niet tegenhouden! – Maria, ik ben het! Het is Frank! Ik kom u redden!” hij sloeg de hand aan den zadelknop, en rukte de bijl er af.

Het was een vreemd en ijzingwekkend gezicht, die jonge man in dat prachtige gewaad, die de heiligschennende hand sloeg aan het heilige huis der vreedzame zusters van St. Aagten. Vele leden waren uit hun huizen gesneld, toen de ruiter met het zwarte paard pijlsnel voorbijjoeg; zij waren hem en den knaap gevolgd, die een oogenblik later dan zijn meester was aangekomen; eerst dat kloppen op de deur, en nu dat houwen, deed den voorbijganger stilstaan. De knaap was niet afgestegen; maar hij hield den teugel van Moor in de linkerhand, en de rechter rustte in zijn zijde. Henri was klein en mismaakt van gestalte; maar hij zat vast in den zadel. Rustig zag hij naar het volk, en hield zich gereed, zijn meester, zoo noodig, bij te springen. De mannen zagen met stomme verbazing naar de roekelooze daad van den jongeling, en zij ijsden; maar geen hunner had den moed hem te storen.

De slagen, welke nu door het klooster weergalmden, deden de deur op haar hengsels beven! De splinters sprongen er af! Telkens als de pluimen zich bevallig bogen, als dat schitterende stalen blad van de bijl neerdaalde, was het alsof de deur in tween zou vallen.

„Zult gij de bruiden des hemels laten vermoorden, kinderen! – Burgers, zal die ne krijgsman van den Bisschop ongestraft het klooster schenden?” riep een monnik, die onder het volk stond. Aller oogen vestigden zich op hem; men herkende hem niet als tot een der kloosters in de stad of uit de nabuurschap te behooren, het scheen een vreemde geestelijke; toch hadden zijn woorden zooveel invloed, dat er een zacht gemompel ontstond, dat zich allengs begon te verheffen. De wijde kring, waarbinnen Frank, zijn knaap en de paarden stonden, werd nauwer, zoodat Henri de hand aan zijn zwaard bracht; ook Frank scheen de onrust der omstanders te bemerken; want hij liet de bijl zakken, en keerde den rug naar de deur; in de rechterhand hield hij het wapen; zijn linkervuist was gesloten, en zijn rechtervoet stond vooruit. Hij richtte met een dreigend gelaat zijn hoofd op; een verachtelijke glimlach zweefde om zijn lippen; zijn fonkelend oog ging langs de menigte en deed haar verstommen. Aan alle zijden traden zij achteruit, toen zij bemerkten, dat hij zich verdedigen zou, dat het leven er mee gemoeid was. De monnik, die tot hem gesproken had, had zich achter het volk verscholen.

Toen hief Frank de bijl weer op; nog eens wierp hij een blik om zich heen, en het scherpe staal daalde weer op het hout neer, en drong er doorheen. Hij juichte; maar juist, toen hij het wapen weer met zijn beide handen ophief, ging de deur open. Hij dacht, dat het slot was losgesprongen; doch toen de deur geheel open was, liet hij de bijl vallen; het staal trilde, toen het de steenen raakte: – pater Van Broechuysen stond voor hem. Het oog van den eerwaardigen geestelijke verried geen toom; smart en uitputting waren op zijn bleek gelaat te lezen, en hij zei ernstig: „Ongelukkige, wat voert u hierheen? Vreest gij den vloek des hemels niet voor uw heiligschennis?”

„Mijn vader!” riep Frank treurig, die voor hem neerviel, en smeekend de handen naar hem uitstak: „Waar is Maria?” De deur had hem niet teruggehouden; een drom van gewapenden zou hem niet hebben doen terugtreden en zijn Maria verlaten; maar de eerwaardige dienaar van het heilige altaar benam hem al zijn vertrouwen op eigen krachten.

„Mijn zoon,” zei de pater aangedaan en hief hem op: „zij is hier; maar gij kunt haar niet zien: ga heen in vrede, mijn zegen zal u vergezellen: zij zal voor u bidden, ongelukkige jongeling!”

„O, ik moet haar zien!” riep Frank driftig. „Waardige vader, zij bemint mij, zij heeft mij haar liefde beloofd; gij moet haar niet terughouden, want zij behoort mij!”

„Neen,” hernam de pater, en schuddc het hoofd; „uw driften misleiden u; zij kan u niet meer behooren; geen aardsche liefde mag meer in haar hart wonen, – zij is een non!”

„Vader, dat kan niet, o, ik laat mij niet misleiden,” riep Frank luid. „Ik wil haar zien, ik wil! – Ha, dreig mij niet met uw vloek, ik lach er mee, als ik haar verliezen moet!”

„Gij zijt wanhopig en stort uw ziel in het eeuwige verderf,” zei de pater ernstig. „Jongeling, nog nooit heeft mijn mond zich geopend om een mensch te vloeken; ik ben op den oever des levens; mijn eene voet staat reeds in het graf; ook voor u zal ik niets over hebben dan het gebed. De Hemel bewijze zijn ouden en onwaardigen dienaar de genade om u te troosten en u te kunnen zegenen. Volg mij!”

Frank wierp een blik op de houten tralin, die het spreekvertrek in tween scheidden en hij zuchtte. Maria was daar niet; met gebogen hoofd stond hij vr den pater, die in een armstoel was neergevallen. De oude man, uitgeput van vermoeidheid, ondersteunde zijn hoofd met zijn hand; eindelijk zei hij langzaam: „Mijn zoon, zijn Eerwaarde had mij in mijn ziekte bezocht; hij had mij zijn zegen gegeven, voordat hij onze stad verliet; hij was voldaan over mij en wat ik gedaan had in die tijden van druk. Ik dacht nu de weinige oogenblikken van het leven, die mij nog overblijven, in rust te zien voorbijsnellen, totdat de Heer zijn onwaardigen knecht tot zich zou roepen; maar het moest zoo niet zijn; men zei mij, dat gij gereed stondt om dit huis te schenden, uw eeuwig geluk roekeloos te verwoesten, en ik richtte mijn stramme leden op. Misschien verhaast deze gang mijn einde; maar het zal mij gelukkig maken, als mij woorden u mogen helpen: een stervende spreekt tot u, mijn zoon! Geloof dus gerust, dat ik u de waarheid zeg; waarom zou ik het niet doen? Morgen, wellicht reeds dezen dag, zal mijn ziel voor haar Schepper verschijnen. – Uw wil geschiede, o Heer!”

„Vader,” zei Frank bedaard, „ik dank u; o, ik durf weer hopen; gij kent Maria, gij kent mij; haar ouders waren gelukkig, omdat zij mij liefhad; opeens dreigde die band, welke ons vereenigde, verbroken te worden; want mijn leven was in gevaar. Doch de goede God zag zeker met welgevallen op zijn kinderen neer. Hij redde mij; men schonk mij het leven; ik snel hierheen om Maria aan mijn hart te drukken, om met haar den Hemel te danken voor Zijn bijstand, en ik vind haar ouders in rouw gedompeld; mijn Maria is weg; men heeft haar ontvoerd. Men zegt mij, dat zij sinds gisteren non geworden is, alsof de proeftijd reeds om kon zijn; maar men zal zich bedriegen. ik vorder haar terug!”

„Mijn zoon,” zei de pater met waardigheid, „de beproevingen, welke de Heer ons oplegt, moeten wij dragen met ootmoed en liefde; wij weten niet, waarom of waarvoor de rampen ons treffen; maar kunnen wij er ons over beklagen? Zijt gij zonder zonden, jongeling? Durft gij op denzelfden dag, dat God u het leven en tijd tot berouw schenkt, uw stem verheffen, omdat de sluier over haar, die gij bemint, geworpen is? O, gij behoort dankbaar te zijn, dat de Hemel haar heeft uitverkoren. Wie zijt gij, knaap? – Wie is de bruidegom, die haar heeft aangenomen? Ongelukkige, gij moest dankbaar zijn en gij mort. „Vader!” riep Frank luid, „o, hoe kunt gij vorderen, dat ik zal danken, nu mij alles ontnomen is? Maar het is niet de keuze van mijn heiligen Verlosser, niet de roeping van Maria, die haar hierheen voerde; het is het werk van mijn vijanden, – zij kan geen non zijn.”

„Zij is het! Ik zweer het u! Haar lokken heeft zij op het altaar neergelegd, en het geestelijke kleed omhult haar, mijn zoon!” antwoordde de pater.

„O, zij hebben u die schoone lokken ontstolen, Maria,” zei Frank treurig. „Wat waren zij zacht en schoon! Zal ik ze nooit meer kussen? Ha, – maar ik zal er mij over wreken!” riep hij wild. „Zij zijn hier gekomen, pater, met dat geschrift, dat zij haar hebben laten onderteekenen, is het niet zoo? Ziet gij het bedrog niet in? O, waarom heeft het geen man gedaan; al droeg hij een kroon, ik zou hem de vingers afsnijden, die de vervloekte pen hebben vastgehouden. Maar Ada. . .” zei hij aangedaan, „het was de jonkvrouw, pater. Zij is niet wijs; zij wist niet, dat zij mij vermoordde, en toen kwam meester Van Lockhorst, niet waar? Ha!” riep hij, „gij ziet, dat ik het weet; Wouter zei mij, dat deze het heeft bewerkt. Zeg, wat heeft heer Loef hem wel betaald?” „Mijn zoon!” riep de pater, greep zijn hand en zag hem met droefheid aan; „de booze geest woont in uw hart; uw woorden verschnikken mij. Ja, meester Hermanus van Lockhorst kwam hier. Maria was gelaten in haar lot; zij heeft u het leven gered. O, dat verheugde haar, en gij zijt mij niet dankbaar; maar die waardige man verdient uw beschimping niet; hij deed zijn plicht, maar niet voor heer Loef of diens goud.”

„Het maagdenrooven is dus plicht, vader!” riep Frank schamper. „Bij mijn zwaard, het zal hem rouwen, vergeef mij, maar ik vorder Maria terug! Mijnheer de kanunnik heeft de macht niet haar mij te berooven. Kunt gij met mij gaan, ik zal u volgen: of ik hoor naar niets; ik zal haar opzoeken. O, indien men haar verbergt zal men sidderen; want ik ontzie niets meer!”

„Frank, mijn zoon!” riep de pater, die opstond en hem vasthield: „Ga niet, ik bezweer het u, gij zijt verloren; als gij haar aanraakt, zal zij met afschuw voor u vluchten.”

„O, gij kent Maria niet!” riep Frank en schudde het hoofd; „gij kent de macht der liefde niet, vader! Maria zal niet voor mij vluchten.” Toen vervolgde hij driftig: „Laat mij gaan, ik vrees niets. Ziet gij deze kleeren niet? Kent gij dit wapen? Alles wat ik vraag, schenkt mij de Bisschop, en zou hij mij haar dan weigeren? O, laat mij gaan; Maria zal nog heden met mij vr hem verschijnen, – in naam van heer David, priester, wil ik gehoorzaamd worden!”

„Mijn zoon!” zei de pater, en viel weer in den stoel neer, „moet ik het u dan eindelijk zeggen? Blijf, ongelukkige! Het is heer David zelf, die haar van het proefjaar heeft ontslagen, die mij met eigen hand gelast heeft haar terstond aan te nemen.

Roerloos stond Frank voor hem; zijn tanden bleven op elkander gesloten; toen sidderde hij, en vroeg somber: „Spreekt gij de waarheid...?”

„Twijfelt gij aan mijn woorden?” vroeg de pater vriendelijk……?”

„Neen!” riep Frank woest. „Ha, was dat zee, gij zoudt niet sterven aan die ziekte. – Mijn vader, ik stel vertrouwen in u,” vervolgde hij, na zich bedacht te hebben. Zijn drift was plotseling bedaard; hij hief de handen smeekend op, en zei aangedaan: „Antwoord mij: de Bisschop schonk mij genade; maar hij beloofde mij ook grootheid en geluk; het is dus een misverstand; toen hij de noodlottige bevelen gaf, was hij mij nog niet genegen, kende mijn liefde niet; antwoord mij; hij kan mij mijn Maria immers teruggeven? O, gij knikt met het hoofd!” riep hij blijmoedig, „nog n vraag, waardige vader; maak mij gelukkig, en antwoord mij, bid ik u; de Bisschop zal immers gehoor geven aan mijn smeeken?”

De pater zweeg lang, en zei toen treurig: „Mijn zoon, verheug u niet; ik zal de waarheid zeggen; de Bisschop kende uw liefde voor Maria, en had uw geluk reeds besloten, toen hij mij zijn bevelen gaf; hij zal die niet terugnemen. „Niet?” gilde Frank stampvoetend, en de priester vervolgde bewogen: „Wij moeten zijn wil gehoorzamen, Frank; hij heeft u lief en schonk u het leven.” „En hij ontrooft mij Maria!” schreeuwde Frank. „Priester, waarom spaarde hij dit hoofd? Laat hij het afslaan! Ik vervloek zijn genade. Dan is Maria weer vrij, en zij kan mij beminnen; maar in dit klooster mag zij Frank niet liefhebben; ik verlies liever mijn leven dan haar liefde. – Ik leef nu; maar nu is Maria dood...” zei hij treurig.

„Hij is uw heer; van uw geboorte af zijt gij hem gehoorzaamheid verschuldigd; gij zijt luitenant over zijn ruiters,” zei de pater met waardigheid. „En weet ik zelf waar ik geboren werd?” riep Frank. „Neen vader, ik ben hem niets verschuldigd!”

„Ondankbare,” zei de pater ernstig. „Gij zijt in dienst, zwijg! Gij verbeurt uw leven; zie dat wapen op uw borst...

„Dat wapen!” riep Frank driftig, „ha, maakt dat mij tot een slaaf? Zie hoe ik er mee handelen zal!” Hij trok hierop zijn dolk, en sneed den wapenrok op de borst open; toen raapte hij zijn muts op, scheurde er de veeren af, vertrapte ze en riep: „Nu ben ik vrij, ik wil den priester niet meer dienen, die mij bedrogen heeft; ik veracht zijn dienst en zijn wapen!”

„Frank!” riep de pater, die waggelend opstond, en de man naderde, die, door wanhoop en woede overmeesterd, met woeste gebaren vr hem stond.

„Vergeefs houdt gij mij terug!” riep Frank. „O, alles heeft hij mij ontnomen; hij heeft mij laag bedrogen; maar mijn vloek zal ook gehoord worden, die zal zijn geschoren kop verpletteren. Neen, priester, ik ontzie niets meer; voor eeuwig rust mijn...

„Ongelukkige!” riep de pater, en sloot hem met de hand den mond, „Rampzalig, diep rampzalig kind, wat doet gij!” De stem van den eerbiedwaardigen geestelijke was zoo plechtig, zoo diep bedroefd; die woorden van den grijsaard drongen door tot de ziel van Frank: hij liet de armen zakken, en zuchtte, en toen de priester hem bij de hand gevat had, en zich neerzette, knielde hij bij hem neer; de tranen liepen hem langs de wangen; maar hij dreigde niet meer. „Keer tot betere gedachten weer,” zei de pater aangedaan, en legde de hand op zijn hoofd: „Geloof alles, wat ik u zeg. Ook degenen, die over ons gesteld zijn, handelen niet altijd goed, mijn zoon, maar het zijn menschen; – de macht echter, die zij hier uitoefenen, ontvangen zij van den Hemel; hun gebreken geven ons dus geen recht hun gehoorzaamheid te weigeren, en gij vooral zijt gehoorzaamheid verschuldigd aan heer David... Ziet gij niet in, dat alles zoo beschikt is, zoo heeft moeten zijn? Bestemden de ouders van Maria haar niet voor een klooster? Was het niet een verbond, dat zij aangingen tegen welks verbreking ik niet genoeg mijn stem verheven heb? En uw weldoener, Frank, waar is hij...? Heeft het hem mogen gelukken de maagd te huwen, die de sluier wachtte? Neen immers. Gij zelf, Frank, ziet gij niet in, dat die misdadige liefde, welke gij nu dacht zonder schuld te kunnen uiten, u verblind heeft? Deed zij niet het doodvonnis over u uitspreken? Alleen doordat Maria teruggekeerd is tot den bruidegom, die haar wachtte, zijt gij gered. Zij kan nu bidden voor zichzelf, voor Jan van Schaffelaar, die om u en zijn ruiters te redden, over zijn leven beschikte, – voor u Frank, en de hemel zal haar gebeden verhooren...”

„Mijn vader,” zei Frank langzaam, toen de pater zweeg, „zou de heilige Vader haar niet van haar gelofte ontslaan kunnen?”

„Ja,” antwoordde de pater en zuchtte. „Maar, mijn zoon, wat zult gij tot hem zeggen? – Zal hij het doen zonder den Bisschop te hooren? Zal Maria zelf in de wereld terugkeeren, na in de eenzaamheid haar schuld hebben ingezien? Mag zij het, Frank? Het lieve kind weet zelf, dat zij niet bestemd is om in de wereld te leven; zij zag het in en was gelaten.” „Zij beminde mij dus niet meer, vader...?” vroeg Frank treurig.

„En zij nam den sluier aan, om u te redden, mijn zoon,” antwoordde deze. „Zij beminde u, maar nu mag zij alleen voor u bidden.”

Frank zweeg eenige oogenblikken; de oude priester zag met droefheid, hoe de godsdienst en de rede in dat jeugdige hart tegen de drift en de liefde kampten. Eindelijk zei Frank somber: „Ik moet gelooven wat gij zegt; maar laat mij haar zien, – laat zij mijzelf zeggen, dat zij niet gedwongen is, dat zij dat alles voor mij gedaan heeft, dat zij gelukkig is... en ik zal gaan, mijn vader!”

„Neen, mijn zoon,” zei de pater.

„Ook dat niet?” riep Frank en sprong op; zijn bedaardheid scheen hem te begeven, en hij werd weer onrustig.

„Jongeling, wilt gij haar hart verscheuren, en gij hebt haar lief? Wilt gij haar haar plichten zwaar doen vallen? En zij deed alles voor u. Ga, en ik zal u zegenen; ik zeg u immers, ik zweer het u, dat niemand haar heeft behoeven te dwingen. Ik vroeg het haar, en Maria heeft nooit gelogen,” zei de pater ernstig.

„Dan zal ik haar opzoeken, en zij zal mij antwoorden,” riep Frank; doch hij vervolgde bedaarder, want de pater hief zijn hand ten hemel, en zag hem, treurig het hoofd schuddend, aan: „Maria kan schrijven, vader! O, laat zij mij schriftelijk antwoorden, – en ik zal gaan!”

„De Hemel zij gedankt,” zei de pater, die opstond. „Mijn zoon, wacht mij hier en bid; het zal u nieuwe krachten geven.” Frank zag hem na, en sloeg de armen over elkander, terwijl de pater door een opening in de tralin verdween – hij, hij zou Maria zien...

Frank voelde dat hij haar verloren had; o, de gedachte was vreeselijk; maar alles was hem als een droom. Eerst wachtte hem het schavot; toen kreeg hij genade; eer en roem wachtten hem: zijn geluk scheen onberekenhaar, en – nu was hij veel rampzaliger dan gedurende dien nacht; alles was veel duisterder om hem dan in zijn kerker; want de liefde van Maria had hij verloren; zij leefde, zij was in zijn nabijheid, en hij zou haar niet weerzien.

Toen de pater eindelijk terugkeerde, stond Frank nog op dezelfde plaats; hij had zich nog niet verroerd, en hoorde den slependen tred van den zieken priester niet, die zich neerzette; doch nu zag hij het papier, dat hij verlangd had, en sidderde. Maria had dus vrijwillig den sluier aangenomen, en het geschrift was zijn doodvonnis.

„Gij kunt niet lezen, Frank,” zei de pater langzaam, wiens aandoeningen hem veel kostte; maar hoewel de dood reeds zijn hand op hem gelegd had, voelde hij nog kracht om Frank te troosten, om hem te vermanen, den wil van den Bisschop te eerbiedigen.

„Leest gij dus, mijn vader,” zei Frank, en sloeg zich voor het hoofd.; maar toen de pater het papier in de bevende handen ophief en zijn naam uitsprak, riep de jongeling somber: „Zwijg, o, lees nog niet. – Priester, de Bisschop heeft mij bedrogen, en dat is genoeg,” riep hij schamper, „het kost mij alles wat ik liefheb; hij maakt mij de aarde tot een woestenij. Lees, maar bedenk dat ik genoeg bedrogen ben, dat elk woord met onuitwischbare teekenen in mijn ziel wordt gedrukt. Nog meer menschen dan gij zullen dat geschrift morgen lezen. morgen, ja dezen dag nog, en zoo men mij hier bedriegt, dan zult gij sterven! Ik verafschuw het bloed, en uw haren zijn grijs, maar wees gewaarschuwd!” Hij liet den dolk los, dien hij had vastgegrepen, en eindigde bedaard, maar treurig: „Lees nu, mijn vader...”

„Mijn zoon,” zei de pater langzaam, „met medelijden hoor ik u aan; maar ik vergeef u die woorden; de Hemel zij u genadig en ook mij. Luister, kom tot inkeer; helaas, wanneer zult gij zee braaf zijn als Maria? Zij schrijft u:

„Frank!

Uwe droefheid treft mij tot in de ziel; ik ween, hoewel ik voor het altaar lig neergeknield. Mijn tranen maken mij misdadig; maar de Hemel zal het mij vergeven, dat ik om u ween... Ik heb die bijlslagen gehoord... Ongelukkige, wat hebt gij gedaan? Maar het was voor mij, en toch hadt gij mij niet gevonden. O, ik weet, dat het voor mij was; mijn hart zei mij dat alles... Gij ziet, dat ik nog niet waardig ben den sluier te dragen; maar ik zal bidden, ook voor u... De waardige priester is u tegemoet gegaan. O, hoe zult gij hem, hoe kan ik hem zijn goedheid vergelden. Hij sterft en offert zijn laatste krachten op om u te redden. Radeloos lag ik neergeknield en vreesde u te zien naderen; – ik mag u niet zien, Frank... Mijn hart is zwak; ik ben immers een bruid des Heeren. Maar de pater stelt mij gerust, en nu bevochtigen tranen van vreugde en dankbaarheid dit papier. – Mijn God, ik dank u! – Frank, gij heft niet meer den dreigenden arm op; gij buigt het hoofd; o, dat is braaf van u; nu ben ik verheugd; misschien te veel. – Heilige Moeder Maria, bid voor mij! Ik verheug mij, dat mijn vriend zich onderwerpt aan den wil des Hemels, dat de pater hem zijn zegen zal kunnen schenken. – Niemand heeft mij gedwongen, Frank, om de wereld te verlaten; de bevelen van den eerwaarden heer Bisschop waren stipt en streng; maar ik ben niet gedwongen; vrijwillig ben ik hierheen gegaan; want ik moest uw leven redden... Hebt gij het niet gewaagd ter liefde van mij? O, ik heb ingezien, dat het de wil des Hemels is: eerst is mijn vriend Jan van Schaffelaar gevallen; daarna wachtte u den dood. Helaas, waarom heb ik dien edelen man ook niet kunnen redden? Dan zou de bekentenis, welke ik u heb afgelegd, ik wil zeggen mijn liefde, voor u, mij nu niet bezwaren: ja, soms is het mij alsof wij niet wel deden, en toch – heilige Maagd, vergeef het mij, want als ik gezondigd heb, zoo voel ik mij er nog gelukkig door!”

„Zij bemint mij nog!” riep Frank en strekte zijn arm uit naar de tralin, alsof hij haar zag naderen; maar het vuur, dat in zijn oogen schitterde, verdween, toen de pater, die afgemat was door het lezen, ernstig zei: „Neen, mijn zoon, zij kan u niet meer beminnen. Maar vreest gij nog, dat ik niet lees wat hier staat, of dat ik haar pen bestuurd heb?” Frank zweeg; toen las de priester verder:

„De liefde, welke ons bezielde, is uitgedoofd: ik bemin u niet meer, Frank! Ik mag het niet; ik ben immers verbonden aan den hemelschen Bruidegom, die mij wachtte, die mij heeft opgeischt! Zou Hij mij misschien zoolang aan de wereld hebben overgelaten om u te kunnen redden? O, de sluier is mij dierbaar; want deze schonk u genade. Ik vraag u niet, Frank, mij te vergeten; ik weet, dat het onmogelijk is; ik beloof u niet, aan u te denken: ik mag het niet; maar ik beloof voor u te bidden: is bidden niet meer dan denken...?”

„Maria!” riep Frank, en de tranen sprongen hem uit de oegen. De pater vervolgde hierop met minder vaste stem.

„Wilt gij mij gelukkig maken, verlaat dan mijn ouders niet, die geen dochter meer hebben, en schenk hun een zoon...! Maar ik vergeet, dat gij die nietige ruiter niet meer zijt. Hier in het stille klooster veracht men de wereldsche grootheid; maar uw grootheid streelt mij... men beloofde mij slechts uw leven; de gelofte, die ik heb afgelegd, was zeker den Hemel welgevallig: Hij heeft u gezegend. Het zal u niet moeilijk vallen, een vrouw u waardig te vinden... Frank. Haar liefde en trouw zullen u troosten... de moeder uwer kinderen zal u doen vergeten, dat gij mij verloren hebt; ik zal voor haar bidden. Zij bemint u, die jonkvrouw... heb medelijden met haar; ik zelf heb haar lief, omdat zij u redden wilde; gij zult met haar gelukkig zijn, en zij zal u over mij spreken. Zij kan mij nu niet meer haten; want ik ben immers een non en heb uw leven gered. Uw vriend en weldoener, die in den hemel is, zal mij mijn zwakheid vergeven, evenals hij, heb ik u van den dood gered; zijn edelmoedige daad wees mij immers aan, wat ik doen moest; hij zal zich niet dreigend in het graf oprichten om den bruidskrans, welken ik nu draag, maar met welgevallen op mij neerzien. Vaarwel, Frank, doch niet voor eeuwig. O, luister naar de woorden van den eerwaardigen vader, pater van Broechuijsen, dan zie ik u zeker weer, vaarwel! Dagelijks zal ik voor u bidden; misschien zie ik u nog weer aan deze zijde, van het graf – als de jaren uw haren vergrijsd hebben, als uw plichten als vader en krijgsman, als de troost van het gebed u niets meer in het hart hebben overgelaten voor mij dan een broederlijke genegenheid; leid dan uw kinderen tot mij.., dat zij den zegen ontvangen van

Zuster Maria.”

„Maria!” gilde Frank hartverscheurend, toen de pater zweeg. Met een doodsbleek gelaat wierp hij zich op het papier, dat de eerwaarde geestelijke in de linkerhand hield, terwijl hij van aandoening niet kon spreken en zijn rechterhand naar den hemel ophief. Den jongeling sprongen de tranen uit de oogen, terwijl hij het papier voor zich uitstrekte; daarna kuste hij de letters, welke de hand van zijn Maria er op geschreven had, op gevaar af ze uit te wisschen. Hij hoorde nu iemand, die hem naderde, en hij dacht misschien dat het Maria was; alles had hij willen geven om haar nog ns te zien. Snel keerde hij zich om; maar hij zag vr zich haar vader, en hij riep jammerend, terwijl hij zich aan de borst van den meester wierp: „Ik heb haar verloren...!” Had Wouter hem niet met beide armen omvat, hij zou neergevallen zijn; en de smid zette hem meer dood dan levend op een bank.

Het volk stond nog vr het klooster te wachten, toen Frank het eenigen tijd later verliet. De meester ondersteunde hem, en de nieuwsgierigen zagen, hoe Frank op dezelfde plaats, waar hij zonder eerbied de hand aan het heilige gesticht geslagen had, neerknielde. Aller hoofden ontblootten zich, toen de priester zijn hand zegenend op de zwarte haarlokken legde; de smid raapte de strijdbijl op, en overhandigde haar aan den knaap. Frank kuste de handen van den priester en stond op; hij scheen te luisteren en bleef eenige oogenblikken in gedachten staan. Het gezang van de zusters van St. Aagten klonk in de kerk, en misschien trachtte hij de stem van Maria, die hij verloren had, te herkennen; treurig schudde hij het hoofd, en zette de muts weer op, toen hij zich verwijderde.

„Bidt voor hem, kinderen,” zei de pater, die hem nazag, tot de menigte, die eerbiedig plaats maakte. Zij wisten nu wie de jongeling was, waarom hij de bijl had opgevat, waarom hij zoo bedroefd was. Het was tevergeefs, dat Moor den kop naar zijn meester omkeerde; Frank ging hem voorbij; hij werd het strijdpaard van Van Schaffelaar, dat nu zijn eigen was, niet eens gewaar. De meester gaf hem den arm; hoe had hij anders ook kunnen gaan? Hij scheen alle veerkracht verloren te hebben; zijn linkerhand hing langs zijn wapenrok neer, die op de borst was opengereten, en de veeren bewogen zich niet meer op de muts. Somber zag hij vr zich, en sloeg geen acht op het volk, dat met ontbloote hoofden hem doorliet. Nu en dan stond hij stil; dan zweeg het klinken van de sporen, en hij zuchtte. Het was alsof Frank naar de strafplaats ging; hij had immers Maria verloren, en elke schrede verwijderde hem hoe langer hoe verder van haar.

908SR15.gif (1832 bytes)

Den volgenden morgen zat Ralph op den Amersfoorter Berg onder den boom. Frank, dien wij eens op diezelfde plaats tegen den avond een laatsten blik hebben zien werpen op de plek, waar de bruid van Jan van Schaffelaar woonde, was niet bij hem; de schaapherder zat daar alleen met zijn hond. Wolf lag naast hem, en huilde, als hij zich verroerde; de schaapherder zag naar hem, en zei stroef: „Ha, gij wilde mij verlaten? Nu ziet gij wat er van gekomen is.” Maar zijn daden stemden niet overeen met den knorrigen toon van zijn stem; hij schikte zijn ruw verband recht, dat over de borst van den hond was gebonden, en vervolgde vriendelijk: „Maar misschien hebt gij uw jongen meester opgezocht; zeg mij, wie heeft u die diepe wonde toegebracht? Met wien hebt gij gevochten? Waarom was uw bek bebloed, Wolf?” Doch de hond antwoordde niet, likte de hand, die hem weldeed, en legde zich zoo gemakkelijk mogelijk neer.

Toen zag de schaapherder weer vr zich uit; een oogenblik vestigde hij zijn oog op een processie van eenige geestelijken, die met brandende kaarsen een doode scheen te begeleiden; een groote schaar menschen volgde de baar. Langzaam verwijderde zich de optocht van de stad, naar de zijde van den heiligen Berg; het gezang klonk flauw over weiden en bouwlanden. Ralph nam de muts af, maar zette haar weldra weer op, en zag naar de stad.

In dien tijd was de groote weg naar Utrecht nog meer links af; de paden, die over den berg liepen, in de richting waar hij zich bevond, werden niet veel bezocht; daarom zag hij met aandacht naar iemand, die nu in stellen tred de hoogten scheen te naderen. Maar spoedig zag hij, den man voorbij, weer naar de stad; die korte, breede gestalte had geen overeenkomst met de slanke leest van den jongen ruiter. Dichter en dichter naderde de reiziger, die de eenzaamheid van zijn tocht scheen te willen veraangenamen door te zingen; maar zijn lied klonk eentonig; en hij zong met een doffe stem:

Hij smeedt ijzers voor houten, speren en pijlen
Bardaksen, strijdkolven en ook slechte bijlen;
Schild, targ en beukelaar, ook baselaar en zwaard,
Mes, dagge en opsteker, zeer deugdzaam van aard,
Tik, rik, gaat de moker, tik... rik...

Hier zweeg hij; de droevige toen der laatste woorden verried genoeg, wat de reden van zijn zwijgen was. Eindelijk verliet hij het spoor, dat hij totnogtoe gevolgd had, en beklom de kleine hoogte, welke zich boven den berg verhief. De schaapherder had hem reeds herkend, doch scheen niet gesteld op zijn gezelschap; hij bleef tenminste naar de stad zien, en wierp rechtsaf een blik naar den optocht van de zingende schaar.

„Goedenmorgen, Ralph,” zei de meester uit de Vergulde Helm, die de naderende voetganger was; doch nu zweeg hij verlegen; want de herder verwaardigde zich niet zijn groet te beantwoorden, en zag niet naar zijn zijde. Toen vervolgde hij: „Ha, gij ziet naar de processie? Ik hoor hen, geloof ik, hier zingen; gij kent den man, welken zij daar wegdragen, oude?”

„Ik?” vroeg Ralph en zag verschrikt op; maar de glimlach van den smid stelde hem gerust, en deze zei: „Een van mijn gezellen heeft mij gezegd, dat men dezen morgen buiten de stad het lijk van een vreemden monnik had gevonden, die door een wolf verscheurd, of wien door een verscheurend dier den keel was afgebeten; maar ik dacht: de wolven zullen wel zee vroeg niet over den berg komen, het is een leugen, en ik bekreunde er mij niet om; doch nu ik de poort uitging, zag ik de menschen staan, en was toch nieuwsgierig hem eens te zien. De monniken van den Heiligen Berg stonden juist gereed het lijk van den vromen man naar hun woning te brengen; maar wien herkende ik? Bij St. Eloy, het was Froccard, die Zwarte Ruiter met zijn galgentronie. Nu verwonderde het mij niet, dat men een dagge naast hem, en veel goud en kostbaarheden bij hem had gevonden, zooals men mij verhaalde, en dat de wolven om dezen tijd reeds de stad genaderd waren: de satan heeft hem geworgd, of een weerwolf op hem afgezonden, Ralph, ik ben er zeker van. Ik maakte den booswicht, die zoo’n dood gestorven was, bekend; hij verdiende toch niet, als een vroom Christen begraven te worden, en ik riep, dat men den schout terug moest roepen; maar de monniken van St. Paulus zeiden, dat zij hem kenden; hij was in hun huis gehuisvest geweest, en kwam uit verre landen om geld te halen voor zijn klooster. Ik begreep, dat zij het geld, dat men bij hem gevonden had, wilden benaderen, en vond het verstandig om te zwijgen; deed ik wel, Ralph?” „Ja,” antwoordde de schaapherder droogweg. „De missen, die men misschien op den Hohorst voer hem doen zal, zullen toch zijn ziel niet redden. Ja, ja, het is een wolf geweest, meester! Maar de heer heeft zelf het booswicht aangewezen!” Hij streek den hond, die naast hem lag, en met aandacht naar de woorden van den smid geluisterd had, over den kop en zei vriendelijk:

„Gij deedt wel, Wolf, dat bloeddorstige dier zal niemand meer bijten; gij hebt welgedaan. De smid bewaarde eenigen tijd het stilzwijgen; waarna de schaapherder zei: „Ik dank u voor het bericht; gij kunt wel verder gaan, meester.

„Nog niet,” zei Wouter, en vervolgde aarzelend: „Ik kwam... hierheen om u te spreken, Ralph. Ik breng... tijding van Frank.”

„Van Frank!” riep de schaapherder snel, „en hij beloofde mij zelf te komen.” „Ik weet het, en hij heeft het niet vergeten; maar hij kon nu niet,” antwoordde de meester langzaam.

„Hij kan niet! Is hij dood, – ziek? Man, waar is Frank?” riep de schaapherder heftig en stond op. Toen zei Wouter treurig: „Neen, Ralph, niets van dat alles en toch... ga zitten, oude. Het staan verveelt mijzelf; luister: ik zal u vertellen, hoe alles zich heeft toegdragen.” Toen vertelde hij hem, hoe Frank gekomen was, naar het klooster was gegaan, en wat er vr dien tijd gebeurd was. „Ha, die Bisschop!” riep de schaapherder driftig, het hoofd schuddend, toen hij alles vernemen had, en vroeg snel en ongerust: „En Frank, meester... Waar is hij nu? Waarom is hij niet gekomen? O, ik moet hem zien.”

Wouter legde de hand op den schouder van Ralph, die wilde opstaan; maar de smid zuchtte en zei aarzelend: „Grijsaard, het heeft mij mijn Maria gekost; maar ik ben tevreden…, mijn vrouw zou haar in haar armen niet hebben willen terughouden, en uw Frank ter dood laten brengen, en toch, wie zal de Vergulde Helm na ons bewonen...? Ralph, Frank is vertrokken!”

„Frank 1” riep de schaapherder verschrikt, en vroeg angstig, de handen op de borst van den meester leggend: „En waarheen, – wanneer keert hij terug?” en hij stond haastig op.

„Weet hij het zelf, de arme jongen?” antwoordde Wouter, aangedaan. „Hij is de wereld ingegaan, misschien om nooit terug te keeren.”

„Hij heeft Ralph verlaten!” gilde de schaapherder en viel op de hoogte neer. „O, Frank, zonder een woord tot afscheid zijt gij gegaan?... De ondankbaarheid heeft zich met die schoone kleeren en wapens in uw hart gevestigd? – Helaas, ik vreesde het, en voelde mij gelukkig, toen hij had moeten jammeren,” riep hij droevig, en bedekte zijn bleek en gerimpeld gelaat met zijn handen. Vergeefs richtte de hond zich pijnlijk op, toen hij zijn meester hoorde jammeren, en likte hem de handen: de oude man was ongevoelig voor alles, behalve voor zijn smart. „Ralph,” zei de meester, en wischte een traan uit zijn oog: „Gij moest hem beter kennen. – „Wouter,” zei hij tot mij, toen hij weer denken en spreken kon, „ik kan den Bisschop niet meer dienen; ik beloofde dien braven pater, hem niet te vloeken of rekenschap te vragen van zijn bedrog; maar niet om zijn weldaden aan te nemen, die ik verafschuw. Mijn vriend, die zonder hulp gevallen is, maar, bij St. Maarten niet ongewroken, heeft mij bij zijn leven bedacht; de stukken land, die hij mij schonk, kunnen mij voeden tot aan mijn dood; gaarne bleef ik bij u, doch ik kan niet. O, kon ik in dit land blijven, waar ik alles verloren heb, ik ging naar Ralph, die mij zoo lang verzorgd heeft; hij is mijn vader! Maar wat zou hij aan mij hebben? Op de heide zou ik niet kunnen leven, waar hij mij aan zijn zijde zou zien wegsterven; vergeefs zouden zijn vermaningen en troostredenen zijn; ik kan Maria niet vergeten. Misschien vind ik rust in den oorlog; misschien kan ik nog leven, als het zwaard aan mijn zijde nooit in de scheede rust. Ha, als ik Maria eens winnen kon met de punt van mijn zwaard, dan zoudt gij mij weerzien. Zeg aan de jonkvrouw, dat ik haar alles vergeef; bid haar, dat zij ook mij vergeeft, en ik hoop dat zij gelukkig zal zijn. Morgen wacht Ralph mij op den berg; ga tot hem, en vertel hem, hoe ongelukkig ik ben; smeek hem dat hij zijn Frank zegent, hoewel deze hem verlaat. Zeg hem, dat ik zelf gekomen zou zijn, om zijn zegen te ontvangen; maar dat ik geen kracht voel om aan zijn droefheid weerstand te bieden; dat ik niet zou kunnen gaan, als ik hem weerzag; en dat ik toch niet zou kunnen blijven – en leven...”

„Zei hij u dat?” vroeg de schaapherder treurig, en Wouter antwoordde: „Ja, grijsaard, maar die woorden zijn koud. O, hadt gij den armen jongen kunnen hooren; maar dan zoudt gij hem aangesproken hebben, en hij was gebleven. Het kostte hem zooveel om u te verlaten, Ralph! Om Gods wil, vergeef het hem; weiger hem zijn bede niet; de zegen van een grijsaard geeft geluk.”

„Denkt gij dan, man,” zei Ralph, het hoofd oplichtend, terwijl hij de muts afwierp en naar den hemel zag, „dat ik niet gehard ben tegen de beproevingen des Hemels, dat ik den armen Frank, die mij verlaten heeft, mijn zegen zal weigeren, die hem den Hemel zal openen? Neen, meester, evenals hij, zeg ik, dat het verdriet hem nooit weer te zien, mij kan doen sterven, maar niet doen ophouden hem te zegenen.

De meester nam de muts af, en zag met eerbied naar den schaapherder, die zijn handen zegenend uitstrekte, en het oog ten hemel geslagen, met geestdrift uitriep: „Frank, wees gezegend, mijn kind!” Daarna vervolgde hij bedaard: „Heb ik niet gezien, hoe hij viel en ik nog overeind stond? Toen wilde hij sterven, en nu zoekt hij den dood. Zalig zijn zij, die in den Heere rusten; ik ben oud, Frank, ik zie u spoedig weer.” Een oogenblik zweeg hij, en vroeg toen: „En kunt gij niet vermoeden, waarheen hij ging? Zei hij u dit niet, meester?” en vorschend zag hij dezen aan.

„Neen, Ralph, zee waar ik leef, neen!” gaf deze ten antwoord. „Gisteren vr den nacht, bezorgde ik hem geld voor de kampen land, en schonk hem en zijn knaap elk een goede wapenrusting; want de kleeren van den Bisschop wilde hij niet behouden; hij vertrok daarop met zijn knaap, zonder te willen zeggen waarheen hij ging. Misschien richt hij zijn schreden naar Holland en steekt van daar naar Engeland over; doch dit is alleen maar veronderstelling; hij wilde niets van zijn plannen zeggen.”

„Het is wel,” zei Ralph; „want gij zegt de waarheid. O, als ik slechts wist waar hem te vinden, dan zou hij niet verder gaan en mij volgen; hij zou mij niet verlaten hebben, als hij hier gekomen was, – maar nu is hij verloren!” „Gij kent mij en de Vergulde Helm, oude,” zei de smid, en drukte den schaapherder de hand. „Bij nacht en dag staat mijn huis voor u open; mijn vrouw kent haar plicht; wij zullen u verzorgen en met u over hem spreken...

„Ik dank u, meester. Groet Maria van mij,” antwoordde Ralph, het hoofd schuddend, en toen Wouter zag, dat hij in gedachten verdiept scheen, en niet meer naar hem omzag, vertrok hij, na nog een blik van medelijden op den grijsaard te hebben geworpen, wiens sombere smart hij niet langer kon aanzien. Langen tijd zat de schaapherder bijna roerloos, en ondersteunde zijn hoofd met beide handen. Toen richtte hij zich op, tastte naar zijn muts, en nam den staf, die naast hem lag, in de hand. Nog hoorde hij het gezang van de monniken en de vrome Christenen, die hen volgden; maar met een schamperen lach wendde hij het hoofd om, en zei ernstig: „Was het niet genoeg, dat ik mijn dochter verloor, Bisschop! – Moet gij mij ook nog mijn kind, mijn Frank ontnemen? Wilt gij zelfs nog niet, dat ik u dank voor die weldaden? Helaas, gij hebt zeker gevreesd, dat gij zijn hart, het evenbeeld van dat van zijn moeder, niet zoudt kunnen verstikken met uw verradelijke geschenken, daarom ontneemt gij hem het kind dat hij liefheeft. Ha, gij hebt juist getroffen, Bisschop! Gij hebt zijn hart gebroken. Vrees niet, Frank, dat ik vr hem verschijnen zal, en hem smeeken u te laten opzoeken: nooit zie ik u weer; maar gij, gij hebt mijn zegen, en gij behoeft den zijnen niet; uw moeder heeft u gezegend, mijn zoon, ga in vrede; ik wil u niet weerzien, om u opnieuw te verliezen, om u opnieuw te zien zuchten onder zijn geschenken en listige woorden. Ga, mijn Frank; de heide is groot genoeg voor Ralph; hij zal er in vrede sterven; wees gelukkig, kind, – maar zult gij het zijn, voordat gij de aarde verlaten hebt...?”

Hier zweeg de schaapherder; maar nu schitterden zijn grauwe oogen, en hij strekte met dreigenden blik den staf uit: „Ha, Bisschop!” riep hij luid, „zult gij sidderen, of zal het priesterlijke gewaad uw hart bewaren tegen alle wroeging? Welnu, David van Bourgondi, gij, die mijn geluk en dat van mijn kinderen verwoest hebt, gij zult mij niet hooren, maar……”

Hier zweeg Ralph, en hij liet den staf zakken, om er op te leunen; hij zag naar den hemel, en liet toen het hoofd op de borst vallen, schudde het en zei zacht en treurig: „Neen, ik zal zwijgen, gij hebt voor hem gebeden, mijn dochter! Ik zal mijn vloek niet ten hemel opzenden; want hij zou hem eeuwig op de ziel liggen...” Hierop riep hij Wolf, die langzaam opstond: en Wouter, die, voordat hij de stad bereikte, nog eens naar de hoogte omzag, zag Ralph, den schaapherder, niet meer.

908SR15.gif (1832 bytes)

De bisschop en de schaapherderInhoudopgave OltmansBesluit

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)