J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DEEL II – HOOFDSTUK VI.

DE AFTOCHT.

Zoo vreeslijk de aankomst was des wreedsten der barbaren,
Zoo schandelijk was ’t vertrek van hem en zijne scharen.
Een af schrik voor zijn naam, trots, bloeddorst, woede en haat
Is all’ wat die barbaar voor eenwig achterlaat.
J. NOMSZ.

H.gif (3137 bytes)et vermoeden van Van Schaffelaar was zeer juist geweest. Toen Perrol geen antwoord van Amersfoort of Utrecht ontving en zijn ruiters niet terugkeerden, besloot hij Naarden te verlaten. Hij bekreunde zich weinig om het bezit van de stad; wilde hij haar bezet houden, dan liep hij gevaar door het volk van den Stadhouder en de burgers der omliggende steden en dorpen te worden ingesloten; – die van Amsterdam waren reeds in aantocht. – En trok hij af, dan was het niet noodig, de stad of de burgerij, welke men toch aan haar lot zou overlaten, te verschoonen. Een woeste vreugde heerschte er onder de Zwarte Bende, toen haar, nog eer de morgen aanbrak, door Walson die door de stad rende, werd bevolen zich tot den aftocht gereed te maken en de stad te plunderen. Sinds dat oogenblik bood dat stadje het droevige schouwspel aan van een aan de woestheid van het krijgsvolk overgegeven burgerij, en alle middelen, hoe verschrikkelijk ook, werden door de ruiters aangewend, om de plaats, waar de kostbaarheden en het geld verborgen waren, te weten te komen; gelukkig hij, die iets aan te wijzen had, en dus niet werd vermoord, omdat hij niet overgaf, wat hij bezat.

„De voertuigen, die in de stad gevonden of in den omtrek geprest waren, werden bevracht met huisraad, kleedingstukken en levensmiddelen; ook het vee, dat er gevonden was, lieten zij niet achter, en droefgeestig verlieten degenen, die gedwongen waren de paarden te besturen, de stad. Van alle zijden werd deze lange trein van wagens vergezeld door de ruiters, de een genoegelijken blik wierpen op hun buit en honderd en veertig van de voornaamste burgers, die als gijzelaars werden meegevoerd voor de brandschatting, welke de stad had aangeboden te betalen, gingen zwijgend tusschen de paarden, waarop de monsters gezeten waren, die na hen van alles beroofd, en hun vrouwen en dochters onteerd te hebben, nog den spot dreven met hun droefgeestigheid, en hen met de punten van hun speren aanspoorden, als de smart of de jaren sommige nu en dan niet snel genoeg deden gaan.

Perrol, die met Walson vooraan reed, zei, terwijl zij de hoogte opreden, die tusschen Laren en de stad ligt: „Het zal mij benieuwen, of men mijn mannen heeft durven terughouden, of dat zij Utrecht of Amersfoort in ’t geheel niet bereikt hebben.”

„Ik denk het eerste, Messire,” hernam Walson; „want niemand heeft immers vermoed, wat wij van zins waren, en van het Hollandsche krijgsvolk is in dezen omtrek geen mensch te vinden.”

„Ik weet het,” zei Perrol; „maar ik ben bevreesd, dat bisschoppelijke ruiters hen hebben opgelicht. Als het die verdoemde Van Schaffelaar maar niet geweest is, want de bruidegom zal misschien eens in de nabuurschap van Amersfoort gekomen zijn, om wat dichter bij zijn bruidje te wezen.” Nu lachte hij, maar vervolgde meer ernstig: „Het zou een nieuwe dienst zijn, waarvoor ik hem bedanken moest; ik zou ook beter gedaan hebben Quintijn met vijf en twintig man af te zenden; maar ik troost mij met den buit, en dat Froccard er ten minste ook bij geweest is.

„Indien de anderen gebleven zijn, Messire,” zei Walson, „dan wed ik, bij mijnheer St. George, dat hij er zich niet zal hebben doorgeslagen.”

„Maar misschien wel doorgelogen, Walsen,” zei Perrol vroolijk. „Doch zie eens welk een verrukkelijk gezicht zich hier voor ons opdoet; wat een aantal zwaar beladen wagens; jammer maar, dat wij zoo weinig klinkende munt gevonden hebben.” Walson hield nu ook zijn paard staande, zag om en zei lachend: „Ik voel nu geen spijt meer, dat wij Naarden verlaten hebben, want wat er is achtergebleven, is niets meer waard. Ha, ha, het is een verhuizing, die zeer gemakkelijk gaat en waarvan wij alleen de voordeelen hebben.”

„Zoo is het!” riep Perrol; „maar geloof mij, hoewel de som, die zij ons zullen brengen, omdat wij den rooden haan niet in hun huizen gestoken hebben, nogal van belang is, spijt het mij, dat ik mij heb laten overhalen, want niets is aangenamer, wanneer men een stad bij wijze van processie verlaat, zooals wij deze, dan dat men haar achter zich in brand ziet staan; de vlam en de rook geven meer levendigheid aan het tooneel. De laatste maal nog zag ik het aan de Schaffelaar; men kan verzekerd wezen, dat men niets achterlaat; niets verwoest gemakkelijker dan het vuur: één brandende toorts in een huis of een schuur geworpen, vernielt een heele stad; ’t is evenals een bal, die vanzelf langs de helling loopt, waarop men hem gelegd heeft.”

Een oogenblik daarna ontdekten zij, ter zijde van den weg, een der ruiters, de was afgezonden, en dood achter het kreupelhout lag. Perrol gelastte, zonder verder iets te zeggen, aan die achter hem reden, hun makker op te nemen en op den eersten wagen te leggen, die voorbij zou komen. Nu reed hij met Walsen een eindje vooruit, en onderhield zich met hem over zijn bijzondere belangen; hij gaf hem last eenige geldzaken niet heer Loef van Oosterweerd af te doen, en gaf niet onduidelijk te kennen, dat hij dezen ervan verdacht, zoowel aan heer David van Bourgondië, als aan de Utrechtsche partij geld te leenen, op een wijze, dat hij, buiten de dadelijke voordeelen, hoop had om, welke partij ook meester bleef in de toekomst, zijn voorschotten met woeker terug te krijgen. „Het is een slimme vogel,” vervolgde hij lachend: „maar ik kan goed met hem overweg en ik geloof, dat wij het verstandigst zullen doen, het graan, dat daar ginds op onze wagens ligt, inééns aan hem over te doen. Er is tegenwoordig gebrek in Utrecht aan granen en als ik dan aan iederen ruiter geld geef, zal hij altijd nog meer voordeel hebben, dan dat hij zelf zijn aandeel te gelde maakt.” „De meubelen en de andere roof blijven hun toch nog over,” zei Walsen; „zij hebben reeds voordeelen genoeg, en velen hebben een aardige som aan geld of goud- of zilverwerk in hun zadeltasschen.”

„Te veel is niet eens goed,” merkte Perrol aan, en vervolgde: „Maar van heer Loef gesproken; om een voorbeeld aan te halen: toen ik op den dwarsdijk lag, vertelde hij mij, dat hij naar Wijk moest, omdat zijn nicht dien knaap, die onder Van Schaffelaar dient, wenschte te zien; maar de zaak was eigenlijk, dat hij heer David een som gelds en misschien een paar inlichtingen kwam brengen; en in Utrecht deed hij het voorkomen, alsof hij naar de paardenmarkt geweest was, om een paar paarden te koopen, waaraan men in Utrecht gebrek had.”

Walsen deelde daarop aan Perrol een besluit mee, dat hij genomen had, namelijk, om Ada ten huwelijk te vragen; en nadat deze hem meesmuilend had aangeboord, barstte hij in een luid gelach uit. „Op mijn eer, edele Brit!” riep hij, „dat zou de grootste zotternij wezen, die ooit door een Engelsman begaan werd; maar wilt gij mij dan verlaten, of zijt gij voornemens met uw gekke vrouw de Zwarte Bende te volgen? Maar gij gekscheert, Walsen, mijn luitenant, getrouwd met jonkvrouw Ada, ha, ha, ha, dat zou te veel eer zijn voor mijn banier!”

Doch Walsen beduidde hem, dat hij in vollen ernst sprak, en zei, dat hij zich minder om de onnoozele jonkvrouw, dan wel om haar vermogen bekommerde, en dat hij haar zonder eenig hartzeer in dit land achterlaten, maar zorgen zou haar goederen van te voren tegen baar geld te verwisselen; ook sprak hij van heer Loef en diens zoon.

„Ja, ja, gij hebt gelijk,” zei Perrol, „die Reynoud is een stugge knaap, die evenmin als zijn vader eenige ridderlijke deugden bezit; hij draagt ons niet bepaald groote vriendschap toe; wees daarvan verzekerd. Maar bekommer er u niet over: hij zou in staat zijn u een langen brief te schrijven, ten einde u zijn verontwaardiging te kennen te geven over uw voornemen om zijn nicht te trouwen; doch daarbij zou hij het ook laten. Ik wil er al mijn paarden onder verwedden, dat hij nog nooit een mensch gedood heeft,” riep hij lachend: „maar, waarde heer luitenant, er zijn erger hinderpalen dan de zotte grillen van dien knaap; hoor eens en luister. Ada van Rijn is een zusters dochter van heer Loef van Oosterweerd; haar vader, die zijn vrouw reeds vroeg verloren had, was bevreesd, dat zijn dochter, die toen reeds niet wel bij het hoofd geweest moet zijn, een man zou trouwen, die niet voor haar geschikt was; daarom heeft zij slechts het vruchtgebruik van haar goederen, zoolang zij ongetrouwd blijft. Doch zij kan geen huwelijk aangaan, zonder verlof van haar oom, indien zij niet een aantal goederen wil verliezen, die haar grootste vermogen uitmaken, en welke goederen in dat geval op haar neef overgaan. De heer Loef, die sedert den dood van haar vader eenige voogd is, omdat zij geen andere bloedverwnaten heeft, heeft vruchteloos getracht Ada over te halen, zich met haar neef in den echt te verbinden, waartoe hij reeds de toestemming te Rome had weten te verwerven; want hoewel Reynoud, geloof ik, waarlijk op haar verzot is, heeft zij zijn aanzoeken van de hand gewezen. In dien tijd had heer Loef dus belang, alle vrijers te verwijderen, op wie hij niets zou kunnen aanmerken; maar toen kreeg zij opeens de kuur in het hoofd, om op dien Frank, zoo heet hij, geloof ik, te verlieven en dit stond den oom aan, want tegen dat huwelijk, dat hij in het geheim wenschte, zou hij zich in het openbaar verzet hebben; daarom heeft hij alle moeite aangewend, om dien gemeenen jongen aan zijn nicht te koppelen. Doch hetzij deze iets bemerkt heeft van de zaak, hoewel weinig menschen er het rechte van weten, of dat hij geen zin had in de gekke meid, heer Loef deed moeite tevergeefs, om de goederen op deze wijze te benaderen, en zij kunnen dus zijn zoon nog ontgaan.” „Maar ik ben een Engelsch Edelman, Messire!” riep Walsen. „De oom zou mij dus tevergeefs de goederen van mijn vrouw trachten te onthouden; ik ben uw luitenant, en gij zoudt immers niet toestaan, dat men mij die beleediging aandeed.”

„Neen, Walsen,” hernam Perrol, „en niet onwaarschijnlijk zou hij zich wel wachten, om mijn luitenant zijn huwelijksgoed te onthouden, of te kennen geven, dat hij aan uw adelijke afkomst twijfelde, maar,” vervolgde hij lachend, „andere bezwaren doen zich op, edele Brit! Ik geloof, dat de edele jonkvrouw liever als maagd zal sterven, dan u tot man nemen; zij bemint dien knaap immers.”

„Wat scheelt het mij, wien zij bemint,” riep Walson driftig, „laat haar met dien gemeenen ruiter naar den duivel loopen, Messire, al wat gij mij gezegd hebt, schrikt mij niet af; ik zal haar noodzaken mij te trouwen, en, bij mijnheer St. George, ik zal noch de eerste, noch de laatste zijn, die met geweld een vrouw genomen heeft.”

„Bravo!” riep Perrol vroolijk, „het huwelijk is een heilig sacrament, Heer bruidegom! Ik wensch u veel geluk, maar ga bedaard te werk; mogelijk weet ik u binnenkort de juiste woonplaats aan te wijzen van een aardig wijfje, dat u een middel zal verschaffen, om het hart van jonkvrouw Ada te vermurven, of u in een beeldschoonen jonkman te herscheppen; en misschien weet ik u dan zelfs ook den prijs wel op te geven. Wees nu zoo goed onze achterhoede eens te bezoeken, om te zien of alles geregeld voortgaat, want wij vorderen traag, dunkt mij.”

Toen Walsen vertrokken was, riep Perrol Vidal, die een eindje ter zijde reed, gaf hem eenige bevelen, en terwijl zijn knaap spoorslags in de richting van Amersfoort wegreed, zong Perrol een Fransch liedje, deed zijn paard nu eens draven, dan weer stappen of in den vollen ren plotseling stilstaan, of hij staakte zijn gezang en lachte luid; want hij beloofde zich plezier van Walsons vrijage.

908SR15.gif (1832 bytes)

De gevangenisInhoudopgave OltmansDe Hunnenschans

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)