J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

VIERDE DEEL. – HOOFDSTUK 1

BARNEVELD.

2. – TWEEDE DAG
Maar, kerk en toren krakt en kraakt,
En siddrend daar zij staan
En ’t vuur dat langs de leijen blaakt
Grijpt kerk en toren aan.
H. TOLLENS Cz.

M.gif (3526 bytes)et beklemde borst zagen de dorpelingen den dag aanbreken. Helaas, heden bracht de morgenstond hun geen vreugde, maar schrik; want de trompetten der Zwarte Ruiters bliezen, op last van Perrol, met schellen toon hun morgenlied. Een man, die op eenige bossen stroo lag te slapen, werd door deze muziek gewekt; het was Ralph. Hij bevond zich boven in een schuur, welke achterin den hof van een huis der Langestraat stond, en hield zich verborgen achter het stroo, dat hier bewaard werd. De reden, waarom hij zich hier ophield, was niet dat hij voor de inwoners van het dorp bevreesd was, die hem met eerbied en vrees beschouwden, maar om de Zwarte Ruiters te ontwijken, waarvan velen hem kenden; en tevens om te kunnen zien, wat er om en bij de kerk gebeurde. Zoodra de snerpende tonen der koperen instrumenten hem in zijn slaap gestoord hadden, richtte hij zich op, en zag door een kleine opening, die in het rieten dak was. Dit kijkgat werd door een soort halfronde luifel gedekt, waardoor het indringen van het water verhinderd werd, dat langs het dak afliep, als het regende.

Van de zijde van het Beeken-eind rukte de Zwarte Bende, ten minste het meerendeel daarvan, op naar het kerkhof. Het was een waardig slagveld voor de Zwarte Ruiters; op de graven der gestorvenen zouden zij hun veld geschreeuw aanheffen en nieuwe orders in de ontvleesde armen van den dood werpen. Waarom klonk nu de krijgsmuziek? Waarom had zij des nachts gezwegen? Was het, omdat Perrol toen zijn vijand nog hoopte te bekruipen, als de tijger het edele hert, dat zich onder de schaduw van het geboomte neergevlijd heeft? Nu hij zich bedrogen zag, nu zijn prooi hem ontsnapt was, wilde hij heer Jan van Schaffelaar verschrikken door het vertoon van al zijn macht. Het was een soort van zegepraal voor hem, zijn vijand diens machteloosheid voor oogen te stellen, en als het ware door den klank der trompetten in de ooren donderen: een ellendige overwinning, die een Perrol waardig was, en geen vat had op de gemoederen van de Schaffelaars; ten minste niet op het edele hart van den aanvoerder. Hij deed Frank de goede houding van hun vijanden opmerken, toen de Zwarte Bende uit de Langestraat te voorschijn kwam, en roemde de krijgstucht, welke de vreemdeling onder dit, meest onlangs aangeworven volk had weten in te voeren. Perrol, die de gewoonte had, zich licht gewapend aan het hoofd van zijn geharnaste mannen in een gevecht te vertoonen, om blijk te geven van zijn onverschrokkenheid, was nu van het hoofd tot de voeten gewapend, hoewel zijn wapenrusting hem drukte, en hij ze vooralsnog niet noodig had. Hij troostte zich echter dit ongemak; want hij was bevreesd, dat zijn vijand bemerken zou, dat hij zoo sterk niet meer was als voorheen; dat diens hand, na zooveel tijdsverloop, als het ware nog op hem drukte. Met tevredenheid reed hij weer op dat paard, dat alleen hem gehoorzaam was; aan welks verlies hij alleen zijn ongeluk bij Westbroek geweten had; hij was trotsch op zijn Hector, dien hij door zijn schandelijke weddenschap verloren, en als een roover onridderlijk heroverd had.

Perrol richtte gedurig het hoofd op, en zag naar de spits, den omgang en de bomgaten; misschien bekroop hem plotseling de vrees, dat Van Schaffelaar zich had weten te verwijderen; daarom wenkte hij met de hand en de krijgsmuziek zweeg; de zwarte slang, die het kerkhof reeds bijna geheel met haar lichaam omwonden had, bleef onbeweeglijk staan; maar geen geluid of geroep stelde zijn wraakzuchtig hart gerust. Toen hoorde Ralph, hoe de ruiters, die vr den toren de wacht hielden, Perrol toeriepen en naar den toren wezen; de aanvoerder vergat zijn zwakheid en de zwaarte van zijn wapenen, gaf zijn paard de sporen, en sprong over den muur op het kerkhof. Waagde het eindelijk een van zijn vijanden, die hij reeds half dood waande van schrik, door den opgestegen rook zich te vertoonen, of braken zij eindelijk het verachtend stilzwijgen af, dat zij tot nog toe bewaard hadden? Neen! Niets van dat alles gebeurde er; maar toen hij vr den toren reed, toen zijn oog langs den rooden muur naar boven klom, werd hij een schild gewaar, dat van den omgang afhing; het droeg een wapen, waarop de zilveren lelie prijkte boven den gelen balk op het roode veld.

Hij herkende dit wapen, welks gepolijst staal de stralen der zon terugkaatste, en, als met een vurigen stralenglans, de schitterende kleuren van het geslachtswapen van Jan van Schaffelaar omringde. O, dit schild zei hem meer dan de ergste smaadwoorden, dan het veldgeschreeuw van zijn vijanden, al ware het door duizenden monden herhaald; dat schild, waarvoor hij met paard en wapens was neergevallen, dat het zijne had zien zinken, zei hem, dat heer Jan van Schaffelaar zich op den toren van Barneveld bevond – en hem trotseerde. Hij strekte zijn ijzeren handschoen uit, alsof hij het met zijn hand wilde neerhalen; maar de toren was hoog; zijn oog kon het terugkaatsen van de zon op het staal niet verdragen, en hij riep woest: „Gij hebt welgedaan, leenman van den bisschoppelijken basterd, om uw wapen vr dien kerktoren op te hangen; maar al hangt het nog zoo hoog, toch zal ik het ter aarde rukken. Het is de laatste maal, dat het zich verheft; ik zal het verbreken, per moio, evenals ik den laatsten der Van Schaffelaars verpletteren zal. – Zoo waar als ik Perrol ben, gij noch uw wapen, zullen dit kerkhof meer verlaten: uw geslacht en het wapen zal hier voor eeuwig verdwijnen. – Per moio, mijn zwaard zal hooger reiken dan dat schild, je le tien haut!” Bij deze woorden wees hij eerst naar den toren, en sloeg toen op zijn schild, dat hij naar voren trok, waarop het ontbloote zwaard stond en zijn spreuk te lezen was.

Toen Perrol zweeg, en geen stem van den toren hem antwoordde, deed hij zijn paard omkeeren; maar eer het vooruitsprong, viel er een groote steen tusschen de klankborden uit; een zachte uitroep van vreugde van den herder vermengde zich met het geschreeuw der ruiters. Hoe meer de steen de aarde naderde, hoe sneller hij viel; echter miste hij zijn doel; want de hengst van Perrol deed juist den eersten stap, toen hij den aanvoerder zou hebben getroffen, en de platen, welke den rug van Hector bedekten, rammmelden toen de steen er langs afgleed. Het moedige dier verhief zich opeens op zijn achterpooten, en snoof door zijn neusgaten zijn oogen schoten vurige stralen door de openingen van de zwarte ijzeren plaat, die zijn kop van voren bedekte. Sommige ruiters snelden toe om hun heer op te vangen, die uit den zadel dreigde te vallen, en de rechterhand aan den zadelknop sloeg; doch hun vrees duurde slechts een oogenblik; want de sporen, die geheel bebloed uit de zijden van het weerspannige dier te voorschijn kwamen, deden het vooruitspringen. Nog eens waagde Hector het, den kop schuddend, te steigeren; doch opnieuw bewogen zich de met scherpe punten gewapende hielen, terwijl een krachtige hand het bebloede schuim langs zijn bek deed neerloopen, en het dier onderwierp zich. De vrees had het zoo stout gemaakt om zich te verzetten, maar het besefte de vruchteloosheid van zijn poging, om zijn rug van den ijzeren man te ontslaan, en Perrol liet, onder de toejuiching van zijn mannen, het paard eenige bewegingen maken, die iedereen bewezen, dat hij zijn overwicht er op hernomen had; eerst toen verliet hij het kerkhof, evenals hij er op gekomen was.

Maar niet verder vervolgde hij zijn optocht rondom den muur; de rijzige ruiters trokken met de krijgsmuziek af, om hun paarden naar de stal te voeren, waar zij opgezadeld moesten blijven staan; zij die te voet gingen, en met hen een tiental van hun makkers en hun paarden, om zijn bevelen over te brengen, als het noodig mocht zijn.

Frank had gestampvoet, toen hij bemerkt had, dat Perrol zijn paard bereed en het volkomen meester was; doch Van Schaffelaar liet niet merken, dat het hem smartte, toen hij achter zijn vijanden zijn trouwen Moor bij een gemeenen halster zag rondleiden.

Het edele dier stapte vol moed voorwaarts, hoewel het van zijn kleeden en wapens beroofd was, en twee ruiterknechten bedwongen dikwijls met moeite zijn tegenstand. Thans keerden de rijzige ruiters, die met vuurwapens en kruisbogen voorzien waren, benevens vele mannen van wapenen terug. Inwoners van het dorp zag Ralph niet, dan nu en dan eenige, die op last van de krijgslieden het een of ander aandroegen, en vloeken en slagen ontvingen voor hun loon. Perrol deelde nu zijn bevelen uit. De voet- en kruisboogschutters verdeelden onder elkander het vlas, dat een boer had aangedragen, en weldra omringden zij aan alle zijden den toren. Achter hen stonden degenen, die vuurwapenen hadden; de lonten werden ontstoken, en het buskruit en de kogels in de wijde openingen der bussen gestampt. Kleine vuren van spaanders en kienhout brandden weldra vr de gelederen der boogschutters; de pijlen met vlas omwonden werden gedoopt in de hars of het pek, dat op de vuren gesmolten was; de afhangende einden weren aangestoken, als de pijl voor de gespannen pees lag, en weldra snorden van alle zijden een aantal brandpijlen door de lucht, en drongen door de kracht der stalen bogen, in weerwil van den afstand, tot aan het einde der lange scherpe punten, in de houten planken, die de bomgaten sloten. In het eerst schenen eenige onzichtbare handen de brandende schichten te verbrijzelen; maar weldra groeide het aantal der pijlen zoozeer aan, dat men dit gevaarlijk werk scheen te staken. Niemand vertoonde zich op den omgang, om de brandstichters te verdrijven, en tevergeefs wachtten de busschieters op hun wapenen geleund, dat zich iemand zou vertoonen, om aan hun kogels ten doel te strekken. Ralph zag, hoe de eene pijl vr, de andere na, in de droge planken drong. Eerst waren het weinige vlammetjes, die hier en daar flikkerden, maar die, evenals de sterren aan den hemel, hoe langer hoe meer zichtbaar werden en in getal toenamen, totdat eindelijk een witte rook verried, dat de dikke eiken planken hadden vuur gevat.

Op ditzelfden oogenblik openden zich de gelederen der boogschutters, en zij, die anders met pieken gewapend waren, traden op last van Perrol met spoed naar den toren, en voerden een dubbele ladder met zich mee. Ralph bemerkte nu, dat de aanvoerder, het als onmogelijk beschouwde om de bomgaten te bereiken, en door de opening, die in de tweede verdieping was, naar binnen wilde dringen; want de ladder werd opgericht tegen het luik, dat, boven den ingang van den toren, vr deze opening was. Waarschijnlijk hinderde de rook degenen wel, die de ladder beklommen; maar deze ontrok hen ook aan het oog van hun vijanden, die bovendien door het vuur en den rook der brandende planken zelf reeds verhinderd werden, om te zien, welk gevaar hen bedreigde. Het luik, dat waarschijnlijk te dik was om spoedig opengehakt te worden, werd geheel bestreken met pek, dat in een pot naar boven werd gebracht, waarna de ruiters weer afklommen. Nu werd de ladder opnieuw beklommen. Ditmaal voerden zij een grooten lap doek met zich, die van het pek droop, waarmee hij bestreken was. Het kleed werd bevestigd, door spijkers op spien met de hand zoo vast mogelijk tusschen luik en den muur te klemmen. Vervolgens liet Perrol het vlas en stroo aandragen, dat van hand tot hand naar boven ging en de soort zak, welken het kleed vormde, werd er mee gevuld. Maar daar verheft zich een gekraak boven aan den toren, en de brandende klankborden vallen naar buiten. Nu en dan vertoont zich een dunne balk buiten den muur door de kracht der stooten; de bussen worden tegen borst of schouder gedrukt; vuur en rook is nu ook beneden den toren, en de knallen der bussen klinken gestadig; de onzichtbare kogels dringen fluitend in den toren: de belegerden willen het door hun vijanden ontstoken vuurwerk niet langer aanzien.

Aan alle zijden is de toren omringd door een rook, die zich, als men het zoo noemen mag, aan de steenen tracht vast te klemmen, en het wordt moeilijk alles te overzien. Dr vestigt zich het oog van Ralph op iets, dat zich als een witte rook tegen de leien spits vertoont, zich beweegt, en uit een voorwerp dat schittert schijnt op te rijzen. Brandt het dak reeds? – was zijn eerste gedachte; maar hij ziet scherper toe; wat zijn oog getroffen heeft verandert van plaats; hij ziet n – twee witte vederbossen op den omgang. De Zwarte Ruiters schenen nog niets te bemerken, o, waarom kon hij den Schaffelaars niet zeggen, wat hen bedreigt! Maar daar gaan zij vooruit; zonder schroom zien zij over de borstwering, ’t is alsof hun vijanden met blindheid geslagen zijn. Ha! God zij gedankt, daar staan zij boven de poort stil. Heeft hij het wel, of houdt de geharnaste man, die ver over den rand heen buigt, zijn makker terug, en weerhoudt hij hem om zijn gevaarlijke daad te volgen? Wappert niet de groote vederbos op den stalen helm boven het wapenschild? Ja, want Perrol schreeuwt en zijn woeste stem verheft zich boven het geweld, dat om den toren heerscht: „Drukt los de bussen, voor den satan, daar ” en hij strekt de Roode Hand naar den toren uit. De looden kogels stuitten tegen steen en ijzer af, en Ralph zag, toen de rook een weinig verminderde, de witte pluimen niet meer bewegen. Waren het de helm en het harnas, of was het alleen het schild, dat getroffen was? Ook Perrol trad tevergeefs achteruit, om iets naders te zien. Het luik was tot bovenaan bedekt door het vlas en stroo, dat er vr gestopt was. De ruiters droegen weer een pot met pek of hars aan, om dien over dit alles heen uit te storten, opdat de uitwerking des te vreeselijke zijn zou, maar Perrol, die zijn vijand had gezien, wilde niet langer wachten, maar riep: „Steekt aan, Per moio! steekt er den brand in, voor den duivel!” Men gehoorzaarnden en een toorts werd aangestoken. Perrol scheen, evenals Ralph, eerst naar den omgang te zien, die geheel verlaten scheen, en toen naar de fakkel, welke de ruiters elkander aangaven. Met angstige oplettendheid zag de oude man de vlam het donkerbruine brandkleed naderen; maar ziet, op eens verdween de toorts; een vreeselijk kraken, gevolgd door angstgeschreeuw en woeste kreten, paarde zich met het rammelen der wapenrustingen en met een doffen slag; de brandstoffen hadden geen vuur gevat, en de ladder was verdwenen. Stomme verbazing heerschte er op het kerkhof, en de handbussen zwegen; ongemerkt hadden de belegerden een zwaar en vrij lang stuk hout boven op de borstwering van den omgang gelegd en het er van afgestooten.

Het stof, dat door het vallen van den balk en de ruiters was opgestegen, verhinderde hen eerst te zien, maar weldra hoorde men het geschreeuw van de gekwetsten. De toorts was op den voorraad brandstoffen gevallen, welke vr de deur lag, en waaronder en -over de pot met pek en hars was omgestort. Zij, die den brand hadden willen stichten, worstelden te midden van de vlammen. Hun makkers snelden toe, maar juist werden de klankborden aan deze zijde ook naar beneden gestooten, waardoor zij, die kwamen om te redden, terugtraden, en er zelfs twee hunner mee neervielen. Wie nog eenige kracht hadden, kropen zelf uit de vlammen weg, die hen echter niet schenen te willen verlaten, want het pek, dat aan hun harnassen zat, bleef branden, toen zij zich reeds van het vuur verwijderd hadden. Op bevel van Perrol, wien het speet, dat zijn ladder gebroken was, werden alle gevallenen eindelijk uit de vlammen gesleept, welke langs den grond bleven branden; doch voor eenigen hunner kwam de hulp te laat, zoo zij zelfs niet altijd vruchteloos zou geweest zijn. Toen zag Ralph, hoe Perrol, een der boogschutters den gespannen boog uit de hand rukte, een omwoelden pijl aanstak, voor de pees legde en zonder te mikken de brandstoffen in brand schoot, die voor het luik tezamen waren gepakt, den boog wegwierp, en met de linkerhand op zijn zwaard geleund, de ontwikkeling der vlammen gadesloeg.

Waarschijnlijk beseften de belegerden de nutteloosheid om eenige pogingen tot afweer van den brand te doen; sedert de laatste borden waren weggeschoten, scheen alles op den toren weer in rust te zijn, en men hoorde er niets bewegen. Tevergeefs traden zelfs de ruiters op een verren afstand, om door de bomgaten iemand te zien te krijgen. Uitgezonderd eenige kleine stukken hout, welke nog boven aan den toren smeulden, was het vuur geheel uit, behalve vr het luik; maar het brandde met een ongehoorde woede; het was alsof de geheele toren met pek en zwavel gevuld was, en dat dit de eenige uitweg der vlammen was. Gelaten zag Ralph naar den opstijgenden zwarten rook; naar het hem voorkwam, drong de stank van pek en zwavel tot hem door. Wellicht dacht hij, dat alle hoop verloren was, dat niets meer redding kon brengen, of misschien vertrouwde hij op den moed en het geluk van de belegerden. Perrol zelf, die zich vergast had, toen de vlammen uitbraken, verwijderde zich nu voor een oogenblik, terwijl men zich onledig hield om van alle zijden ladders aan te brengen; mogelijk gevoelde hij de behoefte om uit te rusten, en wilde hij niet gaan zitten voor het oog van zijn vijanden.

Een beweging, welke nu onder de Zwarte Ruiters ontstond, die tot nog toe meestal naar de vlammen gezien hadden, wekte Ralph uit de soort verdooving, welke hem bevangen had. Hij zag, hoe een der mannen van Perrol uit de kleine deur van het traptorentje in de goot van de kerk stapte, en langs een ladder, welke men hem toestak, tegen het middelste dak opklom. In het eerst dacht de schaapherder, dat men van deze zijde wilde beproeven, om een der bomgaten, of wel den omgang te bereiken, en hij plaatste zich voor het gat, dat hem in staat stelde de achterzijde van den toren gade te slaan; maar hij bedroog zich, want men voerde geen andere ladder aan, en geen der Zwarte Ruiters volgde hun makker, die nu boven op de nok stond. Hij scheen tot de mannen van wapenen te behooren, hoewel hij noch speer noch schild voerde, en de platte boden strook, welke het kerkdak dekte, bleek breed genoeg voor hem te zijn, om er voor- en achterwaarts op te gaan.

Toen hij halverwege het koor en den toren gekomen was, bleef hij staan, en schikte zijn harnas terecht, dat door het klimmen verschoven was, verzette zijn helm, plaatste den rechtervoet vooruit, sloeg driemaal met zijn hand op de greep van zijn groote zwaard, en schreeuwde snoevend: „Heidaar, kerels, vertoont u eens, als gij durft, en houdt u niet schuil als de kerkuilen bij den dag. – Ha, waar blijft gij? Is het niet genoeg, Heeren, dat ik de moeite genomen heb om den halven weg af te leggen? Durft gij u niet op dezen smallen weg wagen, of zijn uw oogen door den rook bedorven? Maar men antwoordde hem niet, en hij vervolgde schamper: „Ik zie nog niemand! Heer Van Schaffelaar! Heidaar, kom op, dappere ridder! Ik wacht u; ik ben Rogardo, de Italiaan! Vertoon u, ha!” riep hij met den voet stampend. „Is dat het antwoord, papenruiters, die zelf de heilige leien van dit dak vernielt, toen een steen, welke uit den toren naar hem werd geworpen, hem niet bereikte, maar eenige leien van het dak verbrijzelde en in de dakgoot neerviel.

„Ellendelingen!” schreeuwde hij kwaadaardig, „zijt gij allen lafaards, van den aanvoerder tot den verdraaiden knaap? Zijt gij bang voor dit zwaard, dat reeds zoovele gladde rustingen heeft verbroken? Vecht gij nooit dan met overmacht! Blijft gij terug voor mij alleen……! Voor Rogardo……?”

Ralph voelde, dat Van Schaffelaar te verstandig was, om den Zwarten Ruiter met eenig antwoord te vereeren, en dat geen van zijn ruiters het zou wagen, om zonder zijn toestemming gehoor te geven aan deze uitdaging. De kwaadheid en trots van den Italiaan vonden nieuw voedsel in de voorzichtigheid van zijn vijanden; hij trok zijn zwaard en riep: „Hier, met dit zwaard, dat uw makkers heeft verslagen, wil ik bewijzen, dat heer Jan van Schaffelaar een ellendeling is. Per Bacco, ik, Rogardo zal zulks bewijzen!”

„Zwijg!” riep op eens uit den toren een stem, die den schaapherder deed opspringen. „Staakt die loogentaal; de Zwarte Ruiters hebben de Schaffelaars niet ontmoet dan in Eemnes, en zij zijn daar allen met hun luitenant gebleven.” „Gij liegt!” schreeuwde Rogardo met zijn zwaard dreigend. „Ik ben daar geweest, en sta hier nog, – ik zal u bewijzen, dat gij liegt, – daal af……!” Doch niemand liet zich zien, of viel hem in de rede, en de schaapsherder werd weer gerust, het ongeluk, dat hij verwacht had, scheen weer te zijn geweken. Toen vervolgde de Italiaan lachend, na een oogenblik te hebben gewacht: „Voor den satan, waar blijft hij, die daar zooeven sprak, zijt gij het zelf geweest, Van Schaffelaar? Welnu, daar het strijden u niet bevalt, zal ik over de dochter van den smid spreken: gij weet zeker, wie haar na uw dood zal verzorgen? O, de Zwarte Ruiters houden veel van ouden wijn en jonge meisjes; zij zal ons welkom zijn, als de aanvoerder haar van zich stoot. Ik, Rogardo, ik beloof u haar te zeggen, hoe vroom haar bruidegom zijn leven bewaard, en hoe hij zijn eer verloren heeft. – Ha, ha, zij zal een goed leven met mij hebben, die Maria; zij zal ons allen gelukkig maken, totdat de aanvoerder haar van de bende laat verdrijven, en dan – wat zal dan de bruid van den edelman, den laffen handlanger van den Bourgondischen bastaard zijn, h, Heer Van Schaffelaar.”

De schaapherder zag met donkere blikken naar den lagen ruiter, die de onschuld lasterde, en met het ongeluk spotte, dat den braven aanvoerder en zijn mannen dwong, om alleen met verachting zijn taal te beantwoorden. Misschien stelde de zonderlinge grijsaard belang genoeg in Maria, die door Frank bemind werd, en in de eer van Van Schaffelaar en zijn bende, waarbij zijn jongen diende, om verontwaardigd te zijn over deze taal; hij herkende den Zwarten Ruiter dien hij meer, en het laatst in Eemnes, bij den slagboom gezien had; hij zag met leede oogen zijn krachtige gestalte, en hoorde ongeduldig zijn verachtend lachen.

„Genade, makkers!” riep de Zwarte Ruiter plotseling, en strekte zijn zwaard en zijn linkerhand naar beneden uit, alsof hij hen van de kerk en den toren wilde verwijderen. Ralph zag, hoe de bogen en bussen van den schouder of de borst werden afgenomen. „Genade voor hem!” schreeuwde Rogardo spottend lachend. „De eerste, die hem een kras op zijn harnas geeft, zal met mij te doen hebben, – hij behoort mij!”

Nu eerst zag Ralph, die alleen op den Zwarten Ruiter gelet had, wat er gebeurde. Boven op de borstwering van den omgang zat een ruiter in blinkend harnas; de laatste woorden van den man van Perrol gingen hem door merg en been. Wie was de roekelooze, die zich daar ten doelwit stelde aan aller pijlen en kogels? Hij zag zijn gelaat niet, dat door den voorovergebogen helm verborgen was; het was ook te ver af; maar het was de vederbos van den aanvoerder niet. Nu had de ruiter zijn voeten in de lus van een touw geplaatst, dat men van boven liet schieten; hij zakte af, terwijl hij rechtop stond, en zich met zijn handen vasthield aan het touw, dat gedurig ronddraaide. Nu eens was zijn gelaat naar den toren, dan weer naar den Zwarten Ruiter gekeerd, die hem afwachtte. Spoedig bereikte hij het dak, trad uit de lus van het touw, en zag naar beneden! Hij scheen met het oog de diepte te meten, die ter weerszijden aan zijn voeten was, hij scheen te berekenen wat zijn lot zou zijn, als hij tusschen de daken in viel. Nu trok hij zijn rechter handschoen in de hoogte, hief het hoofd met edelen zwier op, en vroeg luid en dreigend: „Zijt gij het, man van Perrol, die in Eemnes geweest zijt, en nog leeft?”

„Ja,” riep Rogardo spottend, „en Per Bacco! nog lang zal leven, als ik u van dit dak geworpen zal hebben!”

„En ik, ik ben er niet geweest,” vervolgde de ruiter, wiens eerste woorden den schaapherder hadden doen sidderen, want hij herkende Frank. „Gij behoort mij! De dood, dien gij op den Wakkerdijk ontkomen zijt, zal u hier bij het heldere licht der zon noodzaken om Walson en degenen, die met hem waren, te volgen.”

„Is dat alles, wat gij te zeggen hebt?” vroeg Rogardo, die met het zwaard op het lood figuren trok, en lachte, „ik dacht dat gij gekomen waart, om de lafheid van uw aanvoerder te verbergen, de eer van zijn bruid op te houden, die zij reeds lang verloren heeft, ha, ha!”

„Zwijg, vervloekte Italiaan!” riep Frank, die zijn zwaard trok, „vraag aan Perrol met de Roode Hand, wie de man is, die hem ter aarde geworpen heeft; maar denk niet, dat ik gekomen ben om te antwoorden op de lasteringen van een gemeenen snoever, dien ik veracht; ik kom alleen, om u voor eeuwig het zwijgen op te leggen, – en ik heb haast.”

„Ha, ellendige jongen!” schreeuwde Rogardo, die zijn helm sloot en een paar stappen voorwaarts deed; maar Frank bespaarde hem de moeite, om verder te gaan; want hij trad snel op hem toe, terwijl hij zijn vizier naar beneden drukte. Een oogenblik stonden de groote ruiter met de zwarte rusting, en hij, die het blinkende harnas droeg, tegenover elkander. Beiden hielden het hoofd rechtop; zij wisselden geen woorden meer, maar dreigende en wraakgierige blikken door de nauwe sleuven in het ijzer dat hun gelaat bedekte. Met het angstzweet op het gelaat zag Ralph den knaap, dien hij had opgevoed, dr staan; had de gunst hem dan bedrogen, toen hij des morgens velen vallen zag, maar hem niet? Hoe edel was zijn houding, hoe krijgshaftig stond dat gladde staal, dat zoo juist mogelijk zijn welgevormde leest omsloot, en dat misschien door de hand van den meester uit de Vergulde Helm was afgewerkt! Hoe schoon, maar ook hoe zwak was hij, in vergelijking met den breedgeschouderden en langen man van wapenen der Zwatre Bende! Opeens en als door een gelijktijdige drift bezield, werden de zwaarden opgelicht, zij verhieven zich hoog zonder elkander te raken of te zoeken, en daalden toen snel neer; geen schild beveiligde hier helm of harnas, de enge plaats, waar het gevecht plaats had, gedoogde niet, dat men een slag ontweek. Elke houw, die toegebracht of opgevangen werd, scheen den schaapherder te treffen; zijn grauwe oogen waren dof en zonder vuur. Het groote zwaard, dat door den Zwarten Ruiter gevoerd werd, scheen een schrikwekkende kracht te hebben; Frank moest terugtreden O, dat oogenblik was verschrikkelijk voor den ouden man, en een uitroep van wanhoop ontsnapte hem, toen de roekelooze vriend van Van Schaffelaar naar den toren omzag, vanwaar men hem scheen te roepen, want Rogardo maakte van deze gelegenheid gebruik, en trof den gladden helm. Doch Rogardo was Perrol niet, en hoewel Frank bijna neerviel, hield zij zich staande, terwijl hij op zijn zwaard leunde. Rogardo lachte woest, en Frank richtte zich fier op, voordat zijn vijand hem voor de tweede maal trof. Een luide uitroep gaf zijn moed te kennen, maar ook de wraakzucht, die hem bezielde. Was de uitroep hem bijna noodlottig geweest, de gedachte, dat hij streed onder het oog van den bruidegom van Maria, van zijn weldoener, verdubbelde zijn krachten. Het was nu aan Rogardo, om achteruit te gaan; het touw, dat misschien opgehaald was, om een tweeden man van den toren af te laten, bleef nu halverwege hangen; een geharnaste man, die zich hoog boven den omgang vertoond had, verdween weer. O, met welk een oplettendheid volgde nu het oog van Ralph de twee mannen, die elkander op de nok van het kerkdak zochten te vermoorden! Hoe schitterde zijn oog van vreugde! Hoe was hij gereed om te roepen: „Het is Frank; ik heb hem opgevoed, de jonge held met zijn blinkende rusting, is de gewezen herdersknaap van Ralph!”

Reeds was Frank de plaats voorbij, waar het gevecht begonnen was; het zwaard, dat hij met beide handen voerde, daalde zoo snel neer, dat Rogardo, brullend van woede, steeds moest wijken. Het was, alsof de jonge ruiter grooter was dan zijn vijand, die misschien eindelijk besloot om niet verder achteruit te gaan. O, hoe snel en wild flikkerde zijn zwaard, waarmee Frank scheen te lachen, die achteruitsprong, alsof hij op den vasten grond was, weer vooruitsnelde, en niet een houw het vizier van Rogardo bijna verpletterde! De wreker van de eer van Maria en haar bruidegom verdubbelde zijn slagen; nu eens ontweek hij het zwaard van den Zwarten Ruiter of ving het op, dan weer bekreunde hij er zich niet om waar het zou neerdalen: hij had zich immers in de hoede van God aanbevolen. Zoo werd de man van Perrol, zoo werd de snoever genoodzaakt te wijken. Met stomme verbazing zagen zijn makkers den gevreesden Rogardo, dien ouden ruiter der bende, terugtreden voor zijn jongeren en op het oog minder sterken vijand: nu eens zette hij den voet achteruit om een slag te ontwijken, dan weer sloeg Frank hem met zijn zwaard, als het ware terug. Eindelijk waren zij het koor genaderd, en de Italiaan, die een paar stappen achteruit deed, leunde, naar adem hijgend, op zijn zwaard. Ook Frank bleef staan, en liet zijn wapen zakken; ook hij scheen vermoeid. Langzaam boog de Zwarte Ruiter het hoofd voorover, en zag nu eens aan de eene, dan aan de andere zijde van de kerk naar zijn makkers, maar zijn stem klonk niet door het half vernielde vizier; hij zou nu geen genade gevraagd hebben voor den jongen man, wiens krachten hij te vroeg veracht had. Doch zijn makkers gebruikten hun wapens niet, en hij was te trotsch, hun te verzoeken om hem te redden; nog hoopte hij te overwinnen; hij kon bijna nog niet gelooven, dat hij, Rogardo, langer zou behoeven te wijken. Ralph kon de woeste uitdrukking van zijn oog niet zien; maar hij meende hem van woede te zien sidderen. Rogardo richtte zich snel op, en drong op Frank in, die zich niet liet overvallen, maar hem zelfs tegemoet trad. Voor een oogenblik was het twijfelachtig, of de Zwarte Ruiter den voet weer zou zetten op het gedeelte van het dak, dat boven het schip der kerk was, dan of zijn vijand hem ook boven het koor zou vervolgen. Maar spoedig was het dit niet meer; Rogardo had den tijd niet, om zijn slagen toe te brengen, nauwelijks dien om het zwaard van zijn vijand af te weeren, en niet te vallen of mis te stappen op de nok, welke hier nog smaller was, toen hij opnieuw den terugtocht moest aanvangen. Hoe langer hoe onzekerder werd zijn gang, en de overmacht van zijn vijand scheen zijn arm te verlammen. Hij zag ter zijde, maar het dak was steil en de goot niet breed; als hij zich hier liet afglijden, wachtte hem toch de dood, want hij viel dan op het kerkhof. Een nieuwe slag op zijn helm herinnerde hem er aan, dat zijn tegenpartij hem den tijd niet zou laten, al waagde hij, Rogardo, het om te vluchten. Tranen van aandoening bevochtigden de oogen van den ouden schaapherder; hij was trotsch op de daden van Frank, en voelde zich meegesleept door dit betoon van moed en dapperheid, hoewel hij altijd de keus van Frank om het herderspak voor het harnas te verruilen, had gelaakt. Hij zag nu, hoe Rogardo den laatsten stap gedaan had, hoe hij bijna tegen het ijzeren kruis rustte, dat op de uiterste punt van het koordak was, al zijn krachten verzamelde, en het zwaard nog eens ophief, dat echter machteloos neerzonk, toen Frank, eer het treffen kon, een der armen raakte, welke het hadden bestuurd. Nu dacht Ralph, dat de Zwarte Ruiter zou vallen, maar het kruis steunde hem.

Er heerschte een oogenblik doodsche stilte; beide zwaarden rustten met de punt op het lood; dat houwen, dat klinken van harnas en lemmet, dat zoo vreeselijk en onophoudelijk geweest was, had opgehouden. Toen hief Frank zijn zwaard op; ook Rogardo scheen hetzelfde te willen doen, want hij zette den rechtervoet vooruit en verliet voor een oogenblik de eenigszins gebogen houding, waarin hij gestaan had; maar zijn zwaard bewoog zich niet, en hij hernam zijn vorige houding weer. Ralph zag, hoe Frank hem met de punt van zijn zwaard op het borstharnas sloeg, terwijl deze luid: „Op, lafaard!” riep en hij hoorde de Zwarte Ruiters als uit n mond schreeuwen; „Op, Rogardo!”

Doch de Italiaan bewoog wel het hoofd en trachtte zich op te richten, maar zijn moed of zijn krachten hadden hem verlaten, toen hij gezien had, dat het gevecht in zijn nadeel zou uitvallen. Nu hoorde Ralph een kreet van verwondering en woede opgaan, en de ruiters grepen naar hun bogen en vuurwapenen; maar een doodelijke stilte verving op eens dit gerucht.

„Dat Perrol met de Roode Hand en de geheele Zwarte Bende sterven, even ellendig als gij! – Sterf, Rogardo!” riep Frank met donderende stem, terwijl hij zijn vijand, die als versteend tegenover hem stond, het lemmet van zijn zwaard bijna tot aan het gevest onder het borstharnas stiet. Rogardo liet zijn zwaard vallen en boog zich achterover, een oogenblik door het kruis gesteund; daar lag hij, half staande, met neergebogen hoofd en hangende armen, toen Frank het zwaard terugtrok. Het kruis kon echter den zwaren last niet dragen, maar brak; de Zwarte Ruiter viel met het teeken des geloofs langs het dak. Zijn helm bereikte het eerst de goot, zijn beenen beschreven een vierde van een cirkel, maar vielen over den rand van de dakgoot heen, en toen het gedeelte van het lichaam, dat naar buiten afhing, het zwaarste werd, viel de man van wapenen op het kerkhof neer. Daar lag Rogardo, de Italiaan, die, uit Eemnes ontkomen, hier den dood vond, omdat hij Maria en haar bruidegom beleedigd had.

„Schiet hem neer!” riep nu een stem, welke Ralph herkende, en Perrol snelde het kerkhof op, terwijl Rogardo met een doffen slag neerviel. Het was alsof een nevel het oog van den schaapherder bedekte; hij hoorde de vuurwapens lossen, en de pijlen sissen, maar tevens ook de stem van Frank, die: „Leve Van Schaffelaar!” riep. Dat gaf hem weer moed. Hij streek zijn hand over zijn oogen, en zag de blinkende wapenrusting in den kruitdamp bewegen. Frank scheen het zwaard op te steken en naar den toren te gaan, in weerwil van de pijlen, die om hem heen vlogen. Daar nadert hij reeds den muur, waarvan het touw afhangt; maar het buskruit ontbrandt weer, en Frank valt voorover, terwijl de vuurwapenen knallen en de Zwarte Ruiters juichen. „Frank!” riep de schaapherder met een uitdrukking van liefde en angst, welke niet te beschrijven is, maar die door een vreugdekreet gevolgd werd, want door den rook zag hij den jongen man weer opstaan: alleen een misstap had hem doen vallen en hem wellicht gered. Daar bereikt hij den muur; de Zwarte Ruiters komen uit den traptoren te voorschijn, en verdwijnen tusschen de daken. Doch te midden van de pijlen, die door de lucht snorren, de fluitende kogels, het ontploffen van het buskruit, het geschreeuw van de ruiters en de bevelen van Perrol, wordt de overwinnaar als door een tooverwerking naar boven gehaald, Reeds bereikte zijn helm den omgang, toen hem iemand bij de armen vatte en snel naar zich toetrok; tevergeefs scheen het aanleggen en losdrukken van de bogen en handbussen, want het blinkende harnas verdween over de borstwering. „Leve Frank, de dood voor de Zwarte Bende!” klonk het uit den toren, en de schaapherder viel, overmand door de verschillende aandoeningen, die beurtelings zijn hart getroffen hadden, achterover op het stroo neer.

908SR15.gif (1832 bytes)

Tot nog toe was Wolf stil blijven liggen op de plaats, die zijn meester hem bevolen had niet te verlaten; alleen had hij zijn ooren gespitst, toen de stem van Frank zich hooren liet; doch zoodra zijn meester was gevallen, had hij zich bij hem geplaatst, om hem te bewaken.

Toen Ralph zijn bewustzijn herkreeg, hoorde hij de stem van Perrol en het veldgeschreeuw van de Zwarte Bende; misschien had dit hem wel doen bijkomen. De hond likte zijn handen, toen hij de oogen weer opende, en keerde op een beweging van de hand van zijn meester, met den staart kwispelend, naar zijn vorige ligplaats terug. Ralph wierp hem tot belooning een stuk brood toe, voordat hij door de opening in het dak zag. Het scheen, dat men den toren bestormde, en Perrol, dien hij, hoewel deze vrij dicht bij de deur stond, nog zien kon, wees met zijn rechterhand naar boven, terwijl de linker op het gevest van zijn zwaard rustte. „Ruimt de steenen weg, grijpt de bijlen, en dringt naar binnen, kerels!” riep hij, en men hoorde nu en dan den klank van het staal, dat tegen hout of steenen stiet.

Ralph wilde zich wel weer naar de plaats spoeden, waar hij eerst gestaan had; maar hij bleef waar hij was, want een ruiter, die uit den traptoren te voorschijn kwam, zag, in de goot staand, naar den toren. Hij had een bos touw aan de greep van zijn zwaard hangen, en scheen met het oog den afstand tusschen den omgang en de nok van het dak te meten. Hij droeg een harnas, dat denzelfden vorm had als dat van Rogardo, en was even groot, maar veel losser in zijn bewegingen, wat bleek, toen hij als een kat tegen de ladder opklom, welke ook Rogardo gebruikt had. Zoodra hij op de nok stond, traden nog een aantal van zijn makkers uit de opening van de trap te voorschijn; achter het koor op het kerkhof vertoonden er zich ook eenigen, die een lange ladder droegen. Zoodra de ladder naar boven was gehaald en hij, die op de nok stond, het boveneinde zag naderen, boog hij zich voorover, vatte het aan, en liep met een onbegrijpelijke vlugheid, ondanks zijn wapenrusting, over de nok naar den toren. Met moeite verrichtten zijn makkers met hun allen bijna hetzelfde wat hij deed, en werkten ook het ondereinde op de nok. Eindelijk lag de ladder, aan welker boveneinde hij een touw vastknoopte, boven op het dak; maar nu moest zij opgericht worden. Snel liep de ruiter, het touw onder de hand uitvierende, tusschen de sporten van de ladder door, naar het ondereinde en beduidde waarschijnlijk aan zijn makkers, wat hij verlangde; want drie gingen er schrijlings op de nok zitten, om de ladder tegen te houden, terwijl hij met twee anderen weer naar het dunne einde terugkeerde. Hij liep even snel, alsof hij over een breeden en effen weg ging. Zijn makkers volgden hem aarzelend, maar durfden hem niet voorbijgaan, zooals hij scheen te verlangen, waarom hij zich voorover boog, zijn rechterhand aan den rand van de overzijde van de nok sloeg, en zich aan deze zijde langs de leien liet afzakken. De ruiters, die minder stout waren dan hij, stapten nu over zijn geharnasten arm heen, en zonder dat een van hun hem hielp, trok hij zich naar boven, bracht met behulp van zijn andere hand zijn borstharnas op de platte zijde van het lood, en sprong er op. Zoodra hij rechtop stond, vatte hij de ladder aan, hief haar op, en richtte haar, bijgestaan door degenen, die bij hem waren, overeind, terwijl het ondereinde steunde tegen de ruiters, die onbeweeglijk op de nok zaten. Drie anderen, die met het touw in de hand naar de zijde van het koor gegaan waren, en zich ook hadden neergezet, hielpen niet weinig om de lange, dunne ladder op te heffen, die met den omgang gelijk kwam.

Door de aandacht, waarmee Ralph dit had aangezien, had hij minder gelet op wat vr den toren voorviel; het scheen, alsof het den Zwarten Ruiters nog niet gelukt was, den toegang Vrij te maken of de belegerden terug te drijven. Zijn groote belangstelling noopte hem wel een blik naar die zijde te werpen, maar die ladder verontrustte hem; de handigheid en vlugheid van dien nen ruiter deden hem beven. Vruchteloos zag hij naar den omgang of naar de bomgaten; doch niemand vertoonde zich. Het afslaan van den vijand hield zeker Van Schaffelaar en zijn mannen bezig; hun aantal was te gering, om overal acht op te geven. Toch verwonderde Ralph zich, dat de aanvoerder zoo onvoorzichtig was, om zelfs niet gedurende het gevecht door de sleuven van den toren te laten uitzien, naar wat zijn vijanden verrichtten.

Op dit oogenblik werd de ladder, die door het touw bijna rechtstandig gehouden werd, naar den toren voortgeschoven, doch zonder eenig gerucht te maken. Behoedzaam liet men haar eindelijk zakken, totdat zij met het topeinde tegen den toren rustte. Zij reikte bijna tot boven aan de borstwering van den omgang en het touw, dat nu werd losgelaten, hing langs den toren neer. Met de ruiters, die, terwijl men met het vooruitbrengen van de ladder bezig was geweest, uit den traptoren te voorschijn waren gekomen en het dak beklommen hadden, en degenen, die er reeds van te voren waren geweest, stond er een twintigtal achter elkander op de nok. Hij, die hun allen bevelen scheen te geven, schoof de ladder ter zijde, en stapte er om heen, maar de twee mannen, die zich met hem achter de ladder bevonden, aarzelden hem te volgen en hij schoof de ladder terug, ontstemd naar het scheen, over hun dralen, of van oordeel, dat zij strek genoeg in aantal waren. Toen keerde hij zich tot degenen, die achter hem stonden, wees naar de torenspits, en zette den voet op de tweede sport; want Ralph zag, dat de ladder te breed uitliep, om met de punten op de smalle nok te staan, en dat zij er slechts met de onderste sport op rustte.

Tevergeefs richtte de schaapherder zijn zoekenden blik naar den omgang; hij zag niemand aan deze zijde, en toch was het, alsof hij, ondanks het gedruisch onder aan den toren, ook eenig gerucht van boven hoorde. O, die Zwarte Ruiters, die daar stonden, waren zoo gevaarlijk niet als de zwarte gedaanten, die daar achter elkander op het dak stonden, en waarvan de laatsten lange, zwarte schaduwen op de dakleien van het koor wierpen; zelfs Perrol met de Roode Hand, met zijn dreigen en vloeken, was voor hem zoo vreeselijk niet als de zwijgende ruiter, van wien elk stuk van zijn harnas zoo onbeweegbaar scheen te zijn, alsof het aan een draad hing, en toch zoo sterk, alsof het een massief ijzeren hefboom was. Toen de ruiter halverwege de steile ladder gekomen was, zag hij naar zijn makkers om; maar niemand was hem nog gevolgd, en hij wenkte hen met de hand en wees hen naar boven: doch het buigen van de ladder en haar onzeker rustpunt deed hen aarzelen. Ontevreden schudde hij met het hoofd, en de hoop, die Ralph had opgevat, dat hij zou terugkeeren vervloog, want hij klom snel verder, zeker in het vermoeden, dat zijn makkers niet langer achter zouden blijven, als zij hem maar eerst boven zagen. Het liet zich aanzien, dat hem zijn plan gelukken zou: hij had juist een gunstig oogenblik gekozen. Het klamme zweet stond den schaapherder op het voorhoofd, die opeens de handen aan den mond bracht, en zoo dicht mogelijk de opening naderde.

Een schelle en eigenaardige schreeuw klonk nu over het kerkhof; de mannen, die op het dak stonden, zagen rond, en zelfs de ruiter op de ladder bleef, den voet half opgelicht, staan; hij zag naar boven en daarna onder zich, en toen hij niets vreemds gewaar werd, deed hij nog een stap en zag door de bomgaten in den toren. Nog eens bracht de schaapherder zijn handen aan den mond, maar liet ze snel weer zakken. „Ha, daar is hij!” riep hij verheugd, terwijl zijn oogen fonkelden. Twee ruiters, die snel van de voorzijde van den toren naar het achtergedeelte liepen, vertoonden zich op den omgang; hij herkende den aanvoerder en den overwinnaar van Rogardo. Nog ziet de ruiter, die op de ladder staat, hen niet; maar daar treden zij om de spits; – het boveneinde van de ladder is bijna onder hun bereik; zij zien de Zwarte Ruiters geschaard staan op het dak; de man, die klimt, wordt hen gewaar. Een oogenblik scheen hij te aarzelen, terwijl de belegerden nog onzeker waren, hoe zij de stormladder zouden omverwerpen. Reeds staken zij beiden de armen uit en vatten haar, toen de Zwarte Ruiter begon te schreeuwen: „Trekt het touw aan, strak voor den duivel! – Op kerels, volgt mij!” en zijn zwaard trekkend, klom hij alleen, onverschrokken verder. Het gezicht van hun vijanden deed den ruiters het gevaarlijke van den klim vergeten; zij trokken hun zwaarden, terwijl degenen, die achter de ladder stonden, het touw aangrepen en vasthielden. Ralph zag, dat de twee ruiters op den toren vruchtelooze pogingen aanwendden, om de ladder opzij te werpen. Het volk, dat op het geroep achter de kerk was toegesneld, riep: „Val aan voor Perrol!” Maar toen zag Ralph, hoe Van Schaffelaar zijn hand terugtrok en die spoedig weer over de steenen borstwening naar buiten bracht; hij zag den breeden langen dolk flikkeren, het touw vallen, de ruiters, die het vasthielden, waggelden en n hunner achter het kerkdak verdwijnen, terwijl de ander zijn behoud hieraan te danken had, dat hij plat voorover viel, en zich aan het lood vastklemde. De bogen werden gespannen, eenige bussen werden losgebrand. De ruiters op den omgang traden achteruit, terwijl de man op de ladder zijn zwaard opstak en eenige sporten afklom, daarna bleef stilstaan en terwijl hij naar beneden zag, uitriep: „Vervloekte kerel, laat gij mij in den steek? Klimt op voor den satan en wij winnen den toren.” Zijn woorden hadden zooveel invloed op zijn makkers, dat zij hun wapenkreet herhaalden en de ondersten onverschrokken op de ladder stapte. Opnieuw werd Ralph ongerust; had een grooter gevaar Van Schaffelaar en Frank genoodzaakt te vertrekken, of lagen zij misschien machteloos achter de borstwening? O, dat was een vreeselijke gedachte, want die vlugge ruiter scheen weer gereed om naar boven te gaan, nu hij zag, dat zijn makkers hem volgden. Op het oogenblik dat dezelfde zonderlinge gil weer over het kerkhof klonk, keerden ook de twee witte vederbossen weer; die sombere roep, welke steeds de komst van den vijand scheen te verkondigen, maar nog meer het gezicht van die blanke wapenrustingen, hadden een ontmoedigende uitwerking op de Zwarte Ruiters. De aanvoerder en zijn vriend schenen zich met hun gesloten helmen niet om de pijlen of kogels te bekreunen. Door den rook zag Ralph, hoe zij een houten rib achter de ladder staken, om die als een hefboom te gebruiken. De Zwarte Ruiter liet zich afglijden, doch de ongelijkheid van die uit stukken samengestelde ladder verhinderde hem dit gevaarlijke werk snel genoeg te doen. Zijn makkers hieven een vreeselijk geschreeuw aan; zij werden nu gewaar, waarom de belegerden heengegaan en teruggekomen waren, dat het namelijk hun voornemen was, om hen allen met de ladder te vermorzelen. De een stiet den ander omver, en sommigen lieten zich van het dak afglijden, op gevaar af om over de goot op het kerkhof te vallen; maar Ralph had geen oogen voor hun bedrijf, voor hun pogingen om zich te redden; de ladder alleen hield zijn blik gekluisterd; de hefboom werkte prachtig. Terwijl Perrol zelf naar de zijde snelde, om te zien wat er toch gebeurde en het gevecht vr den toren een oogenblik uit het oog verloor, werd de ladder van den torenmuur afgeworpen, en de ruiter had haar nog niet kunnen verlaten. Dit geschiedde zoo snel, dat hij niet den tijd had gehad om zich verder te laten zakken. Alles zag met stomme verbazing naar het dak; ook de ruiters, die er nog op waren, stonden roerloos en staarden op dat stuk hout, dat hen zou verpletteren. De ladder was niet van richting veranderd: want de belegerden hadden haar met juistheid afgestooten. Zij zagen ongedeerd naar beneden; geen pijl of kogel dienden zij tot doel; niemand kon iets anders doen dan zien. Van Schaffelaar schoof het vizier op en de twee aanvoerders wisselden den eersten blik in Barneveld.

Toen de ladder werd afgeworpen, verlieten zij den muur, en hoewel de vaart allengs verminderde, zag Ralph, dat de kracht, die men gebezigd had, om haar achterover te werpen, ruim voldoende was geweest. Het bevreemdde hem daarom, dat de ruiter niet van angst om hulp riep, en nog kracht genoeg had om zich vast te houden. Doch op het oogenblik, dat de ladder bijna rechtstandig stond, en de schaapherder haar met ruiter en al dacht te zien neervallen op de mannen, die nog op de nok stonden, maakte de ladder een schuinsche beweging: eerst verwijderde de eene zijde zich van den toren, daarna de andere. Nog sloeg de ladder niet achterover, maar herhaalde dezelfde beweging: nu eens naderde de eene, dan de andere zijde meer het midden van het dak; het was alsof de ladder met den krijgsman, die er zich aan vasthield, op de nok wandelde. Een luid geroep van: „Leve de Tuimelaar!” liet zich hooren, want deze was het, die de ladder bestuurde. Met leedwezen zag Ralph, terwijl de omgang verlaten werd, dat de stormladder nu bijna onbeweeglijk stond, de behendigheid van dien Zwarten Ruiter haar in haar vaart gestuit had; ja, met verbazing zag hij dezen met afgemeten stappen en zonder eenige ongerustheid te verraden, sport voor sport afdalen, steeds het oog gericht op het topeinde, dat altijd nog eenigszins naar den toren overhelde.

Juist toen hij den voet op de nok zette, de ladder omverwierp en opnieuw het geroep van: „Leve de Tuimelaar!” klonk, terwijl Perrol zich verwijderde, riep de stem van Frank boven op den toren: „Leve de Schaffelaars!” en een vreeselijke slag volgde op dezen uitroep.

908SR15.gif (1832 bytes)

Toen de schaapherder, die ijlings naar het andere kijkgat gesneld was, daar doorheen zag, zonder zich te bekommeren om wat er verder op het dak gebeurde, werd hij Perrol gewaar, die reeds, met de armen over elkaar, aan den voet van den toren stond en zijn woede scheen te verkroppen. Ralph kon niet verstaan, wat hij uitriep. Te midden van de stof, welke opgestegen was, viel een der Zwarte Ruiters uit de opening boven de deur; hij viel op zijn makker, die vr hem uit de toren waren verdreven, of die, toen de stormladder door een zwaar stuk hout werd verpletterd, verminkt op het kerkhof waren gevallen.

Hoewel het vuur het zware luik had verteerd of doen verkolen, zoodat het onder de eerste bijlslagen ingevallen was, hadden de belegerden hun vijanden opnieuw afgeslagen. Toen het luik bezweek, hadden de bestormers een nieuwe borstwering aangetroffen, die inderhaast door die van binnen was gemaakt, en welke de vijanden vruchteloos trachtten weg te ruimen.

Het scheen, dat men vooreerst den belegerden weer eenige rust zou gunnen. De bewoner van het huis, waarbij de schuur behoorde, vergat niet Ralph van brood en water te voorzien, en keerde na een kort gesprek naar zijn woning terug, na hem vermaand te hebben, deze veilige schuilplaats niet te verlaten. De schaapherder nuttigde het brood, dat hij, evenals het water, met zijn trouwen metgezel deelde, waarna beiden zich neerlegden, want het was warm onder het rieten dak. Nu en dan stond hij echter op, en zag naar buiten, maar alles was er rustig.

Het losbranden van de roeren waarschuwde hem eindelijk, dat de aanval weer begon, en misschien weer onder een andere gedaante; ook zag hij, toen hij opstond, dat de ruiter, met wien Perrol, voordat hij vertrok, gesproken had, het volk, dat van vuurwapenen voorzien was, rondom den toren plaatste. Het bevreemdden den schaapherder, dat dit vuur gericht scheen tegen de spits, welke veel te sterk was, dan dat er iets voor haar te vreezen zou zijn van de kogels der handbussen: hij kon niet begrijpen, wat men voorhad, en lachte in zichzelf, toen hij zag, hoe de vijand zich vermoeide, en zijn buskruit en kogels verspilde. Aan alle zijden stoven de leien van de spits, terwijl de Zwarte Ruiters hun logge vuurwapens lachend en vroolijk losten en ze dan weer laadden.

Er scheen echter een soort regelmatigheid te heerschen in dit vernielingswerk, dat veel had van het vermaak van beschonken landvolk, want zelden raakte een der kogels het boveneinde; en toen de aanvoerder zich weer vertoonde en het lachen een einde nam, zag Ralph, zoo ver hij het kon zien, dat onderaan, rondom de spits, omstreeks ter hoogte van twee voet, de leien stukgeschoten waren, waardoor het hout ontbloot was. De busschieters verwijderden zich nu, en de boogschutters traden voor; de kruisbogen van de rijzige ruiters werden gespannen, en de pezen van de voetbogen der ruiterknechten werden gedeeltelijk met dommekrachten gestrekt. Weer werden de pijlen en bouten omwoeld, aangestoken en afgeschoten en terwijl de brandpijlen, ondanks de hoogte van den toren, in het hout van de spits drongen, zei Perrol lachend tot den ruiter, die naast hem stond: „Dat gaat goed Quintyn! Zie, dat vuurwerk zal hen in den kouden steenen klomp verwarmen; spoedig zal de voorraad van dat verdoemde hout op wezen, waarmee zij zoo spaarzaam zijn, doch dat zij zoo juist van pas gebruikt hebben.

Maar Ralph, die zijn woorden gehoord had, zag grimlachend, hoe hij eenige oogenblikken daarna met den voet stampte, want de belegerden schenen geen vermaak te scheppen in dit vuurwerk, en zonder dat men van het kerkhof iemand gewaar werd, bezweek de eene brandpijl voor, de andere na, onder de slagen van eenige stukken hout of van een bijl, bestuurd door de mannen, die achter de borstwering van den omgang verborgen waren.

Perrol zag het vruchtelooze van zijn pogingen in, en beval den boogschutter het schieten te staken, terwijl de pijlen gebroken en nog half brandend door de onzichtbare redders van de spits over den muur naar beneden werden geworpen. Een oogenblik daarna traden de mannen met de vuurwapenen weer voor, beroofden ook de spits, hooger op, van de leien, waarna de brandpijlen weer als bliksemstralen begonnen te vliegen. Ditmaal zaten zij te hoog; men scheen geen moeite meer aan te wenden om de spits te beveiligen; het duurde echter lang, voordat het hout begon te branden, vooral aan de zijde van Ralph, welke zijde niet op den wind stond, maar het was zeker, dat de toren van zijn spits beroofd zou worden.

Eindelijk, langzaam en statig en, naar het scheen, onwillig, neigde de spits haar top, en Ralph zag het kruis verdwijnen, alsof het den toren niet verlaten wilde.

Een harde, maar enkele toon van de klok liet zich hooren, en hoewel de vlammende spits naar het voorste gedeelte van den toren hoe langer hoe meer een liggende houding begon aan te nemen, steeg de rook rechtop. Het geschreeuw der ruiters en de stem van Perrol verloren zich in een hevig kraken; een oogenblik duurde het nog, terwijl het hout, dat nog niet verbrand was, verbroken of meegesleept werd. Toen zag Ralph niets meer van de brandende massa, die met donderend geweld neerstortte. De grond dreunde; het was alsof de geheele toren inviel, alsof de gestorvenen in hun graven zuchtten.

Nu heerschte er een doodsche stilte; men hoorde niets meer dan een zacht geluid, dat de vlammen maakten, die uit het hout opstegen. Het scheen, dat het verschrikkelijke oogenblik, dat vervlogen was, het gevecht had doen eindigen.

Perrol leefde nog, hoewel niet ver van hem eenige balken en binten lagen; hij had het zwaard naar den grond gekeerd. Daar lag dat houtwerk, dat zijn vijanden nog zoo goed had kunnen dienen; hij was blij, dat hij het vr zich zag, al had het eenigen van zijn mannen begraven.

De schaapherder dacht, dat zijn stem opnieuw met ruwe taal den aanval zou gelasten, maar Perrol beval hun integendeel, den toren te verlaten, waar de hitte van het vuur hen dreigde te verschroeien; misschien voelde hij zich vermoeid, en dacht voor dezen dag reeds genoeg gedaan te hebben; of vermoedde hij met grond, dat de volgende dag zijn vijanden zwakker, en zijn mannen nog even sterk zou vinden? Hij vertrok althans, na den toren en de kerk rondgegaan te zijn. Ralph zag, dat vooreerst het zwaard in de scheede zou rusten, want de Zwarte Bende verwijderde zich; alleen de wachters bleven. De schaapherder wierp, voordat hij zich neerzette, nog een blik op het kerkhof. Aan den voet van den toren, welke van zijn sieraad beroofd was, brandde het hout; de rook, die boven den omgang opsteeg en het vlammende hout, dat men naar beneden wierp, verrieden, dat ook dr het vuur nog smeulde, en toch hing het wapenschild van Jan van Schaffelaar nog van den trans, dien hij en zijn ruiters hadden weten te bewaren.

908SR15.gif (1832 bytes)

Barneveld – 1. Eerste dagInhoudopgave OltmansBarneveld – 3. Derde dag

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)