J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

VIERDE DEEL. – HOOFDSTUK 1

BARNEVELD.

3. – DERDE DAG
De toren brandt, de grondvest trilt
........................................................
Wij stikken in den stoom. –
H. TOLLENS Cz.

D.gif (3307 bytes)e tweede dag, dien heer Jan van Schaffelaar op den toren zag aanbreken, beloofde even schoon te zijn als de vorige: de zon verrees met statige pracht van achter heuvelen en bosschen; de geheele natuur herleefde, en het zingend gevogelte zag, in het groen gezeten, reikhalzend uit naar de gouden stralen, wier eenvoudig, maar harmonisch loflied het aanhief.

Geheel zonder levensmiddelen, zelfs zonder een dronk water, had Van Schaffelaar, zoomin als Frank en de overige ruiters, bijna geen oogenblik rust gehad, van het oogenblik af, dat de schaapherder hen gewekt had. Den eersten nacht hadden de voorbereidselen tot verdediging hen bezig gehouden; gedurende den dag had Perrol hun geen rust gegund, en zelfs den volgenden nacht nog niet. Van alle zijden waren zij steeds bedreigd.

Elk oogenblik konden de vijanden weer verwacht worden; men zag hun zwarte gestalten op het kerkhof bewegen, en zij, die gedurende den nacht de wacht in de zakken van het kerkdak gehouden hadden, verlieten nu hun post. Frank volgde zijn vriend. Zij daalden langs de trap af en bevonden zich nu op de vierde verdieping van den toren, waarvan de ruimte zeer beperkt werd door het houtwerk van de jukken, die vroeger de spits en nu nog de luiklok droegen. De ruiters, die hier bijeen waren, en hun aanvoerder langs den omgang hadden zien gaan, zaten, tegen den muur geleund, in de hoeken van den toren, terwijl de rook langzaam naar boven steeg en door alle openingen van den vloer kwam. Zij hadden het ijzer, dat hun armen en beenen dekte, ter zijde gelegd, daar zij vreesden, dat het hun te zwaar zou vallen; hun helmen stonden naast hen gereed om op het hoofd gezet te worden, en zij wilden opstaan, toen Frank en zijn vriend onder aan de laddertrap waren, maar Van Schaffelaar wenkte met de hand. „Mannen,” zei hij vriendelijk, „blijf zitten; de weinige rust, die u gegund wordt zal spoedig voorbij zijn; geniet haar derhalve; het is het eenige, dat ik u geven kan. Ik kan met u de vermoeienissen van het waken en het gevecht deelen, maar meer ook niet. Waarom kan ik u niet, zooals voorheen, van spijs en drank voorzien, maar ik heb zelf niets......”

„Nooit hebt gij geweigerd iets op de hand te geven, Heer, als Heer David de soldij liet oploopen,” zei een der ruiters; „steeds hebt gij met ons ontberingen en gevaren gedeeld: gij zijt onze aanvoerder; maar gij waart meer, gij waart voor ons een vader. Daarom zullen uw ruiters u niet vragen om geld of levensmiddelen; maar om voor u te mogen sterven. „Van Schaffelaar en St. Maarten!” zal onze roep zijn, zoolang wij het zwaard kunnen voeren; en als wij vallen, Heer, zullen wij met dien kreet in den dood gaan!”

„Voor Van Schaffelaar en St. Maarten!” riepen de ruiters en sloegen op hun zwaarden om te toonen, dat dit ook hun voornemen was.

De stem van Van Schaffelaar verried eenige ontroering, toen hij met vuur ten antwoord gaf: „Uw trouw, mannen, treft mij, maar bevreemdt mij niet; ik ken immers mijn mannen van wapenen en den dapperen Aalbrecht, die daar het woord gevoerd heeft. Maar mijn schild is nog niet neergerukt, en wij zullen ook heden den vijand terugdrijven; de Schaffelaars zullen niet overwonnen worden door de Zwarte Bende, en als de Hemel mijn trouwen knaap gespaard heeft, dan kunnen wij vr den nacht nog het volk van mijnheer David zien, dat ons komt ontzetten, en de verdediging van den toren van Barneveld zal een van uw schoonste wapenfeiten zijn.”

Van Schaffelaar en Frank onderhielden zich nog een poos met hen, waarna de eerste naar de trap ging en zei: „Bij mijnheer St. Maarten, die rook is hinderIijker voor ons dan de wapens der Zwarte Ruiters; het wordt tijd, dat zij die beneden zijn, een oogenblik de versche lucht inademen,” en hij vervolgde, toen hij zag, dat Frank en de ruiters hem wilden volgen: „Neen, blijft allen hier, ik wil alleen gaan en draagt zorg u niet bloot te stellen aan de pijlen of kogels van het volk van Perrol.”

De witte vederbos verdween in den rook, die uit de opening van de trap opsteeg en eenige oogenblikken later kwamen de ruiters, die beneden de wacht gehouden hadden, naar boven. Zij brachten hun vinger aan den mond en bevochtigden hun oogen, daar zij bijna niet zien konden door den rook; hun monden en tongen waren droog, en zij konden geen woord uitbrengen, voordat zij eenigen tijd versche lucht hadden ingeademd, die hen scheen te versterken en te doen herleven.

Zooals Van Schaffelaar verwacht had, duurde de rust niet lang; weldra klonken de trompetten; de trommen werden geroerd, en met langzame, doch gelijke stappen rukte de vijand naar het kerkhof. Perrol verscheen een oogenblik daarna, en Frank ijlde naar beneden, om te vernemen, wat Van Schaffelaar wilde dat men doen zou; hij vond hem staan voor een der sleuven, in de muur, die dit gedeelte van den toren flauw verlicht zouden hebben, indien de stikkende damp van het stroo en riet deze ruimte niet geheel had gevuld.

„De ellendeling ontziet zich niet, alles te baat te nemen, om ons te vernielen,” zei Frank met verachting lachend; „die verdoemde rook maakt dat men het hier niet uithouden kan; ’t is een wijze van vechten, den vreemden moordbrander, die uw huis verwoest heeft, waardig.”

„Alle middelen zijn goed in den oorlog, Frank,” zei zijn vriend bedaard; „vooral als de wraakzucht onder het harnas van den krijgsman blaakt. Ga nu naar boven; zend mij tien ruiters hier, zoodra gij mij hoort roepen, en ga spaarzaam om met hout en steenen.”

Toen plaatste Van Schaffelaar zich weer voor de opening, en luisterde aandachtig naar wat er buiten gebeurde; hoe meer de rook hem kwelde, hoe meer hij zich verheugde, dat Frank en zijn ruiters er op het oogenblik niet door leden.

Perrol, die de vruchteloosheid der bestorming van de opening boven de deur den vorigen dag en gedurende den nacht ondervonden had, was eerst van plan geweest een poging te doen, om het hout, dat de opening in het gewelf onder in den toren dekte, door het vuur te vernielen, maar de beklimming kwam hem binnen den toren nog moeilijker voor dan in de open lucht; te meer daar de opening in het gewelf weinig grooter dn die in den buitenmuur was. Op zijn bevel voerde men dus een nieuwen voorraad brandstoffen aan, hij liet die met lange staken, en reeds aangestoken, in de opening steken, en weldra sloegen de vlammen naar buiten, evenals toen het luik verbrand was. Vergeefs waagde men het, zich aan de bomgaten te vertoonen, of wierp men ook over den omgang eenige steenen en hout op de ruiters; Perrol stond hun niet toe, het werk op te geven, al werden sommigen getroffen. Even vruchteloos was het, dat men hem zelf trachtte te bereiken; want de pijlen en kogels snorden dadelijk door de lucht, zoodra zich hier of daar een helm of een wapenrusting vertoonde.

De stem van Van Schaffelaar riep nu zijn mannen op, en toen zij door den rook naderden, die dikker dan ooit in den toren drong, zagen zij het vuur, dat in de opening achter het houtwerk, als achter een ijzeren rooster, brandde. Het was duidelijk, dat zij spoedig van dit beschutsel beroofd zouden worden, dat hen tot nog toe zoo gediend had; daarom gelastte Van Schaffelaar hun om met behulp van eenige stukken hout, het vuur naar buiten te stooten, en weldra was de poging, om het opnieuw te vullen, zonder gevolg.

„Brengt de ladder hier!” riep Perrol toen. „De bijlen zullen wel verbrijzelen, wat de vlammen niet vernield hebben. Op, Zwarte Ruiters, naar boven!”

De ladders werden weer opgericht, de wapenrustingen rinkelden, en weldra drongen de ruiters in de opening; zij voelden door het ijzer niet zoo spoedig de hitte, die hier heerschte; maar de warmte van de steenen, en de rook, die hier een uitweg zocht, drongen door de openingen van het vizier tegen hun gelaat. Hetzij het vuur inderdaad het houtwerk veel van zijn sterkte had doen verliezen, hetzij de aanval met meer moed en beleid gedaan werd, het bovenste gedeelte van de versperring bezweek voor hun slagen: de geharnaste armen, gewapend met scherpe pijlen, drongen, over wat er nog van bestond, naar binnen; met een woeste snelheid bewogen zij zich her en der, om de verdedigers te verdrijven. „Voort, kerels, voort!” riep Perrol en zoowel in den toren als buiten op de ladder klonk het veldgeschreeuw der bestorniers: „Op voor Perrol! Hoezee, de Zwarte Bende!”

Frank begreep, dat het nu tijd werd, om die mannen met de ladder te verdrijven, en een zwaar stuk hout werd van den omgang geworpen; het draaide niet, maar viel horizontaal. „Staat vast, kerels!” riep Perrol. Een vreeselijke slag liet zich hooren; ’t was alsof het ijzeren dak op de ladder boog onder de druk van het hout, dat er lans afgleed, zonder iets anders te treffen dan de schilden, die zich niet verplaatsten, maar van den slag trilden.

Nog eens hieven de Zwarte Ruiters hun wapenkreet aan; maar nu klonk het ook: „Voor Van Schaffelaar en St. Maarten!” Vier ruiters van Perrol drongen binnen den toren, toen Van Schaffelaar zijn zwaard ontblootte en zijn ruiters terzijde wierp. Met den eersten slag reeds zonk een der vijanden neer; hij bekommerde zich verder niet over de drie, die nog over waren, maar stiet met zijn lemmet in de openingen van de helmen der mannen, die door de laagte van de opening in den muur gebukt moesten gaan, en moeilijk wapens gebruiken konden. „Leve Van Schaffelaar! De dood voor de Zwarte Ruiters!” riepen de Schaffelaars, terwijl de laatste man van Perrol in den toren neerviel.

Gestadig werd het groote zwaard teruggehaald en vooruitgebracht; het stiet den eenen vijand voor, den anderen na, neer, of onder den voet. Tevergeefs dreigde Perrol en gelastte vloekend zijn mannen om vooruit te gaan; maar toen liet Frank nog eens een poging doen om de stormladder te verbreken, en ditmaal viel de balk rechtstandig naar beneden. Al zijn zwaarte, nog vermeerderd door door de hoogte, waarvan hij neerkwam, drukte nu op n punt; het schild, dat getroffen werd, kon de drukking niet weerstaan: die balk verpletterde den man die het voerde, en deed hen, die achter hem waren, achterover van de ladder vallen.

Op ditzelfde oogenblik stiet Van Schaffelaar de twee mannen, die boven op de ladder stonden, er af; zij, die door hem uit den muur waren gejaagd, waren over de schilden van hun makkers op den grond gestort. Perrol zag de witte pluim vr de opening, en riep: „Loopt storm – naar binnen, voor den duivel! – Per moio! schiet; dat is Van Schaffelaar!”

Eenige bogen en kolfroeren werden losgedrukt, de witte vederbos, die zich buiten den muur vertoond had, werd teruggetrokken, maar niet voordat de ladder was aangevat en van den muur geworpen. Perrol stampte met den voet, en liep daarna driftig heen en weer; dit was de tweede maal, dat hij zijn vijand gezien had; deze was het, die zijn ruiters uit den toren verdreven en de ladder met zijn ruiters had neergeworpen, die daar door hun makkers werden weggedragen.

De ladder werd nu op zijn bevel weer opgericht; maar ditmaal werd zij slechts door n man beklommen: het was de Tuimelaar; en toen deze de opening van den muur verliet en weer afklom, bracht hij Perrol de tijding, dat de doorgang opnieuw door de belegerden was versperd. Tevergeefs trachtten toen de ruiters, die boven op den toren waren, te raden wat Perrol voor had; want het was gevaarlijk naar buiten te zien.

Naast de deur werden drie balken geplaatst, welke van boven met touwen aan elkander gebonden waren, terwijl zij van onderen ver van elkander op den grond rustten en ten overvloede door stukken hout, die men in den grond sloeg, verhinderd werden om te verschuiven. De drie topeinden, die boven het touw zich ook van elkander verwijderden, vormden een soort vork, waarin een dwarsbalk werd gelegd, die van den eenen houten bok naar den anderen liep, en ook met touw werd bevestigd. Een soortgelijke schraag werd ongeveer vijf en twintig voet van den toren, tegenover de eerste geplaatst; op deze twee jukken legde men nu vier lange balken, die bedekt werden met planken van nerlei grootte, aan elke zijde door een dunnen balk, evenals die er onder lagen, in verband gehouden.

Perrol had met dubbel genoegen gezien, dat men geen moeite had aangewend om zijn werk te verhinderen: het was hem een bewijs, hoe slecht de belegerden voorzien waren van wat hun dienen kon om af te werpen, en hij liet vol hoop de ladder tegen den houten weg plaatsen.

„Waar zijn mijn mannen van wapenen?” riep hij, en zag om zich heen, en toen zij naderden, vervolgde hij snel: „Ik weet, dat het uw lust en leven is, om met uw hengsten den vijand met de speer in de hand te naderen; maar dat gij ook, hoe zwaar gewapend, altijd het voetvolk achter u laat, als het op stormen gaat: – op dan, mannen, dringt binnen dien toren, en tracht er den ellendeling, die uw wapenbroeders in Eemnes verslagen heeft, levend uit te sleepen: laat eens zien, dat de oude mannen van wapenen der Zwarte Bende kunnen doen!” Stilzwijgend en met rustige blikken hadden zij hem aangehoord, en toen hij zweeg, riepen zij dreigend: „Leve Perrol! Hoezee de Zwarte Bende! Weg met Van Schaffelaar!” Voorheen had Perrol nooit een beroep gedaan op den moed van die wreede, maar dappere krijgslieden, die in het veld en bij herhaalde rooftochten en plunderingen waren opgegroeid of Rogardo bevond zich steeds aan hun hoofd. Het speet hem, dat zijn rechterhand, dat Walson er niet meer was, en het verdubbelde zijn wraakzucht tegen Van Schaffelaar, die hem had neergeveld. Hij hoopte echter, dat Quintyn, die Walson’s plaats voorloopig vervulde, het volk binnen den toren zou voeren; hij trad dus op hem toe, en drukte hem op het hart, dat niets hem gelukkiger zou kunnen maken, dat niets door hem ruimer zou beloond worden dan het gevangennemen van Van Schaffelaar. „Gij begrijpt, Quintyn,” zei hij somber, „dat de dood eens krijgsmans voor hem te zacht zou zijn; hij zal moeten boeten voor al mijn ruiters, die hij heeft vermoord, voor elke beleediging, die hij mij heeft aangedaan. Per moio! Ik wil dat het volk in dit land, van den gemeensten landlooper tot den voornaamsten edelman, zal sidderen, alln bij de gedachte Perrol den voet dwars te zetten.”

De ruiter hoorde bedaard de bevelen aan, die zijn hoofdman hem gaf, en antwoordde: „Het zal geschieden, Messire.” Vidal, die achter Perrol stond, verborg het medelijden, dat hij voor den edelen vijand van zijn heer voelde. Er heerschte een oogenblik van diepe stilte op het kerkhof, terwijl de mannen van wapenen zich schaarden, en de ruiters met kolfroeren en bogen op een afstand gingen staan, om op bevel van Perrol den omgang en de bomgaten schoon te vegen. Hierop riep hij luid: „Vooruit!” en Quintyn besteeg met het zwaard in de hand de ladder, zei: „Volgt mij, mannen!” en trad zonder schroom tot aan den muur. Een lange balk werd door degenen die hem volgden, meegevoerd en op de planken neergelegd. Even door de openingen van hun helmen naar boven ziende grepen die mannen de touwen aan, die op bepaalde afstanden om den balk gebonden waren, lichtten hem op, liepen snel naar den toren, en nog eer de voorste den muur bereikte, trof de lange balk, die tusschen hun gelederen uitstak, het houtwerk, dat achter de opening was. „Achteruit! Nog eens, mannen!” riep Quintyn. Opnieuw klonken de gelijke stappen op den vloer van planken, die onder den last boog; doch veel heviger dan de eerste maal kraakte het hout, en de balk, dien zij loslieten, schoot diep in den toren, en de ruiters, die al hun krachten niet noodig hadden gehad om de opening vrij te maken, vielen bijna over elkander.

„Vooruit!” schreeuwde Perrol, en verscheiden Zwarte Ruiters hieven hun wapenkreet aan, beklommen met spoed de ladder, en liepen, met hun zwaard in de hand, over de houten brug, terwijl hun makkers, die den balk gevoerd hadden, met Quintyn aan het hoofd, reeds in den toren drongen. Perrol lachte luid, toen hij hen in den muur zag verdwijnen en de mannen van wapenen met ongeduld zag staan wachten, om hun makkers te volgen.

De Zwarte Ruiters, die naar binnen drongen, hadden zich den tijd niet gegund, den stormbalk terug te halen, en merkten nauwelijks op, dat hij als vanzelf hoe langer hoe verder in den muur verdween, sedert zij hem hadden laten vallen. Met hun groote zwaarden in de hand, volgden zij Quintyn; niemand hunner twijfelde er aan, of ditmaal zou de kerktoren ingenomen worden; de mannen van wapenen zouden zegevieren. Het eerste wat hen trof toen zij binnen de muren kwamen, was de rook en de duisternis; zij konden niet zien, waar zij waren en hoe de standplaats van hun vijanden was; maar zij hoorden het geroep: „Terug voor Van Schaffelaar!” en voelden de slagen der zwaarden, die hen neerwierpen.

„Vooruit voor Perrol!” riep Quintyn, die vooruitdrong; want hij bemerkte, dat de verdedigers ter weerszijden van de opening stonden; maar de drift, waarmee hij en die hem volgden, vooruitsnelden, had de gewenschte uitwerking niet; de rook, die vr hen opsteeg, verhinderde hen te bemerken, dat vr hun voeten het luik van de opening in het gewelf was afgenomen. Van Schaffelaar en zijn mannen getroostten zich deze vreeselijke list, om hun vijanden te verschalken. Quintyn en eenige anderen schreeuwden van verbazing en woede, toen zij in de gapende en rook uitwerpende kolk verdwenen. De Zwarte Ruiters, die hen hoorden vallen, begrepen niet wat er gebeurde, en zij, die den voet nog niet in den toren hadden, luisterden met gespannen aandacht. Op ditzelfde oogenblik rammelden de schilden, en het gevloek liet zich buiten op de houten brug hooren; er scheen een groote beweging te heerschen, en Perrol moedigde zijn mannen aan om vooruit te dringen. Doch opnieuw verhief zich het geweld; men hoorde zware slagen op de brug en op de wapenrustingen; het volk scheen van de brug te vallen, terwijl een vreeselijk geschreeuw, dat alles overstemde, onder den toren gehoord werd, en men wanhopige pogingen deed, om de deur te openen, die toegehaald was, opdat de rook naar binnen zou opstijgen.

Terwijl dit alles buiten voorviel, riep Van Schaffelaar: „Vooruit voor St. Maarten! Valt aan!” en een verschrikkelijke strijd begon. Er waren bijna evenveel Zwarte Ruiters als mannen van Van Schaffelaar binnen de beperkte plaats; maar de stem en de tegenwoordigheid van hun aanvoerder gaven hun, hoe zwak ook, nog de kracht om hun zwaarden te voeren. De meesten dachten dat het hun laatste strijd was; zij trachtten dus noch hun leven, noch hun laatste kracnten te sparen, maar met roem op de lichamen van hun vijanden te sterven. De Zwarte Ruiters daarentegen vochten met verwoedheid; zij waren uitgerust en sterk, en wilden overwinnen voordat hun makkers hen volgden, of het gevecht aan den gang houden, totdat zij bijgesprongen werden.

Van Schaffelaar had eerst gedacht alleen verdedigenderwijze te kunnen handelen: doch nu hij gewaar werd, dat het Frank gelukt was, de brug van de Zwarte Ruiters te bevrijden, meende hij meer te moeten doen; daarom gelastte hij den aanval. Wederkeerig schreeuwde men elkander de namen van de aanvoerders toe, om zich in den strijd niet te vergissen. „Perrol!” schreeuwde de een. „Van Schaffelaar!” riep de ander, en dan vielen de zwaarden neer; er was n zwaard in den toren, dat met zoo’n kracht neerdaalde op ieder die het waagde, den hoofdman der Zwarte Bende te noemen, dat de Zwarte Ruiters weldra de minderheid kregen.

Perrol beefde van toorn, toen hij het hout en de steenen zag neervallen en zijn mannen van wapenen vruchteloos hun leven wagen om te blijven staan; zij bezweken en vielen van de brug, die heel bleef, hoewel het platte dak van schilden niet bestand was tegen het hout en de steenen. Nu kwam Quintyn zonder zwaard uit den toren te voorschijn, en zij die zoo gelukkig geweest waren, om door den val niet verminkt te worden, volgden hem; anderen hoorde men onder den toren brullen, waar zij worstelden te midden van het vuur en de rook.

De ruiterknechten kregen bevel, hen, zoowel als het smeulende stroo, er onder vandaan te sleepen. Gestadig hoorde men het losbranden van de kolfroeren en het sissen van de pijlen, terwijl de mannen van wapenen opnieuw de brug beklommen om hun makkers bij te staan; maar toen zij hun doel bereikten, zag Perrol zijn ruiters opnieuw door het vallende hout neerwerpen, en zelfs diegenen, die reeds in de opening waren, terugdrijven. De belegerden behielden de overhand en verstopten den ingang. Nog n Zwarte Ruiter voerde het zwaard in den toren en riep: „Perrol!” toen Van Schaffelaar zijn eigen naam noemde, maar het zwaard van den aanvoerder kliefde slechts de lucht, toen het neerkwam, want de ruiter, die vr hem gestaan had, was verdwenen door het gat in den vloer, en de Tuimelaar, die onder uit den toren trad, stak zijn zwaard op, en zei tot Perrol: „Messire, uw mannen van wapenen zijn allen verslagen; voordat men in den toren kan rondzien, kan de duivel zelf het er niet uithouden.”

„Ha,” riep Perrol driftig, „wij zullen hen wreken; ook hun dood zal hij moeten verantwoorden. – Vidal, ga en haal mijn helm, ik wil zelf gaan!” en toen deze hem verliet, vervolgde hij woest lachend: „Per moio! ik geloof, dat zij den rook vreten en er van leven, omdat zij nog zoo sterk zijn.”

„Ik weet het niet, Messire,” zei de Tuimelaar grimlachend, „maar wel, dat mij en Quintyn, die daar staat, zulk een kost niet bevalt; bij mijn zwaard, Messire, de aanvoerder is een gevleesde duivel.”

„Ha, wij zullen zien,” riep Perrol knarsetandend en stampte met den voet, terwijl hij nadenkend naar het slaan en breken boven in den toren luisterde. Toen niemand meer den naam van den vijand van Van Schaffelaar binnen den toren herhaalde, hieven de overwinnaars hun veldgeschreeuw aan; zij leunden op hun zwaarden, schoven de vizieren van hun helmen op, en zagen met vreugde, dat de rook verminderde. Alleen aan den arm van hun aanvoerder hadden zij het te danken, dat zij de overhand behouden hadden! Zijn dapperheid en kracht hadden datgene vergoed, waarin hun vermoeide armen en uitgeputte lichamen te kort schoten.

Met eigen hand wierp Van Schaffelaar het luik op de opening, toen Frank, snel de trap afkwam en zei: „Goddank, dat het gedaan is; maar ik heb nu boven ook geen hout meer om het hun op den kop te werpen; ik kom dus hier met u sterven of wilt gij naar boven gaan en de laddertrap ophalen? Misschien kan dat ons vooreerst nog redden.”

Van Schaffelaar volgde den blik van zijn vriend, welke over de verslagen Zwarte Ruiters ging, die men onderscheiden kon, sedert de rook bijna geheel had opgehouden; vervolgens zag hij naar boven; zelfs de deelen, die de openingen in den vloer gedekt hadden, waren door Frank ook reeds naar buiten geworpen. en hij riep, op eens naar boven wijzend: „Gij vergeet de klok, Frank!”

„Op mijn eer, neen,” hernam Frank ontevreden, „ik heb haar gemeten, maar zij kan niet door de bomgaten; zij kan ons tot niets dienen.”

„Ik hoop van beter,” vervolgde Van Schaffelaar, „indien wij haar nog tijdig genoeg kunnen laten vallen, kunnen wij er deze opening mede stoppen.”

„Maar dit luik zal haar niet kunnen tegenhouden,” riep Frank, het hoofd schuddend en hij wees op den grond.

„Volg mij maar,” zei Van Schaffelaar, „al valt zij tot onder in den toren, dan verliezen wij immers niets dan een stuk metaal, dat ons tot niets dienen kan, en wij laten den vijand dit deel van den toren over, al zou het mij smarten, zei hij somber, „want als zij hier vuur aanleggen, zijn wij verloren, en verbranden zij ons met de houten vloeren.” Hierop gelastte hij eenige ruiters met hem te gaan, anderen om te blijven, den stormbalk over het luik te leggen, en zich in den hoek van den toren te verschuilen, als de klok viel, waarna hij met Frank en de ruiters vertrok.

Hoewel de Zwarte Ruiters het onderspit gedolven hadden, waren zij nog niet allen dood; hun gekerm of gevloek klonk door den toren, terwijl Van Schaffelaar naar boven klom; maar zijn ruiters, die gebleven waren, ontrukten de zwaarden aan de handen, die er nog om vastgeklemd zaten, en brachten de mannen van wapenen tot zwijgen, die vruchteloos met hen worstelden, en nog met stervende lippen hun veldgeschreeuw trachtten te stamelen. De balk werd over het luik gelegd, waarna men de afgemaakte vijanden er eveneens naar toe sleepte; het was meer dan Van Schaffelaar bevolen had, maar de voorzorg was niet nutteloos. Het losmaken van de klok en het uitdrijven van de ijzeren spien veroorzaakte het gedruisch, dat Perrol hoorde; elk oogenblik vreesde Van Schaffelaar te vernemen, dat de vijanden weer zouden aanvallen: hij wist niet dat de hoofdman zelf wilde meegaan.

Juist toen Vidal met den zwarten helm op het kerkhof trad, riep Frank: „Uit den weg, daar valt de klok!” Nog twee harde slagen klonken boven in den toren; daarop hoorde men een doffen slag, die onder door het gewelf klonk. Het verpletteren der wapenrustingen en een vreugdekreet der ruiters van Van Schaffelaar veroorzaakten misschien, dat men den rauwen gil niet hoorde, die nog voor het laatst uit sommige zwarte helmen kwam.

Nauwelijks lag de klok beneden, of zij, die haar hadden losgemaakt, sloegen met degenen die beneden waren gebleven, de handen aan het werk; de balk,waarmee men storm geloopen had, werd geheel naar binnen gehaald, en juist toen Perrol zijn mannen in orde stelde en het zwaard trok om te gaan, na tevergeefs getracht te hebben om te raden, wat men in den toren verricht had, werd de klok voor de opening gewenteld, en er zooveel mogelijk ingeschoven, terwijl de balk er binnen, ingestoken, tusschen deze en den muur tegenover de opening werd vastgeklemd. De ruiters van Van Schaffelaar hieven een luid gejuich aan, toen de zijopening gesloten was; het bewegen van het zware stuk metaal had hen doodelijk afgemat. Tevergeefs vermoedde Perrol met grond, dat er bijna niets meer was om naar beneden te werpen, dat zijn houten brug nog even sterk was als voorheen, dat hij zelfs wilde wagen zijn vijand te bestrijden; die opening was voor goed gesloten, en de metalen klok was niet te bewegen; het vuur noch de bijlen hadden er vat op, en vergeefsche moeite zou het geweest zijn, haar te willen wegrammeien.

Vidal sidderde, toen hij de woede van zijn meester zag, die driftig uitriep: „Is de ziel van den satan in den papenknecht gevaren? Of moet de Zwarte Bende worden tegengehouden door dien weerloozen steenklomp en een handvol uitgehongerde kerels? Ha, wie lacht daar? vroeg hij opeens en zijn oog zag onder de ruiters, die in zijn nabijheid stonden. Alle hoofden keerden zich naar n punt, en Perrol riep, eenige stappen voorwaarts doend: „Ha, ellendeling, gij lacht? Is dat de uitvaart van mijn mannen van wapenen? Per moio vindt gij het zoo aangenaam, dat sterven zeg……”

„Neen, Messire!” antwoordde Froccard, die zijn tegenwoordigheid van geest niet verloor; hij wist ook niet, hoe dicht hij bij zijn dood was geweest, toen hij tijding van Maria bracht, en begreep dus niet wat Perrol wilde zeggen.

„En waarom lacht gij dan?” vroeg deze stampvoetend. „Spreek, ellendeling!” „Omdat zij het eenige gat gestopt hebben, waardoor zij nog hoop hadden de mannen te zien binnenkomen, die met hen leven om leven wilden vechten,” antwoordde Froccard, en hij eindigde grimlachend: „Nu vechten zij alleen met het gebrek; ha, ha, de hongerdood grijnst hen aan!”

„Daarom lacht gij dus?” zei Perrol en hij vroeg vol beteekenis: „En indien ik u eens kiezen liet tusschen de strop en den hongerdood, Froccard, wat zou u het beste bevallen?”

„Geen van beiden, Messire,” antwoordde Froccard aarzelend, en de toon van Perrol’s stem verontrustte hem, doch hij vervolgde met meer vertrouwen: „Maar voor een vijand zou de laatste mij het aangenaamst zijn.”

„Ik weet genoeg!” riep Perrol met een bijna onmerkbaren lach, en hij vervolgde driftig: „Maar ik voor mij, ik zie hen liever vallen door mijn hand; wat helpt het mij of de honger en dorst Van Schaffelaar kwellen; ha, als mijn dolk hem kwellen kon, Per moio! dan zou ik kunnen juichen.” Hij bracht hierop de hand aan zijn wapen en verzonk in gedachten, terwijl Froccard hem op nederigen toon voorsloeg, de belegering in schijn op te geven en slechts weinig volk in een hinderlaag bij de kerk te verbergen; hij stelde vast, dat Van Schaffelaar of zijn ruiters geen tegenstond zouden kunnen bieden aan de noodzakelijkheid om drank en spijs te zoeken. Vidal zag echter tot zijn blijdschap, dat Perrol niet naar hem luisterde, of hem geen antwoord waardig keurde. Toen trad de Tuimelaar naderbij, en richtte een verzoek tot Perrol, die in het heengaan ten antwoord gaf: „Ik had besloten geen enkelen ruiter meer te wagen; doch omdat gij het zijt, wil ik uw verzoek niet weigeren. Spreek met Quintyn, en bedenk, dat ik hen toch gevangen zal nemen of dien toren omver werken.”

908SR15.gif (1832 bytes)

Geruime tijd was er reeds verloopen, sedert het geschreeuw der bestormers gezwegen had, toen Frank opstond, om te zien, wat de oorzaak was van het gerucht, dat hij aan de achterzijde van den toren hoorde en hij riep opeens:

„Van Schaffelaar, daar is dezelfde ruiter van gisteren, ha, zij zullen nu een poging aan deze zijde wagen.”

Zijn vriend sprong op, en de ruiters volgden zijn voorbeeld; allen drongen naar de bomgaten, maar traden weer terug, toen men op hen schoot. „Zij zullen dus den toren van het dak af trachten te beklimmen,” zei Van Schaffelaar. „Welnu mannen, ik geloof, dat wij met God en mijnheer St. Maarten de ladder weer zullen afwerpen.”

Evenals den vorigen dag, lag een ladder, welke nog eenigszins langer scheen te zijn, op de nok; de Tuimelaar, die slechts een stalen stormkap en een schild droeg en met zwaard en dolk gewapend was, bestuurde het werk, en de ladder werd opgericht. Tuimelaar trok de ladder vooruit, terwijl drie mannen hem hierin bijstonden; drie anderen, die bij het koor waren, hielden het touw vast, waarmee men haar in de hoogte getrokken had. Eindelijk liet men de ladder stilstaan; zij stond bijna loodrecht, maar helde een beetje naar den toren over. Frank zag Van Schaffelaar vragend aan, die zooveel bedrijvigheid en vlugheid verried, om de ladder heen stapte, langs het dak afklom en in het dekvenster verdween.

Hun verwondering verminderde niet, toen zij den Tuimelaar weer in de goot zagen stappen en alleen het dak beklimmen. Zijn schild hing om zijn hals, en hij was nog niet zwaarder gewapend: maar hij droeg een handboog in de hand, en aan zijn zijde hing een bundel lange pijlen. Hij scheen iets te zeggen tot degenen, die het touw vasthielden, waarna hij met een bewonderenswaardige vlugheid op de sporten stapte. Hij klom vaardig naar boven, zonder dat de ladder veel scheen te bewegen, en hield stil, toen hij het touw bereikte: hij vatte het aan en trok er aan, waarop de ladder een weinig meer begon over te hellen; toen stak hij zijn linkerbeen door de sporten heen, zag onbevreesd onder zich naar het kerkhof, liet de handen los en scheen onbeweeglijk te zitten.

„Hij zal alleen den toren niet innemen, laten wij heengaan,” zei Van Schaffelaar tegen Frank, doch eer zij hun voornemen ten uitvoer konden brengen, had de Tuimelaar een pijl gepakt, den boog gespannen en de pees losgelaten. De ladder trilde en de pijl kwam met zulk een kracht tegen de borstharnas van Frank, dat hij binnen in den toren gevallen zou zijn, als zijn vriend hem niet bij den arm had vastgehouden. Een kreet van verbazing en drift ontsnapte aan den mond van Frank, maar voordat de tweede pijl op den omgang kon geschoten worden, was die verlaten. De Tuimelaar daalde nu eenige sporten af, ging weer half zitten en half hangen aan den ladder en schoot nu op de ruiters; de eerste pijl doorboorde de dij van een der mannen van wapenen.

„Hij kan ons met het zwaard niet overwinnen, en dus laat hij ons door dien moordenaar neerschieten,” riep Frank driftig, en nam een der zwaarden van de Zwarte Ruiters op. Een pijl snorde hem voorbij; en hij liep naar het bomgat, het gevest van het zwaard in de rechterhand boven het hoofd opheffend, terwijl hij het lemmet met de linker ondersteunde. Het zwaard vloog uit den toren, op hetzelfde oogenblik, dat een pijl van den boog werd geschoten, en nog eer Frank de armen liet zakken, trof de pijl zijn borstharnas, op een duim afstand van de opening, waardoor de rechterarm kwam; een kleine verandering van houding redde hem het leven. Even juist, doch zonder meer vrucht was het zwaard den Zwarten Ruiter genaderd; want toen de scherpe punt, door het zware gevest voortgestuwd, hem in den buik of de beenen zou zijn gedrongen, raakte de Tuimelaar het aan met zijn boog; het snelde langs de ladder en viel op het kerkdak, brak sommige leien en bleef in de goot liggen. Van Schaffelaar trok Frank terug, en gelastte zijn mannen om een verdieping lager te gaan, of zich achter den muur te verschuilen. Tevergeefs bond Frank een breekijzer aan een touw, en wilde naar boven gaan, om het naar den Tuimelaar te werpen; zijn vriend weerhield hem om zich bloot te geven aan de zekere schoten van den Zwarten Ruiter. Zij, die op het kerkhof stonden, traden zoo ver mogelijk achteruit, of plaatsten zich boven op de daken van de schuren en woningen, en zonden hun pijlen en kogels in den toren. Sedert de Tuimelaar dr boven op de ladder stond, en vrij in den toren zag, bleef hun bijna geen ander toevluchtsoord meer over dan de twee donkere verdiepingen, waar de rook het bijna ondragelijk maakte. Toen er weer een lange geveerde pijl door den toren heen vloog, waagde Van Schaffelaar het naar buiten te zien, en zei: „Goddank Frank, dat zij niet van plan zijn den toren te beklimmen; en toch wilde ik, dat die kerel nooit op het dak gekomen was.” En hij vervolgde: „Het is dezelfde, die het laatst in den toren gestreden heeft. Maar let op, hij klimt hooger, alsof dit hem helpen zal. Is er wel iets ongelukkiger voor een edelman, dan zich te moeten verbergen voor een enkel mensch……!”

„Neen,” riep Frank stampvoetend, „en dat voor een gemeenen Tuimelaar; mij maakt het reeds razend. Maar waar ziet gij naar?” vroeg hij, toen Van Schaffelaar naar het dak zag.

„Ik was bevreesd, dat men zou beproeven den toren te beklimmen, maar ik zie, de Heer zij geloofd, daartoe geen voorbereiding,” antwoordde zijn vriend bedaard, terwijl hij hem terughield, en er een kogel in den toren werd geschoten. Doch zoodra hij deze woorden uitsprak, hoorde men buiten een eigenaardigen schreeuw. „Ralph?” zei Frank, en op hetzelfde oogenblik scheen er iets tegen den muur te vallen. „Ha!” riepen Frank en Van Schaffelaar plotseling, terwijl er een zwaar lichaam op den omgang neerkwam en de wapens klonken. „Op, Van Schaffelaar!” riepen de ruiters, die bij hen waren, en zij traden naar de trap. Van Schaffelaar riep: „Naar den omgang, mannen, vooruit!” Allen trokken hun zwaarden en al de Zwarte Ruiters op het kerkhof riepen: „Op voor Perrol! Hoezee de Zwarte Bende!”

De list van den Tuimelaar was dus maar al te goed gelukt, zijn pijlen hadden de ruiters van Van Schaffelaar den omgang en zelfs grootendeels de bovenste verdieping doen verlaten, en de voorzorg, die hij genomen had, om geen ruiters op het dak stormvaardig te doen staan, had zijn vijanden in den waan gebracht, dat hij alleen gekomen was, om hen met zijn pijlen te vervolgen. Nu viel de ladder, de Zwarte Ruiter stapte snel over de borstwering heen, en met n oogopslag overzag Van Schaffelaar de gevolgen van deze noodlottige gebeurtenis. De Tuimelaar stond boven aan de trap en verhinderde de Schaffelaars om op den omgang te dringen; zijn zwaard hield de trap gesloten. De zes Zwarte Ruiters, die op het dak geweest waren, beklommen met spoed de ladder. Tevergeefs gelastte Van Schaffelaar dreigend zijn mannen de trap te verlaten en plaats voor hem te maken. Zij hoorden zijn stem niet door hun drift om den Tuimelaar te verjagen, en de zes ruiters klommen reeds de een na den ander over de steenen borstwering! Zelfs eenige anderen traden nu op het dak en volgden hun makkers; luid klonk het zegevierend geschreeuw der vijanden en de naam van den Tuimelaar.

Frank zag, hoe acht zwaar gewapende mannen naar boven klommen, terwijl de anderen wachtten om hen te volgen, totdat zij de ladder zouden hebben verlaten, die sterk onder haar last boog. Daarop greep hij het touw, dat op den grond lag, en wierp het naar de ladder uit; het sissen der pijlen deed hem terugtreden, en hij haalde het breekijzer weer naar boven. De tweede uitwerping van het ijzer was even ongelukkig geweest als de eerste; reeds naderden de Zwarte Ruiters de bomgaten; maar toen sloeg het breekijzer, dat Frank voor de derde maal naar buiten wierp, gelukkig om de ladder, viel tusschen de sporten door en bleef haken. De voorste ruiter gaf een luiden gil, en klom snel omhoog. De vijanden, die op den omgang stonden, werden te laat gewaar wat er gebeurde, anders hadden zij de ladder kunnen vasthouden, en zij die nog op de nok stonden, durfden niet om haar heen stappen, of verloren hun tegenwoordigheid van geest. Te laat riep de Tuimelaar hun toe het touw te grijpen, dat langs den toren van de ladder afhing, die nu met vreeselijke snelheid over den smallen looden weg den toren naderde, en vervolgens ter zijde werd gehaald. Toen, doch nu te laat, bereikten twee Zwarte Ruiters de plaats, waar het touw vroeger gehangen had; het was buiten hun bereik. Een oogenblik was het twijfelachtig of de ladder in de schuine richting zou blijven staan; maar toen Frank het touw nog eens liet aanhalen, en de mannen op de ladder zich bewogen, viel zij om; het touw schoot door de handen van Frank heen, en de Zwarte Ruiters, die op het kerkhof stonden, hoorden het vreeselijke gilen van hun makker. Sommigen vielen, vrdat de ladder neerkwam; de meesten echter hielden zich er aan vast, werden door het hout op de dakleien neergedrukt, en vielen, dood of stervend tusschen de daken

De toestand van de belegeraars was echter verschrikkelijk: de Tuimelaar liep over den omgang, of sprong op de jukken, welke de klok en de spits hadden helpen dragen, en schoot onder hen. Tevergeefs trachtten de verzwakte ruiters van Van Schaffelaar naar boven te klimmen. Van Schaffelaar zelf noodzaakte degenen, die de trap niet wilden verlaten, met geweld plaats voor hem te maken; maar op dit oogenblik voegden zich de acht Zwarte Ruiters bij de overige. Toen hij eindelijk de trap bestijgen zou, viel de eenige zijner ruiters, die zijn bevel nog niet was nagekomen, langs de trappen naar beneden, die hij met zijn bloed purperrood verfde. Hoewel hij de kracht niet gehad had om de vijanden te verdrijven, zoo was hij evenwel met roem gesneuveld.

Het woeste vreugdegeschreeUw der Zwarte Ruiters overstemde het wanhopig geroep van de belegerden; de uitzinnige vreugdekreten op het kerkhof zwegen, en de ladder viel met donderend geweld. Frank riep: „Zege, zege, wij zijn alleen met den vijand!” en trok zijn zwaard, maar een vreeselijke uitroep van teleurstelling en woede ontsnapte aan den Tuimelaar.

Van Schaffelaar riep nu luid en kortaf: „Naar beneden, mannen, bij mijnheer St. Maarten, naar beneden – Ik wil het, Frank!” Zijn stem, die zich zoo dikwijls had doen gelden, gedoogde geen tegenspraak en weldra was er niemand meer van de Schaffelaars boven dan de man, die bij de trap, en een die bij de opening in den grond lag uitgestrekt.

„Naar beneden! Volgt mij langs de trap!” riep de Tuimelaar, die zich vooroverboog, de handen aan den klokbalk sloeg, en zich toen zonder aarzelen liet vallen. Hij zag nu naar de trap, en daarna voorovergebogen onder in den toren en bespeurde zijn vijanden. Daarop ging hij naar een der bomgaten, en riep: „Schiet een dun touw naar boven en bindt er een dikker aan, wij moeten pijlen en bogen hebben!”

Op dit oogenblik vertoonde Perrol zich op het kerkhof; men had hem gezegd, dat de Tuimelaar den toren beklommen had, en vol hoop was hij genaderd; maar toen hij verscheen lag de ladder gebroken op het dak, en zij, die er den voet op gehad hadden, lagen gedeeltelijk levenloos onder aan den kerkmuur. Hij vloekte verschrikkelijk, maar toen hij zijn mannen van wapenen op den omgang zag en de stem van den Tuimelaar hoorde, vergat hij de dooden, dacht alleen aan het naderende oogenblik der wraak, en haastte zich om aan het verlangen van dezen te laten voldoen.

De Tuimelaar had zich door de krijgslist van Van Schaffelaar laten verschalken; hij bedroog zich, toen hij dacht, dat deze zich niet meer zou vertoonen, en zich en zijn ruiters zonder tegenstand zou laten neervellen; want juist toen eenige Zwarte Ruiters den omgang reeds verlaten hadden, vertoonde zijn witte vederbos zich boven aan de trap. Zij waren nu niet talrijk genoeg, om hem terug te drijven, en zijn mannen stonden veilig voor de pijlen. Zijn schild ving het zwaard op, dat hem wilde slaan, en die het zwaard gevoerd had, zonk doorstoken neer. „Voor Van Schaffelaar en St. Maarten!” riep hij even bedaard, even luid als voorheen; even krachtig scheen zijn arm, als toen hij Eemnes was binnengereden. De Tuimelaar noch n der Zwarte Ruiters had aan het wapenschild van Van Schaffelaar gedacht; maar Perrol had het geen enkel oogenblik vergeten; hij riep: „Ruk af dat schild, ruk af dat wapen van den laatsten der Van Schaffelaars; ik wil het vertrappen.” Maar zijn wraakzuchtige bevelen kwamen te laat: reeds waren alle Zwarte Ruiters beneden en reeds had Van Schaffelaar zijn veldgeschreeuw doen hooren. Het gold nu niet het afrukken van een schild, maar het terugdrijven van hun vijanden, het redden van hun eigen leven.

Frank was de eerste, die den aanvoerder volgde; de eene blinkende wapenrusting vr, de andere na, kwam uit de opening van de trap te voorschijn. De eene pluim volgde de andere, als de witte zeilen van de vloot, die de haven verlaat, en waarvan de schepen n voor n hun admiraal volgen, die hen ten strijde voert. Het gevecht begon, als een strijd tusschen de engelen des lichts en die der duisternis; lijf aan lijf stonden die mannen; maar zwaard en dolk waren hier niet alleen te vreezen; een enkele misstap bij de bomgaten, of bij de opening in den grond, bracht immers reeds den dood aan. Te laat zag de Tuimelaar in, dat het verlaten van den omgang de grootste onvoorzichtigheid geweest was: aan terugtreden was nu geen denken meer.

Daar hieuw Frank een der vijanden neer en lichtte den voet op, om hem naar beneden te trappen, toen deze weer trachtte op te staan; zijn oog zocht reeds een nieuwen vijand. Maar de Zwarte Ruiter lachte vreeselijk, hoewel hij viel, toen hij boven den duisteren afgrond zweefde; want hij had den voet gegrepen. die hem in den dood schopte. Frank’s oog werd door een nevel bedekt en hij achtte zich verloren. Tevergeefs trok hij den voet terug, maar de ijzeren vuist liet niet los. Maria was zijn laatste gedachte. Toen voelde hij een ijzeren arm, die zich om zijn lijf klemde, alsof een bliksemstraal langs hem heen schoot; de Zwarte Ruiter gaf een rauwen gil, en liet den voet los, en terwijl de man van Perrol onder in den toren viel, zei Van Schaffelaar: „Wees voorzichtig, Frank!” Een oogenblik stond Frank besluiteloos; maar een pijl, die van het kerkclak over den omgang heen in den toren werd geschoten, viel op hem; hij lette echter niet op het touw, dat er aan was vastgemaakt, maar hief het zwaard nu weer op. Met twee handen voerde Van Schaffelaar het breede zwaard; waar hij stond, stond hij als een muur; wat hij trof verbrijzelde hij. Perrol kon niets doen om zijn mannen bij te staan; geen ladder was groot genoeg om den toren te beklimmen; met de armen over elkander stond hij als een standbeeld op het kerkhof, met het oog naar boven. Tevergeefs trachtten zijn ruiters een doel te vinden voor hun pijlen of kogels; zij zagen niets dan zwarte harnassen voor de openingen in den muur. Toen gelastte Perrol om door het gewelf in den toren te klimmen en Quintyn snelde heen.

Toen luisterde Frank, en weldra riep een stem onder uit den toren: „Op Van Schaffelaar!” De Zwarte Bende richtte daar de ladders op, en Van Schaffelaar, die met eigen hand nog een man van Perrol naar buiten stiet, gelastte het meerendeel van zijn mannen, om hun makker bij te springen. Zij gehoorzaamden, maar Frank bleef. Nu bevond zich slechts n Zwarte Ruiter op de been: het was de Tuimelaar, die alln nog het zwaard voerde, en hoewel hij geen harnas droeg, had hij met zooveel beleid zijn schild gebruikt, dat hij nog geen enkele wonde had gekregen. Doch toen hij zich geheel alleen bevond, zag hij ook niets voor oogen dan den dood. Frank leunde op zijn zwaard en de drie andere ruiters hadden zich neergezet, sedert hun vijanden gevallen waren, en zagen onverschillig naar den laatsten vijand, die zich tegen Aalbrecht verdedigde; zij waren te vermoeid, om hun eigen overwinning toe te juichen, en luisterden naar wat beneden zou gebeuren.

Van Schaffelaar, die ook vermoeid was, bleef staan, toen hij zag, dat zijn man van wapenen op zijn tegenpartij zou zegevieren, dien hij reeds tot aan het uiterste einde van een bomgat had teruggedreven; deze liet het zwaard vallen, en hoewel hij het wapen, dat hem den hals dreigde af te houwen, op zijn schild opving, werd hij toch slechts op de knien neergedrukt. Vurig schitterde het oog van den Tuimelaar, terwijl hij ook het schild losliet en den laatsten slag met de gelatenheid der wanhoop scheen af te wachten; doch plotseling gaf Aalbrecht een schreeuw, welke door Van Schaffelaar en allen die bij hem waren, herhaald werd; de Zwarte Ruiter vatte den zwaar geharnasten man bij de beenen bracht het hoofd snel vooruit, en wierp hem over zich heen naar buiten.

„Ha!” riep Perrol, toen dat blinkende harnas zich in de lucht vertoonde. „Leve de Tuimelaar!” riepen de Zwarte Ruiters, die, evenals Perrol wenschten dat het de aanvoerder mocht zijn, die naar beneden viel.

„Sterve de Tuimelaar,” zei Van Schaffelaar somber, en lichtte zij zwaard op; hij had het vizier van zijn helm opgeschoven en zijn blik en die van den Tuimelaar ontmoetten elkander. Een oogenblik stonden beiden onbeweeglijk; toen vatte de Tuimelaar snel het zwaard op, stiet met den voet zijn boog naar buiten, die er naast lag, en trad vooruit, zoodra de aanvoerder naderde. Naar alle zijden ging zijn oog, en hij riep: „Op voor Perrol!” stak zijn zwaard op en greep een der balken, welke de Schaffelaars vergeefs hadden getracht te beklimmen, zonder moeite scheen hij zich op te hijschen; zijn voeten volgden zijn handen en hij sprong op den omgang, voordat Van Schaffelaar hem met zijn zwaard kon bereiken. Maar deze beklom snel de trap. De Tuimelaar was ijverig bezig, om het touw op te halen, dat van de borstwering hing; indien het gelukte, om het dikke einde te pakken te krijgen, zou hij misschien gered zijn, maar de aanvoerder liet hem hier den tijd niet toe; de Tuimelaar, steeds het touw naar zich toehalend, ontweek den geharnasten man, die hem naderde. Het wilde hem echter niet gelukken, want het touw klemde zich om den toren, en hoewel hij van woede brulde, moest hij het loslaten. Geen andere uitweg bleef hem nu over, dan den dood te trotseeren; hij trok het zwaard en wierp zich vol moed op den aanvoerder, ving diens lemmet op zijn schild, dat om zijn hals hing, op en trachtte hem het zijne onder het borstharnas te stooten; maar Van Schaffelaar keerde het af. Hierop werden de beide zwaarden gelijkertijd opgeheven en met kracht daalden zij neer. Een uitroep van woede ontsnapte den Tuimelaar; zijn lemmet werd bij het gevest verbrijzeld en het ontviel aan zijn vuist. Nog eens hief Van Schaffelaar het breede zwaard op, maar de Zwarte Ruiter keerde den slag met zijn schild af, trok zijn dolkmes en drong vooruit. Een nieuwe houw deed hem echter waggelen en deed hem de knie buigen; doch Van Schaffelaar liet zich niet verschalken gelijk de dappere Aalbrecht, en trad terug. Het zwaard daalde weer neer, en alleen aan het schild had de Tuimelaar zijn leven te danken, maar nu viel het ook half verpletterd van zijn hals en uit zijn handen.

Voordat Van Schaffelaar hem echter den laatsten slag kon toebrengen, stond hij op en week achteruit; nu waagde hij het niet meer den aanvoerder af te wachten; slechts zijn dolk bleef hem nog over. Hij vluchtte voor Van Schaffelaar, die hem maar niet kon inhalen, want als deze hem dacht te bereiken, sprong hij op de jukken; elke weg, hoe smal ook, was hem breed genoeg, en op een andere plaats zette hij den voet weer op den omgang. Nu eens zag de Zwarte Ruiter naar beneden, dan weer keek hij in den toren; doch overal wachtte hem de dood. Toch kon hij nog niet besluiten, zijn leven prijs te geven; hij vluchtte als de buigzame panter, die gedurig stilstaat, en zijn vervolger aangrijnst, maar den kamp niet durft wagen, en weer vlucht.

Op dit oogenblik beklom Frank de trap, en plaatste zich met het zwaard in de hand, op den omgang. De Tuimelaar stond stil op een hoek van den toren, hief zijn dolk op, maar liet hem uit de hand vallen, en wierp zijn handschoenen weg; de riem, waaraan het wapenschild van Van Schaffelaar buiten den toren hing, scheen zijn oog te trekken. Doch hij wendde het gelaat af, zag naar Van Schaffelaar en Frank, naar beneden in den toren, en riep toen, terwijl zijn blik vertwijfeling uitdrukte: „Hoezee, de Zwarte Bende!”, vatte den rand der borstwering aan, en slingerde zijn lichaam naar buiten.

„Leve de Tuimelaar!” riepen zijn makkers, die tevergeefs getracht hadden Van Schaffelaar met hun kogels en pijlen te treffen. Doch nu hield het geluid der vuurwapenen op, en alles werd doodstil op het kerkhof; zelfs Perrol, die zijn dolk weer opgestoken had, toen hij in den neergevallen vijand Van Schaffelaar niet herkend had, zag met angstige verwachting naar den steenklomp. De Tuimelaar, die zich juist aan den hoek van den toren bevond, had zich met zijn knien en scheenbeenen vastgeklemd aan de beide zijmuren; zijn voeten zochten elke spleet in den muur; zijn handen hielden zich, na den rand van de borstwering verlaten te hebben, vast aan elken steen; zijn nagels zochten elke voeg, waar de kalk was uitgevallen, en toen Van Schaffelaar over den omgang zag, was hij reeds buiten het bereik van zijn zwaard. Het lederen kleed van den Zwarten Ruiter dat men de borst langs den kant van den muur schuurde, scheen zich vast te zuigen aan de ruwe en groote steenen. Doch toen hij reeds op de hoogte van de bomgaten genaderd was, zag Perrol, hoe zijn rechterbeen scheen uit te glijden, een woeste gil liet zich van de toren hooren; ’t was alsof die man, welke tot den toren scheen te behooren, er zich nu met kracht van afstiet. Als een rad draaide hij in het neervallen, maar het was de laatste tuimel van den Tuimelaar, want het eerste, dat op de aarde neerkwam, was de ijzeren kap, welke zijn hoofd dekte. Een oogenblik bleef hij rechtop staan; toen viel hij om, en zijn makkers, die hem opnamen, werden gewaar, dat hij dood was, hoewel zij geloofden, dat hij niet zou omgekomen zijn, indien hij op zijn voeten was neergekomen.

De dood van Tuimelaar trof zelfs Perrol. Perrol was verwonderd dat de Tuimelaar niet opstond, en trad naar hem toe, toen zijn ruiters hem opnamen. Het scheelde echter weinig of het bendehoofd was naast hem neergevallen; want een zwaard, dat van den toren werd geworpen, viel met het platte van het lemmet op zijn schouderstuk; had de zwaarte van het gevest het wapen niet doen omslaan, was de scherpe punt op het harnas gekomen, en had hij den gesloten helm niet opgehad, waarschijnlijk zou Perrol, doodelijk getroffen, neergevallen zijn. Nu liet hij een woesten schreeuw hooren, terwijl hij op de beenen waggelde, en de hand aan den linkerschouder bracht; maar hij viel niet, en zag tevergeefs naar boven, wie hem getroffen had. Toen bukte Perrol voorover, en vatte het wapen, wat eenmaal aan de heup van een zijner mannen van wapenen had gehangen. Zijn vijanden te bereiken was hem onmogelijk, daarom riep hij van toom bevend: „Hond, die gij zijt, voel het wapen eens, dat de ellendelingen op mij werpen, omdat gij uw plicht niet doet!” Hoog lichtte hij het zwaard boven het hoofd van een zijner ruiters op, die, op zijn roer geleund, voorovergebogen naar den Tuimelaar zag. Tevergeefs trad de Zwarte Ruiter terug het lemmet trof zijn helm, en hij viel zonder een enkelen kreet te uiten. Met al de kracht van zijn arm, wierp Perrol het zwaard nog op den ongelukkige, die roerloos aan zijn voeten was neergevallen; hij wierp een vreeselijken blik om zich heen, terwijl hij terugtrad en riep: „Per moio! gij kent Perrol nog niet, – ha, ik zal u leeren mijn bevelen beter in waarde te houden; de dapperen, wier plaats gij vervult, zijn allen in Eemnes gebleven; maar bij den satan, indien zich nog n wapenrusting op den trans vertoont, zal ik den luiaard straffen; door mijn hand zal hij vallen, al was hij de laatste man van mijn bende!”

Hij sloeg op zijn zwaard, en sidderend gehoorzaamden zijn ruiters. De pijlen werden op de bogen gelegd, de lonten aangeblazen, de schoten gedaan, hoewel men niemand op den toren kon zien.

Terwijl Van Schaffelaar met Frank in een der hoeken zat en tegen den muur leunde, riep een der ruiters, die zich op de knien had opgericht, want het was gevaarlijk zich te veel bloot te geven, sedert Perrol zijn ruiters had bestraft: „Heer, wij zijn gered, onze wapenbroeders komen ons ontzetten! Leve heer David!”

„Hoezee!” riepen zijn makkers, en Van Schaffelaar vroeg snel: „Waar ziet gij hen? God geve, dat gij u niet bedriegt!” De ruiter strekte zijn hand uit, en allen voegden zich bij hem of zagen langs den aanvoerder heen.

„Mijn vrienden,” zei Van Schaffelaar, na eenigen tijd naar buiten gezien te hebben: „De hoop, welke ons voor een oogenblik heeft verkwikt, zal vervliegen als de rook, welke langs ons oprijst; het zijn onze vijanden. Of ligt de weg van Wijk-bij-Duurstede of Rhenen over Amersfoort...? Tien jaren van mijn leven zou ik willen missen, om de harnassen van mijn ruiters dr tegen de lucht aan den gezichteinder op den valen bergrug of aan den zoom van het woud te zien blinken; maar het is een ijdele wensch, dat is geen volk van den Bisschop.” Een oogenblik later verlieten omstreeks vijftig mannen van wapenen het dorp. In den draf verwijderde zich de zwarte drom; hun speren schitterden in de zon, en weldra kon men den rooden vederbos niet meer onderscheiden, die achter de speerhouten verdween.

Perrol was verwonderd geweest, toen de ruiter, die op de voorposten gestaan had, tijding bracht van het naderen van eenig krijgsvolk. Zijn eerste werk was, Quintyn op verkenning uit te zenden, waarna hij zijn volk onder de wapenen liet roepen, om het dorp desnoods te verdedigen. De kant, vanwaar zij kwamen, stelde hem gerust, toch kostte het hem moeite zijn ontstemming te verbergen, toen Quintyn terugkeerde; en hoewel hij nu verzekerd was, dat het geen volk van den Bisschop was, dat aanrukte om Van Schaffelaar aan zijn wraak te ontrukken, beval hij toch, voordat hij het dorp verliet, dat ieder op straffe des doods op zijn post moest blijven.

Hoewel er, van den toren gezien, de beste eensgezindheid scheen te heerschen tusschen Perrol en den aanvoerder van het naderende krijgsvolk, tusschen de mannen van dezen en de Zwarte Ruiters, riep Perrol heer Gerrit van Nijveld, die hem tegemoet reed, toe: „Ik groet u, Heer van Nijveld, maar op mijn eer, gij zijt al te goed; mijn ruiters zouden er alleen wel gekomen zijn; het zou te stout van mij geweest zijn, om een edelman te belasten met de zorg om die logge bussen te begeleiden.”

Van Nijveld beantwoordde ten halve zijn koele hoofdbuiging, hield zijn paard staande en antwoordde: „Hem daarmee te belasten, Messire, zou zeker stout zijn, verzoeken was al genoeg; hoewel een edelman anders zonder schande het oorlogstuig kan begeleiden, dat gemakkelijker verloren dan gewonnen wordt. Maar dit was ook mijn bedoeling niet; geen van mijn mannen bevindt zich bij de bussen.”

,Ha,” zei Perrol spottend, „vergeef mijn dwaling, Heer. Gij komt dus eens zien, hoe ik het maak; ik blijf u wel zeer verplicht voor uw beleefdheid.”

„Ik zou reeds eerder gekomen zijn, Messire,” gaf deze op denzelfden toon ten antwoord, „indien ik mij had kunnen verwijderen zonder gevaar voor de stad, welke gij zoo plotseling verlaten hebt.”

„En welke bende ligt er dan nu in Amersfoort?” vroeg Perrol, terwijl hij aan zijn ruiters een teeken gaf, om door te rijden.

„Het volk Van Wachtendonck, Messire,” zei Van Nijveld droogweg, terwijl hij zijn paard door het zware zand liet voortstappen, en met de hand wenkte, dat zijn soldaten zich in beweging zouden stellen.

Perrol, die naast hem reed, zweeg eenige oogenblikken, en vroeg toen ontevreden: „Zoudt gij zoo goed willen zijn, Heer, mij te zeggen, wie u bericht heeft waar ik mij bevind, en waarom al dat volk u vergezelt?”

„Stelt gij daar belang in?” vroeg Van Nijveld onverschillig.

„Ja, Heer,” antwoordde Perrol somber, „ik moet het weten, voordat wij verder gaan, ik moet weten of gij komt als vriend, dan of gij het voornemen hebt om mij den voet weer dwars te zetten, evenals in mijn legerplaats achter Dwarsdijk.” „De vlammen, die men van den toren gezien had, en een gerucht, dat zich door Amersfoort had verspreid,” antwoordde Van Nijveld bedaard, „deden mij vermoeden dat de Zwarte Bende Barneveld bezet had. Hedenmorgen heeft zich deze veronderstelling bevestigd. Maar zeg mij nu eens, Messire, tegen wien zijt gij in het veld gerukt, zonder mij iets te zeggen of te laten weten? Waartoe moeten die bussen dienen, welke gij hebt laten halen?”

Perrol gaf zijn paard de sporen en haalde den teugel aan; er verliep een geruime tijd, eer hij den naam van den braven man, dien hij vervolgde, kon uitspreken. Eindelijk opende zich de dichtgeklemde mond. „Tegen wien? Tegen wien anders, dan tegen dien trouwen dienaar van den bastaard, die nog druipt van het bloed van mijn ruiters, van de mannen van Van Wachtendonck en van het volk van uw eigen bloedverwanten? Tegen Jan van Schaffelaar!” riep hij somber. Toen zweeg hij; maar de verwondering en teleurstelling, welke de edelman, die naast hem reed, liet blijken, gaven hem de spraak weer, en hij vervolgde driftig: „Bij mijnheer St. George, ’t is onnoozel genoeg, om zich van het spoor te laten brengen; gij wist zoo goed als ik, dappere Heer, dat mijn vijand, de moordenaar van mijn ruiters zich hier bevindt.”

„Neen, bij mijn zwaard!” riep Van Nijveld met vuur, „voor wien zou ik behoeven te liegen? Vraagt een edelman naar den bekenden weg? Gij zijt de eerste, die het mij gezegd heeft.”

„En die vuurroeren, die boogschutters, die landsknechten, Heer Nijveld,” vroeg Perrol, „waartoe moeten die dan dienen? Waarvoor volgen zij u, indien het niet is, om een nuttelooze poging te doen, om den ellendeling te redden, die sterven moet, – die sterven zal!” Zijn gelaat trok zich tot een grimlach tezamen; zijn oogen schitterden woest, als die van een hyena, wie men haar prooi ontnemen wil.

„Hoofdman der Zwarte Bende,” zei Van Nijveld langzaam, en hield zijn paard staande, „de uitdrukking, die gij aan uw lastige vragen geeft, bevalt mij niet. Slechts omdat gij hier alleen zijt, en mijn bende mij volgt, kan ik ze aanhooren; elders zou ik u mijn handschoen toewerpen, maar hier niet.”

„En wat houdt u terug?” vroeg Perrol snel.

„Omdat, indien mij de zege bleef, men zou kunnen zeggen, dat de strijd niet geschied was in tegenwoordigheid van onze gelijken; maar zelfs op een oogenblik, dat gij geheel alleen waart,” zei Van Nijveld met waardigheid.

Voordat hij vervolgde, vroeg Perrol somber: „Maar zoo ik overbleef, wat dan?” „Dan zouden mijn mannen u waarschijnlijk weinig tijd laten om uw overwinning te genieten, Messire!” antwoordde Gerrit van Nijveld koel.

Perrol zweeg eenige oogenblikken; hij overwon de drift die hem beheerschte, vierde den teugel, en zei toen onverschillig: „Na hem, en als hij er niet meer is, zal ik met genoegen uw handschoen oprapen; misschien ben ik dan ook gezonder dan nu, en de heeren, die ons zullen omringen, zullen des te meer reden hebben, om u toe te juichen, als Perrol valt.” Een bijna onmerkbare grimlach vertoonde zich op zijn gelaat, en hij vervolgde: „Maar zou het te veel van uw goedheid gevergd zijn, mij te zeggen, Heer, wat u naar Barneveld dreef, daar gij niets van Van Schaffelaar wist?”

„Kunt gij dat nog vragen, Messire!” zei Van Nijveld, die door een buiging met het hoofd zijn goedkeuring om den twist te staken, scheen te kennen te geven. „Het huis Hacfort is een goed van mijn moeder, en het behoort mijn vader immers? Denkt gij dan, dat de vlammen mij niet verontrust hebben, dat ik niet gedacht heb aan zijn huis, aan zijn dienstmannen, die in het dorp wonen, en dat het mij niet verwonderd heeft, dat de man, dien ik vroeg in den morgen op kondschap had uitgezonden, teruggewezen is, zonder dat men hem voor u heeft gebracht, zonder dat hij den Hacfort heeft kunnen bereiken?”

„En indien ik het slot van uw vader eens in bezit had genomen?” vroeg Perrol lachend.

„Zij, die het bewaren, zouden de valbrug niet voor u hebben neergelaten, Messire,” zei Gerrit van Nijveld, terwijl hij opmerkzaam het gelaat van den aanvoerder gadesloeg.

„En gesteld, dat ik hun die had doen neerlaten?” vervolgde Perrol.

„Bij het leven van mijn vader, Messire, dat hebt gij niet gedaan!” riep Van Nijveld snel, terwijl de toorn en moed in zijn oogen te lezen waren. Toen wierp Perrol een vluchtigen blik achter zich op de donderbussen, die meer in Van Nijveld’s macht dan in de zijne waren, en zei ernstig: „Zoo is het ook, Heer. Ik bekreun mij om Hacfort evenmin als om de dienstmannen van uw vader, ik zocht voor het oogenblik niets in Barneveld dan Van Schaffelaar, en ik heb hem gevonden. Maar zoo zachtjes aan naderen wij het dorp; zonder verbloemen heb ik u gezegd, dat hij het niet levend verlaten zal, en zeg u nu, dat geen losprijs, hoe groot ook, mij zal kunnen overhalen om hem genade te verleenen; hebt gij dus het voornemen om hem te redden, zoo zeg het, gelijk het een edelman en iemand die in het harnas steekt, betaamt. Dan kan ik mij verwijderen, en als gij het dorp inneemt, als de Zwarte Bende voor u vlucht, dan kunt gij u beroemen, die mannen, welke tot de Utrechtsche partij behooren, overwonnen, en den handlanger van den bastaard, den aanstaanden schoonzoon van den smid uit de Vergulde Helm, het leven gespaard te hebben. Mijn wraak opschorten, doe ik liever niet; liever wil ik sterven met mijn heele bende, en met u, en de mannen die u volgen; daarom beraadt u wel, voordat gij den voet in het dorp zet; want gij zoudt de zwakste zijn, en ik zou niet gaarne zien, dat men Perrol beschuldigde, dat hij heet Gerrit van Nijveld en zijn mannen verradelijk besprongen en vermoord had.”

Beiden hadden hun paarden weer laten stilstaan, maar de heer Van Nijveld gaf het zijne de sporen, terwijl hij met ernst ten antwoord gaf: „Ik ben gekomen om het huis van mijn vader te bezetten, Messire, en zal het doen of er mijn leven voor laten, laat ons dus voortgaan; maar ik zal mijn trouwe knechten niet opofferen voor het leven van een vijand, hoewel ik hem moet hoogachten, en vrees voor den dood mij niet weerhouden zou, om het dorp aan te vallen, indien ik nog heer David diende.”

Perrol grimlachte, terwijl de dappere en anders zoo vroolijke edelman diepen rouw gevoelde, dat Van Schaffelaar niet tot zijn wapenbroeders behoorde, wat hem de vrijheid zou hebben gelaten zijn mannen te wagen, al was het om een roekelooze poging te doen om hem te redden, of dat zijn macht niet sterk genoeg was, om Perrol alle hoop te benemen, tegen zijn wil zijn wraakzucht bot te vieren.

Wij zullen ons niet ophouden met de beschrijving te geven van de logge vuurmonden, noch van de moeite, welke het gekost had, om die door het zand naar het dorp te sleepen. Onder de smeden en hun gezellen, die opgeroepen waren om de bussen te vergezellen, bevond zich wel de meester uit de Vergulde Helm, maar geen van zijn gezellen; zij waren op zijn last en zijn verantwoording teruggebleven.

Toen de bus van Nijkerk binnen het dorp werd getrokken, waren die uit Amersfoort reeds geplaatst; de wagens met steenen kogels, en die welke het buskruit bevatten, waren ook reeds het kerkhof genaderd, en niets verhinderde nu Perrol meer, zonder een van zijn mannen te wagen, den toren met deze oorlogswerktuigen aan te vallen.

Eer de zon den westelijken gezichtseinder bereikte, rolde het donderend geluid van de eerste losbranding over de heide; drie even harde ontploffingen volgden, zoodat de toren op zijn grondvesten dreunde, meer door de verplaatsing van de lucht en het schudden van den grond, dan door de zware steenen ballen, die tegen zijn muren terugstuitten. Een dikke kruitdamp hing over het kerkhof. Het vallen van den avond was welkom voor allen, omdat hij een einde maakte aan het laden en lossen van de bussen; alleen Perrol verheugde er zich niet over; maar dubbel welkom was hij voor Van Schaffelaar en degenen die bij hem waren. De nacht scheen een einde te maken aan alles; het geroep der schildwachten alleen liet zich op het kerkhof en aan de uiteinden van het dorp hooren, en toch bemerkte Van Schaffelaar, dat de toren veel strenger en met meer macht bewaakt werd, dan den vorigen nacht.

Honger en dorst kwelden de belegerden. De ruiters sliepen onrustig. Frank en Van Schaffelaar stonden tezamen uit te zien.

„Ha,” riep Frank opeens, maar hij ging niet verder, want zijn vriend greep hem bij den arm, en zei snel: „Ziet gij dr, naar de zijde van het Eesche bosch, niet iets dat schijnt te branden? St. Maarten zij geloofd, het wordt een vlam.”

„God lof, het is de knaap,” riep Frank verheugd. „Ja het is een vuur! Het brandt juist op de plaats, die ik hem heb aangewezen; ’t is alsof ik den rook zelfs zie, gij zijt gered! Zou heer David de voetknechten van Van Wilpen zenden? O, waarom is het geen dag?” Zijn vriend, die eerst in zijn vreugde scheen te deelen, antwoordde niet, maar zag strak naar buiten. „Gij zwijgt……” vervolgde Frank, en van schrik opspringend, riep hij: „O mijn God, nog een vuur!” maar hij vervolgde: „Henri is onvoorzichtig geweest; hij heeft een brandend stuk hout ter zijde geworpen; denkt gij dat ook niet? ”

„Zeker,” antwoordde zijn vriend, die hem niet van zijn hoop berooven wilde, maar vergeefs trachtte hij aan zijn stem een uitdrukking te geven, welke niet strookte met zijn gedachten, en Frank riep somber, toen vier vlammen op eenigen afstand van elkander oprezen: „En vuur zou ons redden, het tweede liet ons weinig hoop, en er zijn er vier – zij verkondigen ons den dood.”

Van Schaffelaar had den indruk overwonnen, welke het verloren gaan van zijn laatste hoop op hem gemaakt had; de hand, die hij op den schouder van Frank legde, beefde niet, en hij zei vol vertrouwen, met een vaste stem: „Hangt er ons leven van af, of daar n of twee vuren branden, of berust het in de hand van God? Geloof mij, het zal Hem niet moeilijk vallen, en mijn ruiters te redden, als het Zijn wil is.”

„En u, mijn weldoener?” zei Frank. Toen antwoordde Van Schaffelaar, zij het zacht: „Ook mij, Frank, wees daarom welgemoed, en laat mijn mannen niets merken.”

„Als Henri de vuren niet ontstoken had, dan zou ons nog eenig vooruitzicht overgebleven zijn; hij ontrooft ons onze laatste hoop,” riep Frank, het hoofd schuddend.

„Maar de trouwe knaap doet zijn plicht, en geeft mij opnieuw een bewijs, dat ik mij in den staljongen niet bedrogen heb,” zei zijn vriend.

Frank was het weer, die het woord opnam, maar zijn stem verried den toom, die hem beheerschte. „Van Schaffelaar,” zei hij, „heb ik u niet gezegd, dat de moed en het edele gevoel alleen opwellen in de borst, die door het harnas gedekt wordt; maar dat het priesterkleed dat gevoel verstikt, en alleen lafheid en eigenbelang aankweekt? O, als heer David een krijgsman was……”

„Gij zijt te jong om er over te oordeelen,” antwoordde Van Schaffelaar bedaard. „Voorheen dacht gij zoo, omdat uw vurig gemoed niet kon begrijpen, dat er veel meer deugd en moed toe behoort, om het priesterlijk gewaad dan het harnas te dragen; omdat de voorzichtigheid dier heilige mannen niet strookte met uw strijdlust; nu veroordeelt gij hen, omdat de man, van wien gij hulp verwacht, een priester is. Perrol draagt immers ook het harnas; hij is een krijgsman, gij weet het – en hij is een moordenaar!”

„Ja,” riep Frank, „hij is een ellendeling; maar zou hij zelfs Walson hebben laten vermoorden, zonder hem bij te springen, als hij het had kunnen doen? Zouden de koning van Frankrijk en Karel de Stoute hun trouwsten en dappersten aanvoerder hebben laten vermoorden, zonder met edel vuur het zwaard te grijpen? Neen, Van Schaffelaar, dat geloof ik niet. Helaas, de Bisschop, dien wij gediend hebben, is……”

„Zwijg,” riep Van Schaffelaar bevelend, „vergeet gij, dat ik zijn leenman ben? Ik vorder eerbied voor zijn Eerwaarde: hij is mijn en uw heer! Vergeet gij, wat gij gezworen hebt op mijn zwaard……?”

Zijn ernstig oog schitterde van verontwaardiging; maar toen de jonge man het hoofd neerslachtig liet zakken, verrieden zijn stem en zijn blik medelijden. „Ik weet, dat gij hem trouw zult blijven, Frank,” zei hij, „en dat gij nimmer tegen hem dienen zult, zoo gij al reden vondt om zijn zijde te verlaten, zooals heer Gerrit van Nijveld en zoovelen, die ik beklaag, maar niet verachten kan. Het is uw vriendschap voor mij, het is de honger, die u doet dwalen, geef mij de hand, en bedroef u niet; de diensten, welke gij hem nog bewijzen zult, zullen uw vergrijp weer goedmaken. Ziet gij zelf niet in, dat heer David niet anders handelen kan? Zal Engelbert van Kleef niet dadelijk kondschap krijgen, als hij de zwakke bezettingen van de steden hierheen zendt? Kan hij het als Bisschop en Heer van het Sticht verantwoorden, zijn steden en dorpen aan plundering, honderden huisgezinnen aan de armoede en den dood over te laten, zijn krijgslieden misschien te verliezen, en wellicht voor niets; – want Perrol zou zich verdedigen, – en zijn heiligen persoon wagen? – En waarvoor? – Voor een twintigtal van zijn ruiters……”

„Maar gij,” riep Frank, „wie zal de Schaffelaars aanvoeren, als gij er niet meer zijn zult, waar vindt men weer iemand, zooals u, mijn vriend?”

„Dat zal de edelman doen, die onder mij als luitenant dient,” antwoordde zijn vriend met vuur; „de Bisschop heeft mij een vroom man gegeven; deze is thans, God zij gedankt, weer gezond en sterk, en bij mijnheer St. Maarten, hij zal zijn plicht doen. Heer David zal verlegen zijn om eenige moedige ruiters, als hij u mist en hen die daar rusten; het zal hem niet moeilijk vallen, om de plaats van Jan van Schaffelaar te vervullen; hij heeft er die dapperder zijn dan hij: maar nooit zal hij er een kunnen vinden, die hem trouwer heeft willen dienen dan ik; dat is de eenige verdienste, welke ik niet wil afstaan!

„Van Schaffelaar,” zei Frank snel, „ik voel nu, dat uw hoop op redding niet vergeefsch was; gij hebt Van Nijveld genoemd, het is een goddelijke bestiering, die mij de wapenstukken van sommige Zwarte Ruiters deed achterhouden. Gij schiet een zwart harnas aan, en sluit het vizier. Wij openen het luik en laten ons zakken; wat geven wij om den rook; ha, de Zwarte Ruiters zullen u niet herkennen, als die gladde wapenrustingen uit den toren snellen; bij mijnheer St. Maarten!” riep hij met geestdrift, „twee voetstappen hier vandaan ligt Van Nijveld; hij zal u nog eens redden!”

Van Schaffelaar glimlachte en schudde het hoofd. „En gij, en mijn ruiters……?” vroeg hij

„Zijn wij toch niet verloren? Is het niet onze plicht voor u te sterven? Zal de dood ons niet veel zachter vallen, als wij weten, dat gij gered zijt, dat Jan van Schaffelaar ons zal wreken? O, waarom zijn de Schaffelaars in Holland!” riep hij.

„Uw voorstel is onuitvoerbaar,” antwoordde Van Schaffelaar, „uw vriendschap en bezorgdheid doen u niet bemerken, dat het mij niet waardig is. Neen Frank, het zou mij niet redden; Jan van Schaffelaar kan zich niet redden door een laffe vlucht; hij mag niet sterven, vermomd in een wapenrusting van de Zwarte Bende!”

„Maar……,” riep Frank en zweeg, hij wilde Van Schaffelaar Maria herinneren, die hem wachtte, doch hij durfde haar naam niet noemen; de schuld, de bruid van zijn vriend te hebben bemind, kwam hem zwaar als lood op het hart vallen.

„Maar als ik u verzocht of gelastte om dat harnas aan te doen, Frank?” vroeg Van Schaffelaar.

„Om Gods wil, doe het niet, stoot mij niet van uw zijde,” riep Frank wanhopig, „het zou mij niet redden; ik bid u, laat mij met u sterven; ik vervloek het zwarte ijzer, en wil met de witte helmpluimen sterven.”

„Wees gerust, Frank,” zei Van Schaffelaar en drukte hem de hand, „als alle hoop mij begeeft, als het luik geopend wordt, en Jan van Schaffelaar met het zwaard in de hand den toren van Barneveld verlaat, zult gij het eerst mij volgen; gij zult allen met uw aanvoerder sterven.”

„Dat was dus uw hoop,” riep Frank met geestdrift. „Ha, een eervolle dood zal ons uit de handen van Perrol redden, en voor het gebrek bevrijden: we zullen vallen, voordat deze muren instorten; maar men zal nog lang aan ons denken!”

Het geheele harnas van den aanvoerder was spiegelglad en werd zorgvuldig neergelegd. Frank vergat zijn leed en zijn uitgeputheid, en was bijna vroolijk, nu hij meende het doel van zijn vriend te kennen, het speet hem, dat hij niet een der hamers van meester Wouter had, om de sporen van de zwaarden van de Zwarte Ruiters uit het harnas te kloppen. Zijn vriend, die met droefgeestig stilzwijgen den jongen beschouwde, was in gedachten verzonken; het verwonderde hem, dat Frank, zoo jong, zonder eenige teleurstelling of smart den dood tegemoet zag, hem als met onrust tegemoet wilde snellen, dat in dat jeugdige hart niets meer scheen te zijn, dat naar het leven haakte, nu hij wist, dat hij met zijn vriend in den dood zou gaan.

„Frank,” zei Van Schaffelaar ernstig, na hem vermaand te hebben zijn vreugde te matigen en bedacht te zijn, dat de dood een overgang was tot een beter leven, een plechtig en schrikwekkend oogenblik voor een vroom Christen; dat men niet brooddronken tegemoet moet gaan; „dit alles zeg ik u, omdat ik weet, dat een vroom krijgsman geen sterken wijn, geen gevloek of gejuich noodig heeft, om zichzelf op te winden en het gevaar voorbij te zien; ik weet, dat gij moed houdt. Het is een plechtig oogenblik, waarop ieder die het harnas draagt, voorbereid moet zijn; maar toch heeft men altijd licht nog iets, dat men vergeten heeft; men heeft een begeerte, die men uitgevoerd, een groet, dien men gaarne wilde overgebracht hebben; morgen kunnen wij beiden vallen; maar n onzer kan ook gespaard worden. Zoo het mij dus gelukte het leven te behouden, is er dan iets, dat uw wapenbroeder voor u doen kan?”

„Ja,” riep Frank driftig, want de gedachte, dat Van Schaffelaar gered zou worden, maakte hem gelukkig; maar zijn drift bedaarde, toen hij aangedaan voortging: „Indien gij bij de vele weldaden ook die nog voegen wilt, dan kan ik zeggen, dat ik bij mijn leven en na mijn dood uw schuldenaar zal blijven. en er trotsch op ben, want ik heb niets om het u te vergelden……”

„Gij vergeet, dat gij alles vergolden hebt, wat ik doen kan of gedaan heb,” zei Van Schaffelaar geroerd, „hebt gij niet Maria gered, Frank……? Maar vervolg.”

Frank sidderde, toen zijn vriend hem de vlucht uit Utrecht herinnerde; al de gewaarwordingen, die hem toen beurtelings hadden beheerscht, schoten hem door de ziel; maar hij antwoordde Van Schaffelaar: „Mijn vriend, gij kent Ralph, en weet wat ik aan hem verplicht ben: beschuldig mij niet van ondankbaarheid, of denk niet, dat de dag van morgen mij af schrikt, maar ik heb berouw, dat ik hem verlaten heb; breng hem den laatsten groet van zijn Frank; ik weet, dat hij mij alles vergeven heeft; zeg hem, hoe ik gestorven ben. Ik behoef u niet te verzoeken, hem te verzorgen, indien hij uw bijstand noodig had, weet ik, dat gij hem dien verleenen zult. Hij is oud: weldra zal zijn voet de heidestruiken niet meer drukken en hij zal den staf voor altijd neerleggen; spoedig zal ik den schaapherder weerzien. Herinner uw ruiters aan mij, als zij in het veld gaan; o, doe het, als zij de Zwarte Bende tegemoet rijden, dan zal mijn geest bij u, bij uw banier zijn; ik zal met u overwinnen. Ha, mijn naam met den uwe, die van den herdersjongen en den edelman zullen op het slagveld worden uitgeroepen! Ik zal mijn vijanden zien vallen, en Perrol! Maar hij, hij zal niet op de plaats komen, waar ik dan hoop te zijn; de Zwarte Ruiters en hij zullen het hemelsche kleed niet dragen……”

Hier zweeg Frank eenige oogenblikken en vervolgde toen zacht: „Gij zult laten bidden voor mijn arme ziel, ik weet het; ik verzoek u, laat het doen op de plaats, waar de priesterlijke zege u voor altijd met…… Maria verbinden zal. O, ik verg te veel,” riep hij, toen zijn vriend zijn gelaat afwendde en scheen te willen opstaan, „gij hadt het mij verzocht, ik dacht……”

„Ga voort, Frank, gij vergt niet te veel, ik luister, de smart, die ik voelde, zal weldra overgaan,” zei Van Schaffelaar gelaten, want hij had zijn aandoeningen bedwongen.

„Het zal de honger zijn, mijn vriend,” zei Frank treurig, „en toch de dorst…… maar ik vervolg, gij zult die missen laten doen; zij zullen mij redden. Groet Wouter en vrouw Martha van mij, en Dirk en al de gezellen, en zelfs de oude sloof. Dank den meester en zijn vrouw voor hun belangstelling in mij; zeg hem, dat het dolkmes, dat hij mij geschonken heeft, door een dubbele malinkap is gegaan, zonder te breken; het zal hem genoegen doen.”

„Is dat alles, Frank? vroeg Van Schaffelaar verwonderd, toen deze zweeg en glimlachte.

„Ja,” zei Frank, maar hij riep snel: „O, neen ik vergat nog iemand; zeg aan jonkvrouw Van Rijn, dat zij mij het leed vergeeft, dat ik haar heb aangedaan, dat haar broeder Frank haar smeekt hem dit te vergeven, dat hij God en de gebenedijde Maagd zal bidden voor haar…… en…… groet uw bruid van uw vriend,” eindigde hij zacht.

„Gij hebt niets meer te zeggen aan Maria? vroeg Van Schaffelaar treurig. „Niets meer, Frank……?

„Zeg haar, mijn vriend,” zei de jongeling, die zich geweld aandeed om te spreken, „dat u beider geluk mij daar boven zal verheugen; dank haar voor de goedheid, welke zij mij betoond heeft; verzoek haar voor mij te bidden; God verhoort immers de gebeden der engelen, en zij is er een op aarde. Smeek haar, dat zij mij vergeeft, wat ik jegens haar heb misdaan, waarmede ik haar beleedigd heb.”

„Vergeet gij niemand?” vroeg Van Schaffelaar aangedaan, toen zijn vriend het hoofd liet hangen. „Gij waart meestal zoo treurig, hebt gij niet een enkel woord van liefde, dat ik overbrengen kan aan……”

„Neen!” riep Frank hevig, alsof hij vreesde, dat zijn vriend zou vervolgen; hij haalde zijn voeten naar zich toe, verborg het gelaat in zijn hand, die op zijn knien rustte, en hij zat onbeweeglijk; zijn vriend bezag hem met bezorgdheid en medelijden. Ook hij begon te vermoeden, dat de dood ook zijn gelukkige zijde had voor den jongeling, maar hij wilde de sombere gedachte verdrijven, die hem scheen te beheerschen, en riep: „Frank!”

„Wie roept mij?” vroeg Frank, zijn hoofd oplichtend; maar hij verborg het weer, en scheen te sidderen; toen riep zijn vriend hem nog eens. Ditmaal klonk de stem zoo zacht, zoo vergevingsgezind in de ooren van den jongeling, dat hij besloot te spreken; hij wilde zijn vergrijp bekennen, dat hij Maria beminde, reeds lang bemind had, dat de bruid van den vriend niet heilig geweest was voor hem, dat zijn hart haar met onstuimige drift beminde. Hij had niet aan het zwaard van zijn vriend gedacht, maar alleen aan zijn vloek; doch de stem klonk zoo bemoedigend, en zij deed hem denken aan de vergiffenis, die nu nog verworven kon worden; want morgen was net te laat, dan wachtte hem de dood. „Van Schaffelaar,” riep hij, en zweeg, als vreesde hij te vervolgen; maar hij ging somber voort: „Gij vraagt mij, of ik geen woord van liefde heb over te brengen…… ik heb dat niet; nooit heeft dit hart woorden van liefde kunnen doen hooren, nooit…… Maar in dit plechtig uur moet ik u vergeving vragen; gij waart mijn weldoener; alles heb ik aan u te danken, en ik heb vergeten……”

Zijn aandoening verhinderde hem te vervolgen, en Van Schaffelaar zei bemoedigend: „Frank, gij dwaalt, wat zou ik u moeten vergeven? Ik ken immers uw dankbaarheid: het gebrek doet u zoo spreken, het berooft u van uw verstand, keer tot uzelven terug.”

„Neen, mijn vriend,” riep Frank, voor hem neervallend „O, laat mij aan uw voeten om vergeving smeeken; zult gij mij laten sterven zonder mij te hooren, zonder dat een woord van u mij mijn gerustheid hergeeft, of uw zwaard mij straft voor mijn misdaad……?”

„Maar Frank!” riep Van Schaffelaar minzaam, die zijn handen vatte, en hem noodzaakte te gaan zitten. „Wat zouden mijn mannen van wapenen zeggen, als zij u zagen? Frank, zijt gij een kind geworden? Ik ken u immers. Hebt gij iets in den dienst van mijnheer David verzuimd, zijn aanvoerder ontheft u van alle schuld, en de vriend, wat zou hij u te vergeven hebben? Maar,” vervolgde hij, toen Frank zijn vorige houding wilde hernemen, „al hadt gij Perrol verwittigd, dat Jan van Schaffelaar in Barneveld was, dan zou ik het u vergeven, en dat hebt gij immers niet gedaan. Alles wat gij gedaan hebt, Frank, vergeef ik; uw vriend vergeeft u alles; en gij zijt nu voldaan, niet waar?”

„Laat mij spreken, Van Schaffelaar,” smeekte Frank met zachte stem; doch zijn vriend schudde het hoofd, en zei: „Morgen, Frank, morgen zal ik u hooren; maar eenige oogenblikken slapens zullen die onrustige gemoedsbezwaren verdrijven. Mogelijk wilt ge mij verhalen, wat u naar Eemnes joeg; misschien zou wat gij als een groot vergrijp beschouwt, mij doen lachen, indien wij niet in Barneveld waren; ik weet het vooruit. Maar ik heb u lang aangehoord,” zei hij ernstig, „en zal uw laatste begeerten ten uitvoer brengen; – ook ik, ik wil u nu zeggen, wat ik gaarne door u gedaan zag, als de slag van morgen voor mij noodlottig mocht zijn. Luistert gij?”

Frank boog zijn hoofd; hij kon niet spreken, want zijn aandoening was te groot.

„Frank,” zei Van Schaffelaar langzaam: „indien het Gode behaagt, u te sparen, blijf dan gehoorzaam aan mijnheer David, en zeg hem, hoe wij het op den toren gehad hebben; zeg hem, dat ik gewenscht had, meer voor zijn dienst te kunnen doen, dat mijn dood voor hem nuttig mocht geweest zijn dat mijn eenig verzoek is, dat hij zijn getrouwen leenman in zijn gebeden gedenkt, en dat hij u beschouwt als mijn broeder, dat hij mijn diensten kan beloonen door u wel te doen. Aan mijn ruiters, Frank, zegt gij, dat het mij smart, niet aan hun spits te zijn gevallen. Groet mijn luitenant; mijn mannen van wapenen zullen mij willen wreken op Perrol, ik weet het; die gedachte maakt mij gelukkig, en stelt mij gerust voor haar, die ik achterlaat; maar laat nooit hun strijdlust hen den dienst van mijnheer David doen verontachtzamen; laat hen zich nooit verlagen om uit wraakzucht als sluipmoordenaars het bendehoofd te naderen; zij zijn geen Zwarte Ruiters. Bij mijnheer St. Maarten, indien ik Perrol nogmaals overwonnen had, indien deze knie op zijn borst lag en dit dolkmes gereed om hem te treffen, dan zouden de smeekingen van al de menschen der aarde, noch het bevel van mijnheer David, noch de ban van den Heiligen Vader hem het leven kunnen redden, en toch zou de booswicht aan mijn zijde veilig kunnen slapen – en ik moet sterven……”

Hij hield een oogenblik op, hetzij hij nadacht over wat hij verder wilde zeggen, of dat zijn oog op Frank viel, die zijn gelaat bedekte, en hij vervolgde vriendelijk: „Ook u, Frank, geldt dit verzoek, dit bevel. Tot nog toe hebt gij voor mij verborgen, wat uw doel was met dien dwazen tocht naar Eemnes; ik had medelijden met u, doorzag de waarheid en hield mijn vragen terug; maar ik heb u reeds alles vergeven, gij kunt morgen gerust spreken, uw handen zijn nog rein van…… Maar ik vervolg; mochten mijn ruiters den eerbied vergeten jegens hun heer, herinner hun dan wat zij bezworen hebben, wat ik u gezegd heb; ik beklaag mij niet over hen; laat hun liefde voor hen niet ongehoorzaam en misdadig maken. De goede meester zal bedroefd zijn, en vrouw Martha zal weenen.

„O, ik voel het. Zeg hun, dat zij geen oogenblik uit mijn gedachten geweest zijn; breng hun den jongsten groet over van hun zoon, die zijn bruid in hun zorgen aanbeveelt; dubbel heeft zij nu de liefde van haar ouders noodig; zij bemint mij zoozeer. O, waarom moet de band zoo spoedig, zoo wreed verscheurd worden, die ons hier op aarde voor altijd moest verbinden? Helaas, had ik haar niet gekend, het leven zou mij niet zoo zoet zijn, de dood mij niet zoo zwaar vallen; kon ik de wanhoop, die haar zal aangrijpen, op mij nemen, het zou mij gelukkig maken; maar het zou een ijdel verlangen zijn. Gij zelf, Frank, zult haar de tijding van mijn dood brengen,” zei hij aangedaan; hij knoopte zijn leeren kleed op de borst los, haalde den halven ring te voorschijn, drukte dien aan zijn lippen, en reikte hem toen zijn vriend toe. De hand van den aanvoerder sidderde, en Frank trok de zijne terug, maar eindelijk vatte hij het stuk metaal aan, toen zijn vriend vervolgde: „Neem aan, Frank, en geef haar dit. Zij zal dan zien, dat zij geen bruidegom meer heeft, dat hij gevallen is. Verzwijg haar de ellende, die wij tezamen hebben uitgestaan; zeg haar, dat de dood mij niet zwaar gevallen is, omdat ik mij tot God gewend heb, en dat Hij mij kracht geschonken heeft. Mijn laatste gedachte zal aan haar zijn; zeg haar dat, en smeek haar, gelaten te zijn. Gij behoeft haar niet te verzoeken voor mij te bidden: Maria zal mij in haar gebeden niet vergeten, die mij den hemel zullen openen, waar ik haar zal wachten. Waartoe zou het dienen, haar te zeggen, dat ik haar nog heviger bemin dan voorheen, nu ik haar verlaten, voor altijd verlaten moet? Haar hart zal het haar genoeg zeggen, uw woorden zouden haar maar bedroeven Gij zult dus aan mijn verlangen voldoen, Frank, en het trouw vervullen?” vroeg Van Schaffelaar zacht, want de smart verhinderde hem, meer te zeggen.

„Zeer zeker, mijn vriend,” antwoordde Frank stamelend, „maar waarom behoudt gij dezen ring, welken gij mij toevertrouwt, nieT? Hij behoort u immers en morgen – o, ik geloof niet, dat ik het leven behouden zal. – Kan ik vluchten en mijn aanvoerder verlaten?”

„Neen, dat behoeft gij niet,” riep Van Schaffelaar; „maar als gij mij toch niet meer redden kunt, als gij mij levenloos ziet liggen, belooft gij dan zorg te dragen voor uw behoud; of wilt gij mijn verzoek verwerpen, wilt gij mijn jongsten groet niet overbrengen!”

„Ja, dat wil ik!” riep Frank, „hier is mijn hand, en toch, ik had gedacht met mijn vriend te sneuvelen; maar neem nu dezen halven ring terug. Maria zal mij wel gelooven; haar vader schonk hem u; behoud hem zelf.” Hij wilde hem teruggeven; het was alsof het goud gloeide en zijn vingers brandde.

„Neen, Frank,” zei Van Schaffelaar langzaam, „doe zooals ik u verzocht; de dood verbreekt den band, die ons vereenigde; de eene helft van den ring kan niet rusten op de borst van een doode, de andere op die van een jonge maagd; zeg haar dat nog, laat haar niet blijven treuren om mij; laat haar leven voor haar ouders; waarom zou zij geen echtgenoot, geen moeder worden? – Laat…… haar gelukkig zijn, dat is mijn wensch.”

Hij zweeg, en bedekte zijn gelaat met zijn handen. Frank verborg sidderend het kleine stuk goud in de ijzeren doos, die hij te voorschijn haalde, en zwoer bij zichzelf de doos nooit te openen dan in tegenwoordigheid van Maria; maar hij wist, zei hij, dat hij haar niet zou weerzien.

Een lange tijd ging er voorbij, eer Van Schaffelaar het hoofd oprichtte. Tranen schitterden in het oog van den man; maar hij moest sterven, terwijl hij anderen moest overhalen om te blijven leven. „Frank,” zei hij aangedaan, „na den Hemel en haar vader, zal mijn bruid weldra geen anderen verdediger hebben dan u; vergeet dat niet; ik reken en vertrouw op u. Maria is zoo goed, zoo deugdzaam, en zij is mijn bruid; ik ken u, en gij zijt mijn vriend. Zie, een oogenblik stelde ik mij voor, dat een andere betrekking u beiden gelukkig zou kunnen maken, dat zij u het leven zou kunnen doen beminnen, dat uw liefde haar tranen zou kunnen drogen. Maar helaas, ik gevoel het, mijn wensch, waarvan de uitvoering mij zoo gelukkig zou maken, is ijdel: vergeefs zoudt gij mij uw woord geven; ik weet, dat gij haar niet zoudt beminnen, zooals zij het verdient; uw hart zou koud blijven, terwijl gij haar, op mijn begeerte, naar het altaar leidt; en dat moet gij niet; gij zijt niet voor elkander geschapen; maar gij zult haar beschermen. Helaas, de gelukkige, aan wien haar ouders misschien haar hand zullen schenken, zal niet met haar over mij spreken!” Van Schaffelaar stond bij deze laatste woorden op. Frank wilde den mond openen, maar Van Schaffelaar zei, terwijl hij zich verwijderde: „Neen, Frank, zeg mij niets; de jonkvrouw Van Rijn bemint u, ik weet het immers. Gij zult niet altijd zooveel liefde en goedheid kunnen afwijzen en langer ondankbaar zijn; ik geloof zelfs, dat uw hart haar toebehoort. Leg u neer, en vergeet in de armen van den slaap de kwellingen van den honger en den dorst, die uw ingewanden verschroeien. – Morgen moeten wij nog leven. – Rust wel!” Zijn eigen lijden, zijn liefde voor Maria, welke zijn hart wilde uiten in aandoenlijke en vurige taal, had hij voor den vriend verborgen; slechts nu en dan was zijn vaste wil op het punt te bezwijken, en zijn volg gemoed stortte zijn droefheid in de borst van den vriend uit, maar hij wilde zijn eigen leed alleen blijven dragen, en hij toonde zich weer gelaten.

Toen de aanvoerder, na beneden in den toren geweest te zijn, terugkeerde, lag Frank op den vloer en scheen te slapen; hij klom nu naar den omgang, en zette zich daar neer om de laatste oogenblikken rust te genieten, welke hem nog overbleven. Hij zat daar, kalm en bedaard, als een veldheer, die den dag verbeidt om zijn talrijke legerbenden tegen den zwakken vijand aan te voeren, en zeker is van de overwinning.

908SR15.gif (1832 bytes)

Barneveld – 2. Tweede dagInhoudopgave OltmansBarneveld – 4. Vierde dag – Jan van Schaffelaar

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)