J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

VIERDE DEEL. – HOOFDSTUK 1

BARNEVELD.

4. – VIERDE DAG – JAN VAN SCHAFFELAAR
„Steekt op de klingen, forsch en zwaar
Bluscht bussen en musket:
Daar hebt gij Jan van Schaffelaar!
Mijn makkers zijn gered!”
H. TOLLENS Cz.

N.gif (3240 bytes)og voordat de zon zich boven de heuvelen en het geboomte vertoonde, zelfs voordat de maan haar lichtgevende kracht geheel verloren scheen te hebben, raakte alles in het dorp in beweging; de trompet en de trommel lieten zich hooren, en Perrol dorstte naar het bloed van zijn vijand. Ook op den toren sliep men niet meer; de honger en de dorst hadden zelfs het laatste gedeelte van den nacht den slaap uit de oogen der ruiters verdreven; de weinige regen, die er in den nanacht gevallen was, had hun lijden maar weinig verlicht. Toen zij eindelijk de vermoeide leden van de harde ligplaats hadden opgericht, toen zij allen, als op n bevel, tegelijk waren opgestaan, en door de bomgaten naar buiten zagen, en er, zoover hun oog het veld kon overzien, zich niets vertoonde dan de hier en daar staande Zwarte Ruiters, lieten zij het hoofd en de armen zakken, en zagen naar den aanvoerder. Zijn blik verried echter geen ongerustheid, maar vertrouwen; hij scheen zelfs met welgevallen zijn oog over de heide te laten gaan, terwijl Frank hem zijn harnas hielp aanschieten. Nog eens zagen zijn mannen van wapenen naar buiten, maar zonder beteren uitslag dan te voren, en zij zetten zich zwijgend neer; nu zelfs wilden zij nog liever blijven vertrouwen op het woord van den aanvoerder, dan hem aanspreken: zijn woord was hun laatste hoop. Hij alleen had den knaap bevelen gegeven, en wist waarop zij konden rekenen en ook Frank liet geen onrust blijken. De mannen van wapenen hadden hun wapenrustingen niet aangeschoten; zelfs de helm was te zwaar voor hun zwakke krachten; ternauwernood waren zij sterk genoeg om het zwaard te dragen, dat zij aan hun heup bevestigd hadden. Van Schaffelaar droeg echter zijn geheele wapenrusting; het was alsof Moor hem wachtte om hem in het veld te dragen; de witte vederdos prijkte op den schitterenden helm; het blinkende harnas omsloot zijn leden. Frank had vergeefs beproefd zijn borstharnas aan te doen; doch hij droeg den helm, niet omdat hij sterker was dan de mannen van wapenen, maar omdat hij er zijn roem in stelde het voorbeeld van zijn vriend zooveel mogelijk te volgen: de geestdrift gaf hem krachten. Weldra vertoonde Perrol zich op het kerkhof. De bussen van Amersfoort en Nijkerk werden geladen, en weldra schudden de kerk en de toren op hun grondvesten.

Langzaam, doch geregeld, volgde de eene slag den anderen op; het heele kerkhof was overdekt met den kruitdamp, die langs den toren opsteeg. Op eenigen afstand van de bussen stond de meester uit de Vergulde Helm; zijn hoofd hing treurig op zijn borst; elke losbarsting ging hem door de ziel en toch speet het hem niet, dat hij verlof had gevraagd het kerkhof te mogen naderen. Nog twee menschen waren er, die, evenals hij met angst naar het verbrijzelen van den muur luisterden, het waren Ralph, die in een der schuren zat, en Henri, die onder de mannen van Van Nijveld verborgen, naar den toren zag, waar zijn heer zich bevond, en nu en dan Perrol gewaar werd, die zich meestal bij de bussen ophield.

„Zou het niet een menschlievende daad zijn, dien man toe te staan, zich te verwijderen?” vroeg Van Nijveld, toen Perrol hem voorbij ging, en hij wees op den smid.

„Dus een zeer wreede daad om hem hier te houden, niet waar?” vroeg Perrol stilstaand; en hij vervolgde, toen Van Nijveld droogweg: „Juist zoo, Messire,” ten antwoord gaf. „Welnu, gij beschuldigt hemzelf; de meester heeft mij gesmeekt hier te mogen komen; ziet gij niet, dat hij zelfs niet ontwapend is? hij kan heengaan, als hij verkiest en morgen is hij misschien reeds vrij; wat wilt gij meer?”

„Veel en weinig,” zei Van Nijveld met vuur, en vroeg toen: „Heeft de nacht u niet tot inkeer gebracht, Messire, dat gij nog altijd voortgaat met den toren en de woningen te vernielen? Waarom veracht gij de onedele wraakzucht niet, welke u de bussen heeft doen aanvoeren, en behandelt gij uw vijand niet naar krijgsgebruik? Eisch den toren op, maar misbruik uw overmacht niet.”

Eerst trok een hoonende grimlach de lippen van het bendehoofd tezamen; maar toen Van Nijveld zweeg, riep hij, zijn hand aan het voorhoofd brengencl: „Ha, daaraan had ik niet gedacht; bij mijnheer St. George, gij hebt gelijk; ik had niet gedacht om den toren op te eischen, want ik hield Van Schaffelaar voor te dapper en te verstandig; maar gij kunt gelijk hebben: honger en dorst zullen hem tam hebben gemaakt; hij zal zich aan mij overgeven, en gij maakt Perrol tot uw schuldenaar; want het welslagen van mijn wraak zal ik aan u te danken hebben!”

Hierop snelde hij voort, zonder zich om Van Nijveld te bekommeren, die hem wilde aanspreken. Een huivering liep den edelman over het lijf, onder het ijzer dat hij droeg, en hij zei halfluid: „Ik wil liever sterven, dan dien dank verdienen, en als Van Schaffelaar niet meer weet, met wien hij onderhandelt, dan zal ik het hem herinneren.”

Meteen hield het vuren van de bussen op en van alle zijden naderden de ruiters; Perrol, door eenigen hunner vergezeld, trad op het kerkhof, en Van Nijveld volgde hem. Er heerschte een diepe stilte, terwijl de trompet zich onder aan den toren hooren liet, de rook het kerkhof verliet, en zich hoe langer hoe meer in de lucht verdeelde en verloor. Niemand vertoonde zich op den toren, aan wiens trans het wapenschild nog prijkte. „Zouden zij allen dood zijn? en hij ook reeds! riep Perrol stampvoetend, en gelastte nog eens de trompet te steken, en toen op een wenk van zijn hand de trompet zweeg, en hij niemand gewaar werd, riep hij woest: „Jan van Schaffelaar……! en zijn oogen schoten vuur. Ditmaal werd hij gerustgesteld; maar tevens greep de nijd hem in de wraakzuchtige ziel; hij, die waande dat alles voor hem bukken moest, dat niemand Perrol in moed en sterkte evenaarde, zag zijn vijand te voorschijn treden, niet kruipend, ontwapend en ontdaan van gebrek en onrust, neen, hij zag hem voor een der bomgaten verschijnen in het schitterende harnas; de witte vederbos, waarvoor de Zwarte Ruiter, die den toren beklommen hadden, waren gevallen, wapperde zwierig op den helmkam, en hij vroeg verstaanbaar en bedaard: „Perrol, waarom roept gij mij, wat hebt gij te verzoeken?”

Van Schaffelaar scheen degene, die de macht in handen had, die heer was over leven en dood; zoo rustig, zoo krijgshaftig stond hij daar, en zag op zijn vijand neer, die door zijn aanblik getroffen werd. Perrol kon niet spreken, en sidderde van nijd; hij legde de hand op den schouder van Vidal, en hijgde naar adem. Het verwonderde den knaap niet, zijn heer in dezen toestand te zien; geen oogenblik rust had hij zich gegund, sedert hij bericht had ontvangen, dat Van Schaffelaar zich in Barneveld bevond; geen wonder dus, dat deze, hoewel hij geen levensmiddelen en geen rust gehad had, sterker was dan het bendehoofd, dat door de wraakzucht verteerd werd, terwijl hij zich gelaten aan zijn noodlot onderwierp.

„Te verzoeken,” riep Perrol eindelijk, en stiet Vidal ter zijde. „Gij wilt zeggen, wat ik wil? – Bij den satan, gij kiest uw woorden slecht; maar het zij zoo,” riep hij woest lachend: „Ik verzoek, dat Heer Jan van Schaffelaar den toren opgeve!”

Heer Gerrit van Nijveld hoorde ontevreden den toon, waarop het bendehoofd sprak, doch de aanvoerder op den toren, die hem met de hand gegroet had, vroeg snel, doch zonder drift: „En de voorwaarden?” De opeisching verheugde hem; hij vermoedde wel, dat men zijn leven zou eischen; doch hij behoefde het dan niet zelf aan te bieden.

„Voorwaarden?” lachte Perrol nijdig. „Per moio! hebt gij krijgsgereedschappen en levensmiddelen, waarover gij wilt onderhandelen? Ha, ha, is Heer David met zijn papen voor het dorp om u te ontzetten? Zeg, denkt gij Perrol te overbluffen met den banvloek van den Bisschop? Of hebt gij niets dan het half uitgeteerde lijf te redden, dat anders onder de steenen begraven wordt?” Hij zweeg, en Van Schaffelaar zei met waardigheid: „Die scherts bevreemdt mij niet in uw mond, maar ik ben nog niet verplicht haar aan te hooren, zoolang dit zwaard aan mijn zijde hangt. Antwoord, zullen wij uittrekken met belofte van niet te dienen? Eischt gij een losgeld, of moeten wij gevangen blijven; wilt gij mij een eerlijke gevangenschap toestaan……?”

„Neen, driemaal neen!” schreeuwde Perrol.

„Dus komt gij alleen om met ons te spotten,” riep Van Schaffelaar driftig. „Dat zou zelfs een ongeloovige zich tot schande rekenen. Ga, laat de bussen laden, hun geluid is mij aangenamer dan uw taal!”

Perrol had een oogenblik te voren in beraad gestaan, of hij nog eenmaal zijn ruiters den toren zou laten beklimmen, of den doorgang onder het gewelf beproeven; want hij vreesde, dat zijn vijand zich onder de puinhoopen zou laten begraven, en de vrees pijnigde hem. Maar toen hij Van Schaffelaar geheel gewapend en oogenschijnlijk zoo sterk voor zich zag, verwierp hij deze gedachte, en zei luid, doch somber: „Het is geen spotternij, neen, bij mijn banier, het is mij ernst. Ik eisch den toren op: en uw ruiters geeft u gevangen aan mij, „Nooit!” riep Van Schaffelaar met vuur, „ik mij overgeven aan u; dat is de dood, – erger dan de vreeselijkste dood,” en hij gaf door een beweging met de hand afgrijzen te kennen.

„Gij schijnt verheugd, Heer, omdat hij weigert,” zei Perrol tot Van Nijveld, „ziet gij dan niet in, dat gij – dat niets hem meer redden kan,” vervolgde hij lachend, en riep luid en kwaad naar den toren, voordat hij een antwoord wachtte: „Dat kon wel zijn, dappere Heer! Maar zult gij uw bende ruiters en uw eerwaarden Bisschop, zelfs uw lieve bruid weerzien, als gij dagen lang half verpletterd ligt te sterven tusschen de puinhoopen van den toren? – Vreest gij den dood……?”

„Neen!” riep Van Schaffelaar met edele drift, „gij zijt Perrol, en ik ben Jan van Schaffelaar; laten wij zien, wie den dood vreest. Hoort allen, die hier tegenwoordig zijt, hetzij edelman of ruiter, knaap of burger, hoort! Ik, Jan van Schaffelaar, leenman van St. Maarten, daag Perrol, hoofdman der Zwarte Bende uit, tot den kamp op leven en dood, hetzij te voet of te paard, met speer en zwaard, met schild en dolk, of welke wapenen hij zal verkiezen……”

„Zwijg!” schreeuwde Perrol, bevend van woede; doch zijn stem begaf hem, en Van Schaffelaar vervolgde met vuur: „Indien de zege aan mij blijft, gelijk ik durf hopen door mijn goed recht en den bijstand van mijnheer St. Maarten en mijn patroon, zal mij en mijn mannen van wapenen een vrije aftocht worden verleend, en ik wil geen edelman zijn, als Perrol niet, met het dolkmes op de keel, dwing om te erkennen, dat hij schandelijk den dienst van mijnheer David verlaten heeft, dat hij een moordbrander en maagdenroover is, dat hij mij laaghartig in den nacht overvallen heeft! – of dat ik hem neerstoot! Nu kunt gij u wreken, Perrol, ik sta voor u, ik daag u uit, hier is mijn handschoen.” Terwijl de laatste woorden over het kerkhof klonken, trok hij zijn rechter handschoen uit, en wierp dien voor het bendehoofd neer.

Het scheen dat Perrol zijn edelen vijand met zijn blik wilde dooden, toen deze sprak. Zijn vuisten hield hij gesloten; maar hij liet niets hooren dan eenige woeste klanken.

Van Nijveld, Wouter, Vidal, ja alle mannen van den Utrechtschen edelman bedwongen met moeite een luid gejuich. De Zwarte Ruiters, wier gelaat verbazing kenschetste, bewaarden een diep stilzwijgen; die taal en houding verwonderden hen. Het vallen van den handschoen deed Perrol opspringen, waarna hij zich vooroverboog, maar den ijzeren handschoen niet aanraakte; hij bedwong zich uit schaamte voor Van Schaffelaar, Van Nijveld en zelfs voor zijn eigen ruiters. Tevergeefs onderzocht hij zijn eigen krachten; Van Schaffelaar stond dr, vol moed en kracht, en het bendehoofd moest erkennen, dat hij de zwakste was: de Roode Hand had geen kracht genoeg om het zwaard of de lans met hoop op een goeden uitslag te voeren, en Perrol moest zich laten uitdagen. Dr lag de handschoen van Van Schaffelaar, en hij durfde dien niet aanraken. O, dat oogenblik was verschrikkelijk voor hem; eindelijk riep hij met doffe stem: „Jan van Schaffelaar, gij hebt niets te verliezen; mijn hand rust reeds op u. Ha, waart gij het niet, dan zou ik geen grooter vreugde kennen, dan u hier op uw paard met speer en schild te zien, met u te strijden leven om leven; maar ik veracht u……”

„Uw eerbied zoowel als uw vriendschap zou mij verachtelijk maken,” riep Van Schaffelaar; „maar gij liegt. Sedert twee dagen en drie nachten heb ik geen voedsel gebruikt, en ik draag het harnas zoo goed als gij; ha, gij zijt bevreesd voor Jan van Schaffelaar! – Maar zoo gij durft, wil ik u bevechten alleen met zwaard en dolk. Bestijg uw hengst; neem speer en schild; behoud uw wapenrusting, en laat mij alleen den helm, – of vreest Perrol den dood?”

„Neen, voor den satan!” schreeuwde het bendehoofd; „maar uw aanbod is tevergeefs. Per moio! indien ik met u den kamp wilde aanvaarden, zou ik naar geen wapens zien; maar Perrol veracht den laatste der Van Schaffelaars!”

„Omdat hij sterker is en meer moed heeft dan Perrol,” riep Van Schaffelaar schamper; „maar zeg liever, dat de stoot van mijn speer uw kracht vernietigd heeft. Welnu, indien gij niets vreest,” vervolgde hij snel, „zoo laat mij en mijn mannen gaan; gij zult zelf tijd, plaats en wapen nader bepalen; Jan van Schaffelaar zal op het eerste bericht tegenover u staan, te Utrecht, of waar gij zult verlangen. Ik verlang niet tegen een zwakken man te kampen; gij hebt mijn handschoen.

„Ik heb hem, hij ligt voor mij, en ik ben sterker dan gij,” riep Perrol nijdig, en lachte valsch; maar gij, – zoudt gij komen, welke zekerheid zoudt gij geven?”

„Ik ben edelman,” zei Van Schaffelaar snel, en Gerrit van Nijveld trad toe en riep luid: „Dat is hij, en hij zal komen, Messire, ik blijf borg voor zijn woord.” „Ik vraag uw borgstelling niet, Heer van Nijveld,” zei Perrol schamper, „hij zelf beriep zich niet op u, vergeef mij, dat ik uw aanbod versmaad; indien de trouwe van den Bisschop u eens in den steek liet, dan……”

„Dan zou mijn hand mijn woord lossen; gij zoudt altijd iemand te bevechten hebben, want gewis ik zou er zijn,” riep Van Nijveld met vuur. Perrol deed een schrede naar hem toe; maar bleef staan, toen Van Schaffelaar riep: „Ik dank u, Heer, uw aanbod maakt mij gelukkig, hoewel het verworpen wordt. Perrol dorst naar mijn bloed, en gij ziet het, – hij beeft voor mij.”

„Ha!” schreeuwde Perrol woest, die een schrede vooruit deed en den handschoen van Van Schaffelaar vertrapte: „Per moio! gij hebt gelijk; ik wil uw bloed zien vloeien; maar gij zult de eer niet hebben om met mij te strijden; ik zal u in het stof vertrappen, evenals ik dezen handschoen doe!”

„Ellendeling!” riep Van Schaffelaar dreigend; doch hij zei ernstig na eenige woorden tot zijn ruiters te hebben gesproken, die hun verontwaardiging niet bedwingen konden: „Ik weet, dat de eer en de edelmoedigheid u onbekend zijn; gij zijt hier de sterkste, hoewel niet door eigen moed; doch God is machtig; ik bid niet dat Hij mij zal wreken, maar dat Hij mij en u oordeelen moge.”

„Ha!” riep Perrol smadelijk, „hij vangt weer aan met den Hemel te schermen; waar blijft mijnheer St. Maarten? Waarom roept gij hem niet aan? Per moio! Waarom verdedigt gij uw eigen zaak niet?”

„Perrol!” riep Van Schaffelaar luid, „gij liegt! Nooit heb ik geweigerd om zelf mijn eer te verdedigen; ligt mijn handschoen niet voor u? Neem hem op, lafaard, maar gij weet, dat ik u bij Westbroek heb neergeworpen; dr liet ik u het leven; dr heb ik, Jan van Schaffelaar, u genade bewezen, toen de Roode Hand verlamd was.”

Per moio!” schreeuwde Perrol stampvoetend: „het was mijn knaap, die mij bewaarde, en die u het leven liet; hij was u genadig, en mijn ruiters waren onnoozel genoeg, hem te gehoorzamen; maar indien gij de vrees niet kent, wil ik u in staat stellen het te bewijzen en uw ruiters het leven te redden.”

„Spreek!” riep Van Schaffelaar en Perrol vervolgde met een doffe stem: „Er is mij niets gelegen aan uw ruiters; al waren er honderd op den toren, ik liet ze gaan; gij zijt het……”

„Ik weet het, vervolg, Perrol!” zei Van Schaffelaar bedaard.

Per moio!” riep Perrol, „val mij niet in de rede! Waarom haast gij u zoo? Denkt gij dat ik ook geen haast heb?” Hier lachte hij woest en vervolgde: „Gij levert u over aan mij, met den laffen knaap, dien gij uw vriend noemt, en ik laat uw ruiters het leven.”

„Messire!” zei Van Nijveld; doch Perrol hoorde hem niet; zijn oogen, die vuur schoten, trachtten het besluit van den aanvoerder te raden; zijn bleek gelaat verried lage tevredenheid; maar Van Schaffelaar riep, het hoofd afwendend: „Dat nooit!”

„Ziedaar zijn moed, Heer van Nijveld,” riep Perrol verachtelijk lachend, en wees naar den bruidegom van Maria; „misschien zoudt gij nog willen, dat ik zijn handschoen had opgenomen; maar ik ken hem, den dapperen edelman. – Wat zegt St. Maarten?” schreeuwde hij luid, „of hebt gij bevel van den bastaard om te blijven leven ten koste van eens anders leven?”

„Vermoei u niet, Perrol!” antwoordde Van Schaffelaar met waardigheid, „verspil uw laatste krachten niet; ik niet alleen, maar zelfs de Zwarte Bende, weet nu, dat de aanvoerder alleen kan dreigen met de stem, dat hij een lafaard is!” „Er is maar n lafaard hier!” schreeuwde Perrol.

„En die zijt gij!” riep Van Schaffelaar met een donderende stem, „maar uw aanblik en uw taal zijn onverdraaglijk, daarom nog n woord slechts: die vriend, van wien gij spreekt, behoort tot mijn ruiters; hij is een mijner mannen van wapenen; hij moet met hen uitgaan!”

„Uw vriend,” riep Perrol, terwijl zich een gil van vertwijfeling hooren liet, „Per moio! zeg liever moordenaar, dappere Heer, of denkt gij, dat ik Eemnes vergeten heb?”

„Neen.” Zei Van Schaffelaar langzaam, „er zijn genoeg Zwarte Ruiters met Walson gebleven, om er u tot uw dood toe aan te doen denken; maar zoudt gij nog leven, indien hij een moordenaar was, zoudt gij dan nog hier zijn om zijn bloed te eischen?”

„Grijpt gij elke gelegenheid aan om u te redden,” riep Perrol verachtelijk; „maar ik zal u elk voorwendsel benemen. Welnu, uw vriend zal den toren verlaten met de ruiters; zijt gij nu voldaan?”

„Ja!” riep Van Schaffelaar; maar hij keerde zich om, en men hoorde flauw, dat hij riep: „Terug, laat mij spreken, ik wil het!” Daarop zag hij weer naar buiten en Vidal huiverde, terwijl zijn heer binnensmonds mompelde: „Hij zal met hen uitgaan, maar om met hen te sterven; ha, hun bloed moet dat van Rogardo, den Tuimelaar en al mijn mannen betalen.” Hij lachte, en Gerrit van Nijveld, die zich eenige schreden verwijderd had, en tot nog toe, met de armen over elkander geslagen, met droefheid gehoord had, wat er gezegd werd, naderde nu.

„Messire,” zei hij met waardigheid, „vergeet gij in welk land gij zijt; dat gij met Christenmenschen te doen hebt? Heeft de Koning, uw heer, u dan alleen gezonden om te verwoesten en te verdelgen?”

„Misschien, edele Heer,” gaf Perrol spottend ten antwoord; „maar op mijn eer niet om uw raad in te winnen, of uw vermaningen aan te hooren; gij weet het immers, zijn leven behoort mij; gij hebt er in berust; Perrol zal hem neervellen, en heer Gerrit van Nijveld zal het aanzien, zonder zich te verroeren,” eindigde hij driftig.

„Dat zal hij niet!” riep deze met vuur.

Per moio! dat zal hij wel!” schreeuwde Perrol, en hij wierp een blik naar alle zijden van het kerkhof, en grimlachte, toen hij zag, dat zijn ruiters alle toegangen bezet hielden; doch eer Van Nijveld vervolgde, want ook hij zag om naar zijn voetknechten, riep Van Schaffelaar kalm en verstaanbaar: „Heer, laat mij aan mijn noodlot over; verzet u niet tegen den laaghartigen moordenaar, die, in de wapenrusting van een krijgsman gestoken, moorden maar niet strijden wil; ik heb reeds genoeg verplichting aan u; ik bid u, laat alleen mijn bloed stroomen; ik ben bereid te sterven!”

„Hebt gij gedaan?” riep Perrol schamper; maar Van Schaffelaar antwoordde bedaard, terwijl hij de linkerknie even boog, en de hand op den knop van zijn zwaard liet rusten: „Ja, en gij kunt spreken.” Zijn oog ging onrustig over het kerkhof; hij zag over alle hoofden heen; hij zag den meester staan, den vader van zijn bruid; hij zag zelfs zijn knaap en den ouden schaapherder achter de kloveniers van Van Nijveld, boog vriendelijk met het hoofd, en wenkte hen met de hand om te blijven.

Het oogenblik waarnaar Perrol zoozeer verlangd had, was dan eindelijk nabij; zijn vijand was op het punt zich aan hem over te leveren; maar zijn hart juichte niet; want hij had Van Schaffelaar niet kunnen vernederen. Even gerust, alsof hij zich aan het hoofd van zijn bende bevond, stond deze daar, en zag onverschillig op hem neer; niets scheen hem aan het leven te boeien; zijn bruid, alles scheen hij vergeten te hebben om met moed te sterven. O, Perrol voelde, dat, als hij den aanvoerder gebonden voor zich liet sleepen, als zijn dolk hem griefde, als zijn vuist hem raakte en zijn mond hem hoonde, dat dan alleen een grimlach van verachting zich op het gelaat van Van Schaffelaar zou vertoonen; dat zelfs Froccard geen enkele klacht den mond van zijn vijand zou ontwringen, en daarom zweeg hij. Doch opeens richtte hij het hoofd op; de roode pluim bewoog zich, en zijn gelaat werd tevreden; hij had een soort van pijniging uitgevonden, welke Perrol alleen bedenken kon, en hij vroeg snel: „Gij schijnt uw ruiters lief te hebben, dat gij mijn wraak tegemoet wilt treden, en u wilt overleveren om hen te redden.”

„Ja,” antwoordde Van Schaffelaar, „zij zouden met vreugde hun leven geven om het mijne te bewaren; mijn dood zal het hunne redden.” Weer verhief zich eenig gerucht in den toren; maar toen de aanvoerder met strengen blik omzag, verstomde het, en toch was het alsof een zijner ruiters achter hem neerknielde, want het eind van een witte pluim raakte zijn kniestuk, en hij scheen iemand met zijn linkerhand terug te wijzen, terwijl hij met de rechter over zijn gelaat streek.

Perrol bemerkte echter niets hiervan, want hij overdacht zijn woorden en eindelijk riep hij schamper: „Jan van Schaffelaar, gij doet zooveel voor hen; ik wil ook, dat zij u een dienst bewijzen, de laatste in dit leven, – ik wil, dat zij u van den omgang werpen!”

Een kreet van afgrijzen klonk van de zijde waar de Nijvelders stonden, over het kerkhof. Van Nijveld en de ruiters op den toren verrieden door hun uitroep hetzelfde gevoel. Vidal verborg met moeite, wat er in hem omging; de Zwarte Ruiters zwegen, maar een zacht gemompel gaf hun goedkeuring en verwondering te kennen, zooiets hadden zij niet verwacht. Perrol lachte hoonend. Van Schaffelaar bedwong de ontroering, die hem had aangegrepen, maar zijn stem verried toch zijn afgrijzen, toen hij langzaam zei: „Verhef zelf de stem, die om bloed roept, hoofdman der Zwarte Bende! Doe zelf den voorslag aan mijn mannen van wapenen. Jan van Schaffelaar geeft zich aan hen over. „En waarom niet?” riep Perrol, en schreeuwde: „Werpt den aanvoerder van den omgang, ruiters, en gij zijt vrij.” Maar nauwelijks klonk het laatste woord, of de mannen van wapenen riepen: „De dood voor Perrol! Weg de Roode Hand! Leve Jan van Schaffelaar!” Het bendehoofd stampte met den voet, terwijl eenige Zwarte Ruiters, die bij de Nijvelders stonden, omzagen; ’t was alsof deze kreet een weerklank vond achter de gelederen der kloveniers. Van Schaffelaar liet niet blijken, dat het antwoord van zijn ruiters hem bevreemdde, want hij antwoordde, toen Perrol nijdig vroeg: „Hebt gij dan geen macht over hen, kunt gij hun niet gelasten, u van den toren te pletter te werpen?”

„Neen,” riep Van Schaffelaar, „toen ik hun gelastte uw ruiters naar beneden te stooten, hebben zij gehoorzaamd, maar ik mag hun niet bevelen, wat Perrol met de Roode Hand verlangt; zij zouden mij ook niet gehoorzamen.” Hij trad in den toren terug, en het bendehoofd zag hem niet meer; de Schaffelaars ontvingen hun aanvoerder met hun wapenkreet.

Een oogenblik stond het bendehoofd als versuft; reeds had hij zich gestreeld gevoeld door de gedachte, wat Van Schaffelaar zou gevoelen, als zijn mannen hem hadden aangegrepen om zich te redden; hij voorzag een strijd tusschen den aanvoerder en zijn ruiters, en hoopte, dat de laatsten zouden zegevieren; hij zag zijn vijand naar den rand van den toren sleepen en neerploffen. O, dat moest een droevige dood zijn voor Van Schaffelaar! Misschien zou het slachtoffer van zijn wraak zijn laatste verguizing nog kunnen hooren, als hij machteloos daar lag; nog vernemen, dat Perrol bekend was met de schuilplaats van Maria, dat zijn arme bruid aan de Roode Hand was overgeleverd. Maar zijn duivelsche begeerte werd niet vervuld; hij kon niet juichen van helsche vreugde, en verwijderde zich met langzame schreden; de wraak ontsnapte hem, omdat hij haar geheel had willen genieten; zijn houding verried zijn verslagenheid.

Heer Gerrit van Nijveld had nu en dan den maaltijd in het Bisschopshof en het ontbijt in de Groene Ridder herdacht; doch tevergeefs trachtte hij in Perrol de bedaardheid en den strijdlust van dien tijd terug te vinden; deze was zijn woede niet meester, en weigerde hardnekkig, en onder een gezocht voorwendsel den tweestrijd, dien Jan van Schaffelaar hem zoo vol moed en waardigheid had aangeboden. Van Nijveld wist niet, dat het bendehoofd ziek was; dat het dezelfde Perrol niet meer was, die Coene van Baerbergh gedaad had; dat hij zichzelf niet meer was, sedert den avond van Westbroek en de ontvluchting van Maria.

„Messire,” zei de edele vijand, die nog een poging wilde doen, om Van Schaffelaar te redden, want hij voedde de hoop, dat het bendehoofd zijn onwaardig gedrag eindelijk zelf begon in te zien: „Voor hem, maar ook voor u maakt het mij gelukkig, dat zij uw voorstel hebben verworpen; keer tot edeler gedachten terug; om Godswil, laat hem gaan! De gelegenheid om hem weer te vinden zal u niet ontgaan; denk om uw eigen eer. Overwint gij hem in een gelijken strijd, gij zult er u op kunnen beroemen een dapper edelman te hebben geveld; maar viert gij hier uw wraak bot, dan overdekt gij u met onuitwischbare schande!”

„Ha!” riep Perrol, die het hoofd oprichtte en tot zichzelf scheen terug te keeren: „zijt gij het, Heer? Perrol dankt u voor die vermaning; uw woorden zijn ongepast en stout; maar op mijn eer, gij kunt veel zeggen, zoolang hij nog leeft; doch tot zoolang maar.” Hij lachte, en Van Nijveld stond gereed te antwoorden, toen Perrol snel vervolgde:

Per moio! laat mij spreken, Heer! Ik ken immers uw bezorgdheid voor hem; gij hebt gelijk, het zou maar een ellendige voldoening geweest zijn, als men hem naar beneden had geworpen; maar wat wilt gij? Perrol wilde er tevreden mee zijn, hoewel hij vreeselijker wraak gedroomd had: want zijn bruid is nog de mijne niet; daarom wees ook tevreden, edele Heer, of verberg uw ongenoegen. Die alles wil hebben, krijgt veelal niets; ik ben tevreden met den vinger, als ik den arm niet vatten kan; ik verlang het onmogelijke niet meer,” eindigde hij boosaardig lachend.

„Perrol!” riep Van Nijveld toornig, „vervloekt zijt gij en uw lage wraak; ik wil niet verbergen, dat ik u veracht. Ha, hoofdman van de Zwarte Bende, dacht gij dan, dat er geen einde aan mijn geduld zou zijn? Ik wil niet langer zwijgen, ik wil……”

„En, per moio! wat wilt gij dan?” vroeg Perrol bleek van woede, en naderde hem.

„Ik wil,” vervolgde Van Nijveld met vuur, „de aarde verlossen van een booswicht en Van Schaffelaar redden: trek, ik daag u uit!”

„Ziedaar mijn handschoen!” riep Van Nijveld, en wierp hem voor Perrol’s voeten neer. „Neem hem aan, of moet ik u tot het gevecht drijven, evenals heer Coene van Baerbergh, dien gij……”

„Gestraft hebt, gelijk ik u, Per moio! ook straffen zal!” brulde Perrol. Hij boog zich voorover; maar voordat hij den handschoen aanraakte, richtte hij zich op, en de razernij, die hem scheen te beheerschen, was bijna geheel verdwenen. „Raap den handschoen op, Vidal!” zei hij. De knaap gehoorzaamde, en hij vervolgde schamper: „Wat uw uitdaging betreft, zij komt te laat of te vroeg, maar nu te onpas; later, dappere Heer van Nijveld! Waarom morgen of dezen middag niet, zal mijn zwaard uw hart zoeken en weten te vinden!”

„Terstond nog!” riep Van Nijveld, bevend van woede. „Bij het leven van mijn vader, uw lafhartigheid gaat te ver, uw spotternij gedoogt geen uitstel meer; trek, of ik stoot u neer: of zult gij ook durven zeggen, dat gij mij veracht?” en hij trok zijn zwaard.

„En waarom niet……?” zei Perrol, bleek van nijd, maar valsch lachend, „Per moio! de eene gek is nog niet verslagen, of een tweede biedt zich aan, vreest gij dan, dat Perrol u vergeten zal? Ook wij zullen afrekenen, mijn edelman. maar nu niet!”

Maar Van Nijveld beantwoordde zijn weigering met een grimlach, die verachting te kennen gaf; fier richtte hij het hoofd op, en riep met waardigheid, terwijl hij vooruittrad: „Gij zult strijden of sterven als een ellendeling!”

Perrol trok de hand terug, die hij naar de greep van zijn zwaard gebracht had: hij hief ook het hoofd op, waarop de roode pluim wapperde, en riep gebiedend en bedaard: „Sta, gij moet nog blijven leven, totdat Van Schaffelaar er niet meer is. Per moio! bij Dwarsdijk hebt gij mij verschalkt, en ik liet hem gaan; maar uw verzoek en dreigen zijn nu tevergeefs. – „Ik weiger het gevecht met u. Ha, ha, liever wil ik hebben dat men zegt, dat ik u en al uw vuurroeren vermoord heb

„Perrol……!” riep Van Nijveld driftig, die was blijven staan, maar nu weer naderde, maar Perrol schreeuwde: „Op voor Perrol! – draait om de bussen, op, mijn ruiters!”

„Leve Perrol! Hoezee de Zwarte Bende!” riepen zijn ruiters; de paarden hinnikten, de wapenrustingen rammelden, en de mannen van wapenen, die achter de kerk stonden, reden om den toren heen naar voren.

Van Nijveld bleef staan, toen hij de stem van Volkert hoorde, die, nadat zijn mannen hun wapenkreet hadden doen hooren, riep: „Legt aan, mannen!” Hij hoorde de roeren op de ijzeren vorken vallen. Hij zag om: aan alle zijden wemelde het van zwarte wapenrustingen; de bussen werden gericht tegen de plaats, waar zijn trouwe voetknechten stonden; de ruiterknechten bewaakten de ijzeren bussen, die den dood in hun wijde buiken droegen; de brandende lonten waren gereed om zijn mannen den dood toe te zenden, en hij liet het zwaard zakken.

„Gevoelt gij nog lust om te vechten, Heer?” vroeg Perrol ijskoud. „Ga, stel u aan het hoofd; ik plaats mij aan het hoofd van mijn ruiters, en wij zullen zien of het zwaard op mijn banier de zuilen op de uwe niet verbrijzelen zal. – Doch ik verzoek u, om den wil van uw mannen, om den vrede te bewaren; ik bid er u om,” vervolgde hij nijdig lachend: „gij hebt immers gezegd, dat het geen schande was, om te bidden, als men sterk was; en voor den satan, ik ben het immers.” Toen eindigde hij weer op den vorigen toon: „In Dwarsdijk hebt gij Van Schaffelaar gered; maar in Barneveld zult gij het niet doen; en wie van ons beiden morgen het dorp verlaten zal, weet ik niet!”

„Maar God weet het!” riep Van Nijveld met vertrouwen, en stak zijn zwaard op, ernstig zeggend: „Ik mag hun leven niet wagen voor hem, anders……! Maar zijn bloed komt op uw hoofd, ik ben onschuldig aan zijn dood,” en hij stapte treurig naar zijn voetknechten.

„Op mijn hoofd, Heer?” riep Perrol hem na, terwijl hij lachte. Maar ik wil het wel, en mijn vederbos zal er des te rooder door zijn, als gij hem voor het laatst ziet.”

Een oogenblik daarna waren de Zwarte Ruiters weer teruggetreden; de bussen hadden hun oude richtingen hernomen; opnieuw braakten zij verwoesting uit de wijde monden. Wouter verheugde zich bijna, toen de kruitdamp weer opsteeg; hij wist dat de bruidegom van Maria verloren was, en toch hoopte hij misschien nog. O, de woorden van Perrol en zijn eisch hadden hem geheel verpletterd en hij had zich bij de mannen van Van Nijveld gevoegd, toen de Zwarte Bende te wapen liep, en men hem uit het oog verloor.

Toen Van Schaffelaar, na het laatste woord met Perrol gesproken te hebben, terugtrad, en door zijn ruiters met blij gejuich ontvangen werd, vatte Frank zijn hand met beide handen en drukte haar, terwijl hij zich voorover boog. Zijn ruiters verwachtten geen dank voor wat zij op de laaghartige aanbieding van het bendehoofd geantwoord hadden; het kwam hun nooit in de gedachten, dat hun aanvoerder zich zou overgeven aan Perrol met de Roode Hand. Zij wisten, dat zij sterven moesten, dat hun aanvoerder hun te veel beloofd had; maar nooit dachten zij er aan, dat hij zich voor hen moest opofferen, sterven zonder het zwaard te trekken, en toen zij zijn rustig mannelijk gelaat, het vuur, dat in zijn oogen blonk, gezien hadden, zetten zij zich weer neer. Zij begrepen, dat hij slechts eens had willen zien, hoe ver de wraakzucht zijn lagen vijand zou kunnen vervoeren. Maar Frank was zoo gerust niet; met moeite smoorde hij zijn angst, als Van Schaffelaar stilte verlangde; eindelijk viel hij achter hem neer, doch de vriend wees hem terug. De vreugde, toen dat vreeselijke mondgesprek, dat vreeselijk handelen om bloed en leven, een einde nam, deed tranen in zijn oogen komen, die hij trachtte te verbergen; maar toen Van Schaffelaar een traan langs zijn ijzeren handschoen zag rollen, legde hij de hand op den schouder van Frank, en zei zacht: „Wat wilt gij, Frank; bewaar uw krachten; ik ben immers hier; zie op, ik ben welgemoed.”

„Gij wilt dus niet……” riep Frank angstig, „het was u dus geen ernst? Maar o, welk een akelige scherts, mijn vriend! Zeg, dat ik mij bedrieg: zweer mij, dat ik uw woorden niet goed verstaan heb.”

„En wat hebt gij dan verstaan? Mijn mannen zijn immers tevreden,” vroeg Van Schaffelaar vriendelijk; maar Frank schudde het hoofd, en zijn vriend vervolgde: „Dacht gij, dat ik u, dat ik mijn dappere ruiters zou dwingen, om den booswicht te gehoorzamen en aan zijn wraakzucht te voldoen. Neen, Frank, kent gij mij zoo weinig? Bij de zaligheid van mijn ouders en de onschuld van mijn bruid zweer ik u, dat ik dat niet vergen zal. Zijt gij nu voldaan?” Frank schudde ongeloovig het hoofd, waarna de aanvoerder droevig zei: „Ik had meer vertrouwen verwacht.” Maar snel veranderde zijn stem, en hij riep: „Hoort gij zijn stem daarbuiten?”

„Het is Perrol en Van Nijveld,” zei Frank somber, en schudde zijn dolkmes. „De edele man laadt de wraakzucht van het monster op zich, en het is voor niets……” riep Van Schaffelaar neerslachtig.

Zoolang de twist duurde, luisterden zij allen aandachtig, om elk woord op te vangen; toen Perrol zijn ruiters echter opriep, zei Frank smeekend tot zijn vriend: „O, nu gaan wij immers? Van Schaffelaar en Van Nijveld zal onze roep zijn, o, laat ons gaan.” Zelfs Van Schaffelaar zag vol hoop naar buiten, en de ruiters stonden op; elk oogenblik verwachtten zij het bevel, om hun aanvoerder te volgen; maar toen Van Nijveld terugkeerde boog Jan van Schaffelaar het hoofd; zijn hand verliet den greep van zijn groot zwaard, en zijn mannen vielen neer, terwijl Frank zijn gelaat bedekte.

Geruimen tijd had het gedonder van de bussen geduurd, toen Van Schaffelaar die zich ook had neergezet, opstond. Hij wierp een smartelijken blik op zijn ruiters. Met de armen over elkander geslagen, ging hij heen en weer, en ernstige gedachten schenen hem bezig te houden; alleen Frank volgde hem met het oog terwijl de ruiters niet opzagen.

Eindelijk stond hij stil; hij scheen een vast besluit te hebben genomen, en ging naar een der bomgaten.

„Wat wilt gij doen, mijn vriend?” vroeg Frank, die, zoo snel het hem mogelijk was, opstond en hem naderde: „Nog eens en voor het laatst met hem spreken,” antwoordde Van Schaffelaar bedaard.

„Met Perrol? O, doe dat niet, om Gods wil! Wat wilt gij dan?” riep Frank hevig; maar zijn vriend antwoordde ernstig: „Wat een edelman en aanvoerder betaamt,” en hij vervolgde vriendelijk, doch met klem: „Gij zijt mijn ruiter en tevens mijn vriend, Frank, gij moest dubbel gehoorzaam zijn.” Frank trad vol ontzag terug, maar volgde met angstige blikken zijn vriend, die nu buiten aan den rand van den muur stond.

„Perrol! Perrol!” riep Van Schaffelaar luid en krachtig, terwijl het geluid van een losbarsting den toren nog deed bewegen. „Perrol! Perrol!” riep hij nog eens, toen er weer een schot gevallen was, maar hij zweeg nu; want hij meende de stem van het bendehoofd te hooren. Geen nieuwe slagen van de bussen volgden; de kruitdamp steeg statig in de hoogte, en verliet het kerkhof. Langzaam aan zag hij woningen, schuren, vijanden en de mannen van Van Nijveld zich voor zijn oog vertoonen, en Frank huiverde, toen de stem van het hoofd der Zwarte Ruiters haastig vroeg: „Wat wilt gij?”

Van Schaffelaar zag Wouter, die naast heer Gerrit van Nijveld stond, en hem treurig met de hand toewenkte; hij meende zelfs zijn knaap te zien; ’t was alsof de krijgslieden, onder welke hij stond, hem vasthielden, alsof hij zich wilde losscheuren, en hij groette hen allen met de hand. Van Nijveld boog; o, het deed den aanvoerder zoo goed, die menschen te zien, die hem liefhadden en hoogachten.

„Wat wilt gij, Jan van Schaffelaar,” vroeg Perrol nog eens ongeduldig; hij was de eenige die genaderd was, en in den ingang van het kerkhof stond.

Van Schaffelaar lette nu eerst op hem, en zei bedaard: „Ik heb nagedacht over uw verlangen; blijft gij eischen dat mijn ruiters uw wil volvoeren, hoewel zij het vervloeken?”

„Uw stem verheugde mij, toen ik haar hoorde,” zei Perrol schamper; „maar het is voor niets geweest: ik dacht, dat gij kwaamt aanbieden om u over te leveren, of uit eigen wil den sprong te wagen; – maar ik verwachtte te veel van Jan van Schaffelaar!”

Frank sidderde, terwijl de ruiters luisterden zonder op te staan, toen Van Schaffelaar langzaam en ernstig vroeg: „Zoudt gij dan willen zweren, Perrol, om allen, die hier onder mijn bevelen staan, vrij en ongehinderd en zonder arglist naar Wijk te laten gaan, als ik van den toren op het kerkhof ben neergevallen?”

„Ja!” riep Perrol luid, ,op mijn eer en hij mijn banier, beloof ik hun vrijheid en lijfsgenade!”

„Gij allen zijt genade van zijn woord,” zei Van Schaffelaar, en zag vragend om zich heen. Het bendehoofd stampvoette, toen hij Van Nijveld met het hoofd zag knikken; hij vreesde, dat Van Schaffelaar wilde beproeven of Van Nijveld opnieuw zijn verdediging op zich zou nemen, en dat zijn aanbieding maar een voorwendsel was: ook aarzelde hij om te antwoorden, toen de aanvoerder bedaard zei: „Perrol, die eed is door de menschen gehoord; maar ook daarboven in den hemel heeft men hem gehoord. Laat uw bussen rusten; weldra zult gij Jan van Schaffelaar wederzien.”

Doch Perrol riep snel: „Gij trekt terug. Per moio, gij zoekt tijd te winnen!” „Neen, bij St. Maarten!” riep Van Schaffelaar met vuur. „Op mijn eer en bij mijn wapen zweer ik, dat gij u bedriegt: Jan van Schaffelaar vreest den dood niet, en veel minder Perrol!” Hij trad terug, en Perrol durfde bijna niet meer te twijfelen, of zijn wraakzucht zou bevredigd worden; met een bonzend hart had hij moeite om te blijven staan, en leunde tegen den muur van het kerkhof. „Mannen van wapenen,” zei Jan van Schaffelaar fier, toen hij hen zag staan, rustend op hun zwaarden, en hij zag opzettelijk naar Frank, die met de armen over elkander stond, alsof alle denkvermogen hem verlaten had. „Gij hebt gehoord, wat Perrol verlangt; hij vordert niet meer een dienst, die uw mond en uw trouw onwaardig is; maar nog altijd mijn leven...”

„En gij zult het monster voldoen om ons...” viel Frank hem in de rede, en zijn oogen stonden wild in het hoofd; maar Van Schaffelaar liet hem niet uitspreken, en vervolgde fier: „Ook gij, Frank, zijt mij gehoorzaamheid verschuldigd; laat mij spreken. Ik alleen beschik over uw aller leven; want gij hebt mij trouw gezworen. – Mannen, wat gij voor mij gedaan hebt, kan ik nooit vergelden; ontvangt mijn oprechten dank. Wij zullen allen den toren verlaten; zet daarom de helmen op, en houdt uw zwaarden gereed; de Schaffelaars moeten niet zonder wapenen zijn, als zij onder hun vijanden verschijnen.”

„Leve Van Schaffelaar!” riepen zij allen; zij raapten de helmen op, en grepen de schilden aan. ’t Was alsof hun krachten herleefden, nu zij den strijd tegemoet gingen; zelfs Frank vatte weer hoop. Toen zei Van Schaffelaar: „Het lot, dat ons wacht, zal den een mogelijk niet toelaten om te zien, waar de ander blijft; drukt daarom hier elkander voor het laatst de hand, en zegt elkander een laatst vaarwel!”

Hij zelf noemde elken ruiter bij zijn naam, dankte hem nogmaals, en gaf hem de hand. Toen hij Frank de hand schudde, welke in de zijne beefde, zei hij bedaard: „Houdt goeden moed, mijn vriend! De dood is niets, maar...” Hier hield hij op; want zijn stem werd minder vast, en hij vervolgde snel: „Frank, gij had mij nog iets te zeggen: dezen nacht wildet gij...”

„O, nu nog niet!” riep Frank huiverend, „later zal ik het u zeggen, nu nog niet!” „Later dan,” zei Van Schaffelaar droefgeestig glimlachend. „Het is mij wel; ik zal uw laatsten wil volbrengen, als ik kan. Denkt gij om hetgeen gij mij beloofd hebt, indien... Gij zult zorgen voor Maria, niet waar?” vroeg hij treurig.

„Als het zoo zijn moet, ja, mijn weldoener,” zei Frank zacht, en Van Schaffelaar sloeg zijn gewapenden arm om den ruiter, drukte hem tegen zijn borst en riep: „Vaarwel, Frank!”

„Maar wij scheiden nog niet!” riep Frank, en sloeg op zijn zwaard, terwijl hij het schild omhing. „Eerst moeten nog de Zwarte Ruiters uw……” Doch hij zweeg; want Perrol riep luid: „Waar blijft Van Schaffelaar?”

„Ha, hij zal komen!” schreeuwde Frank. „Nu gaan wij immers?” vroeg hij driftig.

„Ja!” zei Van Schaffelaar, die bij de trap stond, zijn wapens in orde bracht, den helm recht zette en met deernis de zwakte van zijn ruiters zag. „Houdt u allen gereed; wij verlaten den toren; maar het schild met mijn wapen kan ik niet achterlaten, het moet mij in den dood vergezellen.”

„Ik haal het voor u,” riep Frank, en wilde hem voorbijgaan; maar zijn vriend wees hem met de hand terug.

„Van Schaffelaar!” riep Frank, de handen vouwend; maar de aanvoerder zei streng: „Ik wil gehoorzaamd zijn!” en hij vervolgde vriendelijk: „Zijt gij geen man van mijn bende meer, Frank, dat gij u tegen uw aanvoerder en vriend verzet!”

Moedeloos liet de jonge ruiter het hoofd voorover zakken, en trad terug: „Zoo is het wel,” zei Van Schaffelaar aangedaan, sloeg hem met de hand op den schouder, en beklom de trap. Zijn ruiters zagen elkander aan; maar Frank hield alleen het oog naar boven gewend; hij zag den aanvoerder op den omgang komen, en naar de voorste zijde van den toren gaan; hij zag hoe hij het schild, dat aan een riem hing, losmaakte, met de hand over de kleuren van het wapen streek en het voorts om den hals hing. Toen zag zijn vriend naar hem en knikte hem vriendelijk toe. Frank schepte weer adem; maar daar richtte Van Schaffelaar zich op; zijn oog was vol edele geestdrift, terwijl het over zijn ruiters ging; zijn stem was aangedaan, maar vol vuur: hij riep: „Mannen, ik wil u in geen last brengen, ik moet toch eenmaal sterven!” en wenkte hun zijn laatste vaarwel toe.

„O God, Van Schaffelaar!” gilde Frank, en snelde naar boven; de ruiters volgden hem, zoo machteloos als zij waren; doch zij konden geen woord uitbrengen. Toen Frank bijna boven aan de trap was, zag hij hoe zijn vriend op de borstwering van den omgang stond. De zon deed die gladde wapenrusting schitteren; de witte vederbos werd door den wind licht bewogen, en het wapenschild hing op zijn rug. Het hoofd fier opgeheven stond hij daar, als een metalen standbeeld van den edelsten vorm; toen zette hij de handen in de zijden, en riep luid en vol moed: „Hier hebt gij Jan van Schaffelaar!” – en sprong van den toren...

Frank bereikte juist de plaats, waar zijn vriend gestaan had, toen de witte pluim verdween. Een gil, die wanhoop en vertwijfeling verried, ontsnapte hem; reeds had hij den eenen voet op den rand van de borstwering gebracht, om zijn vriend te volgen, toen de ruiters hem aangrepen. Men hoorde een doffen slag, vermengd met wapengeritsel, op het kerkhof, en de jongeling, de zijn weldoener verloren had, zou nu achterover in den toren gevallen zijn, indien de ruiters hem niet hadden vastgehouden. Tranen liepen langs de ruwe en gebaarde gezichten der mannen van wapenen van Jan van Schaffelaar, terwijl zij zijn vriend naar beneden droegen, en een verward geschreeuw zich rondom den toren hooren liet; – zij hadden hun aanvoerder verloren!

908SR15.gif (1832 bytes)

Toen het bendehoofd het krijgsgeroep van de Schaffelaar hoorde, toen hij zijn vijand daarna op den omgang zag verschijnen, en bedaard dat wapenschild afnemen en omhangen zag, dat hij niet had kunnen neerdrukken, toen voelde hij berouw, dat hij den man, die hem overwonnen had, in de gelegenheid stellen zou, om het overtuigendste bewijs te geven van zijn moed en deugd; want toen reeds begreep hij, dat de bruidegom van Maria niet zou terugtreden. Nu vervloekte hij zijn haastigheid, en zijn schaamtelooze bloeddorst deed hem op het punt zijn, om wat hij aangenomen had, te verbreken; hij wilde vorderen, dat zijn slachtoffer zich aan zijn beulen zou overleveren, gezond en vol leven; evenals de offerstier, die naar het altaar wordt gesleept, en hij zelf bracht de Roode Hand reeds aan het offermes; maar Van Schaffelaar sprong van de borstwering. Een diepe stilte heerscht alom; men kon een pijl hooren vallen; de smid en de edelman, de Zwarte Ruiters en de Nijvelders, Ralph en de knaap, allen zagen met verbazing naar den trouwen leenman van den Bisschop; zelfs Perrol stond als door den donder getroffen; hij kon de woorden niet uitbrengen, die hem op de lasterende tong lagen; de nijd verstikte hem. Jan van Schaffelaar was groot, en Perrol – verachtelijk.

De aanvoerder scheen een laatsten blik over het veld te laten gaan; voor het laatst bewonderde zijn opgetogen oog de schoone natuur, Gods schepping, en hij zag ten hemel; toen zette hij de handen tegen het blinkend harnas, en zag naar de plaats, waar zij stonden, die hem zooveel bewijzen van verknochtheid gegeven hadden. Maar snel richtte zijn blik zich fier op Perrol, die van machtelooze woede beefde; zijn krachtige stem klonk over het kerkhof, en de witte vederbos bewoog zich voorwaarts. Het was alsof een bliksemstraal langs den toren schoot, of een hemelsch ridder van den trans de aarde naderde; want schitterende stralen werden teruggekaatst door het blinkende harnas, dat Wouter niet gedroomd had, op deze wijze te zien verpletteren. De aanvoerder draaide niet in den vreeselijken val: het hoofd van Jan van Schaffelaar, de witte pluim bleef hemelwaartsch gericht; doch toen hij op de aarde neerviel, op dezelfde plek, waar zooveel Zwarte Ruiters neergestort waren, raakte zijn helm de aarde van het kerkhof.

„Leve Perrol! Hoezee, de Zwarte Bende!” schreewden de ruiters, die den vreeselijken krijgsman, den held van Eemnes, levenloos voor zich zagen. Een kreet van wanhoop ontsnapte aan den knaap van Wouter, die door Van Nijveld werd teruggehouden; maar bijna op hetzelfde oogenblik uitten de Nijvelders een uitroep van bewondering en eerbied; want langzaam richtte de witte vederbos zich op, de helm verhief zich, de blinkende wapenrusting verliet de aarde, en Perrol gaf een woesten schreeuw van nijd en vreugde.

„Hier ben ik!” riep Jan van Schaffelaar zacht, doch verstaanbaar, terwijl hij zich op zijn knien oprichtte, en zijn verduisterd oog het bendehoofd zocht; maar hij viel weer neer.

Per moio! gij zult mijn hand nog voelen,” riep Perrol, die, als het roofdier op zijn prooi met den langen dolk in de hand op zijn vijand toesnelde; hij boog zich voorover boven den aanvoerder, om den dood op zijn gelaat te lezen, om hem te spreken over Maria, om de plaats uit te zoeken, waar hij hem treffen wilde. De zwarte ijzeren handschoenen raakten het blinkende harnas, en het scheen alsof ook de gepolijste armstukken naderden; het was alsof Perrol, die van woede brulde, zijn vijand oplichtte, toen met hem neerviel, en hem met zijn lichaam verpletteren wilde. De witte en roode pluim raakten elkander en verwarden zich. Vidal en Quintyn sprongen op het kerkhof, en naderden den toren, maar bleven plotseling staan, toen zij de ijzeren massa bereikten, die zich voor hun voeten in het stof wentelde. Men hoorde niets dan het schuren en kraken van de wapenrustingen; ’t was alsof een geschubd monster nu eens den glinsterenden rug, dan weer den zwarten buik in zijn kronkelingen zien liet. Qnintyn, de hand op zijn dolk, wist niet waar hij moest toestooten. Vidal stak vruchteloos de handen uit, om de wapenrustingen vast te houden; hij werd ter aarde geworpen. Een vreeselijke stilte heerschte er; toen viel het zwarte harnas ter eene, het blinkende ter andere zijde, op hetzelfde oogenblik, dat Henri en Wouter zich met geweld aan de handen onttrokken, die hen terughielden, en den toren naderden.

De aanvoerder der Schaffelaars lag uitgestrekt op den grond; zijn armen lagen naast hem; de witte vederbos raakte de aarde; het edele bloed vloeide langzaam onder de voegen van het harnas uit, en verfde het gladde staal purperrood. De wapenrusting ritselde toen de bruidegom van Maria zich uitstrekte; zijn oogen waren voor altijd gesloten; een geruste en lachende trek lag over het doodsbleeke, mannelijke gelaat verspreid, toen de knaap zich aan zijn voeten wierp, en Wouter naast hem knielde en de koude hand kuste. Jan van Schaffelaar leefde niet meer; hij lag dood op zijn schild, waarop zijn wapen prijkte – Maria had geen bruidegom meer...

Voordat Vidal zijn meester aanraakte, verhief zich de roode pluim; met de linkerhand op den grond rustend, richtte de zwarte wapenrusting, waarop het bloed niet zichtbaar was, zich op. Het lijkkleurige gelaat van het bendehoofd keerde zich naar zijn vijand, en de blik, dien hij op den aanvoerder wierp, was verschrikkelijk. Helaas, de witte vederbos was gevallen, en de roode wapperde. Duivelsche blijdschap straalde uit zijn oog, dat reeds zoo menig slachtoffer had zien sterven en ook nu zijn wraakzucht tevreden stelde; hij zwaaide met het bebloede dolkmes, dat in de roode vuist geklemd zat, en riep akelig lachend: „Hij is dood...!” Maar op hetzelfde oogenblik viel ook hij weer neer; Vidal en Quintyn knielden naast hem, en hieven hem op, maar zijn oog was gesloten. „Hij sterft,” zei Vidal, en Quintyn deed een uitroep van verbazing, terwijl hij op de gepolijste greep van een wapen wees, dat onder het zwarte borstharnas uit te voorschijn kwam.

„Ik ken het; ik heb het gesmeed...” zei Wouter opgewonden, en de knaap schreeuwde woest: „Het is het dolkmes van Jan van Schaffelaar!”

Vidal scheen dien zegevierenden uitroep niet te hooren, maar liet het bendehoofd door eenige ruiters, die hij geroepen had, wegdragen. Zonder zich te verroeren en met somber stilzwijgen, zagen de Zwarte Ruiters hun meester wegvoeren; men hoorde niets dan de voetstappen van de dragers. Wouter vatte toen Van Schaffelaar om het borstharnas; de knaap hield de beenen vast, en langzaam droegen zij hem weg. De meester uit de Vergulde Helm had nauwelijks kracht genoeg, den grooten krijgsman met zijn wapenrusting te dragen. Niemand van de Zwarte Bende bewoog zich; maar toen zij de kerk uitgingen, toen Perrol en Van Schaffelaar bijna gelijktijdig het kerkhof verlieten, trad Froccard langs de mannen van wapenen, en de Zwarte Bende schreeuwde luid: „Wraak voor Perrol! De dood voor de Schaffelaars!”

„Heer!” riep Ralph, terwijl hij naast Van Nijveld trad, toen het gemor zich begon te verheffen, „zult gij mijn zoon, zult gij de ruiters van Jan van Schaffelaar laten vermoorden?” en zonder een antwoord af te wachten, snelde hij naar het kerkhof, gevolgd door zijn hond; de oude schaapherder wilde desnoods met zijn staf het leven van Frank beschermen; hij tartte de woede van de Zwarte Bende.

Maar Van Nijveld draaide niet; de vraag van Ralph strookte met zijn eigen plan, en hij riep, het zwaard trekkend: „Voorwaarts, mijn Volkert, bezet den toren,” en trad naar Quintyn, die besluiteloos luisterde naar wat Froccard hem zei. Op dit oogenblik verhief zich het schreeuwen der Zwarte Bende. Had Walson nog geleefd, dan zou het een vergeefsche poging van den edelman zijn geweest; de luitenant wist hoe hij doen moest, hoe Perrol gediend wilde zijn. Had het bendehoofd zelf nog bevelen kunnen geven, had Quintyn zelf gehoord, wat Vidal gelukkig alleen maar vernomen had, even vruchteloos zou misschien de poging geweest zijn om de ruiters te redden; maar nu gaf Quintyn, na eenige oogenblikken geaarzeld te hebben om toe te geven aan het driftige verlangen van Van Nijveld, bevel aan de Zwarte Ruiters om terug te treden, en te houden wat Perrol bezworen had, waarop zij gehoorzaamden. De moedige tusschenkomst van Gerrit van Nijveld boezemde hun ontzag in; met den val van het bendehoofd was hun zelfvertrouwen verdwenen.

De oude Volkert stond ook reeds met zijn vuurroeren vr den toren; maar Van Nijveld was verheugd, dat hij het zwaard weer kon opsteken. Weinige oogenblikken daarna traden de mannen van wapenen uit den toren en over het kerkhof naar het kwartier van Van Nijveld. Met de witte vederbossen op de helmen, en met een treurig en ernstig gelaat, gingen zij met edelen maar langzamen tred voort; zij hielden de ontbloote zwaarden in de hand, misschien om er op te rusten; zij groeten er de plek mee, waar hun aanvoerder gestorven was. Wat Frank betreft, Ralph, die hem uit den toren gedragen had, droeg hem ook met behulp van een paar voetknechten achter zijn makkers; Van Nijveld en zijn mannen volgden. Toen was de toren verlaten; maar niemand van de Zwarte Bende voelde lust om hem te beklimmen, als vreesden zij voor den geest van Jan van Schaffelaar.

908SR15.gif (1832 bytes)

Barneveld – 3. Derde dagInhoudopgave OltmansBarneveld – 5. Vierde dag – Perrol

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)