J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

VIERDE DEEL. – HOOFDSTUK!

BARNEVELD.

5.  – Vierde Dag – PERROL
De half onthulde maan met heur bekrompen licht,
Verspreidt een doodschen glans op ’t schrikbaar aangezicht.
Mr. W. BILDERDIJK.

P.gif (3234 bytes)errol lag op het rustbed, dat zijn knaap vroeger voor hem in gereedheid had laten brengen, maar waarvan zijn onrust en dorst naar wraak hem verhinderd hadden tot nog toe gebruik te maken; echter niet, omdat zijn vijand nu niet meer aan zijn macht ontsnappen kon, legde hij zich neer, maar omdat diens hand hem getroffen had. Ontwapend, en bijna geheel ontkleed, lag hij roerloos, en gaf geen teeken van leven; alleen toen Vidal het wapen van Jan van Schaffelaar uit de wonde getrokken had, en het bloed was begonnen te stroomen, had hij zich bewogen; een trilling van het geheele lichaam had den knaap overtuigd, dat hij zich niet bedrogen had, dat Perrol nog leefde. De wonde werd afgewasschen en verbonden, en Vidal bevochtigde de stijf tezamen geknepen lippen met wijn. Nu eerst zuchtte Perrol zwaar, opende daarna de oogen, zag zijdelings om zich heen naar de mannen die hem omringden, en vroeg zacht, want hij herkende den knaap: „Is hij wel dood?” Vidal boog, zonder iets te zeggen, het hoofd. Toen legde Perrol, die in zijn arm rustte, zijn hoofd op het kussen; zijn gelaat verried tevredenheid. „En ik leef nog!” zei hij grimlachend, en sloot de oogen weer. De knaap wierp de doeken weg, die gediend hadden om het bloed te stelpen, dekte Perrol met het bedkleed, en zag ernstig doch bedaard naar het gelaat van zijn meester.

Weinige oogenblikken daarna opende deze de oogen weer, en zei: „Vidal, zij kunnen gaan; maar gij moet blijven.” De knaap gaf een teeken aan degenen, die hem geholpen hadden bij het verbinden van het bendehoofd, en zij vertrokken. „Zijt gij hier alleen?” vroeg Perrol, toen de deur zacht was dichtgedaan, en hij trachtte zelf een blik door het vertrek te werpen, waar zijn wapenen en kleeren lagen. „Ja, Messire,” antwoordde Vidal, „ik alleen ben bij u.”

„Zoo,” zei Perrol, „ik had wel iets kouds gevoeld, dat mij in de zijde drong; maar, – o, ik dacht niet, dat hij nog zoo sterk zou zijn, die ellendeling! – Is de wonde diep, Vidal?”

„Neen, Messire,” antwoordde deze, „het harnas heeft het wapen verhinderd, om rechtuit te gaan, gij zult aan die wond niet sterven.”

„Denkt gij dan, dat ik sterven wil?” riep Perrol luider; „hoewel gij uw heer niet hebt bijgestaan, zooals het behoorde; toch zal hij niet sterven. Neen, de hand van Jan van Schaffelaar mag Perrol niet dooden...” Toen zei hij zacht en zag om zich heen: „Wij zijn alleen, u kan ik het zeggen: Ik ben ziek, Vidal, ik ben zwak, per moio, was ik dat niet geweest, dan...... vriend; Perrol is uitgedaagd, en hij kon niet strijden. – O, Vidal, uw heer is zwak; hij sterft van woede, en hij kan zichzelf niet meer wreken.”

„Uw krachten zullen terugkeeren; maar gij moet rust hebben, Messire,” zei Vidal, die zijn meester van razernij en koorts zag beven, „Ban dit alles uit uw gedachten, en gij zult spoedig weer even sterk zijn als weleer.”

„Wat zullen mijn ruiters zeggen,” zei Perrol somber. „Zijn zij zoo dom geweest om den sluipmoordenaar en dien kerels het leven te laten...? Ik wil het niet weten!” riep hij snel, toen Vidal spreken wilde, „het zou mij razend maken, en ik moet gezond zijn. – Gij hebt nog den handschoen van Van Nijveld? – Denkt gij, dat ik morgen...”

Neen, morgen zult gij nog niet hersteld zijn, Messire,” antwoordde de knaap, het hoofd schuddend, toen zijn meester niet verder scheen te kunnen spreken. „Dat moet echter; morgen moet ik hem straffen, ik moet weer sterk zijn!” riep Perrol. „Geef mij wijn, Vidal!”

„Messire,” zei de knaap, terwijl hij hem liet drinken, „de wijn is niet goed voor u: ik heb naar Amersfoort gezonden om een heelmeester; maar gij behoort een drank in te nemen; het zou u goed doen. Verkiest gij, dat ik Froccard laat roepen?”

„Neen!” riep Perrol, en lichtte het hoofd op, „laat hem niet bij mij komen; wilt gij, dat hij uw heer zal vergeven? Hij is erger dan de duivel; stoot hem neer, als hij hier komt. Ha, als ik hem niet noodig had om Maria te krijgen, dan zou hij er reeds niet meer zijn; maar de heeren in Utrecht moeten nog zien, dat zij de mijne is, al is mijn paard verloren geweest. Wel bekome u de winst, heer Van Middachten! In Hoorn ligt gij dood, ik leef nog en heb Hector weer.” Hij grimlachte; maar de drift, die hem beheerschte, en het spreken, vermoeiden hem, en hij zei flauw: „Ik ben ziek, zeer ziek, Vidal. Kunt gij geen drank bereiden?”

„Neen, Messire,” zei Vidal treurig; want de wraakzucht, die zijn heer liet blijken, ondanks den toestand waarin hij was, bedroefde hem. „Maar hedenmorgen vond ik bij uw ruiters, die hij de bestorming gekwetst zijn, den onderkellenaar van Putten: hij verbond hun wonden en kneuzingen, en hij schijnt zeer handig in dit vak; doch ik wist er genoeg van, om u vooreerst te kunnen helpen. Verkiest gij, dat ik hem laat komen?”

„Ja.” zei Perrol snel, „o, hij zal die kloppingen doen verdwijnen, ’t is alsof men met een strijdhamer op mijn hersenen slaat.” Toen de knaap de deur geopend en bevel gegeven had den monnik te roepen, en weer naast het bed trad, vervolgde Perrol: „Heb ik niet gezegd, dat zij ons alleen moeten laten?” en zag naar den muur. Vidal schudde het hoofd en antwoordde langzaam: „Wij zijn alleen, Messire. Het zijn uw wapenen, die daar staan, en er is niemand hier. „O,” zei Perrol flauw, „maar het is ook waar. – De paap toeft lang, Vidal!” Het duurde echter niet lang of de onderkellenaar trad binnen. Men hoorde het geluid van zijn voetstappen niet; misschien had hij dit geleerd om de stilte van het klooster niet te storen. Hij wierp een blik door het vertrek, en toen zijn oog op het rustbed viel, waarvan de groen lakensche gordijnen ter weerszijden waren weggeschoven, legde hij de handen kruiselings op de borst en boog diep.

„Nader!” zei Perrol, en Vidal gaf met de hand een teeken aan den monnik, die het bevel niet gehoord scheen te hebben, maar zich nu haastte er aan te voldoen. Het bendehoofd wierp een vorschenden blik op den onderkellenaar, die in een nederige houding naast hem stond en onthutst scheen; hij grimlachte om de verlegenheid van den paap en vroeg: „Zijt gij de onderkellenaar? Hoe komt gij hier? Kent gij de kracht der kruiden?”

„Edele Heer,” gaf de monnik langzaam, doch zonder aarzelen ten antwoord:

„Ik ben het zelf; gisteravond hoorden wij het geluid van de bussen, hoewel onze woning achter het bosch ligt. De opperkellenaar zond mij uit om te zien, of mijn bijstand naar ziel of lichaam ook noodig mocht zijn; maar mijn kennis in de heelkunde is mij meer te pas gekomen, dan mijn macht als priester...” „Ha,” zei Perrol, die grimlachte, „ik geloof het wel,” maar hij vervolgde ernstig:

„Ik ben gekwetst en ziek, vader, kunt gij mij genezen?”

De onderkellenaar verlangde de wond te zien, en Perrol zei: „Werp uw kap op den rug, en stroop uw mouwen op dan kunt gij beter zien.” Maar toen de monnik hem zei, dat dit tegen de regels van zijn orde streed, vervolgde het bendehoofd grimlachend: „Het is wel, ik bemin de krijgstucht: maar die kap zal wel eens afvallen, als gij u aan het kloosterbier bezuipt. Stroopt gij nooit de mouwen van uw pij op, als gij dobbelt?” De kellenaar stoorde zich niet aan zijn taal, maar bracht het verband met beleid beter in orde en Perrol zei: „Gij weet er meer van dan mijn knaap; wat zegt gij er van?”

Dat gij aan de wond niet sterven zult, Heer,” antwoordde de monnik, en spreidde het dekkleed weer over den gekwetste. „Ik wist het wel,” riep Perrol; „maar ik ben ziek, en wil morgen gezond zijn; kunt gij mij helpen?”

„Ja, Heer,” hernam de kellenaar zonder bedenken: „Indien gij mijn raad volgt, zult gij morgen gezond en sterk zijn; zelfs uw wond zal u niet verhinderen te paard te stijgen en een speer te breken.”

„Zegt gij de waarheid?” vroeg Perrol, terwijl zijn gelaat opklaarde, en toch zag hij wantrouwend naar den monnik, over wiens verklaring Vidal nauwelijks zijn verbaasdheid verbergen kon. Toen zei de onderkellenaar luid: „Bij mijn kleed en bij mijn zaligheid, zweer ik u, dat het zoo zal zijn!”

„Ha!” riep Perrol, „ik geloof u, en ik zal u goed beloonen.”

„Maar n ding, Heer, moet ik u zeggen,” zei de monnik, en zag naar Vidal, „de drank, dien ik u moet toedienen kan u misschien in een sluimering doen vallen, waaruit gij weer sterk ontwaken zult; maar indien men u in uw rust stoorde, zoudt gij sterven. Ik ben verantwoordelijk voor uw leven; daarom dien ik u alleen te verzorgen; uw knaap kan zich dus verwijderen.”

„Waarom?” zei Perrol verwonderd, en Vidal riep ontevreden:

„Ik zal geen gerucht maken, mijn vader. Het zal zoo goed zijn, alsof ik er niet was; ik ben altijd bij mijn heer.”

„Maar gij kunt hem niet genezen,” antwoordde de monnik gemelijk; toen boog hij zich voorover naar het bendehoofd, en zei: „Ik mag het lichaam niet genezen, als de ziel krank is, zonder ook voor haar te zorgen; terwijl ik u den drank van tijd tot tijd toedien, zult gij mij antwoorden, en morgen zult gij sterk zijn en zonder zonde.”

„Kent gij mij niet?” vroeg Perrol, en hij scheen scherp te luisteren. „ja, Heer, gij zijt Perrol, gij beveelt de Zwarte Bende.”

„Welnu,” vervolgde Perrol het hoofd bewegend, „dan zult gij misschien weten, dat ik dikwijls de papen lastig gevallen heb om hun geld, nooit om hun zegen. – Maak den drank terstond gereed!” De onderkellenaar scheen in tweestrijd wat te doen; hij deed een stap achteruit en bleef toen weer staan, en Vidal riep driftig: „Monnik, hebt gij het niet verstaan?”

„Laat mij naar de gemeene ruiters terugkeeren; want die hooren nog naar mij,” zei de onderkellenaar, die een vast besluit scheen te hebben genomen.

„Vervloekte paap!” riep Perrol; „denkt gij, dat ik u niet kan dwingen om mijn wil op te volgen? De dolken van mijn ruiters......”

„Kunnen mij doen sterven als martelaar; maar niet doen handelen tegen mijn gelofte. Gij wilt dus sterven, gij wilt niet gezond zijn?” viel de onderkellenaar hem koel in de rede.

„Vidal,” zei Perrol, na eenige oogenblikken te hebben gezwegen, „ik ben ziek, en de dweepzieke paap is stijfkoppig; breng hem wat hij noodig heeft, en laat mij met hem alleen.” De knaap verwijderde zich, en Perrol vervolgde: „Gij schijnt tevreden, kellenaar. Misschien komt het door mijn zwakte, maar ik herken uw stem niet; en toch is het nu en dan of ik die meer gehoord heb.” „Een uwer ruiters heeft mij geslagen en voor dood op de natte heide laten liggen; sinds dien tijd is mijn stem, is mijn gezondheid zoo sterk niet meer,” antwoordde de monnik langzaam.

„Ha, ik herinner het mij wel,” zei Perrol grimlachend, „dat was bij de Hunnenschans, niet waar? In den nacht – mijn gedachten zijn verward. – Weet men nog niets van de vervloekte heks, mijn vader?” vroeg Perrol scherp luisterend. „Zeer zeker, Heer!” hernam de monnik, die genoeglijk lachte, „zij woont tegenwoordig weer in de Schans; dacht gij, dat zij dood was, Heer?”

„Gij lacht om het voordeel, dat zij aanbrengt; ik, ik zou kunnen lachen uit wraakzucht, indien ik gezond was,” zei Perrol. „O, ik dank u voor het bericht; dezen keer zal zij mij niet ontgaan. Per moio, zij zal het vuur voelen, zij zal weten, wien zij bedrogen heeft.”

„Hadt gij iets anders van den satan verwacht, Heer?” vroeg de kellenaar, toen Perrol de oogen sloot; maar het scheen, dat deze zijn vraag niet hoorde; de wraakzucht had hem eerst kracht gegeven om te spreken, doch sloot ook nu zijn mond; hij was geheel bewusteloos.

„Uw meester spreekt te veel,” zei de kellenaar tot Vidal, die nu terugkeerde; „maar ik zal hem rust bezorgen; blijf nog, hij mocht nog iets te zeggen hebben.” De kellenaar was intusschen naar de tafel getreden, waar hij vuur, en heet water, honing en wijn vond; een zilveren doos, waarin kaneel, nagelen en andere specerijen waren, stond te midden van bekers en schalen, en terwijl hij een drank bereidde, waarin het aftreksel van eenige kruiden kwam, welke hij uit een leeren zak nam, dien hij onder zijn pij te voorschijn haalde, stelde hij Vidal gerust, die het open raam sloot. De knaap zou zich wellicht gelukkig geacht hebben, indien zijn heer niet meer geleefd had; maar nu hij stervende was, wenschte hij hem weer genezen te zien.

Toen de drank gereed was, lichtte Vidal het hoofd van zijn heer op, en de kellenaar bracht den beker aan den mond van Perrol, die misschien dronk zonder het te weten. Eenige oogenblikken daarna opende Perrol de oogen, zag naar den monnik en zijn knaap, en zei: „Dat doet mij goed; ik twijfel niet meer aan uw kunde, vader.” Een zalig gevoel scheen hem te bezielen en hem kracht te geven. De kellenaar zette den beker op tafel neer, en Perrol zei zacht: „Vidal, ga nu, de paap zal mij gezond maken; maar kom, als ik u laat roepen. Die drank is goud waard; mijn gedachten zijn helder; zooeven meende ik Froccard en Van Baerbergh voor mijn bed te zien; de heks scheen hen aan te vuren, om mij te vermoorden; ik hoorde haar stem, maar nu ben ik kalm.”

Vidal boog en verliet het vertrek, terwijl hij zei: „Ik kom, vader, zoodra gij tegen de deur klopt; de Hemel zegene uw pogingen om mijn meester te redden.” Sinds hij begreep, waarom de brave geestelijke met Perrol alleen wenschte te blijven, koesterde hij hoop op herstel, misschien op de bekeering van zijn meester.

Het bendehoofd lag rustig neer; zijn bleek gelaat was ernstig, maar niet vreeselijk; zijn zwarte haar hing op het kussen; zijn knevel bewoog zich nu en dan bijna onmerkbaar; zijn ademhaling was niet zoo onregelmatig meer, als toen hij gesproken had; zijn linkerhand lag alleen op het dekkleed, en zijn gespierde arm was bijna geheel ontbloot. De kellenaar trad zacht naar het glasraam, dat op den hof uitzag, en opende het; hij zag naar buiten, boog het hoofd voor den ruiter, die daar de wacht hield, en sloot het weer, toen de versche buitenlucht in het vertrek was gedrongen. Snel naderde hij nu weer het rustbed en bleef roerloos daarvoor staan; zijn blik scheen als vastgenageld op het gelaat van den gekwetste, en zijn mouwen raakten elkander. Mogelijk vouwde hij de handen; een dof en eentonig geluid ontsnapte hem; hij scheen te bidden.

Perrol opende eenigen tijd daarna de oogen weer, zag door het vertrek, draaide toen het hoofd om en zei: „Ha, zijt gij daar, ik dacht dat gij mij verlaten hadt!” „Nog niet, mijn zoon,” hernam de monnik; „maar hoe gevoelt gij u?”

„Beter, vader,” zei Perrol zacht; „maar als ik sluimer, dan kwellen mij pijnigende gedachten; ik meende hem te zien, hij stond nog overeind, en hij is immers dood, niet waar? Mijn hand heeft de juiste plaats gevonden.”

„Van wien spreekt gij, Heer?” vroeg de kellenaar langzaam, en Perrol antwoordde driftiger: „Van wien? Van Jan van Schaffelaar! Gij zijt immers niet bij hem geroepen? Ik wil niet, dat gij hem verpleegt... maar het zou ook te laat zijn, – zeg mij, dat hij dood is; het zal mij goeddoen.”

„Ja, hij is dood, Heer,” zei de monnik, „en gij zult leven, als gij mijn raad volgt.” Hij trad daarop naar de tafel, vulde den beker, naderde het bed weer en terwijl Perrol gretig dronk, en met zijn linkerhand den beker hielp vasthouden, vervolgde hij: „Als gij nog viermaal gedronken hebt, zijt gij behouden; maar tusschen elken dronk zal eenigen tijd moeten verloopen. Antwoord mij op mijn vragen; beken uw zonden: – het zal u verlichten.”

Perroi glimlachte; een oogenblik trokken zijn wenkbrauwen zich donker tezamen, en hij zei: „Waarom zoo spoedig, kellenaar, ik zal u te woord staan, morgen of wanneer gij wilt, – als ik de laatste teug van uw versterkenden drank gedronken heb! Het zou mij nu nog vermoeien.”

„Ik zal nog wachten, Heer,” antwoordde de monnik, toen Perrol weer ging liggen, en langzamerhand verdween de spottende trek van diens gelaat, en hij sluimerde weer in.

Een oogenblik stond de kellenaar onbeweeglijk en sloeg hem gade. Het was alsof hij door een somber gelach zijn ontevredenheid verried, en hij verliet het vertrek. „Knaap,” zei hij tot Vidal, „uw Heer sluimert, indien hij roept, zeg, dat ik terstond terugkeer, maar nader hem niet, indien gij hem niet vermoorden wilt. Ik ga zijn ruiters bezoeken; ook zij moeten verpleegd worden.”

Vidal zag den kellenaar na, die zich verwijderde zonder een antwoord af te wachten, en toen deze vertrokken was, opende hij, ondanks de vermaning, de kamer van zijn meester, en naderde hem. Zijn oog en oor overtuigden hem, dat Perrol een weldadigen slaap genoot, en hij haastte zich het rustbed te verlaten, voordat de monnik hem verrastte.

Toen Perrol weer opzag, zat de monnik bij hem, maar deze stond op en liet hem weer drinken. Het bendehoofd zei niets, hoewel hij zuchtte en zich uitstrekte. Hij knikte flauw met het hoofd, toen de kellenaar vroeg, of zijn wonde hem pijn deed lijden. „Geef mij uw hand, Heer,” zei de monnik, en zijn stem verried een weinig ontroering; misschien was hij wat snel gegaan en had hij zich vermoeid. „De spanning, welke u beheerscht heeft en de gevolgen van de wonde, hebben u met een koorts bezocht, die ik niet nauwkeurig kan nagaan, om er u van te verlossen.”

Perrol richtte de hand op, maar de monnik zei bedaard: „De rechterhand, Heer!”

„Kellenaar,” zei Perrol, die zijn oogen wijd opende en de linkerhand liet vallen, „zelden behoefde ik een geneesheer te raadplegen, maar nooit gaf ik er een mijn rechterhand; de linker is immers voldoende?”

„Voor mij niet, mijn zoon,” hernam de monnik kortaf.

„Gij weet dan meer of minder dan zij allen,” zei Perrol schamper. „Gij zult haar niet zien! Gij weet niet wat gij vraagt. Ha, mijn heelmeester, dien zij in Eemnes vermoord hebben, zou mij voor geen legerwagen met geld om die hand durven vragen! – Hier is mijn linkerhand.”

„Ik wil haar zien,” zei de kellenaar somber.

„Ha, gij wilt!” riep Perrol. „Per moio! kent gij mij niet? Zijt gij zooveel uren in Barneveld geweest, en kent gij de Zwarte Bende en haar hoofdman niet? – Paap, spreek er niet meer over, of......”

„Of......” vroeg de kellenaar, en richtte zich op, toen Perrol het spraakvermogen verloor; maar hij liet het hoofd weer zakken, en zei bedaard: „Heer, voelt gij niet, dat de koorts u heviger aantast! Waarom hoort gij niet naar mij? Ik ben immers hier om u te genezen. Morgen zult gij machteloos zijn; een kind zou u kunnen neerwerpen, en ik dacht, dat Perrol vol kracht wilde wezen. Wilt gij sterven......”

Het bendehoofd zweeg en bedacht zich; zijn oog, dat een oogenblik weer fonkelde, bezag den kellenaar van het hoofd tot de voeten; eindelijk zei hij somber: „Ik ben in uw macht, want ik wil gezond zijn; maar gij vergt, gij waagt veel, monnik! Per moio! dat verlangen heeft meer bloed gekost, dan gij in uw ellendig lichaam hebt. Het gezicht van die hand kan mij genezen, zegt gij; maar het kan u den geschoren kop kosten, verstaat gij!”

„Ja,” hernam de kellernaar, „maar ik wil al het mogelijke voor u doen; ik waag alles om die hand te zien, want het is noodig. Weet gij niet, dat, al wat een geestelijke ziet of hoort, wel zijn oog en oor binnendringt, maar nooit zijn mond verlaat?”

„Maar wij biechten nog niet!” zei Perrol somber. Nog aarzelde hij eenige oogenblikken, en terwijl hij een vloek mompelde, trok hij langzaam den rechterarm onder het dekkleed weg, en legde er hem op neer. „Per moio! zijt gij de satan?” riep hij snel, en trok zijn hand met kracht terug; „Uw vingers branden mij; ’t is alsof uw nagels gloeiend zijn.”

„Het is de koorts, de hitte van de koorts, mijn zoon,” zei de kellenaar. Hij scheen zacht te lachen over de woorden van den gekwetste, en met drift had hij met zijn linkerhand de hand opgenomen en met zijn rechter voelde hij de polsader.

„Gij zijt sterk, Paap,” zei Perrol grimmig, want de kellenaar liet de hand niet los, en het bendehoofd deed eindelijk geen moeite meer om haar terug te trekken. Hij wenschte, het kostte wat het wilde, weer genezen te worden, de zwakte had invloed op zijn oppermachtigen wil; hij was ziek, maar mompelde binnensmonds een vervloeking tegen den man, die hem bijstond, en besloot hem zijn dwang duur betaald te zetten; niemand zag zijn toegeven aan den kellenaar, wien morgen reeds het zwijgen kon worden opgelegd.

„Welk een ongesteldheid is dit?” vroeg de monnik, de hand buiten het bed houdend, zoodat de lichtstralen er op vielen, en hij boog het hoofd voorover. „De nagels zijn mismaakt, het vel is gerimpeld en tezamen getrokken! – De hand is verschrikkelijk leelijk! Zij is rood, Heer!” eindigde hij grijnzend. „Gij lacht? Vervloekte paap!” riep Perrol, die, zijn hoofd oplichtend, de hand terugtrok en nu voor het eerst de oogen van den monnik gewaar werd, die onder de kap fonkelden, en hem vragend aanzagen.

„Neen, Heer! En waarom?” zei de kellenaar vragend, hernam zijn bedaarde houding en vervolgde: „De hand is rood!”

„Dat is zij, Per moio!” riep Perrol; maar hij liet klappertandend het hoofd weer zakken, en hij had de kracht niet om te vervolgen of de hand weer onder het dek te brengen.

„Ha, daarom noemt men u Perrol met de Roode Hand!” zei de kellenaar onverschillig, na lang te hebben gezwegen. „Een schoone bijnaam voor een krijgsman; rood is immers de kleur van het bloed! Er is iets stouts, iets verschrikkelijks in dien naam.” Hij ging naar de tafel, terwijl hij eenige woorden scheen te mompelen en Perrol, die zich bewogen had, alsof men hem in de gewonde zijde had gestooten, zei zacht en somber: „Prevel uw gebeden, paap! Gij doet wijs; het is stout om dien naam te noemen, maar ik heb u nog noodig.”

„Dit zal de koorts doen verdwijnen, Heer,” zei de monnik, toen hij hem weer den drank liet drinken, „gij zult u niet beklagen, mij uw hand te hebben gegeven; zij is wel rood, maar zij is mij even lief, alsof zij leliewit was.

„En zij is misschien krachtiger,” zei Perrol stroef en trok zijn hand terug, terwijl de kellenaar haar nazag, totdat zij onder het dekkleed verdwenen was. „Mijn zoon,” ving de geestelijke aan, en sloeg de armen over elkander, „wij denken nu wel om het lichaam, maar ook uw ziel is krank; denkt gij daar wel aan? Ik ben gereed om u te hooren. Spreek gerust; een waar berouw „Berouw......!” zei het bendehoofd verachtelijk grimlachend, „maar gij kent Perrol niet; ik vergat dat. Ik sterf immers niet; lig ik op het uiterste, dat een paap mij komt lastig vallen? Nu nog niet; morgen!” riep hij, toen de monnik wilde spreken; maar deze liet zich niet afschrikken.

„Heer,” zei deze koel, „verkiest gij, dat ik u verlaat, dat ik uw ruiters ga verzorgen en naar mijn eenzame woning terugkeer!”

„Zijt gij het leven zat, kellenaar?” vroeg Perrol driftig. „Denkt gij mij te verlaten? Vergeet niet, tegen wien gij spreekt, en dat ik genezen moet worden? Vergeet gij mijn knaap? Tweemaal moet ik nog van uw drank drinken.”

„Maar ik alleen kan het mengen,” hernam de kellenaar ijskoud. „Als de ziel verloren moet gaan, kan ik het lichaam niet behouden; ik geef u het leven niet weer, om opnieuw de onschuld te vervolgen.”

„Paap!” riep Perrol en richtte zich bijna op; maar hij viel weer neer, want de kellenaar vervolgde: „Wil ik den knaap roepen, want de martelkroon verschrikt mij niet; wilt gij sterven, Heer......?”

Er heerschte een lange stilte. Het bendehoofd lag onbeweeglijk en de monnik stond als een beeld in het vertrek, met de eene hand onder zijn pij. Vrees voor den dood en lust om te leven kampten in het hart van den ruiteraanvoerder tegen vermetelheid en hoovaardij. Het verwonderde hem, dat de dood hem wachtte, want hij voelde zich niet zoo ziek, maar de geestelijke sprak zoo stellig, de drank was zoo heilzaam, en hij dacht aan den handschoen van Van Nijveld. Het kostte hem echter veel, zich te buigen voor de vordering van den kellenaar, die onverschillig zijn besluit afwachtte; maar niemand zag zijn vernedering, en hij besloot zich te onderwerpen, doch er later wraak over te nemen. Een zucht volgde op een vloek, waarna hij langzaam vroeg: „Weet gij wel, wat het zeggen wil, de biecht van Perrol te hooren?”

„Ja, Heer,” antwoordde de monnik en boog.

„Gij liegt! Per moio! gij liegt, kellenaar!” riep Perrol. „Ha, weet gij dan, dat ik het aantal dergenen, die mijn hand geveld heeft, niet tellen kan? Dat het honderdste gedeelte van mijn daden, welke ik mij nog flauw herinner, u de haren te berge zou doen rijzen; dat het een biecht zou zijn, welke duren kon tot aan den nacht en tot het weer dag werd?” en hij lachte woest en zegevierend; hij beroemde zich op zijn euveldaden; daarom was hij verwonderd, toen de kellenaar niet ontzet terugtrad, maar somber zei: „Ik weet het.”

„Gij liegt als een schelm!” riep Perrol nijdig. „Gij liegt! Gij hebt misschien eenige rabauwen bijgestaan, voordat de strop hen knelde, de biecht gehoord van krijgslieden uit dit land, die bang zijn voor onschuldig bloed en het hunne soms roekeloos wagen voor een goede daad. Ha, morgen zult gij misschien zoo’n edelman bijstaan, indien ik het wil, indien mijn hand niet te driftig is.” Perrol meende te zien, dat de kellenaar naar de tafel trad, en hij lachte vergenoegd, daar hij dacht, dat deze ontsteld was over zijn taal; doch weldra keerde de kellenaar langzaam terug, leit hem drinken, en zei bedaard: „Dit is de derde teug: nu nog maar n maal, en gij zijt gered!”

Toen de beker weggezet was, schikte de kellenaar het kussen terecht. Perrol lag gemakkelijk; hij voelde bij eIken dronk zijn krachten herleven, en de monnik zei bedaard: „Mijn zoon, gij hebt veel gezondigd; maar het berouw kan alles uitwisschen, de bekeering bestaat niet in een lange biecht van euveldaden, maar in een waar berouw. Waarom zou ik u aanhooren? Waarom zoudt gij misschien door zoo lang te spreken, het uzelf voor altijd onmogelijk maken, om door een braaf leven uw zonden te doen vergeten? En vraag wil ik u doen, een oprecht antwoord zal u gelden voor een geheele biecht; wat wilt gij meer?” „Gij prevelt schietgebeden, of gij lacht,” riep Perrol verwonderd, en hij vervolgde grimlachend: „Gij zijt een vreemde priester, maar niet ongemakkelijk, op mijn eer! Gij valt mij niet lastig met al de heiligen van den kalender. Hebt gij misschien vroeger het leger gevolgd en er geleerd, hoe een krijgsman behandeld wil zijn?”

„Neen, Heer, maar nu ter zake: wilt gij mij antwoorden?” vroeg de kellenaar. „Waarom niet?” hernam Perrol wantrouwend; „want gij schijnt kort van stof, maar uw stem bevreemdt mij nog altijd; toen de dappere Tuimelaar u op den geschoren kop sloeg, toen......”

„Toen was ook uw stem sterker en vaster, maar ik ben ziek geweest, en gij zijt het nog!” zei de kellenaar en vervolgde toen langzaam: „Mijn zoon, ik hoor uw biecht. – Waarom hebt gij een roode hand?”

Per moio en den satan!” riep Perrol; hij scheen te beven, en zijn oog schoot vuur. „Nog eens, verdoemde paap! Ha, gij denkt......”

„Dat gij sterven wilt, liever dan te antwoorden,” zei kellenaar ijskoud, en hij vervolgde: „Het is mij wel en toch die ne vraag hadt gij mij slechts te beantwoorden, en gij zoudt leven, en ik zou u vrijspreken, als gij berouw gevoelt.’ „Maar hoe zult gij weten, of ik de waarheid spreek?” vroeg Perrol, na zich eenige oogenblikken te hebben bedacht.

„Ja zeker,” hernam de kellenaar; „maar zou Perrol bevreesd zijn, om de waarheid te zeggen, zoo laf zijn om te liegen? Immers neen! De laatste dronk wacht u, Heer, verzuim geen tijd, en morgen zult gij tegen den dappersten kunnen kampen!”

Weer bedacht zich het bendehoofd. Zijn gelaat verried beurtelings nijd en toom; zijn blik rustte dreigend op den kellenaar, die roerloos voor het rustbed stond. Eindelijk besloot hij te spreken en zei: „Gij zijt een kundig geneesheer, op mijn eer, maar ook een goed biechtvader: gij weet de juiste plaats te vinden, welke gewond is; ook ik weet juist de plaats te vinden, waar men de wonde moet slaan. Denkt gij, dat ik aan een paap niet durf zeggen, wat ik nog aan geen mensch verhaald heb? – Weet gij, wat gij waagt met mij aan te hooren? Het is jaren, vele jaren geleden: – Walson was reeds bij mij; gij hebt hem niet gekend; hij is nu dood, dr in Eemnes. Hij was mijn luitenant, – gij knikt met het hoofd? Gij weet het dus? – Welnu, hij had behagen in een vrouw, die ik bij mij had. Zij was schoon geweest in mijn oog; ik had mij vroeger verbeeld, dat ik haar beminde, – later zag ik het beter in; zij was mijn liefde niet waard, zij was een landloopster! Maar Ganita – zoo heette zij – was nog jong, en Walson had het oog op haar; hij wist dat ik haar verachtte. – Bemint gij de vrouwen? Ha, gij herinnert u de een of andere biechteling. Arme boeren......! De eerwaarde kellenaar siddert onder de pij, maar wordt niet verliefd op Ganita, mijn vader! Het is ook te laat, en zij was een vervloekte heidin! Maar zij bracht mij een bruidschat mee, ha, ha, zonder het te weten, en zij weende – ja, ik geloof, dat zij weende – toen ik het haar later zei. Mijn ruiters noemden haar de Moeder van de Zwarte Bende, maar zij was mijn duivel, want zij had mij lief, en zij was mij te veel. Ik vertrapte haar en sloeg haar, maar zij keerde terug, als de hond naar zijn meester. Was zij maar weggegaan – doch zij bleef en verzorgde mij; zij was gek op mij...... Ik zette haar eens op het spel tegen Walson, en hij won; nooit wierp ik met meer vreugde zoo weinig oogen; maar zij wilde hem niet volgen en verstond geen rede; later gaf hij mij nog een paard op den koop toe; hij was verliefd, eerwaarde Heer......! De ruil heeft mijn leven en menigeen den dood verbitterd. – Maar gij wordt ongeduldig, ha, ha! – Per moio! mijn bende was gelegerd in een vervallen abdij – Valbni, dien naam vergeet ik nooit – ik dronk met mijn luitenant, ik was toen nog een vereerder van Bacchus, kellenaar, en hij eischte Ganita, die hij gewonnen had, en sprak van zijn paard; maar hij wist, dat ik haar verachtte, anders...... Per moio! Walson zou niets gevraagd hebben, dat mij iets waard was; hij kende Perrol. – Ik zelf wilde hem genoegen doen... Ha, dat was een paard om een heidin, hier een paard tegen een onnoozele deern. Walson Ganita en Van Middachten zijn dood, ha, ha! Twijfelt gij er aan, eerwaarde Heer? – maar Maria leeft nog; doch hoe lang – weet gij het......?”

Perrol zweeg; nu en dan alleen had de kellenaar zijn bevreemding laten merken; het bendehoofd sprak nu eens luid, dan zacht; drift en spotternij beheerschten hem beurtelings; maar nu hij eens begonnen was, scheen hij geen weerzin te gevoelen, om die lang vervlogen oogenblikken te gedenken.

„Gij schijnt niet verbaasd,” zei hij, na gerust te hebben. „Ik geloof, dat gij mijn geheele biecht zoudt kunnen hooren, zonder mij te verlaten; ha, ha! Ik en Walson zaten in een onderaardsche kapel, de stichter van Valbni lag er misschien begraven, – een arduinsteenen grafgesteente – een ridder en een vrouw lagen er op, zonder handen en voeten; ik meen, dat de vrome heer zijn neus, de edele vrouw haar hoofd verloren had; ha, ha! De oorlog was over Valbni heengegaan. Ik haalde Ganita maar de vervloekte heidin verstond geen rede...... en toen zij zag, dat het ons ernst was, wilde zij zich om het leven brengen; – zoo zijn de vrouwen, kellenaar! – Zij dacht er zoo af te komen, en Walson bereed in gedachten weer zijn paard; maar Perrol dacht anders; ik leverde haar immers, en hij had niets te vorderen; doch zij moest weten, dat zij mij niet gehoorzaamd had...... Ik was driftig in dien tijd, en ik had veel gedronken...... Toen lag zij gebonden – tusschen den edelen ridder en de edele vrouw lag de heidin; de beelden waren ijskoud en vochtig; – zij was warm; maar zij moest nog warmer worden. Ha, ha...... zelfs mijn edele Brit werd als bezeten, want zij verwierp nog zijn liefde en al wat hij haar voorsloeg, zij beleedigde hem, zij verweet hem zijn leelijkheid; ha, ha, en hij trok den dolk en toch, zij had gelijk, – is het niet zoo? Wij zijn van n gevoelen, gij hebt hem gekend; waar, zou ik vragen, maar......”

„Dat zou te lang zijn,” zei de kellenaar somber.

„Juist, eerwaarde,” hernam Perrol grimlachend, „en ik vervolg. Ik hield den arm van mijn luitenant vast. – Gij zijt verwonderd......? Hij was gek en dronken, en hij wilde zich armzalig wreken. Had ik hem maar laten begaan, Per moio! dan...... Ik herinnerde mij, dat zij zich steeds bewogen had getoond, als mijn ruiters de schildpad lieten spreken, dat is, op een zeer eigenaardige wijze een paap of edelman, een burger of boer noodzaakten om de waarheid te zeggen; ik wilde weten of zij mij inderdaad liefhad! Ha, en nu was Walson verheugd, dat ik zijn dolk had teruggehouden...... Een vreemd schouwspel! – Gij hadt in de kapel moeten zijn, die laag en somber was; het rugstuk van een harnas lag op Ganita, en op het ijzer brandde het hout...... Gij ijst, eerwaarde Heer, gij wilde immers weten van de Roode Hand; – wat prevelt gij? Ik ben mijnheer satan niet......! De vlam verlichtte het gewelf; een roode gloed viel op het zwarte gelaat van het beeld der vrouw; neen, van den ridder, – het zag strak en onbeweeglijk naar boven en het lag stil; maar Ganita bewoog; zij wilde de beelden ter zijde schuiven, maar dat kon niet...... hadt gij haar gelaat gezien, die oogen! – Ik geloof, dat Walson niet meer lachte...... Vreeselijk, niet waar! Maar waarom verzette zij zich? Ha, soms is het, alsof ik haar nog hoor gillen. – De deur was dicht, maar het klonk door het gewelf en getralied luchtgat naar buiten...... Walson gevoelde medelijden, toen de schildpad sprak, en trok den dolk; maar hij durfde niet toestooten, en liep weg. – De deur was open geweest, en haar geschreeuw verveelde mij, want het was niet uit medelijden...... Per moio! dat het mij juist toen treffen moest! Zij lag tusschen de beelden in; het vuur dat haar verschroeide, beveiligde haar voor mijn wapen: – zelden stiet ik mis in mijn leven; ha, dat het mij toen gebeuren moest, dat is te zeggen, ik sneed met mijn dolk een der touwen af, hoewel ik haar raakte...... Ha, als ik er aan denk, waarom liet ik haar niet braden, al was het tien dagen...... een eeuwigheid geweest! – De vervloekte heidin greep mijn hand; het was alsof haar rollend oog mij verbijsterde; haar sterkte was die van een gevleesden duivel; zij trok mijn hand met onweerstaanbaar geweld naar het vuur, dat op haar borst brandde; zij zelf scheen het vuur niet te voelen; zij roerde mijn hand door het vuur, en lachte schaterend...... Eindelijk gaven de wanhoop en de smart mij krachten, of de hare verminderden; ik trok mijn hand terug, maar mijn dolkmes bleef achter in de vlam...... ha, dat was de Roode Hand......!” „Stil!” riep de kellenaar, die het hoofd snel omgewend had, en Perrol vroeg onverschillig: „Wat wilt gij?” Hij zag somber over zijn dekkleed naar het voeteinde en scheen in gedachten verdiept; hij verbeeldde zich in de grafkapel te zijn; doch toen de monnik ten antwoord gaf: „Uw knaap is daar,” hief Perrol het hoofd op en vroeg barsch: „Vidal, gij hier?”

„Messire,” zei de knaap bevreesd, – hij stond met de deur in de hand en wist niet of hij blijven of gaan moest – ik hoorde uw stem...... en ik trad binnen.” „Gij zijt dus ook nieuwsgierig!” riep Perrol nijdig. „Ga voor ditmaal nog, maar zoo u de lust weer bekruipt om te komen, zonder dat ik u roep, dan zal ik u vinden; gij kent mij – ga......!” schreeuwde hij driftig, en de trouwe knaap verwijderde zich; het bendehoofd telde zijn bezorgdheid niet.

„Hij zal niet meer terugkomen,” zei Perrol grimlachend, toen zij weer alleen waren. „Gij weet nu, eerwaarde vader, waarom mijn hand rood is; maar ik wil u nog meer zeggen; gij zo zult denken, dat Perrol de vuurproef had doorstaan zonder wraak te nemen; luister! Ik trok mijn hand terug, maar het is waar, dat heb ik u reeds gezegd. Welnu, Walson was genaderd op den schreeuw, dien ik gegeven had, en stond verbaasd; maar ik niet, Per moio! ik moest mij op de heidin wreken – de heidenen branden eeuwig, niet waar, monnik? – Zij scheen het vuur lief te hebben; ha, ik wilde het wel...... Walson hielp mij, en ik voelde geen pijn meer aan mijn hand, ik dacht alleen aan haar. Ha, gij hadt dat hooi en stroo, dat hout moeten zien, dat wij op en om haar wierpen, en in den brand staken; nooit hebt gij zulk gillen gehoord. Zij was razend geworden; maar toen wij de steenen deur dicht wierpen, die de verwoesters van de abdij wel hadden kunnen openen, doch niet vernielen, hoorden wij haar niet meer...... Ik was verlost van Ganita, en zij viel mij niet meer lastig, ha, ha! Zij brandde; – maar mijn hand was rood......”

„Gij schijnt verslagen, kellenaar, maar gij wilde immers, dat ik sprak; laat den kop niet hangen om een heidin, die men verbrandt. Is het geen goed werk, zeg...... Hebt gij nooit een ketter of moor ten vure verdoemd, zeg? Of verliet gij nooit dit land, waar de menschen geen driften hebben? En uw tongval zou mij het toch doen denken...... h! Liet gij zelf nooit een tooverkol verbranden, eerwaarde Heer? Maar hoe kan ik zoo vragen: de heksen verschaffen geld aan uw klooster, gij drijft den boozen geest niet uit; Perrol zal het voor u doen, morgen, overmorgen of wat later; ik zal het doen, ha, ha!”

„Ik wil het wel, Heer!” zei de kellenaar somber; „maar het vuur brandt; draag zorg voor de Roode Hand! Zij heeft niet veel vuur meer noodig.”

„Paap!” riep Perrol driftig; maar hij vervolgde grimlachend: „Ik heb een monnik onder mijn bende: maar hij heeft de pij weggeworpen; hij zal met haar spreken, en verbrandt hij mee, dan zal satan lachen, en ik ook...... Gij ziet, ik laat mij niet nooden om te spreken, nu ik eens begonnen ben. Gij lacht ook, vader, gij zijt vroolijker dan ik dacht. Ha, ha, dacht gij wellicht, dat ik niet durfde spreken? Perrol bang voor een monnik......! Wilt gij weten, wie mij den bijnaam gaf? Het was een vrouwv O, een edele vrouw; zij was schoon, en beviel mij, zij toonde zich mij genegen, maar toen zij mijn hand gezien had, versmaadde zij mij; zij voelde geen liefde voor Perrol met de Roode Hand. Per moio! dat waren haar woorden...... Zij herhaalde de woorden aan haar heer, den man, dien zij zou hebben bedrogen, als mijn hand wit geweest was, zij verhief haar deugd, die niet bestond, ten koste van mij......! Haar dwaze echtgenoot was trotsch op zijn vrouw; hij wilde zich wreken. Terwijl de wijn met volle schalen gedronken werd, toen alles wat voornaam en edel was, aanzat, greep hij het oogenblik aan, dat het snarenspel en de zang zwegen, noemde den vervloekten bijnaam, en wenschte mij er met de schaal in de hand geluk mee; ha, ha, als ik daar aan denk...... Hij was de eerste, wien die naam het leven kostte; de laatste, het was ook bij een maaltijd, was Van Baerbergh. Maar gij leeft nog en hebt haar gezien; zijt gij nu voldaan, eerwaarde Heer,” vroeg Perrol en zweeg, terwijl zijn duistere blik op den monnik gericht bleef. „Ja, Heer,” antwoordde deze bedaard, „gij hebt niets verzwegen, het is ook goed; maar hebt gij nooit meer iets van die Ganita vernomen, die u zoo trouw beminde?”

„Gij wilt nog meer weten?” riep Perrol driftig, waarna hij onverschillig zei:

„Gij zijt lastig...... Neen, niets meer; Walson bezocht langen tijd daarna nog eens de bouwvallen van Valbni, of liever Valmaudit; ha, ha, maar de deur scheen nog niet geopend te zijn. Het harnas, door het vuur en de roest verteerd, lag nog op de beelden; doch het vuur had het wijf geheel verteerd, of de tijd had de beenderen in stof doen verkeeren...... Per moio! nu niets meer!” riep hij, toen de kellenaar het hoofd oplichtte en scheen te willen spreken.

Deze zweeg, trad naar de tafel, vulde den beker en liet Perrol weer drinken. „Het spreken zou vermoeien,” zei hij, „dit is de laatste keer, dat gij behoeft te drinken.”

„Vermoeien! Neen,” zei Perrol; „ik ben nu weer sterk. Maar waarom denkt gij mij niet meer van den drank te geven; zou het niet goed zijn?” De kellenaar schudde het hoofd, en Perrol vervolgde, nadat hij gedronken had: „Zoo, nu, gij moet het weten, mijn krachten keeren ook reeds weer terug.”

„Het verheugt mij,” zei de monnik; „maar zeg mij nu ook, mijn zoon, of gij berouw gevoelt over uw zonde?”

„Berouw? Ja, ik heb berouw!” riep het bendehoofd, en toen de monnik den geledigden beker op het dekkleed liet vallen, vervolgde hij spottend: „Gij zijt onsteld, verwondert het u? Per moio! ik lieg niet; ik heb berouw, dat ik dat wijf, dat mijn hand geteekend heeft, niet vroeger heb doen martelen, totdat zij het leven uitblies.”

„Ha!” riep de monnik en lachend zei Perrol: „Zijt gij tevreden, of versta ik u niet? Ha, ha, hebt gij een ander berouw van mij verwacht......?”

„Mijn zoon,” antwoordde de kellenaar ijskoud: „ik heb uw biecht gehoord; ik voel, dat elke daad van u een geheel leven boetedoening noodig zou hebben, om uitgewischt te kunnen worden; maar ik wil niet streng zijn; toon berouw, en ik spreek u vrij......”

Perrol bedwong zijn lach en zei ernstig: „Hebt gij mij niet gezegd, dat ik geen drank meer behoef, dat ik morgen gezond zou zijn, dat mijn wonde mij niet veehinderen zou om......”

„Dat heb ik gezegd,” zei de kellenaar schielijk.

„Maar kan ik u vertrouwen, spreekt gij de waarheid?” vroeg Perrol.

„Zoo waar ik leef, bij alles wat een geestelijke vereert, zweer ik u, dat het waarheid is, dat het zoo zijn zal,” zei de monnik plechtig; en toen Perrol tevreden scheen, en zijn hoofd gerust neerlegde, vervolgde hij koel: „De vlammen, die de heidin omringen, het vuur dat uw hand verschroeide, zal gelijk zijn aan een zoelen zomerwind, in vergelijking met het eeuwige vuur; haar gekerm zal een zachte welluidende muziek zijn bij het geklapper van uw tanden, als gij u niet bckeert.”

„Gij spreekt dichterlijk, en uw stem is koud; zij is als de lava, die over de eeuwigdurende sneeuw loopt,” zei Perrol glimlachend; „maar ik ben nu sterk, zal morgen gezond zijn en heb geen priester noodig.”

„En woord slechts, mijn zoon!” riep de kellenaar, „en ik spreek u vrij. O, bedenk eens, wat gij gevoelen zoudt, als gij mij liet gaan en de dood u verrastte; als Ganita u wachtte dr, waar alles brandt, of u hier kwam opzoeken.” „Hebt gij mij dan bedrogen?” vroeg Perrol; „maar gij schudt met het hoofd; neen, ik voel, dat uw drank mij mijn krachten hergeeft; – ik was ook niet stervend, doch alleen zwak. Ga, eerwaarde Heer, en kom morgen uw belooning halen,” zei hij spottend, „ik zal u den biechtpenning en den drank tegelijk betalen; ik verwerp uw vergeving, en lach er mee. Perrol heeft den paap bedrogen, en de tijd is nog ver af, dat hij zich bekeeren zal;” en toen hij zag, dat de kellenaar staan bleef, riep hij driftig: „Uit mijn oog, domme priester, ik wil u niet meer zien! Zoo gij blijven wilt, Per moio! laat mijn gordijn vallen; ik wil rust hebbcn.”

„Gij zult aan mij denken, heer,” zei de kellenaar somber, nam den beker weg en liet een gordijn vallen. Perrol werd getroffen door den toon van zijn stem; maar toen het tweede gordijn ook gevallen was, hoorde men het bendehoofd hoonend lachen, terwijl de monnik naar de tafel trad, waarop de geneesmiddelen stonden. Hij roerde, in gedachten verzonken, een kooksel om, dat in een zilveren schaal op het vuur stond, blies de houtskool aan en bleef roerloos staan. Perrol verlangde naar rust en sluimerde in: de Roode Hand, de kellenaar, Van Nijveld en Maria hielden hem niet wakker; een verkwikkende slaap sloot zijn oogen.

Het duurde geruimen tijd, voordat hij weer wakker werd. Hij wist niet, hoelang hij geslapen had; ook niet of eenig gerucht of de droogte van zijn mond hem had doen ontwaken; hij luisterde, maar alles was doodstil in het vertrek; alleen verbeeldde hij zich flauw een verwijderd gerucht te hooren; het waren de paarden, die in den stal met hun hoefijzers op den grond sloegen.

„Kellenaar, zijt gij daar nog?” vroeg hij, doch hij kreeg geen antwoord. Hij wendde het hoofd om, maar het laken der gordijnen liet hem niet toe te zien, of er iemand! tegen het licht stond. Hij wilde nu Vidal roepen; maar hij verbeeldde zich, dat men op de tafel iets verzette, en vroeg nogmaals, maar ongeduldig: „Zijt gij daar, paap? Ik heb dorst, laat mij nog eens van dien drank drinken!” Maar de kellenaar antwoordde hem niet; toch hoorde hij, dat men het rustbed naderde, en hij bedroog zich niet: tusschen de opening der gordijnen door, stak men hem den beker toe. Hij richtte zich gedeeltelijk op, vatte hem aan, en dronk gretig; maar toen hij den beker even van den mond nam, trok hij zijn lippen samen; de kracht van het kaneel werd overwonnen door een bitteren smaak, die aan den drank was. „Per moio! wat geeft gij mij, ellendeling!” riep hij driftig, en wierp den beker weg, want zijn keel brandde; doch niemand opende de gordijnen of antwoordde; maar hij hoorde lachen.

„Ha, gij lacht, paap!” riep hij, zich oprichtend. Hij haalde de Roode Hand onder het dek vandaan, dat door den drank, die in den beker gebleven was, bevochtigd was, en scheurde de gordijnen open; maar hij viel weer neer, terwijl hij met schrik uitriep: „Gij hier? – Heks, wat wilt gij?”

„Ik wil u waarzeggen, Heer,” zei zij grijnzend, zag hem aan, en trok het gordijn ter zijde. De kap bedekte haar gelaat slechts ten halve, en de zwarte haren, welke met grijze doormengd waren, hingen op haar borst.

„Wijf,” zei Perrol, die zijn oogen had dichtgeknepen, maar ze nu weer opende:

„Ha, die stem? – Hebt gij mij dien beker toegereikt?” „Ja, Heer,” was het antwoord.

„Ha, gij hebt bediend,” vervolgde Perrol driftig! „Kellenaar, waarom staat gij het toe? Nader, luie paap, of ik zal u laten straffen.” Doch toen niemand hem antwoordde en de heks lachte, vroeg hij ongerust: „Wijf, waar is de monnik?” „Gij hadt mijn hulp noodig, Heer! Ik wist het wel,” antwoordde zij spottend. „Ik zag uit den hof in deze kamer, en toen de monnik ze door de deur verlaten had, kwam ik door het venster binnen, en kookte dezen drank......”

„Gij!” riep Perrol huiverend.

„Ja, ik, Heer,” vervolgde zij koel. „De heks van de Hunnenschans gaf hem in – Perrol dronk hem. – Ha, ha!”

Het bendehoofd sidderde. Nu eerst voelde hij, dat de drank in zijn maag brandde, en het spreken hem moeilijk viel! Het wijf verontrustte hem, en hij verzamelde al zijn krachten om zijn knaap te roepen. „Vidal!” wilde hij roepen; maar reeds bij de eerste lettergreep schoot de heks op hem toe, en zei grimmig: „Zoo haastig niet, Heer,” en vatte hem bij de keel.

„Los!” brulde Perrol, en haalde ook de Roode Hand te voorschijn; hij vatte haar bij het haar, toen hij vruchteloos de hand trachtte los te rukken, die hem bijna worgde. „Werkt de drank nog niet?” zei zij wild lachend. „Kunt gij nog roepen? Hij moest u rust bezorgen, totdat hij u opwekt.”

Het bendehoofd liet machteloos de handen vallen, die langs de loshangende haren afgleden, de heks scheen geen gevoel te hebben; zij trok ook haar hand terug, en haalde weer adem; maar hij kon niet spreken, en zijn blik rustte met bloeddorstigen haat op het wijf, dat spottend lachte en hem aanzag. Hij zag in dat hij aan de heks was overgeleverd, dat zij sterker was dan hij, dat alleen bedaard overleg hem van het zinnelooze wijf verlossen kon; want zijn stem had geen kracht meer om den knaap te roepen. „Vidal, waar zijt gij?” dacht hij. O, kom toch, uw meester heeft uw bijstand noodig.” Hij vervloekte den kellenaar, die hem verlaten had, dien hij zelf had weggezonden! Alles zou hij nu hebben willen geven om hem hij zich te zien.

„Heeft de minnedrank u goed gediend?” vroeg de heks spottend. „Heeft zij gedronken? Zijt gij gelukkig geweest met Maria? – De schoone Maria! Moet ik ook nog kruiden koken voor den heer, dien gij bedoeldet, of is het misschien al te laat voor hem? Ha, gij moogt wel spreken, maar zacht. Gij zijt lang weggebleven, Heer, daarom ben ik gekomen; een minnedrank moest Perrol aan de heks verbinden; gij hebt hem nu gedronken. Gij huivert, ha, ha! Dien nacht in de Hunnenschans waart gij zoo ongeduldig, zoo trotsch – gij begint aan mij te gewennen!”

Perrol overwon den afkeer, dien hij voelde; hij overwon zijn angst en deed zich geweld aan om te spreken, hoewel zijn keel als dichtgeknepen werd; zijn ingewandden brandden, en hij zei zacht: „Ik dacht, dat gij kwaamt om mijn lot te voorspellen; ik wil het gaarne, wijze vrouw, haast u, en mijn knaap zal u veel goud geven.”

„Veel goud?” zei zij woest lachend. „Ik wil het ook wel, Heer! Geef mij de hand, de Roode Hand! Nu, trek haar niet terug! In de Hunnenschans wildet gij haar niet geven, maar toen was het nacht, nu schijnt de zon, ha, ha!” Zij nam zijn hand op, en zag er in; zij volgde met haar dorre vingers de naden in het vel, de roode en zwarte vlekken, die er in waren, en zei koel: „Gij zult leven, Heer!”

„Leven......?” riep Perrol, en zijn gelaat verried, dat haar voorspelling hem verheugde. Toen vervolgde zij somber: „Ja, leven, totdat de nacht valt; maar ook niet langer.”

„Wijf, vervloekte heks, gij liegt,” brulde hij. „Roep mijn knaap, en ik laat u het leven; doet gij het niet, dan moge de satan u bijstaan, want uw lot zal verschrikkelijk zijn.” Maar de heks lachte verachtelijk, sprong en draaide voor zijn bed heen en weer, hoewel mij bijna het geluid van haar sprongen niet hooren kon. „Wilt gij, Heer, dat ik verhalen zal wat er gebeurd is? Want gij gelooft mij niet? Gij zegt niets? Luister! Die hand,” zei zij, en zij sloeg op zijn rechterhand, „dat is de Roode Hand; maar zij was nog niet rood, toen gij de muren van Valbni binnentradt! – Ha, gelooft gij mij nu?”

Perrol zag verwilderd op; smart en vertwijfeling pijnigden hem; maar hij zei ongeloovig: „Gij liegt! Wat gij daar zegt, hebt gij gehoord, afgeluisterd, toen ik met den monnik sprak. – Kellenaar, vader, waar zijt gij?” en hij zag door de kamer, maar trachtte vruchteloos zich te vervoeren.

„Zal ik het u zeggen?” riep de heks. „Maar gij zoudt mij niet gelooven, doch ik zal u iets anders zeggen, om u te overtuigen van mijn kunst. Zeg, waar is Ganita? Waar is zij?”

Perrol antwoordde niet, maar toen zij hem bij de hand trok, en die schudde, zei hij zacht: „Dood, in de hel, daar wacht zij u...... zij is verbrand......” en hij grimlachte.

„Gij liegt!” riep de heks grijnzend. „Perrol met de Roode Hand liegt! Toen die steenen deur gesloten werd, nam zij uw dolk op en sneed haar banden los. Zij, die het klooster hadden vernield, hadden de dooden niet met rust gelaten; het achterste gedeelte van het grafgesteente was verbrijzeld; en zij kroop in den grafkelder, waar zij veilig was voor het vuur. Den volgenden nacht verliet zij Valbni!”

„Gij liegt, heks,” zei hij en bedacht zich. Gij wilt mij verontrusten, mij martelen. Neen! Perrol heeft zich wel gewroken; uw leugen is goed gevonden, maar ik doorzie haar. Ganita kan – zij mag niet leven!”

„Ha, ha!” lachte het wijf, en daarna zei zij grimmig: „Gelooft gij nog niet aan mijn macht, dappere Heer? Wilt gij bewijzen hebben? Vraag...... maar gij zijt te ellendig om te vragen. Zie, Heer, hebt gij kennis aan dit wapen?” riep zij, en haalde een langen dolk onder haar rok te voorschijn, dien zij voor zijn gelaat hield. „Zou die niet passen in de hand, welke hem losliet, toen zij rood begon te worden? Ha, ha! Het vuur heeft het staal blauw gemaakt; maar bezie den knop. Dat zwaard! – Die letters – Je le tiens haut, Heer! Is dat uw spreuk niet......?

„Wie zijt gij......? Zijt gij satan......?” riep Perrol terugdeinzend; want hij herkende den dolk; zijn blik was wild, zijn tanden klapperden; al dichter en dichter bij kwam het wapen, en hij zei zacht: „Laat mij dien dolk zien!”

„Ha, gij zijt sterk!” riep de heks; „maar ik ben nog sterker. Los! Wilt gij de Roode Hand beschadigen, ha, ha!” Vruchteloos trachtte het bendehoofd het wapen aan haar handen te ontwringen; hij liet den arm vallen, en riep: „Vidal, waar zijt gij? Nader of ik laat u straffen.” Maar zijn stem was nauwelijks hoorbaar, en de heks lachte.

Een geruime poos duurde het, toen zij het wapen weer verborgen had, eer hij den moed had om haar aan te spreken; hij wist geen raad om zich van het razende wijf te ontslaan, dat zoo sterk was als een leeuw. De dolk, hoe kwam zij er aan? Vergeefs trachtte hij het te raden... hij sidderde en moest gelooven, dat zij meer was dan een mensch; hij vroeg langzaam en teneergeslagen: „Wat wilt gij dan......?

„U kussen, voordat gij sterft!” – zei zij somber. „Nu, wend het gelaat niet af, gij hebt immers den drank gedronken, die u aan mij verbindt! Zijt gij bevreesd, Hcer? Is de machtige Perrol bevreesd? Heeft hij geen bende meer? Heeft hij geen knapen, die hem dienen? Laat den marsch blazen ter eere van uw bruid! De heks is niet jong en schoon, maar zij is machtiger dan Perrol met de Roode Hand. – Ik zal u den laatsten kus geven...... is mijn bruidskleed niet fraai? – Mijn Perrol!” riep zij woest lachend. Toen viel zij plotseling op hem, zoodat zijn wonde hem deed steunen; zij lag op zijn armen en kuste hem......

Hij brulde, trapte en trok zijn armen onder haar vandaan; tevergeefs echter greep hij haar bij haar kap, die van haar hoofd gleed; tevergeefs greep hij haar bij de haren; hij kon dat hoofd niet verwijderen, dat het zijne bijna aanraakte. Hij zag die dorre handen, die armen, die even leelijk waren als zijn hand; het waren dezelfde rimpels en vlekken. Hij hield die lange, verwarde, maar weelderige haren vast, waardoor enkele grijze haren liepen; hij bezag dien mond, den krommen neus, den vorm van het afzichtelijke gelaat, de wenkbrauwen en de groote zwarte oogen, die woest en vurig schitterden; zijn verwilderde blik zag dit alles, en toen door het opengevallen kleed, op de borst! ’t Was niet anders dan n enkel verschrikkelijk litteeken! Zijn lippen bewogen zich krampachtig, en toen zij vroeg: „Welnu, mijn Perrol, wat zegt gij van uw bruid......?” riep hij verschrikt: „Ganita!” zijn oogen sloten zich, zijn handen vielen machteloos neer. Zij lachte duivels.

De vrouw, wier liefde, wier genegenheid den booswicht tot een last was geworden, toen zijn driften voldaan waren; de vrouw, die hij als een dood stuk geld verspeeld, en zijn waardigen luitenant toegeworpen, die hij vertrapt, beschimpt, gemarteld en vermoord had, stond voor hem; – zij was aan den dood ontsnapt. Als een wrekende engel stond zij daar, op hetzelfde oogenblik, dat hij meende den dood te ontsnappen. Zij bezag met somberen ernst zijn gelaat, en haar woest gelach zweeg; dr lag de man, dien zij bemind had; hij was in haar macht; wat hielpen hem al zijn ruiters en wapenen? Wat was er over van dien geweldenaar, die vertrouwde op zijn geluksster, die bij Westbroek gedaald was, en in Barneveld moest ondergaan?

„Hij is nog schoon......!” zei zij zacht; haar driften schenen bedaard, en zij boog zich voorover; maar zij viel nu niet op hem neer, als een tijger op het lam: zacht raakten haar lippen zijn voorhoofd. Hij opende de oogen en deinsde terug; de kus hergaf hem zijn bewustzijn; doch zij bemerkte, naar het scheen, zijn schrik en afschuw niet, en zei treurig: „Herinnert gij u, Perrol, dat ik u zoo gewekt heb na den eersten nacht, dien ik in uw legerplaats doorbracht?” Hij zweeg, maar hield zijn oog op haar gericht. O, hij had zich niet bedrogen; zij was het, en hij trachtte te ontdekken, wat er in haar omging.

Het was een laatste herinnering, die in haar opwelde, een laatste gedachtenis van liefde; maar toen hij moed vatte en wilde spreken en zei: „Ik herinner het mij, Ganita......,” verdween de zwaarmoedige trek op haar gelaat en zij vervolgde ernstig: „Waarom verstiet gij mij dan? Want ik beminde u. Gij hebt hen laten vermoorden, die mij verpleegden; maar heb ik het u verweten? Neen immers. Al waren het mijn ouders geweest, Perrol, ik had u zelfs vergeven, want ik beminde u. Ganita kende toen niets anders dan de liefde, de wraak kende zijn niet. Maar nu......,” riep zij woest, en zweeg, terwijl zij de dorre hand boven hem uitstrekte.

Hij sidderde en kon niet spreken. Toen vervolgde zij: „Diende ik u niet, zelfs toen uw liefde vervlogen was? Diende ik niet als een slavin die vrouwen, welke gij in mijn bijzijn liefkoosdet, die mij mishandelden, die mij verguisden, en die u niet beminden, zooals ik? Klaagde ik? Morde ik? Neen immers. Waarom hebt gij mij vermoord? Ik was immers tevreden uw slavin te zijn; ik verlangde niets anders dan u te mogen zien, dan u te mogen liefhebben; uw liefkoozingen waren voor haar, de vernederingen voor mij; maar ik klaagde niet, Perrol! Waarom hebt gij mij vermoord? Waarom hebt gij mij aan Walson overgeleverd, aan dat monster? Waarom waart gij zelfs wreeder dan hij......?”

De droevige toon van haar stem roerde hem niet; zijn geweten sprak niet; het berouw sloop niet in zijn hart binnen, maar wel de hoop, zich uit haar handen te redden, wel de wraakzucht; zijn vrees begon te verminderen, zij was geen heks meer, slechts een vrouw, waarover hij steeds geheerscht had – en hij besloot te veinzen.

„Ganita,” zei hij zacht, „het verheugt mij dat gij leeft; gij zult den man niet laten sterven, dien gij zoozoer bemind hebt, dien gij nog bemint, die alles weer goed kan maken door herouw en liefde. Welke drank was dat? O, bereid er een, die mij van dc folteringen verlost! Ganita, red mij, ben ik niet die Perrol, dien gij zoo liefhadt......”?

Maar zijn woorden schenen geen anderen invloed op haar uit te oefenen, dan de woestheid weer te doen zegevieren op het zachte en droevige gevoel, dat haar beheerscht had, en zij riep: „Perrol moet mij smeeken! Ha, dat schenkt mij vreugde. Ganita, die hij vermoordde, de heks, die hij den dood zwoer, moet hij bidden om te leven, en – voor niet!” riep zij wild lachend, toen werd haar stem koud en ernstig, en zij vervolgde: „Ik moet nog meer zeggen, voordat ik ga, voordat ik u laat sterven als een hond. Toen ik het klooster verliet, waar ik de laatste blijken van uw liefde ontvangen had, was ik niet schoon meer, en mijn verstand was bezweken voor de vuurproef; toen ik in den vochtigen grafkelder in het leven terugkeerde, was ik razend: ik had Perrol en mijn liefde vergeten. O, anders hadt gij mij al eerder gezien. Zwervende heidenen namen mij hij den weg op, en hielden mij in ’t leven; maar de sporen van het vuur bleven, gij kunt het zien…… Onder hen nam ik de gewoonte van mijn jeugd weer aan, en zwierf met hen rond; flauw herinner ik het mij; somtijds verliet ik de eene bende, om naar de andere over te gaan, of ik zwierf alleen. Eindelijk bracht mij het toeval aan de Hunnenschans; ik herinnerde mij, dat mijn moeder mij van zulke aardhoopen verhaald had, die in de landen lagen, waar de zon opgaat en ik bleef er; het was alsof ik de graven, de woning van het volk, waarvan ik afstamde teruggevonden had. Men noemde mij de heks van de Hunnenschans; ik was gek en razend; ieder vreesde mij. Maar gij – gij hebt mij het verstand teruggegeven; toen ik uw stem hoorde, keerde alles in mijn gedachten terug, wat vr mijn ongeluk was voorgevallen; ik herkende u, en die herkenning bezielde mij niet wraakzucht. Mijn drank heeft u slecht gediend, en dat moest uw eerste straf zijn…… naderhand zwierf ik in uw buurt rond. Ik was het, die den ruiter berichtte, waar hij Maria in Utrecht vinden zou; doch ik zocht u tevergeefs in Eemnes. De losbarstingen van de bussen wekten mij gisteren in de Hunnenschans; het geluid rolde over de heide en over het meer, en ik ben gekomen om mij te wreken: gij hebt vergif gedronken, – gij moet sterven……!” riep zij, en stiet hem met den vinger op de borst.

Het bendehoofd had haar aangehoord, terwijl zijn strakke blik op haar gericht bleef. Hij ving haar woorden met stomme verbazing op; van tijd tot tijd steunde hij zacht, bewoog zich en drukte de handen op de borst, waarin het vergif werkte; haar laatste uitroep deed hem huiveren en kermen en hij zei smeekend: „Wilt gij dan niet, dat Perrol u weer bemint? O, Ganita, bereid een anderen drank – neem dat vergif uit mijn ingewanden weg.” Maar zij schudde het hoofd en lachte hoonend. „Ganita……!” riep hij, „alles wil ik doen, maar laat mij leven; Perrol zal u dienen; – o, verwerp die wraak, denk om het eeuwige vuur, dat u wacht!”

Haar woest gelach verhinderde hem verder te gaan. „Uw smeeken is tevergeefs!” riep zij spottend, „de moeder van de Zwarte Bende is zonder genade, evenals Perrol geweest is; bij u leerde ik, hoe men zich wreken moet; bij u vergat ik den godsdienst, dien mijn meesteres mij had laten leeren, maar nu zijn de goden van mijn voorouders weer de mijne. Bodda wacht mij, ha, ha! Maar gij zijt een Christen, een vrome monnik heeft u bijgestaan, ha, ha! Waarom vreest gij voor den dood? U wacht het eeuwige leven!”

„Ganita, genade!” riep hij, zijn handen smeekend opheffend; maar zij vervolgde woest lachend: „Neen……, n enkel menschelijk woord in dien nacht, toen uw stem mijn razernij deed verdwijnen, zelfs n teeken van berouw op dit sterfbed had u misschien nog kunnen redden, want de vrouw is zwak, die bemint of bemind heeft; zij is sterk, als zij haat. Perrol, gij moet sterven!”

„Ziet gij dan mijn wroeging niet?” riep hij zacht, maar zij zei ijskoud: „Dat is vergif; Perrol heeft geen berouw!” Toen naderde zij hem en zei grijnzend: „Ik verlaat u nu, en geef u den laatsten kus, nooit ziet gij mij weer, want de zegen van den paap heeft uw ziel gered. Gij, gij zult niet branden; en als ik dezen nacht uw Roode Hand kom halen, dan zult gij reeds een lijk zijn……” „Ganita,” zei hij snel, terwijl zij hem naderde en haar hoofd vooroverboog, maar plotseling veranderde zijn stem, hij vatte haar bij het haar, en riep vreeselijk grimlachend: „Gij zult met mij sterven! – Heks of duivel, gij zult niet gaan, – ha, mijn ruiters zullen u koken – Per moio! ik houd u vast, Ganita!” Hij vatte haar hierop bij de keel, en toen zij zijn hand er afscheurde, zocht hij met de Roode Hand onder haar kleed naar den dolk; maar zij sprong op hem, en zijn gebrul vereenigde zich met haar grijnzend gelach.

De heks uit de Hunnenschans behaalde de overwinning. – Hij sidderde, toen hij haar mond voelde, welke zijn lippen drukte; want zijn oogen waren reeds gesloten. „Rust wel, Perrol met de Roode Hand, tot het vergif u wekt!” riep zij en sprong van het rustbed af. Hij beefde als een riet, toen hij haar zegevierend en woest gelach hoorde, en viel in zwijm.

Toen het bendehoofd tot zichzelf kwam, bemerkte hij, dat de werking van het vergif hem gewekt had; het klamme zweet stond op zijn gelaat, en hij bewoog zich krampachtig; maar toen hij de oogen opende, zag hij, dat de gordijnen voor het rustbed hingen, en hij durfde zich bijna niet verroeren, uit vrees de gif tmengster te zien terugkeeren; toch herinnerde hij zich, dat zij hem vaarwel, maar tevens ook den dood had aangezegd. O, het speet hem nu hevig den monnik te hebben weggezonden, zelfs dat hij zijn zegen verworpen had; die zegen, dacht hij nu, zou gerustgesteld hebben; Ganita had er hem immers de waarde van doen gevoelen. Hij had geen kracht om den knaap te roepen, en zijn lijden was ondraaglijk; maar eindelijk gaf de wanhoop hem moed en krachten; hij trok het dekkleed van zich af, wentelde zich ter zijde, en liet zich op den grond vallen. Nog verscheen de knaap niet. Daar lag Perrol met bebloede handen, en het bloed vloeide weer uit zijn wonde; angstig zag hij het vertrek rond, waarin de lieve zon zoo vroolijk scheen, en hij haalde adem; Ganita de heks uit de Hunnenschans, was verdwenen. De deur was te ver, maar hij kroop naar zijn harnas, dat hij zoo kort geleden nog gedragen had; hij vatte den dolk, waaraan het bloed van zijn edelen vijand nog kleefde, bij de punt op, sloeg het gevest op het zwarte ijzer, en viel toen weer bewusteloos neer.

Vidal had zich niet van het vertrek verwijderd, doch tevergeefs gewacht, tot men hem riep; hij hoorde nu en dan wel flauw de stem van zijn meester en een, welke hij voor die van den monnik hield, en eenig gerucht: maar hij waagde het niet naar den welstand van zijn meester te vragen; zelfs niet als Quintyn nu en dan kwam. Eindelijk opende de kellenaar de deur, vermaande hem, zijn heer, die sliep, vooral niet te storen, en zich er zelfs niet om te bekommeren, als hij hem hoorde spreken. Geruimen tijd was de kellenaar vertrokken en hij scheen niet terug te keeren; toen wekte het kloppen op het ijzer den knaap uit de overdenking, waarin hij vervallen was, en hij trad binnen. Hij vond Perrol, van zijn bed verwijderd, in zijn bloed op den grond liggen; op zijn geschreeuw schoten Quintyn en eenige ruiters toe, en hielpen hem het bendehoofd naar het bed terug te dragen en de wonde opnieuw te verbinden. Zij sloegen geen acht op de zwarte vlekken op het dekkleed, maar besluiteloos stond Vidal vr de tafel, en hij wist niet wat zijn heer te geven: er stond nog wel een warme drank op de uitgedoofde houtskolen, doch hij was anders dan die, welken de monnik in zijn bijzijn gemengd had, en hij gaf zijn meester wijn.

Zij dachten, dat hij zijn handen gekwetst had aan het wapen, waarmede hij om den knaap geklopt had en schreven de stuiptrekkingen, die zijn lichaam deden trillen, aan het verschuiven van de windsels toe; maar toen hij de oogen opende en zag, dat Vidal hem ondersteunde, zei hij flauw: „Vidal, ik ben vergeven! –Waar is de monnik?” en toen zijn knaap verschrikt ten antwoord gaf, dat hij een poos geleden was uitgegaan, vervolgde hij snel: „Laat hem roepen, laat den paap, die mij verlaten heeft, hierheen sleepen.”

Quintyn verwijderde zich met spoed. Perrol wrong zich in alle richtingen: hij wilde zijn buik vasthouden en trok het verband weg; maar hij brulde en dreigde, als zijn knaap hem er in verhinderde; hij dreigde en jammerde; hij vervloekte Ganita en den kellenaar; hij sprak van de heks, en smeekte haar dan weer om ontferming, den priester om zijn zegen, of eischte wijn. De knaap was radeloos, en zijn haren rezen hem te berge: nooit had hij zijn meester zoo gezien.

Perrol zwoer zich te wreken op den monnik, op Quintyn, op de heele bende, omdat de kellenaar niet kwam. Vidal bad, dat hij toch maar spoedig mocht komen, hoewel hij nog niet gelooven kon, dat zijn meester inderdaad vergeven was. Hij opende het raam en vroeg aan den ruiter, die buiten de wacht hield, of er ook iemand door kon zijn binnengekomen, maar sedert Vidal het had gesloten, had slechts de monnik het voor een oogenblik geopend. Eindelijk keerde Quintyn terug, en berichtte, dat de kellenaar in het dorp niet te vinden was; men had het hem zien verlaten, en hem ruiters nagezonden... doch zij hadden geen priester gezien; geen mensch had zich op de heide naar Voorthuizen vertoond, en een oude vrouw, die zij op den weg voorbijgereden waren, had spottend gezegd, dat zij geen biechtvader gezien had.

„Ha, dat is de heks……! Ganita, gij zult Perrol nog eenmaal zien!” brulde hij, vreeselijk lachend. „Ga, Quintyn, voor den satan! Ga zelf en houd haar aan zij heeft het vergif gekookt en het mij gegeven – sleep haar vr mij – opdat ik haar zie sterven!”

Men haastte zich hem te gehoorzamen, en Vidal liet op zijn last het heele dorp doorzoeken. Perrol’s aanblik was verschrikkelijk. De hoop om zich te wreken deed hem zijn smart bijna vergeten; hij lachte en dronk wijn, terwijl hij ineenkromp van het vergif; het belette hem nu niet meer te spreken, maar wekte hem op en gaf hem kracht, zoooals zij gezegd had. Soms was Perrol wanhopig en trok hij zich de haren uit het hoofd; dan wilde hij, dat men den kellenaar zou roepen, al was het alleen maar om zijn biecht te hooren, om hem vrij te spreken van zonden – om voor hem te bidden.

Maar toen bijna gelijktijdig de tijdingen kwamen, dat de woningen en schuren vruchteloos waren doorzocht en dat Quintyn ook de heks niet had kunnen vinden, dat zij spoorloos verdwenen scheen te zijn, toen verloor hij zijn bewustzijn. Met somberen ernst stonden Vidal en Quintyn naast hem en zagen hem stuiptrekken. Na eenig overleg ging de laatste Froccard vragen, of hij niets voor zijn meester doen kon, maar deze zei, dat hij geen tegengif kon bereiden, dat men wachten moest, totdat de geneesheer van Amersfoort kwam. Quintyn verwijderde zich, en Froccard zag hem na en lachte boosaardig. Een beetje wijn deed Perrol echter weer bijkomen; hij zag strak vr zich en was in gedachten verzonken; maar toen hij zich alles weer herinnerde, rukte hij het verband los en gaf een gil van vertwijfeling en woede.

„Ik zal dus moeten sterven als een hond, zooals zij gezegd heeft,” riep hij. „Ha, had ik dat gedacht? Voor den satan, hij en ik in Barneveld! – Sterven, hoewel ik heb gezegevierd! – Perrol vergeven door…… door Ganita! Niet blijven in een vreeselijke treffen, met mijn bende op de lichamen van mijn vijanden, wentelend in hun bloed, maar op mijn bed, hier, Per moio! en vergeven……! Geen roem meer, geen buit, geen bloed meer; – de roode pluim is gevallen……! Op voor Perrol…… waar zijn mijn mannen van wapenen? Walson, waar zijt gij? Rogardo, Tuimelaar, gij allen, laat gij mij alleen…… Ha, zijt gij daar, Vidal? – driemaal liet gij mij vermoorden, driemaal – maar ik zal mij wreken! Westbroek…… daar werd ik verslagen; hier trof mij zijn stervende hand, en de heks heeft mij vergeven.„ sterven! – Perrol sterven...!” Hij viel uit de armen van den sidderenden knaap neer en riep woest: „Wijn, schenk, mijn page, – wijn!” Men liet hem drinken. Zijn krachten herleefden en hij zei somber: „Mijn ingewanden branden, mijn handen zijn verlamd, – het zwaard, nooit zal ik het meer voeren, – maar de armen van mijn ruiters behooren mij; gij hebt den handschoen, Vidal, bewaar hem; ik wil, ha! –Perrol zal zich wreken. Quintyn, zijt gij daar? Kan ik dan niet meer zien?” vervolgde hij. „Ha, zijt gij daar! – Gij kent mij, ik ben uw hoofdman, ik ben Perrol! Zult gij gehoorzamen……?”

„Beveel slechts, Messire,” zei deze zonder aarzelen.

„Ha, uw stem stelt mij gerust; gij zijt dapper, gij zult mijn luitenant zijn,” riep Perrol. „Luister, ik moet sterven: zij heeft het gezegd; zij heeft niet gelogen. O, ik voel het; maar zij ook! – Gij zult de heks opzoeken; dezen nacht of morgen is zij in de Hunnenschans, zij moet vreeselijk sterven, zweert gij het……?”

„Ja, Messire,” zei Quintyn.

„Het is wel,” vervolgde Perrol. „O, ik heb nog veel te zeggen. Van Schaffelaar, hij is dood; maar hij had een vriend en een bruid……! Gij moet mij niet verlaten, levend of dood niet, want zij…… Ganita…… maar dat alles komt later. Dezen nacht komt mijn bende onder de wapens, mijn bevelen worden nagekomen, mijn banier is nog niet dood, ha, ha! – Morgen zijn Van Nijveld en zijn mannen even koud als ik; hebt gij mij begrepen? Ha, dat zal mijn uitvaart zijn…… maar gij aarzelt, lafaard ik wil het……!”

„Het zal geschieden, Messire,” zei Quintyn schoorvoetend.

„Ha, ik ben voldaan,” zei Perrol woest. „Maar de paap, die mij verliet, die mij vervolgde met zijn monnikenstreken…… ha, die mij sterven laat zonder aflaat, die mijn ziel, de ziel van Perrol laat verloren gaan, de onderkellenaar gij laat hem opknoopen; dat is genoeg…… Ha, gij beeft, mijn knaap, kunt gij vooruitzien? Uw beurt zal komen,” riep hij vreeselijk lachend.

„H, Quintyn, het antwoord!” schreeuwde hij. „Ik zal gehoorzamen, Messire,” zei deze langzaam. Toen riep het bendehoofd weer om wijn, en wilde voortgaan, maar de werking van het vergif verhinderde hem om verstaanbaar te spreken. „Froccard……!” riep hij grijnzend, „h, hoort gij mij? – Ik ben Perrol…… Priester, genade, ik zal de kerk ontzien, hoor mij aan! Per moio wie spreekt van de Roode Hand……? Zijt gij het……? Gij zijt Ganita niet...! Heks, zijt gij de satan……? Weg, wilt gij mij vergeven? Wijn, schenk Riso –leve Perrol! – Ik wil niet sterven, Kellenaar, waar blijft gij……? Perrol leeft, en Van Schaffelaar is dood! – Waar zijn mijn wapens? Ha! Je le tiens haut!” De woorden van het bendehoofd waren zoo vreeselijk, zijn gelaat en zijn oogen waren zee verschrikkelijk om aan te zien, dat Quintyn en de knaap terugdeinsden. Hij wentelde zich heen en weer, sloeg met de vuist en trapte, rukte zich de haren uit het hoofd; zijn tanden klapperden, en het geluid van zijn stem, het hijgen naar adem was zee vreeswekkend, dat zij voor hem de vlucht namen. De stervende booswicht dreigde hen vloekend met den dood, terwijl zij huiverend de deur achter zich dichtwierpen; de trouw van den knaap, de hardvochtige aard van den Zwarten Ruiter waren niet bestand tegen de ijlhoofdige bloeddorstigheid van zijn bevelen.

908SR15.gif (1832 bytes)

De avond begon reeds te vallen. Een oogenblik bedaarden zijn pijnen en zijn verstand klaarde op; maar vruchteloos trachtte hij te roepen of zich te verroeren; alleen als het vergif zijn ingewanden vannreet, had hij kracht en kon hij den mond openen. Hij voelde dat hij stierf, en dat hij geheel verlaten was, dat er spoedig van dien gevreesden krijgsman, van dien rijken en schoenen man dien de vrouwen bemind hadden, niets meer over zou zijn, dan een misvormd lijk – Perrol moest sterven! Maar daar verbeeldde hij zich, dat er een glasruit gebroken werd, dat het raam zich opende, dat iemand in de kamer klom. „Ha,” dacht hij, „dat zal Ganita zijn; gij komt te vroeg, heks! Perrol zal nog eens met u worstelen! De Roode Hand zal u wreken; wraak voor Perrol!” Hij sloot de oogen en verroerde zich niet, hij hield zijn adem in, en verkropte zijn smart, want hij wilde zich wreken. Zacht hoorde hij iemand door het vertrek gaan, doch op eenigen afstand van het bed hield men stil. Perrol scheen dood; een vreeselijke lach vertoonde zich wel op zijn strak en lijkkleurig gelaat, maar dat kon de doodstrek zijn. Toen verwijderden zich de voetstappen, en hij hoorde ritselen. „O,” dacht hij, „gij zoekt een wapen; maar nader slechts, vervloekte heks!” Daarna hoorde hij geld rammelen, het was alsof men een stuk zilverwerk of ander metaal tezamen boog. Nu opende hij het oog en zag om; een van zijn ruiters, maar thans zonder harnas, slechts met het zwarte leeren kleed aan, lag voorover bij de kist, die zijn goederen bevatte, en zocht er in. Het bendehoofd wilde spreken, maar kon niet; hij wilde het bed verlaten, doch had geen kracht; toch kraakte het, en hij zelf zuchtte; toen zag de ruiter schielijk om, en Perrol herkende Froccard.

De ellendeling stond verschrikt op, toen hij zijn meester nog zag leven; maar hij bleef staan, en zag de machteloosheid van het bendehoofd en grijnsde; zijn valsch gelaat ademde bloeddorst, de oogen der twee booswichten ontmoetten elkander; haat en wraakzucht lagen in dien langen blik opgesloten. Een oogenblik had de vrees zich op het gelaat van den laffen monnik vertoond, maar die uitdrukking verdween snel, en hij lachte akelig: Perrol, de hoofdman der Zwarte Bende, was in zijn macht; want hij had alleen zijn oog om zich te verweren; de gelegenheid om zich voor al den onderganen hoon, al de geleden vrees te wreken was te schoon, en Froccard juichte. O, dat was een verschrikkelijk oogenblik voor het trotsche, het verwaten bendehoofd; stervend nog vermoord te worden – Perrol vermoord door Froccard! – want deze had den dolk getrokken, en naderde met afgemeten stappen. Een woeste gil ontsnapte zijn borst. Hij richtte zich op, en Froccard stond stil, maar Perrol viel weer neer. Hij hoorde zijn vijand lachen, en zag hem den voet weer verzetten. Toen deed de razernij zijn krachten herleven, en stuiptrekkend bewoog hij zich; hij wierp zijn rechterbeen van het rustbed af; dreigend strekte hij de roode vuist uit, en riep met vreeselijken wrevel, terwijl zijn oogen vurig fonkelden: „Froccard!” De uitdrukking van die stem, die beweging, die oogopslag deden den lafaard sidderen; hij nam de vlucht, en Perrol lachte zegevierend; maar vergeefs trachtte hij zijn vorige houding te hernemen: hij viel op den grond neer.

Een poes lag hij daar zonder bewustzijn; maar opnieuw klonk zijn stem door het vertrek; het vergif gaf hem kracht, terwijl het zijn ingewanden verscheurde. Hij kroop over den grond voort.

In doodsangst zat de knaap in het vertrek, dat vr de kamer van zijn meester was, en dacht na over het gebeurde. Hij hoorde sidderend dat gevloek, dat gezang, dat roepen om wijn, dat dreigen, dat angstig smeeken om genade, en hij twijfelde niet langer, of de heks uit de Hunnenschans had Perrol bezocht, en haar vloek op hem geworpen. Maar zijn vertwijfeling moest nog komen; hij hoorde het wapengeroep van Perrol; hij hoorde dat beuken op harnas en schild, dat verbrijzelen der meubelen, dat spottend lachen; hij twijfelde niet langer of het uur der wraak voor zooveel boosheid had geslagen; de maat der zonde was vol; Perrol met de Roode Hand was overgegeven aan de macht van den booze, maar verzette zich tegen satan en zijn duivelen. Elk oogenblik vreesde hij hem met zijn helsche vervolgers te zien verschijnen; houwen op de gegrendelde deur deden hem van schrik opspringen; zijn haren rezen te berge, en hij hield zich gereed tot de vlucht; hij wilde bidden, maar het gevloek van zijn meester belette het hem. Toen eindelijk de nacht gevallen was, hoorde hij voor het laatst het ritselen der wapenen en de stem van zijn meester, die waanzinnig maar luid riep: „Je le tiens haut! Hier is Perrol, ik tart u allen!” En daarop werd het stil, doodstil. Vergeefs naderde Vidal de deur, hij hoorde niet meer kermen of zuchten; maar zelfs deze stilte was huiveringwekkend.

Op dit oogenblik kwamen eindelijk de ruiters, die naar Amersfoort gezonden waren, terug. Het was hun niet mogelijk geweest eerder een der geneesheeren mee te brengen, daar deze hun huizen ontvlucht waren, toen zij vernamen, dat men hen naar Barneveld wilde vervoeren. Het was den ruiters echter gelukt, n hunner in zijn schuilplaats te ontdekken, en hem te noodzaken hen te volgen. Er had een lang beraad plaats, voordat men het waagde de deur van Perrol’s kamer te openen; Vidal was het, die de grendels wegschoof en het eerst den voet in de kamer zette. Quintyn, de heelmeester en eenige ruiters volgden hem. De kaarsen, die zij bij zich hadden, dreigden door de zuiging van de lucht uit te gaan; de mannen deinsden terug; maar toen zij bemerkten, dat het raam aanstond, vatten zij weer moed, haalden de deur aan en traden verder. Alles lag door en op elkander verbrijzeld en verbroken; de grond was in alle richtingen met bloed bevlekt, maar zij hoorden niets. Nog werden zij niets gewaar, doch toen viel hun oog op iets, dat lichtstralen terugkaatste: zij hielden de kaarsen omhoog, en nu zagen zij Perrol, maar durfden hem niet naderen. Aan het einde en in den hoek van het vertrek lag hij tegen den muur, hen aanstarend, maar zijn gelaat was lijkkleurig en met blauwe vlekken; hij had zijn schild met zijn spreuk er op aan den arm; in de Roode Hand, waaraan hij een ijzeren handschoen droeg, hield hij een breede wapenbijl; hij droeg den helm met de roode pluim op het hoofd.

Vidal riep hem, maar hij antwoordde niet. Toen traden zij nader; zijn strakke blik scheen op hen gericht te blijven; zij sidderden en durfden hem niet naderen, veel minder aanraken. De heelmeester echter, dien zij bij zich hadden, trad vooruit, en belichtte dat vreeselijke gelaat: de oogen zagen stijf in de vlam, en de geopende lippen lieten de opeengeklemde tanden zien; niets bewoog zich aan het half naakte lichaam, dat in zijn eigen bloed zat. Hierop deed hij, aan wien Perrol zijn paarden niet zou hebben toevertrouwd, zonder aarzelen twee stappen voorwaarts, legde de hand op den schouder van het bendehoofd, en zei koel: „Hij is dood,” en Perrol met de Roode Hand viel voorover. Vidal gilde en trad terug; zelfs de ruiters zetten den voet achteruit, en de heelmeester zei lachend: „Hij zal u niet meer bijten, hij is wel dood!”

Een oogenblik stond Quintyn in gedachten verzonken, waarna hij het vertrek met de ruiters verliet. Perrol was immers dood; hij kon niet meer bevelen, niet meer dreigen of straffen; voor geld en uit vrees hadden zij hem gediend; maar nu was hij dood, zij konden heengaan. De heelmeester stond gereed om hen te volgen; maar Vidal smeekte hem te blijven, en hem voor een goede belooning te helpen om zijn meester op te nemen. De man was gewoon aan den dood, en huiverde daarom niet, toen hij van geld hoorde, om den knaap ter wille te zijn, waarna ook hij de kamer verliet. Perrol lag nu op de tafel; de knaap was genoodzaakt geweest, dat schild, die bijl uit de verstijfde handen te rukken, welke er aan vastgeklemd zaten. Toen het raam gesloten was, wilde hij kaarsen bij het lijk plaatsen en bij zijn dooden meester bidden, maar de kandelaar viel om, toen hij dien neerzette. Hij huiverde. Het was z akelig in het verlaten vertrek, alleen met het bendehoofd, dat hij zijn plan opgaf; hij wierp een der bedgordijnen over het bebloede lijk, dat hem zooveel vrees inboezemde, en verliet de kamer. Toch wilde hij voor de deur wacht houden. Hij zat daar in droevige gedachten verdiept, nadenkend over het lot dat hem wachtte, toen hij plotseling opsprong, en een doffe slag zich in de kamer hooren liet, waar zijn meester lag. Hij luisterde en beefde; zou Perrol gevallen zijn, zou hij nog leven? Maar hij hoorde zijn stem of zijn gesteun niet; zou de booze geest gekomen zijn, om zich van hem meester te maken? Doch alles was weer stil. Hij trachtte de vrees te overwinnen, die hij voelde; hij greep naar zijn wapens, nam de kaars op, opende de deur en riep: „Alle goede geesten loven den Heer, weg van mij, satan!” Maar alles was stil in het vertrek; het gordijn lag over de tafel; de maan scheen door het raam en viel op het groene laken. Hij bezag den omtrek van het lichaam, en trad voorwaarts; niets scheen van plaats veranderd dan de strijdbijl, die naast de tafel lag, en het raam stond open. Hij sloot het weer, riep nog eens de woorden uit, die hem tegen de macht der hel beschermen moesten en naderde het lijk. Bevend lichtte hij het einde van het laken op; maar toen zijn oog de geopende oogen en het zwarte gelaat van zijn meester gewaar werd, liet hij het vallen, en trad huiverend naar buiten. Hij sloot de deur weer, en verweet zich het afgrijzen, dat hij voor zijn meester voelde; hij wilde voor zijn ziel bidden, maar het was hem onmogelijk, en hij ging somber te moede zitten waken.

Hoe geheel anders was het met Jan van Schaffelaar. Vr het altaar, in de kerk aan St. Odulf gewijd, lag hij op een verhevenheid, die met zwart laken bedekt was, dat aan de zijden in wijde plooien afhing, en op elke hoek stond een gewijde kaars. Daar lag de bruidegom van Maria, de held van Eemnes; geen enkele bloedvlek kleefde meer aan het blinkend, zij het gebroken harnas, dat het forsche lijk bedekte, dat vroeger zoovele bewijzen van kracht gegeven had. Hij lag daar in volle wapenrusting met zijn helm achter zijn hoofd; slechts de handschoen, dien Perrol lafhartig vertreden had, en het dolkmes, dat de edelman den huurling met stervende hand onder het harnas had gestoken, ontbraken; het lange zwaard lag aan zijn zijde. Op zijn kalm gelaat zweefde een lach om den mond, die, toen de ziel het verpletterde lichaam verliet, de naam van zijn bruid nog gestameld had. Zijn oogen waren gesloten, de oogleden waren voor die oogen gegleden, welke stervend den hemel gezocht hadden; zijn handen lagen gevouwen op zijn borstharnas, alsof hij bad; men zou niet gedacht hebben, dat hij niet meer leefde, als de doodelijke bleekheid van zijn gelaat het niet verraden had. Zijn wapenschild, waarop hij gestorven was, hing onder zijn voeten; er vr lag de troostelooze knaap, en bad of antwoordde den priester, want de grijze dienaar der kerk lag geknield voor het altaar, waarop de gewijde kaarsen brandden; hij bad voor de ziel van Jan van Schaffelaar, wiens lichaam hij met wijwater besprenkeld had. De meester uit de Vergulde Helm stond met ongebloot hoofd, niet ver van den bruidegom van zijn dochter; nu eens luisterde hij naar de gebeden, dan weer zag hij met somberen ernst naar het lijk; hij voelde, dat de brave man gelukkig was, die, zooals hij vertrouwde, reeds was ingegaan in het rijk der hemelen, maar de tranen sprongen uit zijn oogen, want hij dacht aan zijn kind; Maria was geen bruid meer: zij had den edelen bruidegom verloren.

Toen het ruchtbaar werd, dat Perrol met de Roode Hand dood was, heerschte er een algemeene ontsteltenis onder zijn ruiters en de vrees voor eenig ongeval begon al te verminderen. Van Nijveld wist niet, welke bevelen Perrol nog gegeven had; er valt ook niet aan te twijfelen, of hij zou zijn omgekomen, hoewel hij den geheelen nacht onder de wapenen bleef, indien Quintyn nagekomen was, wat hij beloofd had, want Gerrit van Nijveld wilde het dorp niet lafhartig ontruimen, en zich bergen op zijn sterk huis, waar hij in veiligheid zou geweest zijn. Doch de Zwarte Ruiters hechtten niet veel aan zijn woord; hij zag geen reden om dezen nachtelijken aanval te ondernemen, nu Perrol dood was; hij twijfelde wel niet aan de overwinning, maar het bendehoofd was er niet meer; op hem zou de verantwoording van deze daad gekomen zijn, waarbij niets te verdienen viel.

Met vreugde zagen de bewoners van Barneveld de Zwarte Ruiters het dorp verlaten. Zonder krijgsmuziek, vloekend en dreigend, dat zij wel eens zouden terugkeeren, reden de rijzige ruiters morrend naar buiten, en de ruiterknechten volgden met stille trom. Toen eerst haalden de dorpelingen weer vrij adem, en stroomden naar de kerk om den Hemel te danken.

Terwijl de Zwarte schaar gewapend naar Amersfoort trok, zonder buit, zonder aanvoerder en met achterlating van zoovele makkers, zonder zich een twintigtal ruiters van hen af, en reed, om het dorp heen, den weg op naar Voorthuizen; alleen Quintyn, Vidal en Froccard kennen wij; de overigen waren gewone mannen van wapenen. Er waren echter nog twee draagpaarden, die naast elkander gingen, bij hen, hoewel men aan het uiterlijk van deze groote, moedige dieren zien kon, dat zij van een te edel bloed waren voor zulk een bestemming; zij waren groot en gitzwart; beiden waren waard om een vorst in den strijd te dragen. Het eene, dat zich gedurig van den last, welken het hielp torsen, ontslaan wilde, was het sterkst gebouwd; het deed niets dan steigeren en slaan, en zijn woestheid was bijna niet te beteugelen. Het andere daarentegen, dat zich door de fijnheid van zijn leden onderscheidde, scheen geheel verslagen en liet den kop hangen; geduldig droeg het den last, die het scheen te drukken. Soms echter werd het voor een oogenblik gedwongen, om zijn neerslachtige houding te verlaten; dan week zijn moedeloosheid, dan fonkelden zijn oogen; het was als zijn makker er zijn woede tegen richtte, het beet, en door zijn gebriesch ten strijde riep. Het waren Moor en Hector, die het lijk van Perrol droegen, alsof het een baal koopgoederen was, waaromheen men een lap groen laken geslagen en met koorden vastgebonden had. Dit was alles, wat er overbleef van het bendehoofd, dat men nu zelfs zijn bijnaam betwisten kon, want men had hem des morgens wel op de tafel gevonden en bedekt met het gordijn, maar de Roode Hand was verdwenen! Vidal was slechts meegegaan, om het lijk van zijn meester de laatste eer te bewijzen, en het in ’t dorp niet achter te laten; want hij wist, dat men het de gewijde aarde, ja zelfs een ongestoorden rustplaats zou hebben geweigerd.

Toen zij het Uddelermeer en de Hunnenschans in het zicht kregen, droegen de twee paarden hun last niet meer. Waarschijnlijk had men het bendehoofd hier of daar op de heide begraven: de man, die zonder priester gestorven was, verdiende ook geen beter graf dan een heiden. De knaap beefde, toen zij de gracht van de Schans langs reden. Hij dacht aan dien vreeselijken nacht en huiverde. In het eerst was hij niet van plan den voet in de Schans te zetten, want hoewel hij de heks niet beschermen wilde, was hij niet belust haar te zien, om Froccard, die zijn leven te danken had aan het vergif, dat zij gekookt had, haar te zien martelen; maar hoewel schoorvoetend, volgde hij de ruiters; een onweerstaanbaar gevoel dreef er hem toe. In de Schans zaten zij af, en lieten n hunner bij de paarden. Quintyn, die vooruitsnelde, liet een uitroep van teleurstelling hooren, toen hij de plaats, waar de hut geweest was, bereikte; deze was, wat het dak betrof, geheel verwoest; de plaggen, die het dak gevormd hadden, waren naar binnen gevallen, toen men de boomtakken weggenomen had, die voor sparren dienden; de heks was verdwenen.

Toen viel hun een plaats in het oog aan de waterzijde. Juist in het midden, tegenover het meer, brandde of smeulde nog eenig hout tusschen eenige groote steenen; het scheen het overblijfsel van een groote mijt, welke men hier had opgericht. De ruiters en zelfs Vidal schreeuwden van verbazing; want een menschelijke gedaante, hoewel door het vuur verteerd en ineengeschrompen, lag midden in de asch en de kolen. De ruiters roerden den aschhoop met hun klingen om, en toen viel het verteerde lichaam ineen; slechts een deel der beenderen had weerstand aan het vuur geboden. Vidal boog zich voorover; met ontzetting staarde hij op dien aschhoop, stak de hand uit, en haalde te midden van de asch een door het vuur beschadigden ijzeren handschoen en dolk te voorschijn; hij bezag die beide stukken opmerkzaam, en zei toen somber tegen Quintyn, terwijl hij eerst in den handschoen en daarna op den knoop van het wapen wees: „Dit is de Roode Hand en dit is het dolkmes van Messire Perrol! Toch had hij er maar n met dit zwaard en deze letters, en dezen morgen heb ik het ingepakt! – Geloof mij, dit gebeente, de asch zijn die van de heks...” Froccard grimlachte, en de ruiter en Quintyn lieten hun verwondering blijken: maar daar bleef het bij. Toen trad Vidal naar het water, wierp er het dolkmes en den handschoen in, en zag huiverend om bij het hooren van het gekras van een raaf: op den stam van den verbrijzelden boom, midden in de Schans, zat de ongeluksvogel van de heks. Het water spatte, en de droppels schitterden als diamanten: de hand en het wapen, die eerst het vuur gevoeld hadden in den grafkelder van Valbni, daarna in de Hunnenschans, verdwenen in het heldere nat, en nog vrdat de knaap en de ruiters waren opgezeten, was het water van het meer weer glad en effen; – de Roode Hand had slechts een oogenblik den waterspiegel kunnen doen rimpelen...

De dag was al ver verloopen, toen zij voor het Uithof van de monniken uit de abdij Abdinkhof stil hielden. Het weer begon onstuimig te worden, en de regen viel; de weinige schoone dagen, die ieder zoo verheugd hadden, schenen voorbij te zijn, en ’t was alsof de natuur slechts de aarde nog eens schoon had willen voordoen aan Jan van Schaffelaar, voordat hij haar voor altijd verlaten moest. Men was verwonderd, dat aantal Zwarte Ruiters voor de poort te zien: het bezoek van Perrol was nog niet vergeten. Slimme Jasper had zooveel verteld van den boozen, vreemden krijgsman, en men vreesde, dat er nog meer ruiters in het bosch verborgen waren gebleven. De ongerustheid verminderde iets, toen Quintyn, die het woord voerde, te kennen gaf, dat hij alleen kwam, om twee woorden met den waardigen heer onderkellenaar te spreken, en Froccard hield de hand reeds op een touw, dat hij voor zich op den zadel had liggen. Hij dacht na over het bevel van Perrol, dat hij zou uitvoeren, toen de man, die uit een raampje naast de poort tot hen gesproken had, ten antwoord gaf, dat er geen onderkellenaar was, hoewel er elk oogenblik een nieuwe van Paderborn verwacht werd, daar de vorige reeds op St. Ambrosiusdag van het verleden jaar was overleden. Quintyn gaf zijn verwondering te kennen en verzocht den kellenaar zelf te spreken, en na eenig tijdsverloop stond men hem zijn verzoek toe, mits hij de ruiters naar het dorp zond. De kellenaar, die nog in zijn stoet zat, bevestigde hem en Vidal, die was meegekomen, wat men hun gezegd had; hij vertelde hun, hoe de broeder, die in den nacht vr St. Andreasdag naar de Kellenarij terugkeerde, om den heiligendag te kunnen vieren, op de heide aangevallen, door de heks mishandeld en in het water gedompeld was; waardoor hij acht dagen daarna aan een heete koorts overleden en op het kerkhof begraven was. De Zwarte Ruiter en de knaap deden nog eenige vragen, en verwijderden zich toen, zonder den nieuwsgierigen, braven, ouden man een afdoend antwoord te geven nopens den woesten eclelman, die hem juist op den dag vr St. Andreasdag bezocht had, en die hij er van verdacht, dat hij met den satan in betrekking stond. Wellicht was de kellenaar zelfs wel tevreden, zoo gemakkelijk van die ruiters ontslagen te worden.

Vidal was de eenige, die nog leefde van degenen, die vroeger bij vader Plemp waren geweest. De oude man herkende hem, en zag vol vrees naar de zwarte gasten; hij dacht aan de verhalen van den molenaar. Wat de kellenaar gezegd had, werd door hem eensluidend verhaald, en Vidal zei, toen zij het dorp verlieten, waaruit Slimme Jasper gevlucht was, zoodra hij vernomen had, dat er weer vreemde ruiters in den omtrek van den molen waren: „Ik zie het nu duidelijk in, dat de heks uit de Hunnenschans de gedaante van den onderkellenaar heeft aangenomen, om mijn meester te vermoorden,” en hij dacht bij zichzelf: „God heeft de onschuldige Maria gered; de macht der hel heeft zich tegen haar vijand gekeerd en hem verpletterd.”

908SR15.gif (1832 bytes)

Barneveld – 4. Vierde dag – Jan van SchaffelaarInhoudopgave OltmansDe verlaten post

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)