J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

BESLUIT

W.gif (3288 bytes)ij weten niet, wat er in het hart van David van Bourgondi omging, toen hij tegen den avond van den dag, waarop Wouter den schaapherder den afscheidsgroet van Frank gebracht had, de tijding kreeg, dat pater Hendrik van Broekhuijsen, dien hij steeds bijzonder had hooggeacht, overleden was; dat het einde van dezen eerwaardigen dienaar des Heeren verbaast was door het vervullen van zijn plicht, door het te woord staan van den driftigen ruiter, en toen hij tevens bericht ontving, dat Frank uit Amersfoort verdwenen was. In het eerst vermoedde hij misschien niet, dat de jongeling niet zou terugkeeren. Later was alle nazoek vergeefsch. Een door den Aartshertog geteekend bevel, aan zijn bevelhebbers en de schouten der steden in Holland gezonden, om Frank op te sporen, verspreidde geen licht over deze verdwijning. De meester uit de Vergulde Helm zwoer, dat hij niets van de zaak wist. Even vruchteloos was het, dat de Bisschop, zoover zijn gebied reikte, naar Ralph onderzoek liet doen. In alle richtingen vervoegden zich zijn zendelingen op de Veluwe met brieven van zijn hand voor de kloosters en geestelijken op de dorpen, en aan de schouten, met de brieven door Maximiliaan aan den Bisschop verstrekt; – de schaapherder was niet te vinden. Evenmin weten wij, of Ralph nog een laatste poging aanwendde, om Frank op te sporen, of dat hij hem als verloren beschouwde. De meester in Amersfoort, die niet naliet, zooveel mogelijk van wat er gebeurde te weten te komen, zei meermalen aan zijn vrouw, dat het hem niet zou verwonderen, als Ralph zich nog op den Gelderschen bodem bevond, en hij stelde vast, dat Frank, omdat men in Holland geen spoor van hem had kunnen ontdekken, met het leger naar Vlaanderen was getrokken, waarheen de Aartshertog zelf, op St. Victorsdag, op reis was gegaan; hij twijfelde niet of de ridder Petit Salazar, die de Zwarte Aleida onder zijn bescherming, en den page Riso in zijn dienst had genomen, zou zeker den jongen ruiter niet geweigerd hebben, om met hem het Sticht te verlaten en naar andere landen te trekken.

lijn.gif (1832 bytes)

Het was bijna vier jaren geleden, dat Frank ter dood was veroordeeld, genade bekomen en Maria verloren had, en noch van hem, noch van Ralph had men iets in Amersfoort vernemen. Maria leefde nog; haar nederige onderwerping aan Gods wil, – want zij twijfelde niet of de Hemel verlangde, dat zij den sluier droeg, – het gebed, de gedachte, dat zij Frank gered had, de bezoeken van haar ouders en de vervulling van haar plichten, hadden haar droefheid langzamerhand overwonnen. Zij was nog schoon, hoewel zij het eenvoudige gewaad der zusters van St. Aagten droeg; en hoewel haar vroolijkheid voor altijd verdwenen was, maakte de ernstige en denkende uitdrukking van haar gelaat, waarop de rozen niet meer bloeiden, haar aanblik nog belangwekkender. Soms pijnigde haar echter de onrust over het lot van den jongeling, dien zij bemind had; dan weende zij in stilte, en nam haar toevlucht tot het gebed. O, waarom had Frank haar verzoek, haar bede niet verhoord? Waarom wist zij niet, dat hij aan de zijde van een brave huisvrouw gelukkig was? Waarom was hij heengegaan? Doch kon zij hem beschuldigen, zich beklagen, dat hij de bede verworpen had? Neen immers. Soms was het alsof haar hart zich er over verheugde; het was een laastte gloor van de liefde, welke het gewaad der zusters en de stilte van het klooster nog niet hadden kunnen uitdooven. De boomen en heesters prijkten weer met het jonge groen, en Maria zat met de overige zusters in de stille kloosterkamer. Zij waren allen bezig, en een nieuweling las iets voor uit een boek, waarin de wonderwerken van een heilige stonden opgeteekend. Maria borduurde een altaarkleed; de gekleurde zijde, het goud- en zilverdraad, groeiden onder haar vingers tot schoone bloemen en bladeren. Plotseling zweeg zij, die voorlas, en al de zusters zagen op; want ook in de kloosters heerscht nog de nieuwsgierigheid. Het was de portierster, die binnentrad en berichtte, dat heer Henriquez de Ronda, of iemand van soortgelijken naam, verlangde zuster Maria te spreken. Allen zagen Maria vragend aan; maar deze schudde het hoofd en zei: „Waarde mater, ik ken dien heer niet.” De portierster, die met een vervaard gezicht was binnengekomen, kwam weer tot zichzelf, nu zij den naam had overgebracht, en wist nog te zeggen, dat het een kleine heer was, in een prachtig zwart fluweelen kleed, en dat zijn knecht hem met de paarden vr het klooster wachtte. De mater zond haar terug om nadere inlichtingen te vragen, en toen zij terugkeerde, riep zij:

Mater, hij komt wel voor zuster Maria, Wouter’s dochter; ik moet zeggen, dat de gewezen knaap van heer Jan van Schaffelaar er is.”

„Henri!” gilde Maria, en viel voorover op haar werk neer. De mater gaf een wenk aan de zusters om te vertrekken, die terstond gehoorzaamden, en de eerwaarde vrouw, die de zuster kende, richtte haar op, en zei vriendelijk: „Ween niet, kind! Gij hebt immers uw vertrouwen gevestigd op de leer der heilige moederkerk, misschien is het de laatste beproeving, die u wacht; het geloof zal u doen zegevieren.”

De knaap, voor wien het bewaard gebleven scheen te zijn, om zich nu en dan onder een anderen naam te laten aandienen, wachtte langen tijd, voordat men hem een antwoord bracht. Hij stond, zonder eenig ongeduld te verraden, bij een kleine tafel, waarop hij met den arm rusten kon; een lang zwaard stak achter uit den fluweelen overrok, en op zijn hoed stonden twee zwarte veeren. Zijn naam en zijn kleed waren veranderd, maar de persoon nog niet; tenzij men wilde aanstippen, dat hij een oog verloren had, en dit door de lengte van zijn knevels scheen te willen vergoeden; een kostbare gouden doos, fraai met lelin, tulpen en andere bloemen bewerkt, stond naast hem op de tafel. Eindelijk ging er een deur open aan de andere zijde der tralin; twee zusters naderden de afscheiding, van wie de grootste de tengerste scheen te leiden, die geheel bedekt was door een langen sluier; want de jonge zusters verschenen nooit met onbedekt gelaat dan voor hun vader of broeders. De knaap nam zijn hoed af, en boog deftig; doch toen Maria, tot aan de tralin genaderd, zich, door aandoening overmand, op een bank neerzette, en haar hoofd tegen de tralin liet rusten, vergat hij zijn waardigheid en de aanspraak, welke hij van plan geweest was te doen. Hij liet zijn hoed vallen, snelde haar tegemoet, knielde neer, en kuste een tip van den sluier, die tusschen de tralin doorhing. Maria zweeg, en dacht dat de knaap zou spreken; maar zij hoorde hem weenen. O, dat zei haar genoeg, en zij vroeg langzaam en treurig: „Leeft hij niet meer, Henri?”

Zij verwachtte niet anders op haar vraag, dan een droevig antwoord, en toch moest de mater haar ondersteunen, toen de knaap met een doffe stem ten antwoord gaf: „Helaas, mijn jonkvrouw, mijn arme heer is dood; strijdende voor het heilige geloof, en met uw naam op de lippen is hij gesneuveld; zijn ziel is bij God!”

De zuster van St. Aagten gaf een gil van smart. De mater sloot de weenende non in haar armen, en vermaande haar niet te treuren; doch deze had slechts tranen om haar te antwoorden. „Sta op, knaap en vertel ons wat van uw heer,” zei de mater een oogenblik daarna; zij voelde, dat het Maria treffen, maar tevens dat het haar gelukkig maken zou; misschien was zij zelf verlangend iets van den jongeling te vernemen.

„Mijnheer St. Jago beware mij, heilige moeder, laat mij geknield blijven; is het niet mijn plicht voor u en mijn jonkvrouw de knie te buigen?” riep de knaap, waarna hij deftig vervolgde: „De krijgsman, die, gevolgd slechts van een edelen knaap, in het voorjaar van 1485 de poort van de stad Cordova binnenreed, werd niet aan het hof van den koning en de koningin van Castili en Arragon verzocht, zooals het geval geweest zou zijn, als hij met goud en zilver, in plaats van met ijzer bedekt, en met een schaar van pages en knechten was gekomen; en toch kwam hij zijn arm en dien van zijn knaap aan koning Ferdinand aanbieden in den strijd tegen de ongeloovige Mooren. De schoone jonkvrouwen, die de koningin omringden, en om strijd de oplettendheid van de edellieden en ridders tot zich trachten te trekken..., sloegen wel eens acht op den edelen zwier, waarmee hij zijn paard bestuurde, en op zijn bleek, doch welgevormd gelaat; maar zijn eenvoudig harnas streelde hun eigenliefde niet, nooit zag men den vreemden ruiter zich aanmelden, om een lans te breken in de tournooien van de ridders en edellieden: de Spaansche hoogmoed deed hem geen vrienden vinden dan onder de ridders van Alcantara, die evenals bij, het goud van hun ijzeren wapenrusting verbannen hadden. Doch mijn heer was niet gekomen, om de jonkvrouwen te bekoren, om de Spaansche grooten uit het zadel te werpen; men kon hem dus eerst leeren kennen, toen de strijd begon. De steden Con en Cartama werden het eerst belegerd. Ha, toen de bres van eerstgenoemde stad beklimbaar was, leerde men hem kennen: hij was het, die het eerst den voet in den muur zette, die het eerst tot aan de markt doordrong, die honderden malen in gevaar was om gedood te worden, toen een onverwachte aanval van Hamet en zijn ruiters ons terugdreef. Een Spaansche ridder, die aan zijn zijde gestreden had, hielp mij, hem buiten de bres brengen; want hij wilde niet verder teruggaan. Toen was hij niet onbekend meer: de koning prees hem om zijn moed, ieder, die ware dapperheid hoogschatte, bood hem zijn vriendschap aan, hoewel er geen wapen op zijn schild prijkte; het droeg slechts uw naam, jonkvrouw!...” De ongunstige afloop van dezen storm verhinderde den koning niet, de stad te bemachtigen; ook Cartama gaf zich over, en het leger rukte op de stad Malaga aan; een hevig gevecht, dat van den morgen tot den avond duurde, had plaats in de tuinen en olijfbosschen, die de stad omringden. De geduchte Moorsche krijgsman, die de vijanden aanvoerde, vertoonde zich op alle punten, en vele Christenen vonden daar den dood. Mijn heer had den heelen dag het harnas niet verlaten; het scheen alsof de slagzwaarden der Mooren en al hun wapens hem niet konden treffen, of een onzichtbare macht zijn leven beschermde. Hij streed onder het oog van den koning, die hem op het oogenblik, dat hij aan het hoofd van een versche bende lansknechten gereed stond om opnieuw in de tuinen te dringen, tot ridder sloeg.

„Sedertdien droeg hij den naam van ridder der heilige Maagd, of ridder van Maria. De koning gaf de hoop op, om dit jaar Malaga ten val te brengen; de koningin Isabella kwam in het leger, waar mijn heer aan haar werd voorgesteld; zijn jeugd, zijn verachting van het leven en de droefgeestige uitdrukking van zijn gelaat troffen haar zeker; want zij vereerde hem met haar vertrouwen, en sprak lang met hem. Zij liet den kardinaal De Mendoza tot zich roepen, en toen mijn heer zijn afscheid nam, gaf zij hem haar hand te kussen; ook de kardinaal van Spanje was vriendelijk jegens hem. Voor het eerst scheen mijn heer weer vatbaar te zijn voor vreugde; voor het eerst sprak hij mij nu over het terugkeeren naar zijn vaderland. Hij was nu die arme, onbekende ruiter niet meer. Menige Spaansche jonkvrouw had nu een vriendelijken blik voor hem over, en het zou haar gestreeld hebben, den jongen, dapperen ridder, die zoo genadig door de koningin ontvangen was, te kluisteren; maar hoewel mijn heer beleefd en eerbiedig hun vragen beantwoordde, hun schitterende zwarte oogen hadden nog minder invloed op zijn hart dan de wapenen der vijanden van het geloof op zijn harnas. Weldra werd de trompet weer gestoken, en onverhoeds rukte het leger naar Ronda, dat op een steile rots, te midden van een woest gebergte, gelegen was. Nooit zal ik die stad, die belegering vergeten; helaas, daar moest ik den tweeden heer, dien ik diende, verliezen. Met het geschut, dat men vr de stad bracht, gelukte het, om binnen vier dagen de muren van de voorstad op twee plaatsen te vernielen, en drie torens te doen instorten; maar de Mooren hadden besloten liever te sterven dan de voorstad te verlaten. De storm werd bevolen; behoef ik te zeggen, dat mijn heer niet achterbleef? Ik weet niet, hoelang de storm duurde; de trotsche en dappere Spaansche edelen en ridders konden mijn meester wel volgen, maar nooit voorbijgaan; zij streden met leeuwenmoed aan het hoofd van hun krijgslieden; doch geen knaap gaf hun andere wapens, als de hunne verbrijzeld werden. Die knapen waren welgemaakt en prachtig gekleed; maar zij durfden hun meesters niet ter zijde te staan. Eindelijk wierpen de Mooren zich met een helsch geschreeuw op ons; zij riepen hun valschen profeet te hulp, en de satan gaf hun krachten; zij streden met een verwoedheid, welke men alleen van heidenen en ketters verwachten kon. Wij werden zoodanig in de droge gracht teruggeworpen, dat het gedrang mij van mijn heer verwijderde, en toen ik onder een Biscaier vandaan was gekomen, die op mij was gevallen en door den dood verhinderd werd op te staan, wat ik hem verzocht, zag ik de bres, waar Christenen en Mooren bij menigte verslagen lagen. Zij verroerden zich evenmin als de man, die mij bijna met zijn harnas verstikt had: maar n verdediger van het heilige kruis stond nog in de bres; hij alleen tartte de woede van al die vijanden; zijn zwaard spleet die schilden, verpletterde die hoofden, welke door tulbanden en ijzeren platen gedekt waren. Uw hart zegt u, mijn jonkvrouw, wie het was; o, het was de ridder van de heilige Maagd, het was mijn meester. Ik aarzelde geen oogenblik om mijn plicht te vervullen, en beklom den muur. „Voorwaarts, voor St. Jago!” riepen de Spanjaarden. Opnieuw zou de strijd beginnen, en mijn meester zou bijgestaan worden; maar helaas, op het oogenblik, dat ik mij aan zijn zijde vertoonde dat ik post vatte op de lijken van de vijanden, die hij om zich heen had geworpen, ontbrandde het vreeselijke donderkruit in de ijzeren buis, welke de verradelijke ongeloovigen op hem hadden gericht: ik zag het helsche licht... Toen viel ik neer; het was alsof men over mij liep, of ik het geschreeuw van de Spanjaarden nog hoorde, en verloor mijn bewustzijn.

„Gij weent, mijn jonkvrouw,” vervolgde Henri, die een oogenblik gezwegen had. „O, nog moet ik tranen storten, als ik denk aan het oogenblik, toen ik weer bijkwam; ik richtte mij op, en hoorde diep in de voorstad de woeste kreten van de vijanden en het veldgeschreeuw van de Spanjaarden. Ik was met bloed bedekt, en had maar n oog over om mijn meester op te zoeken. O, ik wist, dat ik den witten vederbos had zien zinken, toen ik viel; dat ik den ridder van de Heilge Maagd had zien waggelen, als een toren, den men ondermijnd heeft. Twee voetstappen van mij af, vond ik hem, o, ik kende dat harnas van den goeden meester uit de Vergulde Helm; het was deugdzaam, maar niet bestand geweest tegen wat de verraderlijke vijanden in de duivelsche bus gestampt hadden; – mijn heer was dood!”

„Dood? – O, Frank!” gilde Maria, en viel in den arm van de mater. Toen eindelijk de toespraak van de vrome en deelnemende vrouw haar kracht had doen verkrijgen om opnieuw te vragen, zei de knaap aangedaan: „Waarde jonkvrouw, hij had gebiecht, voordat hij naar den storm ging; hij is gevallen voor het heilige geloof, in den strijd tegen de ongeloovigen, en hij is nu in den hemel; want dezen keer zocht hij den dood niet; ik zweer het op mijn eeuwig welzijn! Sedert hij bij de koningin Isabella en den kardinaal ontvangen was, streed hij niet meer om te sterven. Neen, een edeler doel gaf hem leeuwenmoed; de schoonste prijs van de geheele wereld moest het loon zijn van zijn dapperheid.” Maria snikte luid. Toen vervolgde Henri ernstig: „Eerwaarde moeder, die gouden doos, welke gij daar ziet staan, bevatte eens de geschreven wet van den valschen profeet; mijn meester maakte haar buit, en wierp er het onleesbare geschrift uit. Nu bevat zij een ijzeren doos, waarin het moedige hart van mijn meester is besloten; gij zult de laatste bede, het geschenk van hem, die voor het geloof gesneuveld is, niet verwerpen. De kostbare doos is bestemd voor uw gesticht, en de ijzeren zult gij geen plaats weigeren in de heilige aarde; helaas, waar anders dan hier behoort zijn hart een rustplaats te vinden?”

De regels van het klooster verhinderden de vrome vrouw niet, den knaap dit verzoek toe te staan; hij bracht zelf het hart van zijn meester in de kerk, zette het voor het heilige altaar neer, en vertrok, nadat hij het laatste bevel van zijn heer ten uitvoer, en het laatste vaarwel van dezen aan Maria had overgebracht. „Indien ik sneuvel, zeg dan aan zuster Maria, hoe ik gevallen ben, en smeek haar voor mij te bidden; de Hemel zal het gebed van Maria niet onverhoord laten, en eens zal zij mij met mijn weldoener weerzien,” had Frank gezegd, toen de trompetten den stormmarsch bliezen.

O, die woorden kon zij nooit vergeten. Sedert de knaap den droevigen plicht ten uitvoer had gebracht, beheerschte haar een treurigheid, welke noch het gebed, noch de vermaning en de deelneming van de mater in haar smart konden overwinnen; alleen het besef van haar plichten, de bezoeken van haar ouders, vooral de treurigheid van haar teedere moeders verhinderden haar te bezwijken, en toch vertrouwde zij, dat zijn ziel bij God was. Misschien ook was in het hart van Maria een flauwe schemering van hoop door de liefde levend gehouden, welke nu voor altijd was vernietigd door den dood van den zoo teer beminden jongeling. Helaas, nu eerst had zuster Maria haar Frank verloren; ditmaal had het lieve kind zich niet meer kunnen opofferen om hem te redden, en er bleef haar niets over, dan haar hemelschen Bruidegom dagelijksch te bidden voor de zielen van de twee mannen, die gedacht hadden haar naar het altaar te leiden. Wat Ada, de ongelukkige jonkvrouw betreft, de vlagen van waanzin, die haar nu en dan zoo rampzalig maakten, verlieten haar bijna niet meer, sedert Frank vertrokken was; nooit hadden zij, die haar liefhadden en met medelijden gadesloegen, het geluk om haar verstand zich geheel te zien verheffen boven de nevelen, die haar gedachten omgaven; toch kende zij iedereen. Ook bij haar was de knaap geweest; ook voor haar bracht hij woorden van vrede en vriendschap mede; maar zij kon zich niet verbeelden, dat Frank gevallen was; zij geloofde, dat hij zijn knaap vooruit had gezonden, om haar van zijn aanstaande terugkomst bericht te geven, haar te zeggen, dat hij haar alleen beminde; de ongelukkige! Zij verwachtte haar bruidegom, en hij was reeds dood. De knaap moest bij haar zijn intrek nemen; hij moest door al haar dienaren gehoorzaamd worden; het was de knaap van hun aanstaanden heer. Dagelijksch liet zij hem komen; dan moest hij haar vertellen van de wapenfeiten, die haar Frank in Spanje verricht had – de arme jonkvrouw! Zij was gelukkig, als zij zijn dapperheid vernam, als de knaap haar de onderscheiding verhaalde, waarmee de koning en de koningin haar ridder, haar Frank, ontvangen hadden. Slechts toen na jaren dat schoone lichaam door de koude hand des doods werd aangegrepen, toen keerde, helaas, echter slechts voor korten tijd haar verstand weer; nog eens liet zij den knaap roepen; nog eens vertelde hij haar alles. O, zij begreep hem nu; zij verwachtte nu den bruidegom niet meer; doch zij vergaf hem zijn koelheid. De dood was haar welkom, en zacht sliep zij in; zij durfde hopen hem weer te zien, dien zij beminde en nog liefhad. Een geruste en hemelsch schoone trek zweefde over het marmerwitte gelaat van Ada van Rijn, toen de hand bestierf, waarop Reinoud zijn lippen drukte, en haar oogen, die hem om vergiffenis schenen te smeeken voor het verwerpen van zijn liefde, zich voor eeuwig sloten.

lijn.gif (1832 bytes)

De knaap van heer Jan van Schaffelaar, daarna van zijn vriend, en die zich na zijn terugkomst Henriquez de Ronda liet noemen, gebood oppermachtig in het huis van de jonkvrouw, die sedert Frank het land verlaten had, een eigen huis bewoonde. De verhalen van den knaap Henriquez van de oorlogen en gevechten, welke hij in dienst van zijn twee heeren had bijgewoond, en waarin hij meest als hoofdpersoon voorkwam, wekten steeds de verbazing op van degenen, die hij met zijne toespraak vereerde. Eens echter verstoutte zich een zijner toehoorders, om zijn verwondering te kennen te geven, dat iemand van de gestalte van den knaap die gevechten had kunnen doorstaan, waarbij de daden van de vier Heemskinderen en andere ridders niet te vergelijken waren; maar de knaap aarzelde niet om te antwoorden, dat hij in dien tijd zoo groot was als de grootste man van wapenen, doch dat zijn gestalte tezamen was gevallen; een ongeluk, dat den schoonsten knaap van het leger veel van zijne grootte had benomen, zonder hem echter ernstig te misvormen en waarover de koningin Isabella hem zelfs genadig verzocht had niet te treuren, terwijl de koning, haar gemaal, hem om dit geval te vereeuwigen, den naam van Ronda had geschonken. Het gebeurde wel eens, dat sommige lieden zich meenden te herinneren, dat de knaap van den heer Jan van Schaffelaar altijd klein geweest was; maar hij hield staande, dat zij zich vergisten, en de trouwe knaap, die tot aan zijn dood een goed leven leidde door de goedheid van zijn meesteres, had nooit het verdriet, dat iemand in het huis van de jonkvrouw te weten kwam, dat Henriquez de Ronda en Heintje van den voerman in den Achterkamp n persoon waren.

lijn.gif (1832 bytes)

Heer van Loef van Oosterweerd troostte zich over het vertrek van Frank; wij moeten echter zeggen, dat hij zich verheugde, dat de jongeling genade had verkregen. Zijn zoon Reinoud, die eindelijk, hoewel de ruiter zich verwijderd had, de hoop had moeten opgeven om de liefde van Ada te winnen, zag om naar een gezellin. Hij zocht niet naar geld of schoonheid, maar naar huiselijke deugden; en toch vond hij het hart van een schoone en rijke jonkvrouw, die hem zoo gelukkig maakte, als hij het verdiende. Zijn vader was zeer gestreeld door dit huwelijk, en het ging zijn wenschen te boven; zijn schoondochter was van ouden adel, en hij had het geluk om vr zijn dood een kleinen stamhouder in zijn armen te drukken, en door den dood van zijn nicht haar goederen in zijn huis te zien overgaan. Walter stierf op den dag na dien, waarop heer Loef het tijdelijke met het eeuwige verwisseld had; nog jaren daarna werd zijn dood aangehaald, om te bewijzen, hoe verknocht hij aan zijn meester geweest was, hoeveel rouw de trouwe hofmeester moest hebben gevoeld, maar men wist niet, dat hij alleen gestorven was van hartzeer, omdat al die bedienden, die jarenlang onder zijn ijzeren heerschappij gezucht hadden, hem dienzelfden morgen alle gehoorzaamheid hadden geweigerd, en hij wl wist, dat heer Reinoud van Oosterweerd hem in zijn dwingelandij niet zou handhaven.

Bisschop David van Bourgondi overleed in hoogen ouderdom op zijn slot te Wijk bij Duurstede. Gedurende zijn bestuur, en zelfs onder zijn opvolgers bestond er nog altijd een bende ruiters, die den naam van de Schaffelaars droeg; maar sedert het wereldrijke gebied van het Sticht in 1528 aan keizer Karel den Vijfde werd afgestaan, schijnt die naam verloren te zijn gegaan.

lijn.gif (1832 bytes)

Wat de Vergulde Helm aangaat, wij hebben niet kunnen opsporen, wanneer dit huis zijn uithangbord verloren heeft; de dood van den kundigen wapensmid en het langzamerhand buiten gebruik raken van de zware wapenrustingen, zal wellicht er veel toe hebben bijgedragen, om deze eertijds zoo bloeienden winkel te doen verkoopen. Ook in de Vergulde Helm was de knaap geweest; vergeefs had Wouter echter getracht te vernemen, of hij ook een laatsten groet van Ralph had overgebracht, en of hij den schaapherder had gevonden. De knaap kon niet ontkennen, dat hij eenige dagen op reis was geweest, maar hij gaf voor, alleen naar Barneveld te zijn gegaan. Hij had den meester als een aandenken van Frank een heele Moorsche wapenrusting meegebracht, welke eerst Dirk, en toen de gezellen van de jongens, n voor n, als een vreemdigheid kwamen bezien. De oude Griet beschouwde met afgrijzen die wapens der ongeloovigen, en de buren, die gedurende een geheel schoft de hamers niet in de werkplaats gehoord hadden, dachten dat er een ongeluk gebeurd was. De gezellen lachten om de dunte van de platen, de slapheid van het slagzwaard en om de onvolkomenheid van het harnas, dat het grootste gedeelte van het lichaam onbedekt liet. Doch terwijl de knaap zich gereed maakte, om hun woorden te bestrijden, velde de meester het vonnis, door te verklaren, dat hij nooit het staal zoo deugdzaam en fraai bewerkt had gezien; hij kon niet begrijpen, hoe de ongeloovigen iets hadden kunnen maken, waartoe hij, die een vroom Christenmensch was, geen kans zag. De dood van Frank smartte hem en Martha zeer; nog altijd hadden zij gehoopt hem te zien terugkeeren, om bij hen te blijven. Het huis scheen uitgestorven, sedert Maria weg was: bijna dagelijks bezocht Martha haar dochter. Ook Wouter vergezelde haar dikwijls; maar hoewel hun vreugde verwoest was, maakte de nabijheid van hun kind hen toch gelukkig; en de Hemel bewees hun de gunst Maria niet te overleven. Verder weten wij niets van de Vergulde Helm, dan dat de kleine Snip, omstreeks een jaar na de terugkomst van Henri een makker kreeg, waarmee hij zich zeer goed verdroeg, doch dien hij spoedig door den dood verloor.

lijn.gif (1832 bytes)

Vidal, de knaap van Perrol, had kort na dood van zijn meester de Zwarte Bende verlaten en zich naar Utrecht begeven en wij weten, dat hij Annetje, het kamermeisje van Ada van Rijn liefhad; hij was een geheel ander mensch geworden, sedert de man dood was, wien hij van zijn vroege jeugd aan had leeren gehoorzamen. Korten tijd na het innemen van Utrecht door den Aartshertog, trouwden de jongelieden, en vestigden zich op het land. Vidal had er een tegenzin in om opnieuw het harnas aan te gespen, of een anderen meester te zoeken. Indien wij goed onderricht zijn, kwam er dikwijls in de Vergulde Helm iemand, die op het Hoogland woonde, en bevriend was met meester Wouter, en dien men in Amersfoort gewoonlijk den Zwarten Ruiter noemde. Wij veronderstellen, dat het Vidal geweest is, en herinneren ons een boerenhofstede in die omstreken te hebben hooren noemen met den naam van de Zwarte Ruiter; wellicht heeft de knaap van Perrol met de Roode Hand daar gewoond.

lijn.gif (1832 bytes)

Vergeefs zou men thans in de kerk, welke eenmaal aan den heiligen Odulfus gewijd was naar het graf van Jan van Schaffelaar zoeken; het koper, dat de goede meester zoo kwistig in de blauwe zerk had ingelegd, heeft misschien bijgedragen, om de verwoesting te verhaasten, waarschijnlijk is het gebeente van den dapperen aanvoerder verstoord en heeft plaats gemaakt voor het overschot van een minder edel mensch.

De lezer, die het geduld heeft, om tot hiertoe dit verhaal te lezen, geloove niet, dat Jan van Schaffelaar geen voornaam krijgsman, of meester Wouter geen kundig wapensmid was, omdat het harnas, dat de laatste vervaardigde, en de eerste eenmaal droeg, niet bewaard is gebleven, want onze voorouders waren even zorgeloos als wij met de wapenrustingen van hun helden, om niet meer te zeggen, en wij hebben geen museum van wapenen. Wat nog bestaat van hun wapendos, waarin zoovelen voor hun vaderland stierven, wat niet bij het pond verkocht is of door onachtzaamheid verloren is gegaan, verroest hier of daar op de zolders van een stadsgebouw. Het is waar, een paar harnassen zijn aan deze algemeene verdelging ontkomen; maar zij kunnen het verlangen van den hoogachter van alles, wat het voorgeslacht betreft, niet voldoen; doch er zijn er weinig meer dan twee: het is alsof zij gedoemd zijn, om in het voorvertrek hun opwachting te maken bij de uitheemsche zeldzaamheden. Men heeft ze een plaats gegund; zij kostten ook niet veel, zij waren voor het nemen; kon men minder doen, terwijl men duizenden gaf voor het kostbare poppengoed? Het is waar, de tronie van een mandarijn of van een anderen afgod is lachwekkender dan die oude wapenen; het verguldsel, de zijde en het keurige vernis zijn bevalliger om te zien dan die half verroeste en stroeven wapenrustingen; toch zie ik ze liever.

Gelukkig dat Jan van Schaffelaar niet op den catalogus van een museum behoeft te staan om gekend te worden, dat het bekend zijn van zijn naam niet verbonden is aan het lezen van deze bladeren, welke als een vuur van spaanderen, dat voor een oogenblik helder brandt, spoedig weer in het niet zullen verzinken, maar dat zijn gedachtenis en zijn naam op hechter grondvesten rusten, en dat hij steeds leven zal in het hart van ieder, die zijn edele daad op prijs weet te stellen.

Evenmin zou men thans het graf van Frank kunnen terugvinden. Indien wij wenschten, dat het klooster van St. Aagten nog onaangeroerd bestond, zou het alleen zijn om in de kerk twee of drie zerken te bezien, op elk waarvan vijf letters waren uitgehouwen, en die omstreeks het midden der zestiende eeuw nog naast elkander, ter rechterzijde van het altaar, onder het eerste glasraam lagen: daar rusten zuster Maria en het hart van den ruiter Frank.

De gebeurtenissen, welke eindelijk teweeg hadden gebracht, dat Maria, Wouters dochter, in het klooster was gegaan, hadden de nieuwsgierigheid in Amersfoort opgewekt; ook de schaapherder, die met den helm geboren was, werd daarbij natuurlijk genoemd. De terugkomst van den knaap bleef eveneens niet verborgen, en sedert dien tijd verhaalde men elkander, dat men den schaapherder tegen den avond wel eens in de buurt van het klooster had gezien. Weinigen sloegen echter geloof aan de zaak. Het is echter zeker, dat op den dag vr St. Benedictus-dag, in het jaar onzes Heeren 1488, door een zuster van het St. Aagtenklooster, die gewoon was dagelijks in den vroegen morgen op een graf ter rechterzijde van het altaar, te gaan bidden, een grijsaard werd gevonden, die waarschijnlijk den vorigen avond vr het sluiten van de kerk binnen was gegaan. Hij was dood en reeds koud, en op de grafzerken neergevallen; een hond wachtte zijn meester vr de kerkdeur, en had door zijn gehuil gedurende den nacht, de heele buurt verschrikt. De grijsaard werd op kosten van den vader der St. Aagtenzusters, op de plaats begraven, waar hij gestorven was. Wij durven beweren, dat de grijsaard niemand anders geweest kan zijn, – dan Ralph, de schaapherder.

E.gif (3520 bytes)I.gif (3249 bytes)N.gif (3240 bytes)D.gif (3307 bytes)E.gif (3520 bytes)

lijn.gif (1832 bytes)

De zuster van St. AagtenInhoudopgave OltmansTitelpagina

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

lijn.gif (1832 bytes)